25 Ontwerpwijzigingsplan Pastoor Ossestraat 46 ter inzage
Tekst van het document
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven. Het gebied ligt direct tegen het perspectief “Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken”. Een perspectief dat openstaat voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid,
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving).
8
Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is groen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een dekzandgebied afgewisseld met beekdalen. Daardoor is er sprake van hoogteverschillen. In de jaren zijn hoogteverschillen geërodeerd door de wind, soms juist weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar uiteindelijk weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden zoals het plangebied.
De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de grootschalige open heidecomplexen die pas laat zijn ontgonnen door - in eerste instantie gebrek aan kennis.
10
De open essen en eenmansesjes kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen met een - langs de randen van de es - kleinschaliger landschap tot gevolg. Afhankelijk van de grootte van de es werden meerdere boerderijen rondom een es gebouwd zoals dit het geval is rondom het plangebied. Bij de essenen kampenlandschap is er vaak sprake van grillige wegenpatronen met een aaneenschakeling van landschapselementen rondom de kampen of essen en verspreid liggende erven. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven. Laag van de beleving en de stedelijke laag De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. Met paars is op het kaartbeeld het bedrijventerrein weergegeven, met bruin woonwijken van 1955 tot nu. Hier is sprake van 2 elkaar overlappende invloedssferen. De randen zijn bepalend voor de identiteit van zowel de steden- en dorpen als het landschap eromheen.
De (potentiële) kwaliteit is die van de ‘best of both worlds’; stedelijke voorzieningen, verspreid liggende (gewilde) woon- en werkfuncties, padennetwerk in een landschappelijk raamwerk. Dichtbij stad en dorp en toch buiten. Randen gaan niet alleen over de ‘functionele mix’, maar vooral ook over herkenbaarheid, duidelijkheid, silhouetten (o.a. kerktorens) het je thuis voelen. Markante zichtlijnen op dorpen versterken de randkwaliteit.
Links: natuurlijke laag. Het plangebied is omschreven als : “dekzandvalkte en -ruggen”. Midden: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als “Oude hoevenlandschap.” Rechts: laag van de beleving en de stedelijke laag. Het plangebied is omschreven als: “stads- en dorpsranden” en “woonwijken van 1955-nu” en “bedrijventerreinen”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
In deze gebieden komen veel opgaven en belangen samen zoals dorps- en stadsuitbreidingen, infrastructuur, landbouw, landschapsontwikkeling, water en natuur. Als ambitie geldt het verbinden van ontwikkeling woon-, werken recreatiemilieus in de stads- en dorpsranden aan hun omgeving met landschappelijke structuren en routes. Stimuleer integrale projecten waarin stedelijke programma’s en landschappelijk raamwerk gelijktijdig worden ontwikkeld en gerealiseerd. Tegengaan van verrommeling in de randzones. Bijdragen aan aantrekkelijke mix woon-, werk en recreatiemilieus. Als doelen worden omschreven: - Behoud, herstel en aanleg van landschappelijke routes tussen dorp en land; - Slecht barrières tussen stad en land. Versterk identiteit dorp en landschap; - Biedt ruimte voor ontwikkeling als deze voortbouwen aan de versterking stad/land relatie; - Maak mooie uitnodigende entrees van dorpen; - Geen rondwegen aanleggen die stad en land scheiden. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities. 3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Almelo Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft het projectgebied de enkelbestemming ‘Wonen’ (zie verbeelding rechterpagina). Het realiseren van een extra (reguliere) woning binnen de bestemming ‘Wonen’ is niet toegestaan.
12
In het bestemmingsplan buitengebied Almelo (vastgesteld 26-09-2012) van de gemeente Almelo is onder 18.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het bouwen van een extra woning bij sloop van bedrijfsbebouwing. Vanzelfsprekend moet dan voldaan worden aan enkele voorwaarden. - Er wordt tenminste 850 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt met een bouwvergunning van voor 1 januari 2004. - De compensatiewoning heeft een inhoud van maximaal 750 m3 en een bijgebouw van maximaal 100 m2. - De bebouwing staat op een kavel van maximaal 1000 m2. - Alle bebouwing dient gesloopt te worden met uitzondering van gebouwen (tot maximaal 300 m2) die hergebruikt worden in het kader van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. - Er sprake is van een landschappelijke inpassing. - Er wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. - De uitvoerbaarheid is gewaarborgd en andere gebruikers niet worden geschaad. Op het erf worden nagenoeg alle gebouwen gesloopt in ruil voor één extra woning. De bestaande (woon)boerderij blijft behouden (1 op verbeelding rechterpagina). De tweede woning (naast de woonboerderij, 2 op verbeelding) staat niet als zodanig aangegeven in het bestemmingsplan, maar is vergund in 1968 (blijkt uit het bouwdossier van de gemeente Almelo). Deze woning wordt gesaneerd en maakt plaats voor een nieuwe woning die past binnen de nieuwe erfopzet.
De loopstal (4 op tekening en circa 695 m2 groot) en de open stal (3 op tekening en circa 395 m2 groot) worden gesloopt. Totaal wordt er
Uitsnede bestemmingsplan. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4
1
3 2
Planlocatie. (Bron: geo.overijssel.nl)
13
dan 1.090 m2 gesloopt. Er blijft daarbij 240 m2 over. In het bestemmingsplan is opgenomen dat vervangende nieuwbouw voor bijgebouwen plaats mag vinden met een maximum van 250 m2 per erf. Het voorstel is daarom om de overtollige sloopmeters te verspreiden onder de nieuwe erven om daarmee ruimere bouwmogelijkheden te hebben voor bijgebouwen. Totaal wordt er tenminste 1.090 m2 gesloopt wat ruim voldoende is om te kunnen voldoen aan de gestelde voorwaarden.
14
Uitsnede bestemmingsplan met omliggende bestemmingen. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
15
Nieuwe situatie In de bestaande situatie is sprake van een woonboerderij met daarnaast een 2e bedrijfswoning en enkele opstallen. Omdat de agrarische activiteiten zijn gestaakt is het voornemen ontstaan om het erf te herontwikkelen. In de nieuwe situatie blijft de (woon) boerderij behouden (A op tekening op de rechterpagina). Zowel de materialisatie als de positie van het gebouw zijn karakteristiek. De tweede bedrijfswoning en de landschap ontsierende schuren (B op tekening) worden gesloopt. In de huidige situatie kan het erf zowel vanuit de west- als oostzijde benaderd worden. Historisch gezien lijkt de toerit aan de oostzijde de oorspronkelijke te zijn, maar is de westelijke toerit ook al op kaarten van rond 1900 zichtbaar. Om die reden blijven beide toeritten bestaan. In de huidige situatie rijdt men vanuit de westkant direct aan de noordzijde van de boerderij het erf op. Het valt te betwisten of dit altijd al het geval is geweest. Er ligt een kans om de contour van de aanwezige kamp te versterken en dus om meer zuid om de boerderij te rijden. Dit kan worden versterkt met de aanplant van een haag (J op tekening). Vanuit weerszijden is het erf dus te benaderen waarbij de bezoeker uitkomt op het centrale gedeelte van het erf (E op tekening). De bestaande (woon)boerderij krijgt als bijgebouw een vrijstaand bouwwerk (D op tekening).
Een extra gebouw op die plek versterkt het kleinschalige karakter van een erf met een typische verstrooide opzet met gebouwen van een verschillende omvang en verschillende typologie. Er worden twee nieuwe woningen gebouwd (C op tekening). De ene woning kan worden gebouwd vanwege het slopen van de 2e bedrijfswoning, de andere woning kan gebouwd worden door deelname aan de rood voor rood regeling. Om het erf niet te druk te maken worden bijgebouwen in de hoofdvolumes 16
opgenomen. Dat betekent dat het hoofdgebouw én bijgebouw onder één dak worden gebouwd. Daarmee ontstaan er per woning niet meerdere losse gebouwen, maar ontstaat er per woning slechts één volume. Een extra voordeel is de mogelijkheid om daarmee grotere volumes te verkrijgen. Dat is in een kleinschalige erfsituatie passend om te voorkomen dat er tal van gebouwen ontstaan met ongeveer dezelfde omvang. Tot slot worden er vooral houtopstanden behouden (I op tekening), maar ook wat houtopstanden geveld (G op tekening) en worden er ook houtopstanden aangeplant (H, I en M op tekening). Telkens met het uitgangspunt om de landschappelijke situatie te versterken. Het is gewenst om (nog) beter aan te sluiten bij de herkenning van het kampenlandschap. Zowel het erf als de aansluiting op haar omgeving. Maatregelen: - Saneren 2e woning en andere landschap ontsierende bebouwing; - Verbeteren infrastructuur (grillige vorm, passend bij landschapstype); - Verbeteren erfstructuur (mer passend bij landschapstype); - Aanplant diverse bomen; - Aanplant haag; - Behoud van houtopstanden waar mogelijk. Met voorgenoemd plan wordt voldaan aan het beleid van de gemeente Almelo en de provincie Overijssel.
A:
Best aande boerderij, geen mogelijkheid voor zonnepanelen op het dak.
G
B:
Te slopen opst allen t.b.v. Rood voor rood regeling . Totale opper vlakte bedraagt 1090 m2.
C:
Nieuw te realiseren schuur woningen met inpandig bijgebouw. Mogelijkheid voor zonnepanelen gesitueerd op het dak.
D:
Nieuw te realiseren bijgebouwen met de mogelijkheid voor zonnepanelen op het dak.
E:
Erfverharding .
F:
Tuin/Gazon.
G:
Te vellen bomen t.b.v. schuur woningen.
H:
Nieuw te planten houtopst anden en onderbeplanting . bomen. Soort: Zomereik. Aanplanten in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters). Tot aal 14 stuks en elk voorzien van t wee boompalen. Om soorten te varieren wordt aangedragen om niet alleen maar eiken aan te planten maar ook linden en beuken. Verdeling: Eik: 6 stuks. Linden: 4 stuks. Beuk: 4 stuks. Houtopstand voor zien van onderbeplanting . Plantafst and 1,5 x 1,5 meter. Maat 80-10 0 (hoogte in centimeters). Soorten: Hazelaar,
I F
Referentie kapschuur woning (bron: google.nl)
Referentie schuur woning (bron: google.nl)
H
K H
C H
B
K
rio
H N
E
M
G
C
I 46
P3
A L
I
F
H
lijsterbes, meidoorn, vogelkers en vuilboom. Tot aal 435 stuks op een opper vlakte van 980 m2.
N
F
I D J
I:
Best aande houtopstanden.
J:
Haag aan de rand van de kamp. Haagsoort: meidoorn en aanplanten in de maat 80-10 0 (hoogte in centimeters). Aanplant in dubbele rij c.a. 9 stuks per m1. Totaal 50 0 stuks op een lengte van 55 meter.
K:
Gras/weiland.
L:
Best aand bouwvlak.
M:
Nieuw te planten boom. Aanplanten in de maat 16-18 (st amomtrek in centimeters) en voor zien van 2 boompalen. Soortkeuze: Koningslinde of kast anje.
K
P6 P7 P 755
Bestaande boerderij (eigen werk)
Fragment uit 1920 (topotijdreis.nl)
N:
Te slopen bebouwing.
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor rood
Getekend:
DA
St atus:
DO
Adres:
Pastoor Ossestraat 46
Datum:
12-12-2023
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Almelo
Gecontroleerd:
NH
Formaat:
A3
Schaal:
1:10 0 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
17
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
NL.IMRO.0141.WP00006-WP21
Bijlage 2 verkennend bodemonderzoek
ontw erp w ijzigingsplan Pastoor Ossestraat 46
66
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Pastoor Ossestraat 46 - Bornerbroek
Opdrachtgever N+L Landschapsontwerpers Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen Locatie: Pastoor Ossestraat 46 7627 PM Bornerbroek December 2023
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Pastoor Ossestraat 46 - Bornerbroek
Opdrachtgever: N+L Landschapsontwerpers Locatie: Pastoor Ossestraat 46 7651 KC Tubbergen
Projectcode: 23063616 Rapportagedatum: 7 december 2023 Projectleider: De heer ing. J. Lammers Auteur: Mevrouw ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 4
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 7 8 9
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
10 10 10 13 13 14 14
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
15
6
Literatuur en bronvermelding
17
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Hoogveld Milieutechniek, februari 2009 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2023 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van N+L Landschapsontwerpers op een terreindeel aan de Pastoor Ossestraat 46 in Bornerbroek door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het erf (nieuwbouw 2 bedrijfswoningen). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging, de aanvraag van de omgevingsvergunning en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een bovengrondse dieseltank en enkele druppelzones aanwezig zijn. Deze worden beschouwd als verdachte deellocaties. Verder wordt de bovengrond beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest, zware metalen, minerale olie en PAK. De ondergrond en grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre asbest in de grond de normwaarden overschrijdt. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte deellocaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in november 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd.
Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 1 van 17
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Pastoor Ossestraat 46, direct ten oosten van het industrieterrein Twentepoort net buiten de bebouwde kom van Almelo. Het terrein heeft de coördinaten x = 241.573 en y = 482.969 en is kadastraal bekend als: gemeente Ambt-Delden, sectie P, nummer 3 (gedeeltelijk). De Pastoor Ossestraat bevindt zich ten noorden en ten westen van de onderzoekslocatie. De Bornerbroeksestraat bevindt zich ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een woning en enkele schuren. Inpandig zijn betonvloeren deels met (mest)kelders aanwezig. Het onbebouwde terreindeel is grotendeels verhard met asfalt en deels met beton en puin. Een klein deel van het onbebouwde terreindeel is in gebruik als tuin (planten, bomen en struiken) en deels begroeid met gras. Onderzoekslocatie Er bevindt zich een bovengrondse dieseltank op het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie, zie boorplan. Deze locatie wordt als een verdachte deellocatie beschouwd (deellocatie A). De daken van enkel schuren zijn voorzien van asbestverdachte golfplaten. Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. De druppelzones bevinden zich aan de noordzijde van twee noordelijk gelegen schuren (zie boorplan).
Deze druppelzones worden als verdachte deellocaties beschouwd (deellocatie C en D). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging, de aanvraag van de omgevingsvergunning en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard en omvat circa 4780 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Hoogveld Milieutechniek, februari 2009; - Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2023. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft momenteel (grotendeels) een woonbestemming.
De woning dateert oorspronkelijk van circa 1924 en de schuren van circa 1965, 1988 en 2008 (bron: BAG-viewer en Topotijdreis); - voor het voormalige agrarische bedrijf met een 1200 liter bovengrondse dieseltank in de machineberging is een Hinderwetvergunning verleend op 25 januari 1988. Bij een gemeentelijke controle op 6 november 1992 bleek de 1200 liter dieseltank onder een afdak, maar niet in een lekbak te staan en dat er plannen waren om de tank te verplaatsen naar schuur 4 (oude ligboxenstal). Bij gemeentelijke controles op 16 september 2003 en 18 oktober 2010 is de vergunde 1200 liter dieseltank niet meer aanwezig; Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 2 van 17
- voor zover bekend is er verder op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - het te onderzoeken terrein is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn; - voor zover bekend is de onderzoekslocatie in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - op enkele daken van de schuren zijn asbestverdachte golfplaten aanwezig (geweest). Er zijn twee asbestverdachte druppelzones aanwezig (deellocatie B en C). Voor zover bekend bevindt zich verder geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - de bovengrond van de onderzoekslocatie wordt op basis van het historisch gebruik als agrarisch erf beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest, zware metalen, minerale olie en PAK; - volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) valt de boven- en ondergrond in functieklasse AW2000.
Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twents beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s.; - er heeft eerder een bodemonderzoek op de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden. Deze wordt hieronder nader toegelicht. Hoogveld Milieutechniek, verkennend bodemonderzoek Pastoor Ossestraat 48 te Bornerbroek, d.d. 16 februari 2009 met HA-06510A De aanleiding van dit bodemonderzoek was de voorgenomen verbouwing van een schuur tot dagopvang op de huidige onderzoekslocatie. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zink, lood en PAK aangetoond In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium, benzeen en naftaleen aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 3 van 17
Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Bron
Relevante informatie
Specificatie
Opdrachtgever
Huidig en voormalig gebruik
Ja
Gemeente Almelo
Milieuhygiënische en historische bodeminformatie, bodemonderzoeken en milieuvergunningen
Ja
Omgevingsrapportage
https://www.overijssel.omgevingsrapportage.nl/
Ja
Archief Kruse Milieu BV
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Ja
Google Maps
https://www.google.nl/maps
Ja
Topotijdreis
https://www.topotijdreis.nl/
Ja
BAG-viewer
https://bagviewer.kadaster.nl/
Ja
Perceelloep
https://perceelloep.nl/
Ja
Ruimtelijke plannen
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/
Ja
Grondwatertools
https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/
Ja
DINO-loket
https://www.dinoloket.nl/
Ja
AHN-viewer
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
Ja
Bodemkwaliteitskaart
Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020
Ja
Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 11 meter boven NAP. - de deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de Formatie van Boxtel. Deze laag is ter plaatse circa 2.5 meter dik. Het doorlatend vermogen is niet bekend; - onder deze deklaag bevindt zich tot circa 9 meter diepte een grof grindhoudende zandlaag, behorend tot de Formatie van Drente met een doorlatend vermogen van 100 tot 250 m²/dag; - tot circa 22 meter diepte is matig fijn zand aanwezig van de Formatie van Oosterhout met een doorlatend vermogen van circa 5 tot 100 m²/dag; - de geohydrologische basis bevindt zich op circa 22 meter diepte wordt gevormd door een kleiige eenheid behorend tot de formaties van Breda, Rupel en Van Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich ongeveer 1.0 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in noordwestelijke richting met een verhang van 1 m/km. - op circa 3 kilometer ten westen van de huidige onderzoekslocatie bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied Wierden; - op circa 2.0 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie stroomt het Twenthekanaal; - de invloed van het grondwaterbeschermingsgebied en het Twentekanaal op het freatisch grondwater is bij ons bureau onbekend.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 4 van 17
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor niet verdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Voormalig erf (circa 4780 m2) Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch gebruik van de locatie als agrarsich erf wordt de bovengrond als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest, zware metalen, minerale olie en PAK. De hypothese "verdacht" uit de normen NEN5740 en NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. De hypothese "onverdacht" uit NEN5740 (ONV-NL) wordt tevens voor de ondergrond en het grondwater op de locatie gebruikt.
Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4780 m² worden in totaal 18 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Vier inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB 1). De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld en gecodeerd als 1 tot en met 18. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (1200 liter, circa 15 m2) De locatie van de (voormalige) bovengrondse dieseltank wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater.
De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 wordt voor deze deellocatie gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Ter plaatse van de dieseltank worden 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB A1). De boringen worden gecodeerd als boring A1, A2 en A3.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 5 van 17
Deellocaties C en D: Druppelzones (circa 35 m2 en 10 m2) De druppelzones worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 wordt voor de druppelzones gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocaties is gebaseerd op de NEN5707, paragraaf 6.4.5: een verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verdeeld (VED-HE). Bij een druppelzone kleiner dan 10 m2 dienen 2 inspectiegaten te worden gegraven en bij een druppelzone 10 - 100 m2 dienen 3 inspectiegaten gegraven te worden. De inspectiegaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Voor een goede monsterverdeling worden ter plekke van druppelzone C 3 inspectiegaten gegraven. Alleen de toplaag tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd. De gaten worden gecodeerd als C1, C2, C3, D1, D2 en D3. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017.
Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.
Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 6 van 17
Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins ACMAA in Deurningen of AL-West BV te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per (meng) monster. Monster
Analysepakket Voormalig erf (circa 4780 m2)
Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (1200 liter, circa 15 m2) Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid. Deellocaties C en D: Druppelzones (circa 35 m2 en 10 m2)
Bovengrond (2x)
Asbest en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Indien visueel asbestverdachte materialen worden waargenomen, wordt per gat een materiaal(verzamel)monster samengesteld.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 7 van 17
Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.
Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 8 van 17
Toetsing asbestanalyses De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen <0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 9 van 17
4
Resultaten Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en besproken in paragraaf 4.4. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en besproken in paragraaf 4.6. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in november 2023 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping. Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09) en geassisteerd door de heer W. Prenger. Voormalig erf Er zijn op 22 en 29 november 2023, na maaiveldinspectie, in totaal 18 inspectiegaten gegraven, waarvan 4 inspectiegaten met behulp van een Edelmanboor zijn verdiept tot 2.0 m-mv en één diepe boring met behulp van een zuigerboor is doorgezet tot 2.80 m-mv en is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Onder de klinkerverharding ter plekke van gat 9 is tot 0.30 m-mv een puinlaag aangetroffen. Gat 12 is op 0.50 m-mv gestaakt op waarschijnlijk puin. Onder de asfaltlaag ter plekke van de gaten 7, 13 en 16 is beton en/of een puinlaag tot maximaal 0.40 m-mv aangetroffen. Deze (puin)lagen behoort niet tot de scope van dit onderzoek.
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank Op 22 november 2023 zijn 3 boringen tot 1.00 m-mv verricht, waarvan 1 boring tot 2.70 m-mv is afgewerkt met een peilbuis (PB A1). De boringen zijn gecodeerd als boring A1, A2 en A3. Er is zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). Deellocaties C en D: Druppelzones Op 22 november 2023 zijn, na maaiveldinspectie, ter plekke van elke druppelzone 3 inspectiegaten gegraven (gecodeerd als C1, C2, C3, D1, D2 en D3). Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van beton, asfalt, gras, bomen en struiken, niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw bestaat globaal uit matig fijn tot zeer fijn, zwak siltig zand.
In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen aangetroffen, deze zijn opgenomen in tabel 3. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem of in de aangetroffen puinlagen.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 10 van 17
Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming Voormalig erf 8
0.15 - 0.50
Sporen puin
9
0.30 - 0.65
Sporen puin
10
0.30 - 0.50
Sporen puin
17
0.20 - 0.35
Sporen puin
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank A1
0.05 - 0.30
Sporen puin
A2
0.20 - 0.50
Sporen puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 4 staat omschreven. Tabel 4: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
Voormalig erf BG I (zintuiglijk schoon)
1 12 13 16
0.08 - 0.50 0.25 - 0.50 0.40 - 0.90 0.30 - 0.80
NEN5740standaardpakket
BG II (zintuiglijk schoon)
5 6 7 17
0 - 0.50 0 - 0.50 0.40 - 0.60 0.30 - 0.50
NEN5740standaardpakket
BG III (sporen puin)
8 9 10 17
0.15 - 0.50 0.30 - 0.65 0.30 - 0.50 0.20 - 0.35
NEN5740standaardpakket
OG (zintuiglijk schoon)
1 1 2 2 3 3 4 4
0.80 - 1.00 1.00 - 1.50 0.30 - 0.80 1.45 - 1.85 0.50 - 1.00 1.25 - 1.75 0.50 - 0.75 1.10 - 1.35
NEN5740standaardpakket
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 11 van 17
Vervolg tabel 4: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
Voormalig erf MM FF - 01 (noordwestelijke deel)
3 7 18
0.13 - 0.50 0.20 - 0.60 0.10 - 0.50
Asbest
MM FF - 02 (zuidoostelijke deel)
1 11 12 13 16
0.08 - 0.50 0.05 - 0.50 0.07 - 0.50 0.40 - 0.90 0.30 - 0.80
Asbest
MM FF - 03 (onder klinkers)
8 9 10 13
0.07 - 0.50 0.30 - 0.50 0.07 - 0.50 0.40 - 090
Asbest
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank A - BG (sterk puin)
A1 A2 A3
0.05 - 0.30 0.20 - 0.50 0.20 - 0.70
NEN5740standaardpakket
Deellocaties C en D: Druppelzones MM FF - C
C1, C2 en C3
0 - 0.10
Asbest
MM FF - D
D1, D2 en D3
0 - 0.10
Asbest
De boring 1 en A1 zijn doorgezet tot circa 2.80 m-mv en 2.70 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 29 november 2023 is peilbuis PB 1 bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
PB 1
1.80 - 2.80
0.95
5.6
270
53
Goed
PB A1
1.70 - 2.70
1.05
5.8
835
6.8
Goed
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 12 van 17
pH-waarden tussen 5.5 en 7.5, EC-waarden tussen 100 en 1000 μS/cm en een NTU-waarde <10 worden als normaal beschouwd. In het grondwatermonster van PB 1 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. Resultaten en toetsing van de chemische analyses In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD).
Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In het grondwater (PB 1) is een licht verhoogde concentratie aangetoond. Deze is weergegeven in tabel 5. Er zijn in de bovengrond (BG I, BG II, BG III en A-BG) en in de ondergrond (OG) aangetoond. Tabel 5: Verhoogde concentraties (μg/l). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
50
625
Voormalig erf Barium
PB 1
72
72 *
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan S; * concentratie groter dan S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Bespreking resultaten chemische analyses Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Grondwater - PB 1 - Barium Het zeer licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 13 van 17
Resultaten van de asbestanalyses In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In MM FF - 02 is asbest aangetoond. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gewogen asbestconcentratie
Toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek
Voormalig erf MM FF - 01
Asbest
n.a.
50
MM FF - 02
Asbest
11
50
MM FF - 03
Asbest
n.a.
50
Deellocaties B en C: Druppelzones MM FF - C
Asbest
< 2.0
50
MM FF - D
Asbest
n.a.
50
In de derde kolom van tabel 6 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Bespreking resultaten asbestanalyses Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is er in MM FF - 02 asbest aangetoond. MM FF - 02 bevat asbest in een gewogen asbestgehalte lager dan de toetsingswaarde voor nader onderzoek. In MM FF - 01, MM FF - 03 en MM FF - D is geen asbest aangetoond. In MM FF - C is asbest aangetoond lager dan de rapportagegrens.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 14 van 17
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van N+L Landschapsontwerpers is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 4780 m² aan de Pastoor Ossestraat 46 in Bornerbroek. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het erf (nieuwbouw 2 bedrijfswoningen). Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een bovengrondse dieseltank en enkele druppelzones aanwezig zijn. Deze worden beschouwd als verdachte deellcoaties. Verder wordt de bovengrond beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest, zware metalen, minerale olie en PAK. De ondergrond en grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 24 inspectiegaten gegraven en zijn er 3 boringen verricht. Er zijn 2 diepe boringen op 2.80 m-mv en 2.70 m-mv afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB A1). De bodemopbouw bestaat globaal uit matig fijn tot zeer fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen.
Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (puin). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem, in de aangetroffen puinlaag of op het maaiveld. Het freatische grondwater is gemiddeld aangetroffen op 1.00 meter min maaiveld. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Voormalig erf (circa 4780 m2) - de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG II) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium; - MM FF - 01 bevat geen asbest; - MM FF - 02 bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - MM FF - 03 bevat geen asbest. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (1200 liter, circa 15 m2) - de bovengrond (A - BG) is niet verontreinigd met minerale olie; - het grondwater (PB A1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen. Deellocaties C en D: Druppelzones (circa 35 m2 en 10 m2) - MM FF - C bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is lager dan de rapportagegrens; - MM FF - D bevat geen asbest.
Hypothese De hypothese "verdacht" dient formeel gezien te worden aangenomen, aangezien er een overschrijding van de streefwaarde is aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 15 van 17
De hypothese "verdacht" voor de aanwezigheid van asbest dient te worden geaccepteerd, aangezien er asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) is een licht verhoogde concentratie aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. de bovengrond (BG I, BG II, BG III en A - BG) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Asbest - In MM FF - 02 is asbest aangetoond in een gewogen asbestgehalte lager dan de toetsingswaarde voor nader onderzoek. - In MM FF - 01, MM FF - 03 en MM FF - D is geen asbest aangetoond. - In MM FF - C is asbest aangetoond lager dan de rapportagegrens. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt.
Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 16 van 17
6
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Almelo Hoogveld Milieutechniek, verkennend bodemonderzoek Pastoor Ossestraat 48 te Bornerbroek, d.d. 16 februari 2009 met HA-06510A NEN5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017 “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, versie december 2021 Notitie Risicogrenzen ten behoeve van vaststelling van Interventiewaarden voor PFOS, PFOA en GenX (INEV’s), RIVM 20 juli 2021 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Ministerie van I&M Topografische kaarten, Kaartblad 28 G, Topografische Dienst Kadaster Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV Bodematlas Overijssel www.ahn.nl www.topotijdreis.nl www.dinoloket.nl
Kruse Milieu BV
Project: 23063616
Pagina 17 van 17
Bijlage I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Hoogveld Milieutechniek, februari 2009 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2023
Pastoor Ossestraat 46 in Bornerbroek
Kruse Milieu BV Kaartmateriaal: Topografische dienst Kadaster
Topografische kaart Projectnummer: 23063616 Schaal: 1:25000 Bijlage: I Kaartblad: 28 G
N+L Landschapsontwerpers Pastoor Ossestraat 46 7627 PM Bornerbroek
Pa sto or Os ses tra at
Verkennend (asbest) bodemonderzoek
gras
D3 14 beton
D2
asfalt
15 D1 d k el
ke l
18 C3 C1
der ke l
der
16 asfalt
asfalt
C2
13
2
er
12 beton
groen
10
17
3
ke l
7
1
der
asfalt asfalt beton puin
8 A3 der Kleine Bun
6
tuin
A1
9
A2 4 5 tuin
= Onderzoekslocatie = Geplande nieuwbouw = Boring tot 0.5 meter diepte = Inspectiegat 30x30x50 cm = Boring tot 1.0 meter diepte = Boring tot 2.5 meter diepte = Peilbuis
11
bovengrondse dieseltank
25
0
Kruse Milieu BV Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Veldwerker: JH/NP/BD
Projectcode Schaal Datum
Tel: 0546 - 639663 www.krusegroep.nl Tekenaar: JL
: 23063616 : 1:500 (A3-formaat) : December 2023
1
1
bet on / cm t ov m aaiveld
0
zand, zeer fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin
2
zand, uit erst fijn, m at ig silt ig, m at ig hum eus, donker zwart , bruin
3
zand, zeer fijn, zwak silt ig, licht bruin, rood, uit erst oer, zeer hard
-50
100
-50
zand, zeer fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, sporen zand -75
3
100
4
-100
5
150
zand, uit erst fijn, m at ig silt ig, m at ig hum eus, donker zwart , bruin -110
zand, zeer fijn, zwak silt ig, donker rood, st erk oer -135
-150
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, geel, zwak oer
zand, zeer fijn, zwak silt ig, licht grijs, geel, sporen roest
180
-160
200
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, grijs
200 -230
zand, zeer fijn, zwak silt ig, licht grijs 250
t ype dat um boorm eest er
-200
in sp e ct ie g a t 2 2 -1 1 -2 0 2 3 N . Pe p p in g
5 280
-280 t ype dat um boorm eest er
1
bet on / cm t ov m aaiveld
0
bet onboor 1
-12
2
3
4 150 5
-50
in sp e ct ie g a t 2 2 -1 1 -2 0 2 3 N . Pe p p in g
6
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker beige, zwak oer
100
-30
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, grijs, sporen oer, sporen t eelaarde
1
-125
t ype dat um boorm eest er
-50
in sp e ct ie g a t 2 2 -1 1 -2 0 2 3 N . Pe p p in g
7
-145
asfalt / cm t ov m aaiveld
0
zand, zeer fijn, zwak silt ig, neut raal grijs, beige, sporen roest
-8 -200
3
asfalt / cm t ov m aaiveld
0
0
bet onboor 1 2 50
50
t ype dat um boorm eest er
-13
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen t eelaarde -25
3
4
5
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen t eelaarde