CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Wijziging Regeling Recreatieschap Twente

Hamerraad 20 mei 2025, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W988 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Almelo

Raadsbrief ter informatie Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo

Aan de raad van de gemeente Almelo

Bijlage Ontwerp Regeling Recreatieschap Twente

Datum 26 maart 2025

Onderwerp Wijziging Regeling Recreatieschap Twente Geachte leden van de raad,

Vanaf 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) aangepast. Vanwege deze wijziging zijn de gemeenschappelijke regelingen waaraan de gemeente Almelo verbonden is al aangepast, behalve de gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Twente. Deze gemeenschappelijke regeling dient nog aangepast te worden. Via deze raadsinformatiebrief informeren wij u over het proces voor de wijziging van de Regeling Recreatieschap Twente en de standpunten van het college met betrekking tot de vastgestelde uitgangspunten van het ontwerpvoorstel. Ontwerpvoorstel De meest ingrijpende wijziging in het bijgevoegde ontwerpvoorstel betreft de artikelen 26 tot en met 30, waarin het proces en de voorwaarden voor een gemeentelijke uittreding uit het recreatieschap zijn vastgelegd. Bij een voorgenomen uittreding wordt een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar de financiële, juridische en organisatorische gevolgen. De kosten van dit onderzoek komen volledig voor rekening van de uittredende gemeente. Een belangrijk onderdeel hiervan is de vaststelling van de uittreedsom, die wordt berekend op basis van alle directe en indirecte kosten over een periode van minimaal vijf en maximaal tien jaar. Hieronder vallen onder andere frictiekosten, overheadkosten en de afwikkeling van bestaande schulden en verplichtingen, waarbij de gemeentelijke bijdrage in het laatste jaar als uitgangspunt wordt genomen.

Het ontwerp-uittredingsplan biedt daarnaast inzicht in de bredere financiële impact op de publieke dienstverlening en recreatieve voorzieningen. Het bestuur stelt uiteindelijk de uittreedsom vast en beoordeelt of aanpassing van de regeling noodzakelijk is, waarbij de financiële belangen van de overige deelnemers zorgvuldig worden gewaarborgd. Verder geldt dat een gemeente in de eerste vijf jaar na toetreding tot het recreatieschap niet kan uittreden. Na deze periode is uittreding uitsluitend mogelijk per 1 januari, met een opzegtermijn van twee kalenderjaren. Pagina 1 van 3 D/25/740441

Verschillen van inzicht Wij hebben in een vroeg stadium bij het bestuur van het recreatieschap kenbaar gemaakt dat wij ons niet kunnen vinden in het ontwerpvoorstel.

Eerder door uw raad ingediende zienswijze In lijn met de overige gewijzigde Twentse gemeenschappelijke regelingen zullen wij het standpunt innemen dat er een gelijksoortige uittredingsbepaling wordt opgenomen zoals deze ook, naar aanleiding van een zienswijze van uw gemeenteraad, in de overige Twentse gemeenschappelijke regelingen is opgenomen. Deze zienswijze kwam er in het kort op neer dat de uittredende partij de kosten betaalt die toerekenbaar zijn aan de uittredende partij. Het gaat om de strikt noodzakelijke kosten die toerekenbaar zijn aan de uittredende partij. En dat er een termijn van maximaal 5 jaar gehanteerd wordt voor het bepalen van de kosten voor uittreding. Naar onze mening zijn de voorgestelde bepalingen onduidelijk en onevenwichtig. De financiële voorwaarden voor uittreding – een uittredingssom gebaseerd op een periode van minimaal vijf en maximaal tien jaar, een verplichte lidmaatschapsduur van vijf jaar en een opzegtermijn van twee jaar – vormen in de praktijk een vrijwel onneembare drempel voor gemeenten die willen uittreden, doordat de uittredingssom aanzienlijk oploopt. Daarnaast voorzien wij dat de regeling onvermijdelijk tot juridische en bestuurlijke discussies zal leiden zodra een deelnemer daadwerkelijk tot uittreding overgaat.

Zo wordt voorgesteld dat een ontwerp-uittredingsplan wordt opgesteld, volledig op kosten van de uittredende deelnemer, waarin alle directe en indirecte kosten van de uittreding over een periode van minimaal vijf en maximaal tien jaar worden gespecificeerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende deelnemer op basis van redelijkheid en billijkheid de frictiekosten draagt. Echter, de invulling van wat als redelijk en billijk wordt beschouwd, is subjectief en vatbaar voor interpretatieverschillen. Het is aannemelijk dat een uittredende partij hier een ander perspectief op heeft dan de achterblijvende deelnemers binnen de gemeenschappelijke regeling. Wij hebben het ontwerpvoorstel tevens extern juridisch laten toetsen. Onze zorgen worden onderschreven en concluderen daarnaast dat het voorstel niet in lijn is met de geldende jurisprudentie. Op basis van de uitspraak van de Raad van State in de zaak tussen het Rijk en Recreatieschap Midden-Delfland (ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1198) is vastgesteld dat bij het opstellen van een uittredingsbepaling en het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom de volgende uitgangspunten moeten worden gehanteerd: • Deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling hebben de vrijheid om eenzijdig te besluiten om uit de gemeenschappelijke regeling te treden.

• De uitredende deelnemer dient de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de uittreding uit een gemeenschappelijke regeling. • Bij het bepalen van de hoogte van de toekomstige schade dient in beginsel een overbruggingsperiode van maximaal vijf jaren te worden gehanteerd. • Daarbij mag verwacht worden dat een gemeenschappelijke regeling zich binnen die periode (van vijf jaar) kan aanpassen aan de ten gevolge van de uitreding gewijzigde omstandigheden en het inhoudelijke en financiële beleid daarop afstemmen. • De uittredingsschade dient bepaald te worden door de directe, onvermijdelijke en niet te mitigeren schade te berekenen.

Pagina 2 van 3 D/25/740441

Deze uitgangspunten maken duidelijk dat de uittredingssom in beginsel slechts berekend mag worden over een maximale periode van vijf jaar, dat de gemeenschappelijke regeling een inspanningsverplichting heeft om de kosten als gevolg van uittreding te minimaliseren, en dat de uittredende deelnemer uitsluitend de niet te reduceren kosten dient te dragen. Daarnaast blijkt uit de jurisprudentie dat een opzegtermijn van één jaar als gangbaar wordt beschouwd. Wij hebben onze zienswijze al meerdere malen kenbaar gemaakt binnen het bestuur van het recreatieschap. Op 10 april 2025 vindt het volgende bestuurlijk overleg plaats, waarin op basis van het meerderheidsprincipe wordt besloten of het ontwerpvoorstel wordt voorgelegd voor de zienswijzeprocedure aan de gemeenteraden. Wij informeren u bij deze alvast over onze standpunten, zodat u niet verrast wordt door de verschillen van inzicht. Na 10 april zullen wij het definitieve ontwerpvoorstel via de gebruikelijke route aan u aanbieden, zodat u indien gewenst een zienswijzeprocedure kunt starten. Hoogachtend, Burgemeester en Wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester,

J.H. Dijkstra

Pagina 3 van 3 D/25/740441

R.T.A. Korteland

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=08f4d5f0-34d9-45b9-a96c-927c1dc4e30d