20250701 VNG ledenbrief nieuwe model parkeerverordening en modelbepalingen deelmobiliteit apv
Tekst van het document
Deze implementatiehandleiding gaat hierop in. De implementatiehandleiding moet uiteraard worden gelezen in nauwe samenhang met de Model Parkeerverordening en de toelichting daarop. Verklarende onder de titel Bij de voorbereiding van deze Model Parkeerverordening is gebleken dat er behoefte is aan een verklarende of samenvattende tekst in de verordening zelf, die duidelijk maakt waar de verordening over gaat en waarvoor deze dient. Dit vergroot de begrijpelijkheid en toegankelijkheid. Daarom is onder de titel van de verordening een facultatieve tekst opgenomen. Artikel 1 Definitie van autodeelbedrijf De definitie van het begrip autodeelbedrijf wordt alleen opgenomen als wordt gekozen voor het facultatieve hoofdstuk 5 ‘Parkeervergunning voor autodeelbedrijven’. In de definitie is er overigens voor gekozen om het coöperatief delen van motorvoertuigen niet onder de definitie van autodeelbedrijf te laten vallen. De ervaring is dat dit een drempel vormt om een dergelijke coöperatie op te richten en dat lijkt niet wenselijk. Het is ook niet nodig, want het is mogelijk daarvoor een parkeervergunning te verlenen via de parkeervergunning voor een bewoner of bedrijf. Definitie van parkeersysteem In plaats van de definitie 'parkeerapparatuur' in de Model Parkeerverordening uit 2008 is gekozen voor de bredere definitie 'parkeersysteem'.
Dit omvat het digitale systeem en de fysieke parkeerapparatuur.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/6
Het parkeersysteem kan worden gebruikt voor het registreren en beheren van parkeerrechten en gegevens. Het omvat dezelfde functie als de parkeerautomaat in de zin van artikel 234 van de Gemeentewet. Artikel 2 Het is de bedoeling dat een vergunninggebied wordt aangewezen, dat vervolgens zo nodig een verkeersbesluit wordt genomen en daarop altijd de bijbehorende bebording wordt opgehangen (bord E9). Alleen een gebiedsaanwijzing zonder bebording schept geen voor iedereen geldende regels. Het is zaak om het gebied van het aanwijzen en het gebied van de bebording steeds actueel en correct op elkaar af te stemmen. De aangewezen gebieden kunnen geheel of deels samenvallen met de gebieden waarvoor ingevolge de Parkeerbelastingverordening betaald parkeren geldt (als daarvoor gekozen is).
Artikel 3 Gemeenten kunnen hier kiezen of zij parkeervergunningen uitgeven op kenteken of op naam. Kentekenregistratie biedt voordelen voor handhaving, maar kan beperkend zijn voor huishoudens met meerdere voertuigen of voor flexibele mobiliteitsoplossingen zoals autodelen. Artikel 11, tweede lid bevat nog een uitdrukkelijke mogelijkheid om auto’s van autodeelbedrijven op een andere manier dan op kenteken te registreren. Artikel 4 Artikel 4 geeft het college ten eerste de bevoegdheid om regels te stellen over de tijden waarop parkeervergunningen geldig zijn. Hiermee kan worden ingespeeld op specifieke behoeften, mogelijkheden en wensen binnen verschillende gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het instellen van parkeertijden die aansluiten bij het gebruik van vergunningen door bedrijven of bewoners. De leden twee en drie zijn optioneel. In het tweede lid gaat het om een extra mogelijkheid om nadere regels te kunnen laten stellen over parkeervergunningen door het college. De gemeenteraad kan er daarbij voor kiezen het aan het college te laten waar deze nadere regels over gaan, maar de gemeenteraad kan de bevoegdheid van het college ook beperken tot de onderwerpen die de gemeenteraad opsomt. Als de gemeenteraad kiest voor een opsomming, dan staan er onder a, b en c een aantal voorbeelden.
Kort gezegd gaat het bij die voorbeelden om het sturen op het aantal vergunningen, soorten motorvoertuigen en parkeertijden. Hiermee is te sturen op een verantwoorde omgang met schaarse parkeerruimte en kan ook rekening worden gehouden met duurzaamheid. Op basis van onderdeel a van het tweede lid, kan het college bijvoorbeeld het aantal vergunningen beperken. Dit kan per vergunninggebied, zodat parkeerdruk kan worden gereguleerd in hele drukke gebieden. Maar het college kan bijvoorbeeld ook bepalen dat er maar een bepaald aantal parkeervergunningen voor bedrijven worden verleend, zodat er een evenredige verdeling van verschillende soorten parkeervergunningen is. Verder kunnen gemeenten kiezen of zij vergunningen alleen verstrekken aan bedrijven die daadwerkelijk in het gebied gevestigd zijn of ook aan bedrijven die er enkel tijdelijk werken. Dit kan relevant zijn voor sectoren als de thuiszorg of de bouw. Het is belangrijk om dit goed af te stemmen met de artikelen 7 tot en met 10 en artikel 13.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/6
Op basis van onderdeel b van het tweede lid kan het college regels stellen voor welk type motorvoertuigen parkeervergunningen worden verleend. Hier kan bijvoorbeeld worden verplicht dat een parkeervergunning voor bedrijven alleen wordt verleend als de auto elektrisch is. Of dat er een voorrang wordt gegeven aan parkeervergunningen voor bewoners met een elektrische auto. Op basis van onderdeel c van het tweede lid kan het college regels stellen over een tijdslimiet bij bezoekersparkeren. Dit kan door bijvoorbeeld een urenlimiet per maand of kwartaal in te voeren. Daarbij kun je ook denken aan een systeem waar extra uren tegen betaling beschikbaar zijn. Deze limieten kunnen worden bijgehouden in het parkeersysteem. De limitering van parkeeruren voor bezoekers kan helpen om parkeerruimte eerlijk en optimaal te verdelen en om misbruik te voorkomen. In het derde lid wordt de mogelijkheid geboden om het college voorschriften en beperkingen aan een vergunning te laten verbinden. Ook hier geldt dat de gemeenteraad ervoor kan kiezen om het aan het college te laten waar die voorschriften en beperkingen op zien en wat het doel daarvan is. Er is echter ook ruimte voor de gemeenteraad om hierin te sturen. In dat geval kan de gemeenteraad vooraf bepalen wat het doel van de voorschriften of beperkingen moet zijn.
Als voorbeeld zijn een eerlijke verdeling van parkeerruimte, het beperken van overlast door verkeer en het verminderen van de negatieve gevolgen voor het milieu genoemd. Artikel 5 Op grond van het de vierde lid kan het college een parkeervergunning wijzigen of intrekken zonder een verzoek van de vergunninghouder. Het gaat daarbij om andere gevallen dan die in het tweede en derde lid. Daarbij is het aan de gemeenteraad om te bepalen wanneer het intrekken en wijzigen van de parkeervergunning door het college aan de orde is. Als voorbeelden zijn onder andere genoemd het verstrekken van onjuiste gegevens bij de aanvraag en redenen van openbaar belang. Artikel 7 Op basis van het derde lid kan het college in uitzonderlijke gevallen ook vergunningen toekennen aan bewoners die wel feitelijk in het gebied wonen, maar om gegronde redenen niet zijn ingeschreven. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om expats of mensen in tijdelijke woonsituaties. Het college bepaalt daarbij welke documenten nodig zijn bij de aanvraag en kan aanvullende voorwaarden stellen. Artikel 8 Artikel 8 gaat over parkeervergunningen voor bezoekers van bewoners. De facultatieve bepaling uit artikel 4, tweede lid, onder c geeft het college de mogelijkheid om het gebruik van deze vergunning tot een bepaald aantal uren te beperken om een te grote druk op de parkeerruimte te voorkomen.
Artikel 11 Het eerste lid van artikel 11 biedt gemeenten de mogelijkheid om parkeervergunningen toe te kennen aan autodeelbedrijven. Het college kan besluiten of autodeelbedrijven een vergunning krijgen voor het parkeren op specifieke vergunninghoudersparkeerplaatsen (aangeduid met een E9-bord) of in een breder aangewezen (vergunning)gebied. Een belangrijke keuze hierbij is of deelauto’s een vaste parkeerplaats moeten hebben of flexibel mogen worden geparkeerd. Een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/6
vaste parkeerplaats kan bijdragen aan een duidelijke zichtbaarheid en gebruiksgemak, terwijl een flexibel systeem efficiënter kan zijn bij een groeiend aantal gebruikers. Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat een parkeervergunning voor autodelen niet op kenteken wordt verstrekt. Dit biedt deelautobedrijven de mogelijkheid om hun wagenpark flexibel in te zetten. In dat geval is het verplicht om gebruik te maken van een parkeersysteem, zodat voertuigen kunnen worden geregistreerd op het moment van parkeren. Gemeenten moeten bij de invoering van een parkeervergunning voor autodeelbedrijven nadenken over de gevolgen voor het verdelen van de andere soorten parkeervergunningen met het oog op een goed, evenwichtig en samenhangend parkeerbeleid. In sommige steden wordt een maximaal aantal vergunningen voor deelautobedrijven vastgesteld, zodat deze niet ten koste gaan van parkeergelegenheid voor bewoners en bedrijven. Maar er kan bijvoorbeeld ook voor worden gekozen om meer vergunningen voor autodelen te vergeven en minder voor bewoners of bedrijven om op deze manier parkeerdruk te beperken. Dit artikel in de Model Parkeerverordening sluit aan op de vergunning voor het aanbieden van deelmobiliteit die in de Model-APV is geregeld.
Het is een keuze om de vergunningplicht voor het aanbieden van deelmobiliteit niet op te nemen in de APV als artikel 11 van de Model Parkeerverordening wordt opgenomen. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de Model Parkeerverordening slechts ziet op motorvoertuigen, en dat de Model-APV op een bredere categorie voertuigen van toepassing kan zijn. Daarnaast is van belang dat de Model-APV een ander motief heeft dan de Model Parkeerverordening. De Model-APV geeft onder meer regels in het belang van de openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu (hoofdstuk 2). De Model Parkeerverordening reguleert het parkeerbeleid in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Daarmee kan de gemeente schaarse parkeerruimte reguleren en zo overlast voorkomen. Het instrument daarvoor is het invoeren van betaald parkeren (al dan niet gecombineerd met vergunningparkeren). Het is aan te raden om voor het regelen van een heldere samenloop tussen de twee vergunningen de ‘Implementatiehandeling reguleren deelmobiliteit in de Model-APV’ te raadplegen. Artikel 12 In de Model Parkeerverordening is de mogelijkheid opgenomen om over te stappen op een digitaal systeem voor gehandicaptenparkeren. De papieren kaart blijft echter noodzakelijk voor gehandicaptenparkeerplaatsen die worden aangeduid met verkeersbord E6.
De aanbeveling is dat het college ervoor zorgt dat het aanmelden in het systeem digitaal kan, maar dat het systeem ook op een andere manier toegankelijk is, zodat het ook kan worden gebruikt door kaarthouders die niet of minder digitaal vaardig zijn. Artikel 13 Het is van belang dat deze bepaling aansluit op artikel 4 dat ook in nadere regels voorziet. Verder is het tweede lid facultatief. Het gaat er om dat goed wordt nagedacht over welke partijen, in welke situaties en in welke mate een vergunning nodig hebben. Daarbij moet het gaan om enige bestendigheid van het ter plaatse moeten parkeren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/6
Artikel 16 Politieambtenaren zijn op grond van landelijke wetgeving algemeen bevoegd om op de naleving van strafrechtelijke regels toe te zien en deze regels eventueel ook te handhaven. In artikel 16 is geregeld dat het college gemeentelijke toezichthouders (BOA’s) kan aanwijzen die ook bevoegd zijn om toe te zien op de naleving van de regels uit de Model Parkeerverordening, en deze te handhaven. Artikel 17 De landelijke strafrechtelijke regels rond parkeren worden administratiefrechtelijk afgedaan met behulp van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de zogenaamde Wet Mulder). In de voorliggende Parkeerverordening wordt uitgegaan van de niet-fiscale regels. Dus van een eigenstandige en gebruikelijke manier van handhaven van de landelijke regels van het RVV 1990 en de gemeentelijke Parkeerverordening. Als de gemeente er voor kiest om het parkeren te fiscaliseren, is dit systeem anders. In dat kader wordt verwezen naar de Parkeerbelastingverordening. In de Model Parkeerverordening is voorzien in de strafrechtelijke handhaving van de verboden die daarin opgenomen zijn. Overtreding van deze verboden is namelijk niet automatisch strafbaar op basis van het RVV 1990. De primaire handhavingsmiddelen van de gemeente zijn bestuursrechtelijk.
Om de verboden van artikel 14 en 15 (en die van eventuele nadere regels op basis van artikel 4, eerste lid) ook strafrechtelijk te kunnen handhaven, is het nodig om overtreding in de gemeentelijke verordening strafbaar te stellen. Dit kan de gemeenteraad doen op basis van artikel 154 van de Gemeentewet. Artikel 18 Een hardheidsclausule is bedoeld voor gevallen die niet voorzien zijn en waarbij onverkorte toepassing van de regels zouden leiden tot een zeer onredelijk of hard resultaat. Uiteraard is dit niet een bepaling die bedoeld is voor gevallen die onder een andere bepaling kunnen worden afgedaan, zoals vergunningen voor specifieke doelgroepen of ontheffingen. Verder moet er in zijn algemeenheid zeer terughoudend mee worden omgegaan. Een niet goed onderbouwd en te ruim gebruik van de hardheidsclausule ondermijnt de werking van de andere regels en kan leiden tot willekeur.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6/6
Model Raadsbesluit wijziging Algemene plaatselijke verordening inzake deelmobiliteit Leeswijzer modelbepalingen - [tijdstip] = door gemeente in te vullen, zie de citeertitel in artikel I. - [iets] = facultatief, zie artikel 2:13, zesde lid, in variant 2. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als invulling door gemeenten vraagt, zie artikel 2:13, tweede lid in variant 1. Ook wordt er gewerkt met twee varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan de andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding.
Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening [naam gemeente en eventueel jaartal] inzake deelmobiliteit (Deelmobiliteitsbepaling [naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit: Artikel I De [citeertitel Verordening Algemene plaatselijke verordening] wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 2:13 komt te luiden: Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit Variant 1 – open vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. [2. Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste [aantal] jaar. [Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal [aantal] jaar.]] 3. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/2
a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. [5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Variant 2 – schaars vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. 2. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b.
de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden; c. het maximaal aantal vergunningen en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende categorieën voertuigen. 3. Het college stelt bij gebruikmaking van de in het tweede lid, onder c, genoemde bevoegdheid nadere regels over de duur van de vergunning en over de procedure en wijze van vergunningverdeling. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. 5. Het college weigert de vergunning als een door het college vastgesteld maximaal aantal te verlenen vergunningen wordt overschreden. [6. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel II Dit besluit treedt in werking op [datum]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Modelbepalingen Deelmobiliteit voor Model APV (nieuw model) Leeswijzer modelbepalingen - […] [... (bijvoorbeeld [tijdstip])] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding. Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit Variant 1 – open vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. [2.
Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste [aantal] jaar. [Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal [aantal] jaar.]] 3. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. [5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Variant 2 – schaars vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/5
2. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden; c. het maximaal aantal vergunningen en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende categorieën voertuigen. 3. Het college stelt bij gebruikmaking van de in het tweede lid, onder c, genoemde bevoegdheid nadere regels over de duur van de vergunning en over de procedure en wijze van vergunningverdeling. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. 5. Het college weigert de vergunning als een door het college vastgesteld maximaal aantal te verlenen vergunningen wordt overschreden. [6. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting Algemeen Aanbieders die deelvoertuigen op de weg of in parken plaatsen maken daarbij gebruik van de openbare weg of andere openbare plaatsen. Denk hierbij aan (bak)fietsen, scooters en auto’s. Deze voertuigen worden vervolgens beschikbaar gesteld voor gebruik in het verkeer. Deze vorm van vervoer wordt ook wel deelmobiliteit genoemd. Het gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen door dit soort voertuigen kan leiden tot een onevenwichtig gebruik van de openbare ruimte en een rommelig aanblik waardoor het aanzien van de openbare ruimte wordt aangetast. Om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken, wordt deelmobiliteit in artikel 2:13 gereguleerd. Het is verboden om zonder vergunning van het college deelvoertuigen op of aan de weg en op andere openbare plaatsen beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer. Artikelsgewijze toelichting Variant 1 – open vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht.
Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/5
De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners. Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit.
[Tweede lid In beginsel worden vergunningen in een open vergunningstelsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7, eerste lid). Echter, dit vergunningstelsel reguleert bijzonder gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen. De bescherming van de openbaarheid van de weg en deze plaatsen heeft voorrang op particuliere exploitatie van de weg en deze plaatsen, mede om het veilig en doelmatig gebruik voor het verkeer te kunnen waarborgen. Zodat het belang van de openbare bestemming niet ondergeschikt raakt aan de vergunde activiteit, in dit geval het aanbieden van deelvervoer, wordt de vergunning voor het aanbieden van deelvervoer beperkt tot [aantal] jaar. Op grond van het tweede lid kan het college besluiten de vergunning voor [aantal] jaar te verlengen.] Derde lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Vierde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2.
Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen die in deze bepaling zijn benoemd. Zesde lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/5
dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen. Variant 2 – schaars vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht. Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt. De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners.
Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit. Tweede lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Op grond van onderdeel c heeft het college de bevoegdheid om grenzen te stellen aan het aantal vergunningen dat maximaal wordt verleend door een vergunningplafond vast te stellen.
Derde lid In het tweede lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen. In onderdeel c is de mogelijkheid opgenomen dat het college het aantal vergunningen voor het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen maximeert. Als een vergunningplafond is vastgesteld
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/5
wordt in deze nadere regels opgenomen wat de looptijd van de vergunning is, met inachtneming van een redelijke terugverdientijd, en op welke wijze de vergunningen (transparant) worden verdeeld. Als de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend moet er een selectieen vergunningprocedure worden vastgesteld die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Zie hiervoor verder de toelichting op artikel 1:7. Vierde en vijfde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2. Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen. Daarnaast weigert het college een vergunning als het vergunningplafond is bereikt. Zevende lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen.
Omdat het aantal vergunningen beperkt is moet bovendien de verdelingssystematiek worden gevolgd, zodat aanbieders weten waar zij aan toe zijn en er niet buiten deze systematiek om vergunningen kunnen worden verleend.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/5