3. Reactie college op concept van provinciale omgevingsvisie
Tekst van het document
Gemeente Almelo
Raadsbrief ter informatie
Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo
Aan de raad van de gemeente Almelo Bijlage 3
Doorkiesnummer
Behandeld door W. Hilbink
Datum 30 september 2024
Onderwerp Reactie college op concept van provinciale omgevingsvisie
Geachte leden van de raad, Op 10 september jl. informeerden wij u over de consultatieronde voor het concept van de nieuwe provinciale omgevingsvisie. Wij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid die ons door de provincie wordt geboden om te reageren op dit concept. In de bijlage bij deze brief treft u in verschillende documenten onze reactie. Het betreffen de volgende documenten: - Een ingevuld reactieformulier - Een aanvullende brief met daarin de hoofdlijnen van de reactie van het college van burgemeester en wethouders van Almelo - Een brief namens de vijf grote steden van Overijssel Wij informeren u wanneer er sprake is van nieuwe stappen in het traject van de provincie om tot een nieuwe Omgevingsvisie voor Overijssel te komen.
Hoogachtend, Burgemeester en Wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester,
J. Dijkstra
Pagina 1 van 1 Raad - 2408453 DCS - 2489066
R.T.A. Korteland
Reactieformulier gemeente Almelo op concept Provinciale Omgevingsvisie Overijssel
1. Hoofdstuk 1: de aanleiding van de Omgevingsvisie Er worden opgaven benoemd en tegelijkertijd worden er heel veel vragen gesteld. Met de Omgevingsvisie moeten deze vragen beantwoord kunnen worden. Er moet ruimte worden geboden voor nieuwe ontwikkelingen, maar tegelijkertijd moeten we het bestaande niet alleen behouden, maar ook versterken en ontwikkelen. Gelet op de omvang van de opgaven en de schaarse ruimte, lijkt dit ons een erg complex uitgangspunt. Er moeten oplossingen worden gezocht voor de hitte in de stad door meer groen aan te brengen, maar we moeten ook (nog) compacter bouwen en verder inbreiden, juist op plekken waar vaak weinig groen aanwezig is en het enige stukje groen bestemd wordt voor die inbreiding. We moeten woningen bouwen en daarbij een variatie aan woonmilieus bieden, waarbij we ook aandacht moeten houden voor een groenstedelijke woonomgeving. Graag zien wij in de POVI (meer) handvatten voor het succesvol oppakken van deze opgaven. Wat kan de rol van de provincie als gebiedsregisseur hierin zijn? Op grond van de Omgevingswet hebben provincies een belangrijke bestuurlijke rol bij het verbinden en regisseren van de opgaven in de fysieke leefomgeving. De provincie gaat (meer) als gebiedsregisseur optreden.
Wat betekent die rol concreet? Wat verandert er ten opzichte van de huidige rol? De provincie gaat sturen op doelen en laat ruimte voor maatwerk en gebiedseigen oplossingen. Wat gaat er hierin concreet veranderen ten opzichte van de huidige manier van werken? “De Omgevingsvisie is alleen bindend voor de provincie, maar geeft wel richting aan nieuwe ontwikkelingen binnen de provincie”. Benadrukt wordt dat het richting geeft, wat impliceert dat op lokaal niveau ruimte bestaat voor ontwikkelingen die afwijken van de provinciale Omgevingsvisie. Wat betekent de binding aan de Omgevingsvisie voor de rol van de provincie bij wijzigingen van omgevingsplannen? Is het provinciebestuur vanwege het bindend karakter van de Omgevingsvisie eraan gehouden een reactieve interventie in te zetten wanneer de met de wijziging van het omgevingsplan mogelijk te maken ontwikkeling niet strookt met de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie? Is de provinciale Omgevingsvisie dan niet impliciet ook bindend voor lokale overheden?
Op een gegeven moment wordt de Omgevingsverordening genoemd en aangegeven wordt dat daar een bijlage bij komt: de Catalogus Gebiedskenmerken. Wij zijn benieuw wat die precies inhoudt en wat hiervan de betekenis wordt? Wat is de reden dat de omgevingsverordening niet ook in concept wordt voorgelegd? Is het bekend wanneer we daar een concept van kunnen verwachten? De manier van regelen in de Omgevingsverordening maakt vaak veel duidelijk over hoe een richting in de Omgevingsvisie geïnterpreteerd moet worden. 2. Hoofdstuk 2: Onze Visie: Overijssel voor en met Elkaar Er wordt een totaalvisiekaart aangekondigd. Wanneer krijgen we deze voorgelegd? Wordt daaruit een prioritering duidelijk? Gesteld wordt dat bij het opstellen van deze Omgevingsvisie door de inwoners van Overijssel aangegeven is wat zij belangrijke waarden vinden. Hoe is dat proces precies verlopen en kunnen daar conclusies uit getrokken worden? Kunt u aangeven of sprake is van een representatief beeld dat in dat proces is opgehaald? In dit kader wordt ook gesproken over inwonergesprekken en reacties op conceptteksten. Kunt u aangeven op welke conceptteksten wij konden reageren? Dat ingezet moet worden op Brede Welvaart is duidelijk. De Brede Welvaart laat met name in de grote steden te wensen over. Verbetering ervan wordt gesteld als doel, maar verder krijgt het relatief weinig aandacht.
Principes als inbreiding boven uitbreiding leggen misschien zelfs meer druk op de Brede Welvaart. Open ruimte in de stad is waardevol voor de aanpak door bijvoorbeeld speel- en sportvoorzieningen te bieden. Er ontbreken in de Omgevingsvisie concrete handvatten voor een effectieve verbeteringsslag voor wat betreft de Brede Welvaart in de steden. “Op dit moment voldoen de inwoners van onze provincie maar voor ongeveer 50% aan de beweegnorm van minstens 150 minuten per week matig intensieve inspanning.” Brede Welvaart staat onder in de redeneerlijn? Heeft het daarmee ook een lagere prioriteit? Inbreiding en het vol(ler) bouwen van de steden zorgt mogelijk juist voor minder bewegingsmogelijkheden. Ook wordt hier genoemd “ontwikkelen met oog voor het bestaande”. Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarisch
cultuurlandschappen wordt als kwaliteitsambitie genoemd. Wat betekent dit concreet? Wat zijn deze kenmerkende structuren precies? Gesteld wordt opnieuw dat ingezet wordt op inbreiding boven uitbreiding en dat uitbreiding alleen mogelijk is als het goed onderbouwd kan worden. Verandert er iets ten opzichte van de huidige situatie? Inbreiding boven uitbreiding is een decennia oud ordeningsprincipe. Uiteraard stelt Almelo dat principe ook voorop. In de ruimtelijke planvorming hanteren we daarvoor de ladderbeoordeling van de provincie. Verandert deze? Moet er meer onderbouwd worden? Wat verandert er concreet? Verder inbreiden - daar is Almelo al jarenlang mee bezig en daar gaan wij voorlopig ook nog zeker mee door (o.a. Spoorzone) – staat regelmatig op gespannen voet met het inzetten op kwalitatief goede woon- en leefmilieus, het over laten van open ruimten en (groene) klimaatadaptatie in de vorm van aanpak hittestress en waterberging. Is verder inzetten op inbreiding op dit moment wel het antwoord op de opgaven die er liggen? Vooral als een uitbreiding ‘natuurinclusief’ en met ‘respect voor de randen’ kan worden gerealiseerd. Zijn er al ideeën over woonmilieus samen met natuurinclusieve boeren. Gesteld wordt dat verdichting niet betekent dat alle open ruimte volgebouwd moet worden, maar waar ligt dan de grens? Er is nauwelijks open ruimte in de stad.
Ook zorgt verdichting in de stad mogelijk voor extra druk op het buitengebied. Hoe ziet de provincie dat? Tegenwoordig loopt de bouw van een op drie woningen vertraging op vanwege bezwaar- en beroepsprocedures. Meer dan vier op de vijf gemeenten geven aan dat hun woningbouwprojecten te maken krijgen met buurtbewoners die bezwaar maken. Vooral bij inbreidingsprojecten ontstaan veel niet te voorkomen procedures vanwege de impact op de omgeving en het grote aantal omwonenden. Aan de andere kant wordt uitbreiding van steden impliciet ontmoedigd en moet met de redeneerlijn een uitzondering gecreëerd worden. Procedures zouden mogelijk soepeler lopen wanneer de provincie in de omgevingsvisie ook voor uitbreidingsplannen meer basis biedt. Zeker omdat duidelijk is dat niet de gehele woningbouwopgave binnen de stadsgrenzen kan worden ingevuld. Gesteld wordt dat bij uitbreiding rekening moet worden gehouden met de verdeling van functies over de hele provincie. Wat betekent dit concreet?
Wat wordt precies verwacht van de stedenbouwkundige visie op ontwikkeling of stedenbouwkundig plan die van de gemeenten wordt gevraagd? Hoe moet dat proces lopen en wat is de rol van de provincie? Zorgt dit stedenbouwkundig plan voor de onderbouwing van de afweging die gemaakt moet worden tussen verdere inbreiding en uitbreiding? Gesteld wordt dat: “uitbreiding van bebouwing in het landelijk gebied bij voorkeur plaats vindt binnen bestaande erven of aansluitend op bebouwd gebied. Hierbij kan als eis gesteld worden dat (elders) opstallen gesloopt worden en verharding wordt verwijderd. Hierdoor blijft het bebouwde en onbebouwde gebied met elkaar in balans.” Verschilt dit van de huidige lijn die wordt gehanteerd? Zo ja, op welke punten? “Goede woon-, werk- en leefomgevingen, en variatie daarin, draagt bij aan het welzijn van onze inwoners”. Inbreiding boven uitbreiding als ordeningsprincipe onderschrijft Almelo, maar om deze doelen te bereiken is uitbreiding onontkoombaar. Zeker gelet op de overige opgaven zoals de woningnood en klimaatadaptatie. Wij nodigen de provincie van harte uit om samen met ons daar invulling aan te geven.
Ingezet wordt op: “Een regionale aanpak waarin we de drie Overijsselse Daily Urban Systems versterken en daarbij ruimte bieden om te bouwen voor lokale behoefte.” Wat moet hier precies onder worden verstaan? “We zetten de Daily Urban Systems centraal in onze aanpak. Dat doen we onder andere door het opstellen van verstedelijkingstrategieën.” Gaat de provincie verstedelijkingsstrategieën opstellen en hoe gaat dat proces precies lopen? “Zwolle en Deventer bevinden zich in het economisch kerngebied van Nederland”. Waar ligt precies de grens van het economisch kerngebied? En hoort Twente daar inmiddels niet bij? Vooral in de laatste jaren is deze grens steeds verder opgeschoven en zijn afstanden steeds kleiner geworden. “Het stimuleren van het STOMP-principe binnen de steden draagt bij aan de leefbaarheid en bereikbaarheid vanuit het landelijk gebied van de centrale voorzieningen in de steden.” Kan dit nader toegelicht worden? STOMP is relevant binnen alle kernen en gebieden, overal op de ‘eigen’ schaal. Zo kan in het landelijk gebied en in de kleinere kernen deelmobiliteit (‘M’) juist een alternatief zijn voor de eigen auto. Daarnaast kan deelmobiliteit juist daar, waar OV altijd een zwakke positie zal hebben, bijdragen aan het voorkomen van vervoerarmoede.
“Aan de randen van de steden faciliteren we de overstap van privéauto naar andere vormen van mobiliteit zoals OV, fiets, lopen en deelmobiliteit.” Betekent dit dat in de kernrandzones “overstaplocaties” ingepast moeten gaan worden? Almelo vindt het inrichten van mobiliteitshubs een prima voornemen. Hiervoor is wel integrale planvorming nodig waarin zeker ook een actieve rol voor de provincie is weg gelegd in een intensieve samenwerking met o.a. gemeenten en vervoeraanbieders. Ook betekent dit overigens dat het OV voldoende frequent moet rijden (ochtend en avond) en niet alleen naar centra en ziekenhuis, maar bijvoorbeeld ook naar de bedrijventerreinen. Op pagina 43 gaat het over de verbindingen met de rest van Nederland en het buitenland. Hierbij wordt niet gemeld dat veel hoofdwegen (A28, N35, N36/N48 en N18) niet de gewenste kwaliteit hebben en ook veel spoorverbindingen (Zwolle-Twente-Münster, Twente-Emmen-Groningen, IC Twente-Randstad (ATD) en de verbinding Twente-Arnhem/Nijmegen en verder naar Zuid-Nederland) ondermaats zijn. In het kaartmateriaal komt het belang van de hoofdwegen en spoorlijnen naar andere landsdelen en het buitenland onvoldoende naar voren. Op de visiekaart ontbreken de N36/N48 en N18 en de NSL. Graag zien wij een visie op het verknopen van de Overijsselse DUSsen (en zeker de Twentse DUS) met andere landsdelen en Duitsland.
“We zetten in deze aanpak zorgvuldig ruimtegebruik centraal (zie hiervoor paragraaf 2.6.). Dit gaat over inbreiding boven uitbreiding en meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Dit is belangrijk, want buiten het bestaande bebouwde gebied vragen ook andere uitdagingen en opgaven om ruimte. Denk hierbij aan de ruimtevraag voor de landbouw, natuur, drinkwaterwinning, waterberging, recreatie, etc.” Ook binnen bebouwd gebied vragen andere uitdagingen en opgaven om ruimte. Gaan we daar anders mee om? Er wordt gesproken over geconcentreerde groei van steden. Wat wordt hier precies mee bedoeld? Kleine kernen mogen bouwen voor lokale behoefte. Betekent dat dat er ook (sociale) huur wordt gerealiseerd in de kernen? Seniorenwoningen? Nu zien we in de praktijk hoofdzakelijk nieuwbouw van (middel)dure koopwoningen in de kernen. Draagt de provincie bij om dit soort projecten exploitabel te krijgen? Bouwen kleine kernen bijvoorbeeld ook voor bijzondere doelgroepen?
Op meerdere plekken valt te lezen dat de bestaande situatie, waarden en kenmerken belangrijk zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen moet er oog zijn voor het bestaande. Soms staat er: de bestaande waarden en kenmerken moeten worden behouden en versterkt, op andere plekken staat weer dat er rekening gehouden moet worden met de bestaande situatie. Of is dat afhankelijk van de locatie, bijvoorbeeld binnen of buiten de bebouwde kom? Er moet altijd rekening gehouden worden met bestaande kwaliteiten. Dat lijkt niet nieuw. Of hangt er nu een grotere beschermende status aan bestaande kwaliteiten? Moeten we de lijn aanhouden dat overal ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen, indien onderbouwd kan worden hoe de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteitsambities van de Rode Draden, maar dat het nooit ten koste mag gaan van bestaande waarden en kenmerken? Het is mogelijk dat een ontwikkeling een verandering teweeg brengt in de bestaande situatie. Te lezen valt dat in dat geval “onderbouwd moet worden hoe de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteitsambities van de Rode Draden.
Hierbij moet ingegaan worden op Ruimtelijke kwaliteit (bij voorkeur toevoegen, minimaal in balans blijven), Sociale kwaliteit, Gezondheid en Duurzaamheid.” Over het onderstreepte deel: op welke manier zijn dan bijvoorbeeld windturbines in te passen? Is het niet zo dat in sommige gevallen een ander belang zwaarder kan wegen dan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse? In de ruimtelijke ordening gaat het over belangen afwegen. Door te stellen dat één belang leidend is, is het niet mogelijk dat zorgvuldig te doen. “Voor de verbetering van de lokale en regionale mobiliteit richten we ons op de DUS-regio’s Zwolle, Stedendriehoek en Twente en de gebieden daarbinnen waarbij stad en land beter met elkaar verbonden zijn. We hechten veel waarde aan goede (inter)nationale verbindingen en willen de bestaande mogelijkheden hiervoor optimaal benutten.” Hebben we het dan met name over het openbaar vervoer? Voor wat betreft het toekomstperspectief voor de landbouw wordt ingezet op: • Zuinig omgaan met ruimte en grond voor de landbouw; • Duidelijkheid bieden over ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw door onderscheid te maken tussen ‘landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen’ en ‘landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor klimaat, water en natuur’.
Wat wordt precies verstaan onder het zuinig omgaan met ruimte en grond voor de landbouw? Welke maatregelen kunnen daar bij horen?
Ten noorden van Almelo is een groot gebied aangemerkt als landbouwgebied met generieke opgaven en kansen. Gelet op waarop ingezet wordt - duidelijkheid bieden - welke ontwikkelingsmogelijkheden zijn er op deze gronden voor de landbouw? En zijn daar dan functies anders dan landbouw uitgesloten? “Landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen. Dit zijn landbouwgebieden die vanuit de aanwezige omgevingscondities geschikt zijn voor landbouw.” Op het kaartbeeld Landbouw wordt aangegeven waar deze gebieden zijn gelegen. De situering/begrenzing daarvan komt niet overeen met waar zandgronden met wateraanvoer zijn gelegen, zoals aangegeven op het kaartbeeld Gebiedstypen. Welke omgevingscondities hebben precies bepaald waar welk landbouwgebied passend is? Ingezet wordt op biodiversiteit binnen Natura 2000 gebieden en het NNN. Betekent dit dat uitsluitend in die gebieden ingezet wordt op verbetering van biodiversiteit? Wij vinden biodiversiteit ook in andere gebieden belangrijk. Hoe wordt omgegaan met stoppende boeren die in een landbouwgebied met generieke opgaven en kansen zitten. Wat zijn voor hen de mogelijkheden behalve hun bedrijf/de grond aan een andere boer verkopen? 3. Hoofdstuk 3: Leidende principes en Redeneerlijn.
Het hart van onze omgevingsvisie Klopt het dat van gemeenten een stedenbouwkundig plan/visie wordt gevraagd waarmee (samen) de afweging kan worden gemaakt tussen inbreiden en uitbreiden om te bepalen hoe wij als stad invulling kunnen geven aan onder meer de woningbouwopgave? En betreft dat dan een stedenbouwkundig plan voor de hele stad/gemeente of per ontwikkeling? Dit stedenbouwkundig plan voor Almelo betreft dan een ruimtescan en kan bevatten: - Mogelijkheden inventariseren sloop, herbestemming of transformatie - Integrale visie op de openbare ruimte - Visie op hoger bouwen - Analyse van de kwalitatieve woningbouwvraag - Visie op het principe van nabijheid - Groenblauwe hoofdstructuur - Aandacht voor natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie - Analyse van ruimte binnen bestaande erven - Analyse van het water- en bodemsysteem in de gemeente
“Een voorbeeld is dat we geen zonnevelden willen op agrarische en/of natuurgronden. Deze zonnevelden nemen namelijk een te groot oppervlak van de landbouwgronden in beslag.” Betekent dit dat nieuwe zonnevelden langs de grote(re) verkeersaders alleen mogelijk zijn op niet-landbouwgronden? “Een onderdeel van zorgvuldig ruimtegebruik is ook meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Als een gebied of locatie bijvoorbeeld meerdere functies kan hebben, dan geven wij daar voorrang aan boven gebruik van een gebied of locatie voor maar één doel.” Geldt dit zowel binnen als buiten de bebouwde kom? Almelo Noord is aangewezen als een landbouwgebied met generieke kansen en opgaven. Is daar meervoudig ruimtegebruik uitgesloten? Zijn daar functies uitgesloten anders dan landbouw? “Gemeenten stemmen onderling op basis van programmeringen af waar nieuwe ontwikkelingen plaats kunnen vinden.” Wat wordt hier precies mee bedoeld en hoe ziet dat proces eruit? Almelo is een kern die voor een groot deel, zeker Almelo Noord, is gelegen in een gebied met gunstige omstandigheden voor de landbouw. Dit beperkt de mogelijkheden om in die richting buiten de kern de resterende woningbouwopgave in te vullen.
Klopt het dat de Omgevingsvisie aangeeft dat er wat dat betreft een uitzonderingsmogelijkheid bestaat mits de ontwikkeling binnen de DUS-regio is afgestemd en inzichtelijk gemaakt kan worden dat de voorgenomen functie niet elders ontwikkeld kan worden op een locatie waar zich geen functies die gebonden zijn aan natuurlijke omstandigheden bevinden? Gesteld wordt in het kader van een vitale bodem dat onder andere extra verontreinigingen van de bodem worden tegen gegaan. Daarmee wordt bedoeld dat niet verontreinigd wordt. Emissies naar water en bodemsysteem worden beperkt. Wat betekent dit voor de opslag van afvalwater in Twentse bodem? De Redeneerlijn. Hoe moeten wij de verticale balk met afwegingsruimte zien? Betekent meer afwegingsruimte, wanneer we verder onder in de lijn zitten, dat er veel lokale afwegingsruimte is of alleen meer dan geen? Kan daar meer duidelijkheid over worden gegeven? Misschien door voorbeelden op te nemen waarmee duidelijk wordt hoe de redeneerlijn in de praktijk uitpakt. Zijn meer botsproeven mogelijk? Wellicht dat de provincie dit samen met de gemeenten in sessies kan oppakken? Bij maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering wordt aangegeven dat voor ieder van de vier gebiedstypen en het bebouwde gebied
richtinggevende uitspraken zijn opgesteld. Op welke uitspraken wordt dan precies gedoeld? Op pagina 62, wordt gesproken over “onze sterke netwerken waarbij we aandacht hebben voor snelheid en doorstroming”. Wij missen hier nog het aspect (verkeers)veiligheid. Eerder is al gesteld dat bepaalde mobiliteitsnetwerken (weg en spoor) verbeterd kunnen worden. Dit geldt ook voor het fietsnetwerk. Het toenemende aandeel van de elektrische fiets in de mobiliteit laat zien dat het zeer kansrijk is om juist daar in te investeren, juist vanuit het STOMP-principe.
4. Hoofdstuk 4: Werken aan brede welvaart met Rode Draden “Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken. Een belangrijk onderscheid vanuit beleving is die tussen rust en drukte, tussen gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is en gebieden waar het licht nooit uit gaat. Dit contrast willen we versterken door hoog dynamische ontwikkelingen te concentreren rondom bestaande hoofdinfrastructuur, stedelijk gebied en bedrijventerreinen.” Zo wordt het contrast als doel gesteld. Lichtvervuiling moet overal tot een minimum worden beperkt. Dit kan wellicht anders geformuleerd worden. De opgenomen kwaliteitsambities per Rode Draad zijn te algemeen en vrijblijvend geformuleerd. Doelen horen geformuleerd te worden met een -erformule. Bij de sociale ontmoetingsplekken worden als voorbeeld genoemd lokale dorpshuizen, kulturhusen en multifunctionele accommodaties. Dit zijn echter termen die vooral passen in dorpen. In steden hebben we het vaak over wijkgebouwen of wijkaccommodaties. Juist deze ontmoetingsplekken moeten meer aandacht krijgen in de DUS-regio’s omdat de sociale samenhang hier vaak aandacht nodig heeft. Kan dit worden meegenomen? 5. Hoofdstuk 5: Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring. Van visie naar Praktijk Met de nieuwe rol van de provincie als gebiedsregisseur lijkt er minder lokale afwegingsruimte te zijn.
Gelet op de basisgedachte “decentraal, tenzij”, is dat een onjuiste veronderstelling? Zo ja, kan dit vanuit de provincie worden toegelicht? In de samenvatting wordt op pagina 8 gesteld dat in de Omgevingsvisie een denkwijze is uitgewerkt die duidelijk maakt hoe de provincie prioriteert, weegt en waar mogelijk ruimte laat voor lokale eigen bestuurlijke afwegingen. Daar lijkt het
uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” enigszins los te worden gelaten. Is dat een juist inzicht? “We maken afspraken over hoe we samenwerken, passen het geleerde toe en geven dit een plek in onze overleggen, zoals het Inter Bestuurlijke Toezicht”. Wat betekent dit specifiek voor het IBT? Betekent dit dat specifieke elementen uit de Omgevingsvisie sturend worden voor het IBT? Kan daar een toelichting op worden gegeven? En aan welke andere overleggen naast het IBT moeten we dan denken? 6. Onderdeel Water, bodem en klimaatadaptatie Provinciaal doel is “een robuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem, waarmee we door water vast te houden, vertraagd af te voeren en te bergen, onze zoetwatervoorraad op orde hebben”. Hoe gaat de provincie hierop sturen? Wordt er een provinciaal Waterplan of specifiek programma voor opgesteld? Wordt er ook een kaartbeeld Water opgesteld, waarop de gebieden die kwetsbaar zijn zichtbaar zijn en waar bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een zwaardere inspanning wordt gevraagd om klimaatadaptief te zijn? “We willen op deze kwetsbare plekken bij renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur de locatie of het ontwerp heroverwegen.” Wat wordt hier precies verstaan onder “heroverwegen”? 7.
Onderdeel klimaatmitigatie en energie(transitie) Hoe wil de provincie de genoemde en geconcretiseerde doelen en opgaven voor wat betreft dit onderwerp borgen? Wordt dat vastgelegd in de Omgevingsverordening? Wie wordt verantwoordelijk gemaakt voor het behalen van deze doelstellingen? We zien hier niets terug over het stimuleren van circulaire bouw. In z’n algemeenheid missen we voldoende houvast voor het maken van ruimtelijke afwegingen. Wat mist onder ‘ambities’ is het verduurzamen/aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving, ook wel de warmtetransitie genoemd. Onder ‘doelen en opgaven’ moet benoemd worden dat een afspraak uit het klimaatakkoord is om in 2050 de gebouwde omgeving aardgasvrij te hebben. Aan ‘strekking van het beleid’ kan dan toegevoegd worden: de provincie is aan zet om te werken aan bovenlokale energiesystemen door middel van de ontwikkeling
van warmtenetten en aan warmte-koude opslagsystemen en geothermiebronnen. Het samen met stakeholders opzetten van een publiek warmtebedrijf om de bovenlokale energiesystemen sturing te geven. Inzet op het tegengaan van energiearmoede in met name kwetsbare wijken en ondersteuning bij het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed. Een visie op het ondergrondse ruimtegebruik lijkt te ontbreken. In de concept energievisie wordt gesproken over ‘energie-eilanden’. Dat woord kunnen we in de omgevingsvisie niet terugvinden, oftewel, de energievisie lijkt nog af te moeten worden gestemd met de omgevingsvisie. Met name ook het benoemen van ‘kernenergie’ heeft nadere toelichting nodig omdat de ruimtelijke impact enorm is. Het hanteren van de omgevingseffectrapportage (OER) voor het aanwijzen van gebieden waar windenergie mogelijk zou zijn moet eventueel later nog bijgesteld worden. Hiervoor is een project-MER (dat bij een initiatief voor wind nog moet komen) nodig. Dan wordt pas duidelijk wat wel en niet kan. Dus onzeker of de doelstellingen duurzame energieopwekking hiervoor gehaald gaan worden. 8. Onderdeel Landbouw en Voedselvoorziening “In onze provincie willen we een bijdrage leveren aan de wereldvoedselvoorziening. Voedselzekerheid houdt in dat er gezond en goed voedsel is voor iedereen.
In onze provincie willen we een bijdrage leveren aan voedselzekerheid vooral voor ons eigen land en de landen om ons heen zoals Duitsland, België, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk;” Sluit dit aan op de Europese doelen en Rijksdoelen en de Nota Ruimte? 9. Onderdeel Natuur en Landschap “Wij willen onze natuur en biodiversiteit duurzaam beschermen, beleven en benutten, en natuur en landschap dichter bij mensen brengen. Dit willen wij zowel binnen als buiten de natuurgebieden, in de groene omgeving én in het bebouwde gebied.” Wij zijn blij dat dit zo nadrukkelijk is opgenomen in de provinciale omgevingsvisie. Natuur beschermen in het bebouwde gebied is evenwel een uitdaging als ditzelfde gebied zoveel inbreiding vraagt. Hoe verhoudt woningbouw en verdichting zich met behouden van natuur?
De Europese natuurherstelwet wordt nog niet genoemd in de POVI. Hoe gaat de provincie hier uitvoering aan geven? Gesteld wordt: “We willen landgoederen binnen onze provincie behouden en versterken”. Betekent dat dat toevoegen van bijvoorbeeld woningen niet plaatsvindt binnen die landgoederen? Onder Provinciale doelen en opgaven lijken de eerste twee interbestuurlijke opgaven als feit benoemd te worden, alsof het al (voldoende) gerealiseerd is. Nu staat er: • Overijsselaren voelen zich meer verbonden met de natuur dichtbij en weten wat zij zelf kunnen doen om de natuur een handje te helpen (Programma Natuur voor Elkaar); • Er is meer groen toegevoegd in alle steden en dorpen in Overijssel en kwaliteit van groen in de groene omgeving is toegenomen. Daarmee is de kwaliteit van onze algemeen voorkomende natuur toegenomen; groen dat bijdraagt aan meer biodiversiteit, klimaatopgaven, sociale cohesie en gezondheid (Programma Natuur voor Elkaar); Er is in de afgelopen jaren al wel een mooie start hiermee gemaakt, maar het is nog niet afgerond? Het programma Natuur voor Elkaar krijgt nog wel een vervolg.
Wellicht kan het beter vervangen worden door: • Blijven investeren zodat Overijsselaren zich steeds meer verbonden voelen met de natuur dichtbij en weten wat zij zelf kunnen doen om de natuur een handje te helpen (Programma Natuur voor Elkaar); • Toevoegen van groen in alle steden en dorpen in Overijssel en toename van kwaliteit van groen in de groene omgeving. Daarmee neemt de kwaliteit van onze algemeen voorkomende natuur toe; groen dat bijdraagt aan meer biodiversiteit, klimaatopgaven, sociale cohesie en gezondheid (Programma Natuur voor Elkaar); 10. Onderdeel Cultureel erfgoed 11. Onderdeel Verstedelijking Onder voorwaarden kan een kern meer bouwen dan de lokale behoefte. Goed dat de voorwaarde wordt gesteld dat het in de regionale functie een toegevoegde waarde moet hebben. Wanneer heeft het een toegevoegde waarde in regionale functie? Belangrijk uitgangspunt hierbij is de verstedelijkingsopgave. Regio meer in balans. Prima als er dan meer sociale huurwoningen gebouwd worden in de gehele regio. Wat wordt bedoeld met “aanvullende bovenregionale groei vangen we op in de steden”?
“We zetten in op het ontwikkelen van drie verstedelijkingsstrategieën die de basis vormen voor regionale afspraken.” Welke drie strategieën worden hier bedoeld? “We streven naar zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Mede aan de hand van de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.” Deze ladder wordt ook nu al gehanteerd bij de beoordeling van ontwikkelingen. Gaan er aanpassingen plaatsvinden aan de ladder? 12. Onderdeel Wonen In de brief aan de minister in het kader van de Woondeal geeft de provincie aan dat in andere Overijsselse gemeenten aanzienlijk minder nieuwe sociale huurwoningen zijn gebouwd dan in de steden. Daar is slechts 16% van de nieuwe woningen in het bezit van sociale verhuurders: dat is bovendien ook minder dan hun aandeel in de bestaande woningvoorraad van 2012 (23%). De sociale huur concentreert zich dus steeds meer in de grote steden en neemt af in de rest van Overijssel. “Voor nieuwe woningbouwplannen streven wij naar een verdeling van 30% sociale huur, 40% middenhuur en betaalbare koop en 30% dure woningen.” Deze regel is een prima basisregel voor nieuwbouwlocaties, brede welvaart principe (sociaal economische balans) en een goed begin voor gemeenten die minder dan 30% sociale woningbouw in hun woningvoorraad hebben.
Voor gemeenten die onder de landelijke norm sociale woningbouw gemeente breed zitten is een hoger percentage wenselijk zodat hun woningvoorraad in lijn komt met het voorgenomen rijksbeleid. Het rijk geeft aan dat gemeenten met een groter aandeel dan landelijk gemiddelde sociale woningbouw gemeente breed in moeten zetten op meer middensegment. Almelo zet daar ook op in. De 30% sociale woningbouw bij nieuwbouw is afhankelijk van de stadsbrede schuifpuzzel (stad, wijken en regio in balans). Met het leggen van deze stadsbrede puzzel willen we bijvoorbeeld met herprogrammeringsafspraken met corporaties ook op stadsniveau naar 30-40-30 bewegen. De realisatie van huisvesting voor bijzondere doelgroepen in kleine kernen zou juist gestimuleerd moeten worden. Nu worden er veel voorwaarden aan verbonden. Gelet op de brede welvaart in de steden lijkt het verstandig kwetsbare functies meer te spreiden. “Woningbouw in VAB is ook onderdeel van de afspraken in de woondeals. Dit kan, mits de landbouwfunctie het toestaat.” Betekent dit dat woningbouw in VAB niet mogelijk is binnen landbouwgebieden met generieke kansen en opgaven? En als
dat het geval is, wat doen we dan met stoppers in dat gebied. Welke mogelijkheden hebben zij? “Om sneller meer woningen te kunnen realiseren en te zorgen voor doorstroming, kunnen er ook flexwoningen gebouwd worden. Flexwonen is meer dan tijdelijk gebruik van locaties.” Wat wordt hier precies mee bedoeld? 13. Onderdeel Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek De uitgangspunten voor het onderdeel Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek passen bij de beleidskaders die Almelo lokaal ook aanhoudt. Wat betreft deze kaders heeft Almelo in april 2024 de Economisch Ruimtelijke Visie 2040 vastgesteld. In deze visie spreken we onze behoefte uit aan 145 ha ruimte voor het bedrijfsleven, hoofdzakelijk voor de dragende sector techmaakindustrie. Daarvan is 75 hectare voorzien op de beoogde locatie voor het Businesspark XL-2. In het voorzien van de additionele ruimtebehoefte gaat volgens onze kaders eveneens inbreiding voor uitbreiding. Mede door te richten op hoog- en diepbouw op bestaande werkterreinen. In de Povi wordt Xl 1 gerelateerd aan de logistieke sector. Echter: De profilering van X-1 is industrie. Met daarbij een deel logistiek en transport, die door haar bebouwing dominant lijkt op dit terrein. Het economische watermerk van Almelo en Twente en haar bedrijventerreinen is (high) tech maak industrie.
Voor Xl-2 als grootschalige nieuwe bedrijventerrein (kavels > 3 ha) is de regionale meerwaarde aangetoond. Zie de stukken van de regionale programmeringsafspraken. De gemeenten in Twente zijn het eens over de toekomstige tech-profilering van het beoogde terrein. Dit mag in de Povi wat krachtiger benoemd wordt. Almelo heeft een lokale arbeidsmarktstrategie. Met veel aandacht voor (onbenut) talent. En internationaal talent. Het bedrijfsleven heeft door de schaarste op de arbeidsmarkt daar dringend behoefte aan. We moeten deze mensen goed onderdak bieden. En dus een extra ruimtevraagstuk. Dat wordt in de toekomst voor de grote steden een belangrijk punt. Ondernemers worden vanwege de krapte op de arbeidsmarkt steeds afhankelijker van buitenlandse werknemers. Dit heeft geleid tot een huisvestingsvraagstuk. Voor gemeenten leidt het veelal tot ongewenste woonsituaties en verstoorde woonomgevingen en voor ondernemers wordt het steeds moeilijker om werknemers te vinden, omdat er een tekort aan
woonplekken aan het ontstaan is. We zien dat de provincie Overijssel stappen zet om hierin tot oplossingen te komen. In de Omgevingsvisie zien we niet veel terug over dit onderwerp. De gemeente Almelo heeft hierin een verantwoordelijkheid gepakt en neemt in de aanpak een nadrukkelijke rol in, maar ziet dat ook graag breder en regionaal opgepakt. Almelo ziet in de Omgevingsvisie graag een visie terug op dit onderwerp en ziet graag een meer nadrukkelijke rol van de provincie bij de (coördinatie van de) aanpak van dit probleem. 14. Onderdeel Mobiliteit en luchtvaart Het verkeersbeleid in ons land levert veel opgaven. Opgaven die moeilijk zijn aan te pakken. In de huidige versie van de Omgevingsvisie missen wij een duidelijke handreiking van de provincie. Hoe pakken we concreet samen de opgaven op? Opgaven en ambities die al complex genoeg zijn en lijken op vlakken tegenstrijdig: Schone mobiliteit en nul verkeersdoden lijkt een onmogelijke opgave. Schone mobiliteit is naast te duur, vanwege eigenschappen als stil en snel, juist niet altijd verkeersveilig. Nul verkeersdoden is niet realistisch. Met schone (lees stille) en snelle mobiliteit én het toelaten van meer voertuigcategorieën (bv. fatbikes en elektrische stepjes) lijkt deze ambitie ver weg. Nul verkeersdoden en ontbreken handhaving.
Bij verkeersveiligheid wordt vermeld dat naast infrastructurele en technologische maatregelen ook gedragsverandering en bewustwording van belang is. Dat klopt, maar wij zien hier graag ook nog een verwijzing naar meer handhaving. Graag zien wij een provinciaal standpunt over het belang van meer handhavingscapaciteit. Minder automobiliteit en achteruitgang dienstverlening bus en trein. Gaat de provincie Overijssel (als opdrachtgever openbaar vervoer) meer investeren in het verbeteren en vooral ook goedkoper maken van het openbaar vervoer? Er lijkt een financiële injectie nodig zodat het openbaar vervoer een reëel alternatief wordt voor de auto. Voor Almelo is het cruciaal dat er wordt ingezet op verbetering van de spoorinfrastructuur en -verbindingen en zien wij daarin graag een actieve rol van de provincie. Spoorinfrastructuur heeft alleen maar nut als er ook genoeg treinen over rijden. Schone mobiliteit en luchtvaart. Luchtvaartuigen zijn per definitie niet schoon. Provinciale ambities op dat vlak missen in de Omgevingsvisie. De paragraaf hierover sluit niet aan bij de ambities gericht op schone mobiliteit, duurzaamheid, klimaat e.d. 15. Onderdeel Vrije tijd, recreatie en toerisme We hebben van de Provincie Overijssel in juli 2024 een Rapportage VTE Ruimtescan Provincie Overijssel ontvangen. Uit deze scan bleek een tekort aan overnachtingsmogelijkheden, vooral in de steden.
Het aantal overnachtingen is in
2022 8.395.000 en dat groeit tot 2030 naar 9.400.000. Dit is een groei van 12% tussen 2022 en 2030. Provincie Overijssel spreekt van een additionele ruimtevraag - wat betreft overnachtingsmogelijkheden - van ongeveer 275 ha voor heel Overijssel. Bevat de POVI de ruimte die volgens het provinciale rapport aan behoefte wordt geconstateerd? Voor wat betreft het Almelose aandeel kunnen deze uitkomsten enigszins gerelativeerd worden. Almelo is met Preston Palace, het Theaterhotel, het Huis van Bewaring, camping Het Grasbroek en Erve Henderikshoeve goed voorzien van overnachtingsmogelijkheden. Voor de Spoorzone is een onderzoek uitgevoerd door SWECO Nederland B.V. In Almelo is ruimte voor een hotel met een minimale omvang van 100 kamers en een maximum van 150 kamers. Eventueel gecombineerd met leisure, wonen, en/of short stay accommodatie. In het najaar van 2024 vindt een marktconsultatie plaats. Uit deze scan blijk tevens een tekort aan recreatieplaatsen. Zwolle, Kampen, Almelo, Borne, Zwartewaterland en Hengelo hebben een tekort van een kleine 15.000 recreatieplaatsen in 2040. Dit komt overeen met ongeveer 1670 hectare groen- en natuurgebied of 167 km wandelpad. Kijkend naar inwonersaantallen komt dit voor Almelo indicatief neer op ongeveer 150 hectare. Tellen we daar de nieuwbouw aan woningen bij op dan wordt de behoefte nog hoger.
Per nieuwbouwwoning zou tussen de 350 en 500 m2 buitenstedelijk natuur- en recreatieterrein beschikbaar moeten zijn. Met de bouw van 4400 woningen tot 2030 betekent dat voor Almelo tot 2030 een opgave van 220 hectare. Bevat de POVI de ruimte die volgens het provinciale rapport aan behoefte wordt geconstateerd? 16. Onderdeel milieu en (milieukundige) gezondheid 17. Onderdeel Sociale kwaliteit en (positieve) gezondheid 18. Heeft u met de kaderstellingen zoals omschreven in de beleidsuitwerking uit hoofdstuk 6 nu voldoende om afwegingen te kunnen maken of tot gebiedsgerichte keuzes te kunnen komen? Nee, nog niet voldoende. Waarom heeft u onvoldoende kaderstellingen? De kaderstellingen zijn over het algemeen te abstract en niet concreet genoeg. Dit leidt tot onzekerheid. Ruimte voor maatwerk is goed, maar er moet wel sprake zijn van een voldoende heldere lijn. Ook mag er meer inzicht worden gegeven in de mate van lokale afwegingsruimte? Wij willen de provincie graag uitnodigen om
die helderheid voor Almelo te creëren door samen botsproeven uit te voeren om te kijken hoe de verschillende opgaven en ruimteclaims in Almelo kunnen landen. 19. Wilt u een reactie geven op de kaartenbijlage? Op de kaart Verstedelijking worden de kernrandzones aangegeven. In de Omgevingsvisie komt nergens de term kernrandzone voor. Wat is de reden voor het opnemen van de kernrandzones op de kaart? Wat is er binnen deze zones precies wel en niet gewenst? De rijkswegen N18 en N36 en de N34 ontbreken in het kaartbeeld van de visiekaart. Deze hoofdwegen zijn net als de wel weergegeven wegen A1, A28, A32, A35/N35, A37 en A50/N50 belangrijk voor de verbindingen met andere landsdelen. Wat is de waarde van de kaarten? Hoe moeten ze worden geïnterpreteerd? Indicatief of kaderstellend?
20. Wilt u een reactie geven op de gebiedseigen perspectieven? Goed dat de RSIA benoemd wordt. In dat kader is het ook van belang dat bovenregionale opgaves ingevuld worden en dat daar ruimte voor gecreëerd wordt. Rondom de verstedelijkingsstrategie trekken we hierin gezamenlijk op. Deze constructieve lijn willen we graag voor de toekomst bestendigen. Voor het bebouwde gebied zetten we regio samenwerking en verstedelijkingsstrategieën voor de drie DUS-regio’s centraal. De verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle geeft richting aan de groei van wonen en werken in de regio, in relatie tot mobiliteit, klimaatverandering en de energietransitie. Voor de regio’s Stedendriehoek en Twente worden momenteel verstedelijkingsstrategieën opgesteld. De verstedelijkingsstrategieën zijn daarnaast input voor het proces dat samen met het Rijk doorlopen wordt in het kaders van het Programma NOVEX en de Nota Ruimte. Onduidelijk is wat de gebiedseigen perspectieven in deze vorm precies bijdragen. Het lijkt een beschrijving van bestaande kenmerken en lopende projecten/concepten. Hier kan/moet veel meer uitgehaald kunnen worden om ter inspiratie te dienen. Misschien een streefbeeld schetsen van hoe de windstreken eruit kunnen zien wanneer de doelstellingen bereikt worden. Mooie combinaties van functies en meervoudig ruimtegebruik.
Hoe in het buitengebied de landbouw met de natuur en energiemaatregelen wordt verenigd, compacte leefbare steden met voldoende ruimte voor sport en spel en een efficiënt STOMP-vriendelijk mobiliteitsnetwerk. Etc.
In het perspectief voor Twente wordt het volgende geschreven: “Zo zijn de havens van Hengelo en Almelo belangrijke multimodale schakels in dit netwerk en is het XL Businesspark bij Almelo een locatie voor grootschalige logistieke bedrijvigheid.” Hierbij maken wij de opmerking dat Bedrijvenpark XL niet alleen bestemd is voor grootschalige logistieke bedrijven. In het programmeringsoverleg bedrijventerreinen is overigens ingestemd met het profileringsprofiel van het toekomstige Businesspark XL-2. We gaan ervanuit dat deze instemming verwerkt wordt in het kaartmateriaal behorend bij de omgevingsvisie.
21. Heeft u nog een opmerking die u ons wilt meegeven? 22. Wat is u, over het afgelopen jaar, in positieve zin het meest bijgebleven van het proces om te komen tot een nieuwe omgevingsvisie? Het enthousiasme en de betrokkenheid van de in het proces betrokken partners. Ook vooral de gebleken bereidheid bij de partners om over belangen heen te stappen en een integrale benadering voorop te stellen. 23. Wat is u, over het afgelopen jaar, in negatieve zin het meest bijgebleven van het proces om te komen tot een nieuwe omgevingsvisie? In een breed en open traject zijn alle opgaven goed in beeld gebracht. Opgaven voor de partners, voor regio’s, maar ook voor Overijssel als geheel. Dat legt een complex geheel van opgaven bloot en maakt een grote integrale uitdaging duidelijk. In het proces hadden we misschien een grotere slag kunnen slaan in het samen helder krijgen hoe deze opgaven aan elkaar te koppelen en te wegen zijn om zo concrete tools te creëren waarmee partners samen met de provincie met de uitdagingen effectief aan de slag kunnen. 24. Wat is volgens u de volgende stap die nodig is om tot een voor uw provinciale organisatie relevante Omgevingsvisie te komen Samen met partners aan de slag om te komen tot een Omgevingsvisie die meer houvast biedt voor het maken van goede integrale keuzes bij de aanpak van de opgaven en ambities. Gezamenlijk botsproeven uitvoeren? 25.
Welke rol ziet u hierin voor u zelf? Als constructieve partner in dat proces.
Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo Gedeputeerde Staten van Overijssel t.a.v. Gedeputeerde mevr. L. Grijsen Postbus 10078 8000 GB Zwolle
Bezoekadres: Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo telefoon: (0546) 54 11 11 e-mail: gemeente@almelo.nl internet: www.almelo.nl
Uw brief
Uw kenmerk
Ons kenmerk
Datum 30 september 2024
Bijlage(n)
Doorkiesnummer 0546-54 11 11
Behandeld door W. Hilbink
Zaaknummer
Onderwerp Reactie gemeente Almelo op concept provinciale omgevingsvisie Geachte gedeputeerde Grijsen, Op de eerste plaats willen we u bedanken voor de manier waarop de provincie de afgelopen periode ons bestuurlijk en ambtelijk in diverse sessies heeft bijgesproken en ons om input heeft gevraagd. Dat geldt ook voor het werkbezoek dat u in januari aan Almelo, Hengelo en Enschede bracht. Voor ons was dat een teken dat we gezamenlijk en met behoud van onze individuele bevoegdheden een antwoord willen vinden op de (grote) opgaven van nu. Op een aantal punten vragen we uw aandacht gelet op de specifieke situatie van Almelo. Met deze brief reageren we graag op het consultatieverzoek op de concept Omgevingsvisie Overijssel voor elkaar. We hopen u daarmee te helpen de uitgangspunten uit de concept omgevingsvisie te kunnen vertalen naar voor ons uitvoerbaar beleid dat een bijdrage levert aan de doelstellingen. Onze specifieke punten richten zich op de verstedelijkingsopgave, Almelo Noord, de Nedersaksenlijn en diversificatie van woonmilieus in het licht van het bevorderen van de Brede Welvaart.
Brede Welvaart als rode draad nadrukkelijker als sturingsinstrument en afwegingskader Almelo levert op diverse terreinen een forse bijdrage aan provinciale opgaven: we maken ruimte voor wind, we overwegen ruimte te maken voor de noodzakelijke verzwaring van het energienetwerk, we hebben geïnvesteerd in waterberging en waterretentie, we bieden ruimte voor bedrijvigheid en voor de bossenstrategie. Op grond van de concept Omgevingsvisie maken we ons zorgen over een groeiend productielandschap rondom Almelo dat haaks staat op de door ons beider gewenste investeringen in kwaliteit van de woon- en werkomgeving en een toenemende brede welvaart. We vragen ons dan ook af in hoeverre de rode draden uit de brede welvaart niet een zwaarder wegend karakter moeten krijgen in de sturingsfilosofie en redeneerlijn van de Provincie. Schuifruimte om doelen te realiseren In de redeneerlijn zijn we blij met de uitzondering voor de collectieve verstedelijkingsopgave; die uitzondering is vanuit diverse invalshoeken noodzakelijk. Met elkaar streven we naar kwaliteit van wonen en werken en naar een verbetering van de brede welvaart om daarmee de mooiste provincie van Nederland te kunnen blijven. In dat licht is het noodzakelijk om diverse woonmilieus aan te bieden en de bestaande woonkwaliteit te verbeteren.
Almelo zet via herstructurering in op verbetering van de bestaande woonkwaliteit van sociale huurwoningen in samenwerking met de corporaties. Zeker in Almelo is daarvoor schuifruimte nodig; niet alleen uit het oogpunt van onrendabele toppen maar ook om de kwaliteit van Pagina 1 van 2
Bank: BNG Bank, Den Haag NL56 BNGH 028 50 00 187 BIC Code: BNGHNL2G
BTWnr. NL 0015 84 108 B 01
woningen en openbare ruimte in oude wijken met hittestress en energiearmoede te kunnen verbeteren. Om de doelen van de brede welvaart en die van klimaatadaptatie te kunnen behalen is die schuifruimte noodzakelijk. In de concept omgevingsvisie wordt geschreven over de verdeling 30-40-30 voor woningbouwplannen; het streven zou er ons inziens op gericht moeten zijn dat in alle gemeenten een verdeling van 30-40-30 van de totale woningvoorraad wordt bereikt. Ongeacht of dit aansluit bij de lokale behoefte. Dat geldt ook voor de huisvesting van aandachtsgroepen op de woningmarkt: statushouders, arbeidsmigranten en starters. De brede welvaart in Enschede en Almelo staat al jaren onder druk. Het is voor ons noodzakelijk om te kunnen sturen op basis van de totale woningvoorraad om de brede welvaart te laten toenemen en om een gedifferentieerd aanbod aan woonmilieus te kunnen aanbieden; in de kernen en in de steden. Nedersaksenlijn als noord-zuid verbinding In de concept Omgevingsvisie ontbreekt zowel in woord als in beeld de Nedersaksenlijn. In lijn met het coalitieakkoord Schouder aan Schouder zien wij die Nedersaksenlijn als een kans voor een betere verbinding met het noorden van Nederland.
Dat wordt ook onderschreven in het voorontwerp Nota Ruimte: ”Nieuwe verbindingen, zoals de Lelylijn en de Nedersaksenlijn, kunnen ervoor zorgen dat de regio’s Groningen, de Friese steden en Emmen beter worden aangesloten en onderdeel gaan uitmaken van het stedelijk netwerk Nederland, waardoor daar ook weer nieuwe ontwikkelpotentie ontstaat.” We hopen deze lijn in de definitieve Omgevingsvisie als gewenst streefbeeld zowel in woord als in beeld terug te zien. Immers: de nieuw omgevingsvisie heeft een looptijd tot 2050. Tussengebied Almelo-Twenterand-Tubbergen In uw werkbezoek aan Almelo bezochten we Almelo Noord. In dat gesprek zijn we ingegaan op de noodzakelijke oplossingen voor woningbouw in het licht van de verstedelijking en het aanbieden van diverse woonmilieus. In uw reactie gaf u aan blij te zijn met ons aanbod samen met Twenterand een gebiedsvisie op te stellen. We verzoeken u om samen met ons en met Twenterand en Tubbergen tot de best mogelijk invulling van dit gebied te komen en dit gebied in het licht van de verstedelijkingsopgave te plaatsen. Gebiedsperspectief en verstedelijkingsopgave De afgelopen tijd hebben we gezamenlijk gewerkt aan de verstedelijkingsopgave.
Die zien we ook terug met als wenkend perspectief om samen met Hengelo en Enschede te groeien naar de vijfde stad van Nederland met 420.000 inwoners (zowel in de concept Omgevingsvisie als in het voorontwerp Nota Ruimte en nu ook in het Regeerakkoord). Graag blijven we samen met de provincie aan de concrete ruimtelijke vertaling werken. Tot slot willen wij u nog even wijzen op het feit dat we per abuis enkele dagen geleden een onvolledige versie van voorliggende brief hebben verzonden. Het vriendelijke verzoek om die brief als niet verzonden te beschouwen.
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester, J.H. Dijkstra
Pagina 2 van 2
R.T.A. Korteland
Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 499 88 99 overijssel.nl KvK 51048329 IBAN NL45 RABO 0397 3411 21
Gemeente Almelo, Enschede, Hengelo
Inlichtingen bij Dhr. D.d.Jong Telefoon 038 499 81 67 D.d.Jong@overijssel.nl
Datum
Kenmerk
04-07-2024
-14218
Onderwerp: reactie bezoek gedeputeerde Liesbeth Grijsen in het kader van de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel
Geachte wethouder Van Rees, wethouder Maathuis, wethouder Overmeen-Bakhuis, wethouder Gerrits en wethouder Diepemaat, Beste Jan Martin, Arjen, Margreet, Gerard en Jeroen, Ik ben bij jullie op bezoek geweest om input op te halen voor de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel. Ik heb het ontzettend gewaardeerd dat ik zo warm werd ontvangen en dat jullie zoveel tijd hebben genomen om met mij in gesprek te gaan. Tijdens het bezoek hebben we open het gesprek kunnen voeren en het is fijn om jullie visie en belangen gehoord te hebben, zodat we dit mee hebben kunnen nemen in het verdere proces om te komen tot een nieuwe Omgevingsvisie voor onze provincie. In deze brief ga ik in op de vragen die jullie gesteld hebben tijdens mijn bezoek. Inmiddels ligt er een concept Omgevingsvisie die jullie separaat hebben ontvangen voor schriftelijke consultatie. Allereerst geef ik aan dat wij in het concept nieuwe omgevingsbeleid inzetten op het zuinig en zorgvuldig gebruiken van onze ruimte. Dat geldt voor uitbreiding van wonen en werken en ook voor onze landbouwgronden. Dat betekent dat we in eerste instantie bestaand bebouwd gebied willen benutten en inzetten. We zetten in op geconcentreerde groei van steden én van de goed bereikbare middelgrote kernen en de dorpen. In de concept nieuwe Omgevingsvisie staat het beleid op hoofdlijnen, daarin zijn we duidelijk over de doelen.
De uitwerking willen we in nauw overleg met jullie en andere gebiedspartners oppakken. Voor ‘waar’ een ontwikkeling een plek kan krijgen is in de Omgevingsvisie een denkwijze uitgewerkt die duidelijk maakt hoe wij prioriteren, wegen en waar mogelijk ruimte laat voor lokale eigen bestuurlijke afwegingen. De ‘redeneerlijn’ is het kader dat ons en onze partners helpt bij de afweging ‘waar’ een ontwikkeling een plek kan krijgen.
Stapeling van ambities en schuifruimte voor binnenstedelijke opgaven Jullie hebben gevraagd hoe de opgaven van verstedelijking in verhouding staan tot de concept Omgevingsvisie en de bijbehorende redeneerlijn. Daarnaast willen jullie graag dat de provincie nu al nadenkt over de uitvoeringsparagraaf en welke programma’s nodig zijn om de ambities uit te voeren in relatie tot de kwalitatieve doelen. We onderkennen de complexiteit van de verstedelijkingsopgave voor de Twentse steden. Daarom willen we stevig inzetten op de verstedelijkingsstrategieën waarin we verstedelijking zien als integrale opgave, die we samen met de steden en het Rijk aan willen pakken. Dat heeft een centrale plek in ons beleid. We leggen in de concept Omgevingsvisie de nadruk op het zuinig omgaan met ruimte en daarmee verdichting voor uitbreiding. In het concept maken wij aan de hand van de redeneerlijn duidelijk welke afwegingen voorafgaan aan de keuze om uit te breiden. We willen dat de Omgevingsvisie jullie voldoende houvast biedt om eigen afwegingen te maken. We zijn benieuwd hoe jullie daar tegenaan kijken. Ondertussen bekijken we waar het nodig is om de visie verder uit te werken in Programma's voor beleid en of uitvoering. We horen graag jullie suggesties als reactie op de concept nieuwe Omgevingsvisie Overijssel.
Almelo Aalanderveld/Leemslagen In Aalanderveld en Leemslagen komen veel functies bij elkaar. Dit vraagt om een integrale ontwikkeling met ruimte voor woningbouw, duurzame energieopwekking, werken, landschapsontwikkeling, waterberging, recreatie en mobiliteit. Jullie doen het voorstel om in het tussengebied met Vriezenveen en Tubbergen een gezamenlijke gebiedsvisie te ontwikkelen. Jullie vragen om schuif- en uitbreidingsruimte voor binnenstedelijke opgaven voor zowel woningbouw als bedrijvigheid. We herkennen de complexe dynamiek en de noodzaak voor een integrale aanpak. We benadrukken dat wij de samenwerking tussen de gemeente Almelo en haar aangrenzende buurgemeenten logisch en nodig vinden voor de verscheidenheid aan opgaven die daar liggen. Voor het afwegen van conflicterende ruimteclaims kan de redeneerlijn als hulpmiddel worden benut. Logistiek en mobiliteit Tijdens ons gesprek over Hengelo werd benoemd dat Hengelo zowel lokaal, regionaal en internationaal een hubfunctie heeft ten aanzien van mobiliteit. Het mobiliteitsplan “Heel Hengelo in beweging” benadert dit vraagstuk lokaal via de STOMP-methode. Dat betekent ook ruimte voor de fiets. Regionaal heeft Hengelo de functie als centrumgemeente. Dat vraagt om goede busverbindingen met het ommeland.
Tevens vragen jullie aandacht voor de doorontwikkeling van de succesvolle fietssnelweg F35 als gevolg van een toenemend verschil in snelheden tussen gewone fiets, e-bike en speedpedelec. In het licht van de stevige samenwerking tussen de drie steden benoemen jullie dat een snelle OV-verbinding van groot belang is. Hierdoor ontstaan ook mogelijkheden om de leefbaarheid te verbeteren. Jullie zetten in op een Twentse stop van de Berlijnlijn en benadrukken het belang van de TEN-T. Ook vragen jullie aandacht voor het Twentekanaal als belangrijk transportkanaal. Een goede verdeling van het Rijnwater over Waal, Nederrijn en IJssel is hier van belang in tijden van droogte. De bereikbaarheid van de Twentse steden via verschillende vervoersmiddelen vraagt blijvende aandacht. Het STOMP principe geeft daarbij inderdaad een goed houvast. Goede en veilige ov en fietsverbindingen zijn hiervoor ook wat ons betreft van belang. In het Regionaal Mobiliteitsplan (RMP) wordt dit uitgewerkt. We zijn ons inderdaad bewust van het waterverdelingsvraagstuk in relatie tot de toekomstige bevaarbaarheid van de IJssel en wateren zoals het Twentekanaal, met name in droge periodes. In het kader van het Ontwerp Programma Integraal Riviermanagement hebben we als provincie Overijssel, samen met onze netwerkpartners in de Regiotafel Binnenvaart Oost Nederland, een Zienswijze hierop ingediend.
In de Regiotafel participeert ook de binnenvaartsector. Enschede Rigtersbleek (Twekkelerveld) Jullie zien potentie in industrieterrein Rigtersbleek als inbreidingslocatie, maar tegelijkertijd ook als een belangrijke locatie voor de werkgelegenheid voor bewoners van de wijk Twekkelerveld. Een
Pagina 2
voorbeeld dat jullie noemen is Spinnerij Oosterveld met bedrijven als Sheltersuits. Jullie geven aan dat de provincie hierbij kan helpen door meer vrijheid te geven in regels omtrent combinatie bedrijven en wonen. En door het betaalbaar houden van bedrijfspercelen. Jullie vragen in de Omgevingsvisie aandacht voor circulaire economie, maar ook door ondersteuning mogelijk te maken in de planfase en door een constructie á la HMO, maar dan niet revolverend. We zijn positief over functiemenging op werklocaties met lagere bedrijfscategorieën. Terreinen voor zwaardere milieucategorieën zijn schaarser en dat vraagt wat ons betreft om terughoudend te zijn met functiemenging zodat voldoende ruimte beschikbaar blijft voor bedrijven in de zwaardere milieucategorieën. Binnen de kwalitatieve programmeringsafspraken wordt op dit moment onderzocht in hoeverre de provincie kan ondersteunen bij inbreiding, revitalisering en herontwikkeling bijvoorbeeld met behulp van een fonds. Deze fondsen zijn altijd revolverend. Daarnaast hebben we in ons investeringsvoorstel Regionale Economie expliciete aandacht voor circulaire economie. Mochten jullie vragen hebben over mijn reactie of beantwoording, dan hoor ik dat uiteraard graag. Natuurlijk bestaat ook de mogelijkheid om via de reguliere ambtelijke overleggen met de accounthouders verdere inhoudelijke vragen te bespreken.
Met vriendelijke groeten, Liesbeth Grijsen Gedeputeerde provincie Overijssel
Pagina 3