16.1 Vaststelling bestemmingsplan Kanaalweg 7 - Bronweg 2d - Bijlage - Bestemmingsplan Kanaalweg7 - Bronweg2d.pdf
Tekst van het document
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
50
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Hoofdstuk 7
Juridische aspecten en planverantwoording
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
7.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels.
7.2.2 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
51
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) In de algemene bouwregels staat beschreven op welke wijze moet worden omgegaan met bestaande afwijkende maatvoeringen en op welke wijze burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan de locatie en afmetingen van bouwwerken. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Dit evenwel met het voorbehoud dat de belangen van eigenaren en/of gebruikers en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad. Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven.
Deze regels maken het voor burgemeester en wethouders mogelijk om het plan onder voorwaarden te wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen. Algemene procedureregels (Artikel 12) In dit artikel staat beschreven welke procedureregels in acht moeten worden genomen, wanneer er nadere eisen zijn gesteld die onderdeel uitmaken van de regels in dit bestemmingsplan. Overige regels (Artikel 13) In dit artikel staat beschreven welke regels er gelden voor het parkeren, laden en lossen.
7.2.5 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Ten aanzien van de plansystematiek voor de bestemmingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de plansystematiek van het bestemmingsplan "Buitengebied correctieve herziening" (geconsolideerd).
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
52
NL.IMRO.0141.00127-BP31
'Agrarisch' (Artikel 3) Gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Deze bestemming is ter plaatse van het plandeel Kanaalweg 7 opgenomen voor de gronden die in de nieuwe situatie buiten de woonpercelen vallen, maar in de huidige situatie wel waren voorzien van een woonbestemming. 'Agrarisch met waarden' (Artikel 4) Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke en/of natuurwaarden ter plaatse van de aanduidingen: 1. 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen' hoogteverschillen; 2. 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - houtopstanden' houtopstanden. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Ter plaatse van het plandeel Bronwe/2d is deze bestemming opgenomen op een deel van de gronden die in de huidige situatie waren voorzien van een agrarisch bouwvlak, maar die geen onderdeel uitmaken van het nieuwe woonperceel. 'Wonen' (Artikel 5) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen in woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep.
In de bouwregels is onderscheid gemaakt in bouwregels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten op de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied correctieve herziening" (geconsolideerd). In de specifieke gebruiksregels zijn enkele voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor de landschappelijke inpassing van het plangebied, de sloopverplichting en ten behoeve van de realisatie van voldoende waterberging. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de woonpercelen binnen beide plandelen. 'Waarde – Archeologische verwachting middelhoog' (Artikel 6) De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemmingen) mogen hier in beginsel geen gebouwen of overige gebouwen worden gebouwd. Afwijkingen op dit uitgangspunt zijn onder voorwaarden mogelijk. Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan.
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
53
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten beperken zich tot de ambtelijke kosten welke verbonden zijn aan het voeren van de planologisch procedure en worden verhaald middels de legesverordening. Eventuele planschade wordt afgewenteld middels een planschadeovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a geen exploitatieplan nodig.
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
54
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
9.1.2 Provincie Overijssel Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en het feit dat er sprake is van een ontwikkeling die in overeenstemming is met het provinciaal beleid, wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht.
9.1.3 Waterschap Vechtstromen In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt gelet op de aard en omvang van het plan geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Omgevingstraject
De initiatiefnemers hebben vooroverleg gevoerd met de directe omwonenden. Hierbij zijn de plannen besproken en zijn de respectievelijke erfinrichtingsplannen getoond. Per plandeel zijn de bewoners van de volgende adressen in het kader van vooroverleg benaderd: Kanaalweg 7: Op zaterdag 26 juni 2021 is initiatiefnemer naar de onderstaande adressen geweest om de plannen te laten zien: Entersestraat 51; Entersestraat 51a; Kanaalweg 3 en 5. Bronweg 2d: Bronweg 2c; Bronweg 4 en 4b. Pepershaar 1a en 1b; Pepershaar 1c en 1d. Op basis van het vooroverleg met de omwonenden is gebleken dat omwonenden positief tegenover de plannen staan. Men is te spreken over de sloop van de landschapsontsierende bebouwing en de nieuwe inrichting van de betrokken erven. Op voorhand zijn geen bezwaren gebleken tegen de voorgenomen ontwikkelingen.
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
55
NL.IMRO.0141.00127-BP31
9.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van 29 december 2021 tot en met 8 februari 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze inzageperiode zijn er geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Dit bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld.
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
56
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Bijlagen toelichting
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
57
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Bijlage 1 Ruimtelijk kwaliteitsplan
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
58
ruimtelijk kwaliteitsplan Kanaalweg 7 Bornerbroek
Door:
dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
Telefoonnummer E-mail Internet Project Auteur Datum laatst gewijzigd Bestandsnaam Aantal pagina’s
06 24 88 38 28 herbert@erfontwikkelaar.nl www.erfontwikkelaar.nl 2010 H. Oldehinkel 16 november 2021 2010-RKP-05.indd 15
Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of dé Erfontwikkelaar b.v.
INHOUDSOPGAVE 1 INTRODUCTIE
1
2 VIGEREND BELEID
5
2.1.
omgevingsvisie overijssel
5
2.2.
bestemmingsplan buitengebied almelo
5
3 B E S TA A N D E S I T U AT I E
7
3.1.
7
beeldkwaliteit
4 RU I MT EL I J K K WA L I T EI T S P L A N
8
4.1.
ruimtelijk onderbouwing
11
4.2.
samenvatting maatregelen kanaalweg 7 bornerbroek
11
4.3.
samenvatting maatregelen bronweg 2d bornerbroek
11
4.4.
kwaliteitsimpuls groene omgeving
12
5 L A N D S C H A P S M A AT R E G E L E N
14
1 INTRODUCTIE dé Erfontwikkelaar is gevraagd een visie te geven op de inrichting als onderdeel van een ontwikkeling aan de Kanaalweg 7 te Bornerbroek. Initiatiefnemer wil op deze locatie ca. 234 m2 landschapsontsierende bebouwing slopen. Aangezien dit niet voldoet aan de minimale sloopeis van 850 m2 wordt er aan de Bronweg 2d te Bornerbroek eveneens ca. 714 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Middels de rood voor rood regeling wordt één compensatiekavel toegewezen. Deze bouwkavel zal op het bestaande erf worden gepositioneerd waarmee het erf zich als eenheid in het landschap blijft presenteren. Daarnaast wordt er een nieuwe schuur bij de bestaande woning gebouwd. De gemeente Almelo wil hier middels de rood voor rood re-
Kanaalweg 7 Bronweg 2d
geling in principe aan medewerken, mits het erf landschappelijk goed wordt ingepast. Deels wordt dit bereikt door de sloop van landschapsontsierende bebouwing (minimaal 850 m2) en deels door het landschappelijk goed inpassen van het erf. Ten grondslag van dit Ruimtelijk kwaliteitsplan ligt de welstandsnota Almelo. Naast het beleid zijn ook de wensen en de randvoorwaarden van opdrachtgever verwerkt in een plan.
1
lo catie plangebie d en slo oplo catie
zoekgebied compensatiewoning
te behouden woning
te slopen stallen
Op het erf worden landschapsontsie rende b eb ouwing geslo opt . De b e st aande b o erderij met b eplanting 2
blijft b ehouden.
te behouden woning
op te ruimen verharding
te slopen stallen
Op het erf worden landschapsontsie rende b eb ouwing geslo opt .Ook wordt de overtollige b eplanting opgeruimd De b est aande woning met b eplanting 3
blijft b ehouden.
plangebied en omgeving rond 1900
plangebied en omgeving rond 1950
plangebied en omgeving rond 2010
4
2 VIGEREND BELEID
schillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld
2.1.
OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL
door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met
De Provincie Overijssel heeft het Streekplan, het verkeer- en
‘natuurlijke’ soorten en door de (strekkings)richting van het
vervoerplan, het waterhuishoudingsplan en het milieube-
landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
leidsplan samengevoegd tot de Omgevingsvisie. Het vormt het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van
Het maten- en flierenlandschap is de natte contramal van het
Overijssel. De Provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwali-
essen- en oude hoevenlandschap. Het zijn de beekdalen en
teit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden
laagtes tussen de essen met hun flanken en (voormalige) heide-
beschermd en er moeten verbindingen worden gelegd tussen
velden. Kenmerkend zijn het hoge waterpeil, het onbebouwde
deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil
karakter, de continuïteit van de beekloop, het lineaire landschap
zeggen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de
met open ‘kamers’ en coulissen en de duidelijk zichtbare over-
verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het behoud en
gang naar hogere gronden
dekzand
het versterken van de ruimtelijke kwaliteit vormen essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt.
Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het
Gebiedskenmerken
historische lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen,
Middels een verdeling in 4 lagen zijn de gebiedskenmerken
aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toe-
binnen de Omgevingsvisie toegelicht:
gankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water.
De natuurlijke laag De laag van het agrarisch-cultuur landschap De stedelijke laag De laag van de beleving
2.2.
Toelichting: Dekzandvlakte en Maten- en Flierenlandschap De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke ver5
natuurlijke laag
BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED ALMELO
Het bestemmingsplan buitengebied Almelo vormt de uitwerking van de wens om te komen tot een ruimtelijke visie voor het buitengebied van de gemeente Almelo. Het buitengebied van de gemeente Almelo ligt als ware als een schil om de stad heen. Een deel van het buitengebied bestaat uit enkele groene longen die aan verschillende zijden zijn omsloten door stedelijke
Maten en Flierenlandschap
uitleggebieden van de stad Almelo. De natuurlijke gesteldheid van Twente wordt in belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid van stuwwallen. Deze stuwwallen zijn ontstaan tijdens de derde ijstijd (Riss). Toen de agrarisch cultuurlandschap
gletsjers ten gevolge van een temperatuurstijging zich naar
door aansturing van grootgrondbezitters, de ontginningen
het noorden terugtrokken, bleef een geplooid landschap
collectief werden aangepakt.
achter met door het ijs meegevoerde en opgestuwde
Ten westen van Almelo werden de ontginningen indivi-
morenen (zand, grind en steenblokken). In samenhang met
dueel aangepakt. Hierdoor is hier een meer verbrokkeld
deze ruggen of stuwwallen is een aantal beeksystemen
landschap met eenmansessen ontstaan. Deze collectieve
ontstaan. Tijdens de vierde en laatste ijstijd was er sprake
en individuele ontginningen zijn de oude ontginningen.
van een toendraklimaat. Het was koud, droog en stormach-
De heidegebieden ten zuiden van Almelo zijn in een latere
tig en er werd een dik pak-ket dekzand als een deken over
periode ontgonnen. Hier is nu sprake van blokvormige
Gebiedskenmerken
het landschap afgezet. De oostflank van Almelo is door-
verkavelingen in een half open landschap, de broekgronden.
Landschapstype
aderd met beekdalen. In grote lijnen loopt het gebied af van
Ten noorden van Almelo heeft zich in het lage landschap,
oost naar west en het bekenstelsel watert dan ook naar het
met een keileemlaag, veen gevormd. Het hoogveen is het
westen af op de Regge. De beekdalen zijn van oudsher laag,
laatst ontgonnen. Hier is nu sprake van een grootschalig
nat en begroeid met elzen. Het dekzand is hoog, droog en
cultuurlandschap. Deze rationele ontginningen van heide
begroeid met onder ander iep en linde, veel later kwamen
en veen behoren tot de jongere ontginningen die plaats
daar beuk en haagbeuk bij.
vonden na 1850. Op grond van het bovenstaande is het huidige buitengebied van de gemeente Almelo globaal
Cultivering en landschapstypen
onder te verdelen in de oude en jonge ontginningen. Deze
Almelo is gelegen in een overgangsgebied van hoge gron-
ontginningen kennen verschillende landschapstyperingen
den (de stuwwallen) en lage gronden (de veen- en heidege-
met gebiedseigen kenmerken.
Landschapskenmerken: Openheid/regelmatigheid; vlakke ligging; opstrekkende strokenverkaveling; herkenbare structuur; bebouwing langs ontginningsassen.
bieden). Deze overgangen van hoog naar laag en van droog
Huidige functie:
naar nat zijn kenmerkend voor het buitengebied van de
Hoofdzakelijk landbouw
gemeente Almelo. Het oorspronkelijke beekdalenlandschap
Toekomst:
is nagenoeg verdwenen. Nu kenmerken met name het
Verwevingsgebied
agrarisch grondgebruik, recreatieve activiteiten vanuit de
Functies:
stad Almelo en infrastructurele werken het buitengebied. De cultivering bracht en brengt nieuwe landschapsbeelden en landschappelij-ke waarden voort. In de Middeleeuwen zijn op de hoger gelegen delen woeste gronden gecultiveerd wat heeft geleid tot esdorpen met door houtwallen omgeven kleine akkers. Deze situatie is kenmerkend voor het oostelijke deel van Almelo waar, 6
Oude Veldontginning
de ontinnging van het landschap
Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimte vragen de functies; het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.
3 B E S TA A N D E S I T U AT I E
Vanuit de overheid wordt onder meer medewerking aan
3.1.
telijke kwaliteit gewaarborgd en zo mogelijk versterkt kan
BEELDKWALITEIT
bovengenoemde ontwikkelingen verleend indien de ruim-
Met het initiatief van de opdrachtgever wordt het mogelijk
worden. Het belangrijkste doel hierbij is de leefomgeving te
het plangebied en de directe omgeving een ruimtelijke kwa-
beschermen. Het initiatief moet leiden tot een kwalitatief
liteit te geven waarmee een nieuwe impuls ontstaat en het
hoogwaardige, ruimtelijke situatie ontwikkeling. De erven
geformuleerde beleid voor wat dit gebied grotendeels kan
kennen van oorsprong een kenmerkende opbouw, wonen
worden doorgevoerd. Met de rood voor rood aanvraag zal
voor en werken achter. Dit resulteerde in de sier- en nutstuin
de beeldkwaliteit geborgd moeten worden. De erven in het
aan de voorzijde en het veel soberder maar functionele deel
gebied presenteren zich veelal als groene eilanden waarbij
werken aan de achterzijde. Ook op dit erf zal deze herkenba-
de gebouwen op het erf een eenheid vormen.
re opbouw behouden moeten worden. De woningen met de tuinen zullen georiënteerd worden op de Kanaalweg..
Analyse landschap
Het achtererf met de schuren, enkele fruitbomen en een
Het plangebied was van oorsprong een relatief kleinschalig
sterke relatie met het omliggende land.. Bij de uitwerking
gebied. Met de aanleg van het kanaal is de oorspronkelijke
van het erf zal hier rekening mee gehouden moeten worden.
Belangrijkste ruimtelijke kenmerken: de erven vormen clusters in het relatief open landschap; de verkaveling is organisch en kleinschalig, er is geen duidelijke riching; de te slopen stallen zijn landschapsontsierend door het gebrek aan gebruikswaarde de bestaande woning met te behouden schuren passen in het landschap de nieuwe bebouwing zal zich hieraan moeten schikken; het erf en het landschap dient een bepaalde maat van openheid te behouden het erf kent veel gebiedseigen beplanting, dit is waardevol en moet waar kan behouden blijven; het is echter niet nodig om het gehele erf te verstoppen achter groen; geen harde grensen van het erf duidelijk onderscheid in een ‘voor-’ en een ‘achtererf’ dit uit zich in de beplanting en het gebruik van het erf.
structuur verdwenen. Wegen zijn omgelegd en toegangen van erven zijn gewijzigd. Het gebied kent een sterk agrarisch karakter door de openheid en het gebruik van de gronden in het gebied. De erven in het gebied liggen vrij open in het landschap. Het erf daarentegen heeft altijd op deze plek gelegen en door de sterk veranderende omgeving haar landelijke uitstraling behouden. De volwassen bomen aan de westzijde van het erf zijn een kwaliteit en geven het erf de gewenste groene massa. Inrichting vanuit het landschap De karakteristiek van het landschap behouden; ontginningsrichting respecteren; zo compact mogelijke erven voorzien; deels zicht op erf behouden; erven moeten aansluiten op bestaande structuren; rekening houden met omliggende erven streekeigen beplanting toepassen. 7
het erf in het landschap
4 RUIMTELIJK K WA L I T EI T S P L A N Uitgangspunten initiatiefnemer: Sloop landschapsontsierende bebouwing nieuwe compensatiewoning en bijgebouw; half open beeld van erf behouden; ruimte om te keren en te parkeren op het erf. Uitgangspunten gemeente: Sloop aangegeven landschapsontsierende bebouwing; behoud van één erfensemble; landschappelijk goed inpassen van het erf aan de Bronweg 2d en de Kanaalweg 7; enkel gebruik streekeigen beplanting; aansluiten op de gebiedskenmerken van het ontginningslandschap zoals is omschreven in het de Welstandsnota; Uitgangspunten provincie: het erf moet aansluiten op de gebiedskenmerken (beekdallandschap) volgens de Omgevingsvisie Overijssel; de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is van toepassing, deze wordt in hoofdstuk 4.2 nader toegelicht
de compensatiewoning in het landschap
8
laat je erf groeien!
Legenda 1. Bestaande woning 2. Nieuw bijgebouw 3. Compensatiewoning 4. Nieuw bijgebouw 5. Aanplant Hollandse Linde voor woning 6. Aanplant hoogstam fruitbomen
5
7. Aanplant Hollandse Linde als centraal element op het erf 6
8. Aanplant gemengde hakhoutsingel van: Zwarte Els Sleedoorn Geldersche roos Meidoorn Wilde Roos 9. Aanplant Wilde Ligusterhaag (max. 1 m. hoog)
3 9
10 8
7
10. Keren en parkeren
4 5
11. Te slopen landschapsontsierende bebouwing 12. Bestaande hoogstamfruibomen 13. Bijgebouw bij bestaande woning
1 10
13 12 2 8
11
11 11
0
9
laat je erf groeien!
10
20
30
40
50 m
erfinrichtingplan Kanaalweg 7
bestand
1. Te slopen landschapsontsierende opstal
2108
project
Legenda
door
datum
3. Bestaand bijgebouw
15 nov. 2021
2. Bestaande woning
formaat
a3
schaal
1 (3)
versie
5. Parkeren bezoekers
tekeningno
4. Nieuw te bouwen schuur
6. Bomenrij van zwarte els en ruwe berk 8
7. Aanplant paardenkastanje 8. Aanplant Hollandse Linde
8
3 4
1
5 6 7 1 1
1
0
10
20
30
40
50 m
erfinrichtingplan Bronweg 2d
10
laat je erf groeien!
Erfinrichtingsplan Bronweg 2d Bornerbroek
2
RUIMTELIJK ONDERBOUWING
reikt door de woning een gelijke oriëntatie te geven met de
grond weer toe te voegen aan het agrarische perceel. Het
Met de sloop van landschapsontsierende bebouwing
groenstructuur langs de inrit en het bijgebouw uit te lijnen
erf wordt ingepast met losse beplanting waarmee het een
bestaat de mogelijkheid om aan de noordzijde van het erf
met de bestaande woning. Hiermee wordt de voorgevel
zachte overgang naar het omliggende landschap krijgt.
aan de Kanaalweg 7 een compensatiewoning te bouwen.
van de compensatiewoning op een passende wijze richting
Een belangrijke ruimtelijke voorwaarde is dat het erf zich
de weg georienteerd. Het versterkt het voorerf. Middels het
De noordzijde van het erf zal opener blijven met enkel
als eenheid in het landschap moet blijven presenteren. Dat
toevoegen van structuurbepalend groen als bomen, hagen
(bestaande) bomen en een haag ter afscherming van de tuin.
wordt deels bereikt door geen harde grensen op het erf te
het erf landschappelijk in te passen.
(voorerf).
bouwkundige elementen. De bestaande groene ‘rug’ aan
Rondom de compensatiewoning kan een sobere tuin voor-
4.2.
de westzijde blijft behouden en wordt verlengd. Ook de
zien worden met ruimte voor sierbeplanting. De gebouwen
bestaande bomenrij langs de inrit blijft behouden. De com-
op de erven worden in de omgeving deels zichtbaar. Dit is
pensatiewoning zal in deze groene oksel worden gebouwd.
een kwaliteit van het landschap.
KANAALWEG 7 BORNERBROEK sloop ca. 234 m2 landschapsontsierende bebouwing aanplant houtsingel aan de westzijde van het erf; aanplant boomgaard op het erf; aanplant hagen als afscherming tuin; nieuwe compensatiewoning en de bestaande woning zullen zich als één erf in het landschap blijven presenteren door de gekozen situering; de centrale inrit blijft de enige ontsluiting van het erf op het erf is ruimte om te keren/parkeren.
4.1.
maken in de vorm van hoge hagen/schuttingen of andere
De bestaande woning en de nieuwe compensatiewoning zullen gezamenlijk één erfensemble vormen. Een beschei-
Nieuwe verharding moet in een gedekte kleurstelling sober
den tuin maakt dat de oostzijde de respresentatieve kant
toegepast worden (aansluitend op de bestaande verhar-
van het erf blijft (vooerf).
ding). Dit in afstemming met de kleurstelling van de gevels en overige materialisering van het woonhuis en de overige
Drie bestaande schuren op het erf worden vervangen door
gebouwen. Schuttingen en hoge opgaande exoten moeten
een nieuwe. Door de nieuwe schuur op dezelfde locatie te
in het buitengebied voorkomen worden.
bouwen als de te slopen blijft de impact beperkt. Met de nieuwe schuur zal verrommeling van het landschap voorko-
Het erf langs de Bronweg komt overeen met de karakteris-
men worden. De opslag van materiaal/materieel kan zo veel
tiek van het ontginningslandschap. De huidige bebouwing
mogelijk binnen uit het zicht staan.
staat aan elkaar uitgelijnd en is deels afgeschermd door groen. Over het algemeen zijn de erven half open, al dan
De verstrooide situering van de gebouwen is overeenkom-
niet voorzien van enkele grote bomen en gesloten bosjes
stig de gebiedskenmerken. Daarbij wordt het erf ontsloten
of singels. Richting de weg zijn de tuinen open en er is zicht
door één inrit met ruimte om op het erf te keren/parkeren.
op de bebouwing. De erven kennen een duidelijke clustering en worden veelal ontsloten door één inrit.
Groenstructuur en inrichting erf: Vanuit de welstandsnota is het gewenst om in het Flieren-
Het erf wordt compacter gemaakt door de landshchaps-
landschap rechtlijnigheid en de functionele inrichting van
ontsierende bebouwing aan de zuidzijde te slopen en de
het landschap te versterken en te herstellen. Dit wordt be11
SAMENVATTING MAATREGELEN
4.3. SAMENVATTING MAATREGELEN BRONWEG 2D BORNERBROEK sloop ca. 714 m2 landschapsontsierende bebouwing aanplant bomen op de rand van het erf; plek waar te slopen schuren staan wordt weer landbouwgrond; aanplant hagen als afscherming tuin.
primair in het bieden van ruimte aan (verbrede) agrarische
Deze tegenprestatie zal bestaan door het slopen van ca.1007
Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provin-
bedrijven en wonen.(mixlandschap). In voorliggend geval is
m2 landschapsontsierende bebouwing op eigen erf.
cie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikke-
dan ook sprake van een gebiedseigen functie. Tevens draagt
lingen in de groene ruimte. Nieuwe ontwikkelingen moeten
het initiatief bij aan het sociaal en economisch vitaal houden
mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de
van het buitengebied..
4.4.
KWALITEITSIMPULS GROENE OMGEVING
kwaliteit van de leefomgeving. In het buitengebied is ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen
Schaal en impact op de omgeving
mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke
De activiteiten zullen plaatsvinden op een plek waar al bou-
kwaliteit.
wing staat. Het agrarische bedrijf heeft op deze plek geen functie meer. Hiermee vervalt de gebruikswaarde van de
Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast
stallen. Het totale bebouwde oppervlakte neemt fors af. De
bescherming vooral in te zetten op het verbinden van
schaal van de ontwikkeling is klein, mede door de positio-
bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen,
nering van de gebouwen middels de één erfgedachte. De
waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en ver-
impact op de omgeving is hiermee beperkt en kan zelfs als
sterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd.
positief ervaren worden door het opheffen van een geurcontour.
De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de
Eigen belang en maatschappelijk belang
groene omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de
Er is sprake van een eigen belang. Het vergroot het woonge-
ontwikkeling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of
not en er kunnen gelden gegenereerd worden voor de sloop
hoe groter de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit
van de opstallen. Ook is er een maatschappelijk belang. Op
is, des te zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van
het erf staan landschapsontsierende bebouwing met asbest.
de balans en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties
Middels de sloop van het geheel en het opruimen van veel
dan dienen te zijn. Als het gaat om een gebiedsvreem-
verharding zal de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied
de ontwikkeling van een grote schaal en met een grote
verbeteren. Dit is goed voor de leefomgeving en het land-
impact op de omgeving, dan zal een forse investering in het
schap.
landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan het verzoek, wordt het volgende
Tegenprestatie
model gevolgd:
Al met al worden er boven op de basisinspanning aanvullende kwaliteitsprestaties gevraagd, die bijdragen aan de
12
Gebiedseigen ontwikkeling
versterking van de gebiedskenmerken die benoemd zijn in de
Het ontwikkelingsperspectief voor het plangebied voorziet
welstandsnota.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) saneren van in totaal. 948 m2 landschapsontsierende bebouwing.
2 Legenda L A N D S C H A P S M A AT R E G E L E N 1. Aanplant Tilia x vulgaris - Hollandse Linde Aanplantmaat 14-16 Totaal 5 stuks 2. Aanplant hoogstam fruitbomen Malus/Pyrus/Prunus HO Aanplantmaat 12-14 Totaal 4 stuks met onderlinge plantafstand van 7 (m) 3. Aanplant gemengde hakhoutsingel van: Alnus glutinosa - Zwarte Els 10% Prunus spinosa - Sleedoorn 25% Viburnum opulus - Geldersche roos 20% Crateagus monogyna - Meidoorn 25% Rosa canina - Wilde Roos 20% (langs rand)
1
2
Aanplantmaat 80-100 met 1st/m2 Eindbeeld is een gesloten houtsingel dat ieder jaar voor 1/3 wordt afgezet 4. Aanplant: Ligustrum vulgaris - Wilde Liguster Aanplantmaat 80-100 5 st/m1 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1 m. hoog
4
3
1
1
3
0
laat je erf groeien! 13
10
20
30
40
50 m
landschapsmaatregelen Kanaalweg 7
2108
project
5 L A N D S C H A P S M A AT R E G E L E N
gee n bo nde
4. Aanplant: Tilia x vulagris - Hollandse Linde Aanplantmaat 14-16 Totaal 2 stuks
bes
taa
4
2 1 3
20
30
a3
4
me n(
3. Aanplant Aesculus hippocastanum - paardenkastanje Aanplantmaat 14-16 Totaal 1 stuks
10
formaat
eig end o
2. Aan te planten Fagus sylvatica - Beuk Aanplantmaat 80-100 met 5 st/m1 Eindbeeld is een geschoren haag
0
1 (3)
m)
3 stuks met aanplantmaat 12-14 verspreid aanplanten tussen 8-10 (m)
tekeningno
datum
1. Bomenrgroep van Alnus glutinosa - zwarte els
9 juni 2021
Legenda
40
50 m
landschapsmaatregelen Bronweg 7
14
laat je erf groeien!
2108-eip-1.vwx
bestand
2108
project
herbert 1.0
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
schaal
door
a3
tekeningno
4
versie
2. Aan te planten Fagus sylvatica - Beuk Aanplantmaat 80-100 met 5 st/m1 Eindbeeld is een geschoren haag
1 (3)
formaat
3 stuks met aanplantmaat 12-14 verspreid aanplanten tussen 8-10 (m)
Landschapsmaatregelen Bronweg 2d Bornerbroek
datum
1. Bomenrgroep van Alnus glutinosa - zwarte els
9 juni 2021
Legenda
3. Aanplant Aesculus hippocastanum - paardenkastanje Aanplantmaat 14-16 Totaal 1 stuks 4. Aanplant: Tilia x vulagris - Hollandse Linde Aanplantmaat 14-16 Totaal 2 stuks
4
2 1 3
0
10
20
30
40
laat je erf groeien!
50 m
2010-eip-1.vwx 1.0
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
schaal versie
herbert
bestand
2010 a3 1 (3)
2 4
3
1
1
3
0
laat je erf groeien!
Landschapsmaatreglen Kanaalweg 7 Bornerbroek
1
Aanplantmaat 80-100 met 1st/m2 Eindbeeld is een gesloten houtsingel dat ieder jaar voor 1/3 wordt afgezet 4. Aanplant: Ligustrum vulgaris - Wilde Liguster Aanplantmaat 80-100 5 st/m1 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1 m. hoog
formaat
3. Aanplant gemengde hakhoutsingel van: Alnus glutinosa - Zwarte Els 10% Prunus spinosa - Sleedoorn 25% Viburnum opulus - Geldersche roos 20% Crateagus monogyna - Meidoorn 25% Rosa canina - Wilde Roos 20% (langs rand)
tekeningno
datum
2. Aanplant hoogstam fruitbomen Malus/Pyrus/Prunus HO Aanplantmaat 12-14 Totaal 4 stuks met onderlinge plantafstand van 7 (m)
4 okt. 2021
1. Aanplant Tilia x vulgaris - Hollandse Linde Aanplantmaat 14-16 Totaal 5 stuks
door
project
Legenda
10
20
30
40
50 m
NL.IMRO.0141.00127-BP31
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
vastgesteld bestemmingsplan Kanaalw eg 7 - Bronw eg 2d
79
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 Kanaalweg 7 - Bornerbroek
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Locatie: Kanaalweg 7 7627 LH Bornerbroek Maart 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Kanaalweg 7 - Bornerbroek
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo Locatie: Kanaalweg 7 7627 LH Bornerbroek Projectcode: 21009210 Rapportagedatum: 5 maart 2021 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina
1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.1
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
8 8 8 9 10
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
11
6
Literatuur en bronvermelding
13
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu, januari 2019 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van BJZ.NU BV op een terreindeel aan de Kanaalweg 7 in Bornerbroek door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bouw van een nieuwe woning met bijgebouw. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
Het veldwerk is uitgevoerd in februari 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 1 van 13
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Kanaalweg 7 te Bornerbroek, op circa 1.2 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Bornerbroek. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 239.971 en y = 480.586 en is kadastraal bekend als: gemeente Ambt-Almelo, sectie T, nummer 215 (ged.). De Kanaalweg bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard. Het terrein is in gebruik als weiland. Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouw van een woning met bijgebouw is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard en omvat circa 1480 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu, januari 2019; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2021.
2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Almelo. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (agrarische) bestemming. - Voor zover bekend is er op of nabij de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Voor zover bekend is de onderzoekslocatie in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is het terrein niet eerder bebouwd geweest. - Voor zover bekend bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt ten noordwesten van een gesaneerde asbestweg (oprit). In het kader van de sanering asbestwegen fase 3 is de oprit van de Kanaalweg naar het erf gesaneerd in 2011 (zie hierna rapport Arcadis september 2013).
- Er zijn eerder bodemonderzoeken uitgevoerd in de nabije omgeving van de huidige onderzoekslocatie. Deze worden hieronder nader toegelicht. Saneringsregeling asbestwegen derde fase, Eindrapport sanering Kanaalweg 7 te Bornerbroek, MPA-nummer 1678, Arcadis, 30 september 2013 Na de uitgevoerde nasanering zijn in de putwanden en -bodem van de ontgraving geen asbestverontreinigingen achtergebleven. Er zijn dan ook geen gebruiksbeperkingen van toepassing.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 2 van 13
Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Kanaalweg 7 in Bornerbroek, d.d. 25 januari 2019 met projectnummer 19001316 De aanleiding van het onderzoek was de nieuwbouw van een zorgwoning en de herbouw van de bestaande woning direct ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: In de puinhoudende boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In de puinhoudende bodem is geen asbest aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond.
2.1
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 10 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de formatie van Twente. Deze laag is ter plaatse circa 10 meter dik. Het doorlatend vermogen bedraagt circa 100 m²/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.0 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt regionaal in noordwestelijke richting met een gering verhang. - In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevindt zich geen waterwingebied. Het Twenthekanaal stroomt op circa 70 meter ten oosten van het terrein. De recreatieplas “Het Grasbroek” is op circa 750 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie gelegen.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 3 van 13
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN 5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. In de norm NEN 5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Indien tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden de puinhoudende boringen tot 0.5 meter diepte conform NEN 5707 vervangen door inspectiegaten.
Aangezien puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is, dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40).
Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 4 van 13
3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op basis van het oppervlakte van ca 1480 m² kan op basis van norm NEN5740, strategie onverdachte locatie worden afgeleid dat er 8 boringen dienen te worden verricht, waarvan 6 tot 0.5 meter en 1 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Er wordt 1 boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters. De boringen worden in verband met een eerder uitgevoerd bodemonderzoek gecodeerd als boring 11 tot en met 18. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur.
3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 2 grondmengmonsters samengesteld en er wordt 1 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 2. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket
Bovengrond (1x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 5 van 13
3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 6 van 13
3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities.
Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Pagina 7 van 13
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken.
4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in februari 2021 uitgevoerd door de heren J. Hartman, R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 15 februari 2021 in totaal 8 boringen verricht. Eén boring is met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor verdiept en doorgezet tot 2.8 meter diepte, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuis (PB 11). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit zeer fijn tot matig fijn zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 2 staat omschreven. Tabel 2: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
BG
11 en 13 12 14, 16 en 17 15 18
0 - 0.5 0 - 0.45 0 - 0.35 0 - 0.2 0 - 0.3
Standaard pakket
OG
11 11 11 12 12 12
0.5 - 0.7 0.7 - 1.0 1.1 - 1.6 0.45 - 0.7 0.7 - 1.1 1.1 - 1.5
Standaard pakket
Kruse Milieu BV
Project: 21009210
Analyse
Pagina 8 van 13
Boring 11 is doorgezet tot 2.8 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 22 februari 2021 is de peilbuis bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
PB 1
1.80 – 2.80
0.65
7.3
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU) 570
190
Goed
De waarden voor de pH en de EC worden normaal geacht. In het grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen.
4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aangetoond. Deze is weergegeven in tabel 4. In de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tabel 4: Verhoogde concentraties (μg/l). Monster