15 Overnemen set regels bij inwerkingtreding van de Omgevingswet genaamd ‘bruidsschat’ - Bijlage 1 - Analyse Bruidsschat in pdf.pdf
Tekst van het document
Onderwerp
Algemeen milieubelastende activiteiten Toepassingsbereik
Artikel Bruidsschat (Hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgvingswet zoasl gewijzigd bij Besluit van 16 september 2020 en gepubliceerd in het Staatsblad op 28 oktober 2020 (stb 2020,400)) Paragraaf 22.3.1 Artikel 22.41
Thema
Algemene bepalingen Algemeen toepassingsbereik
specifieke zorgplicht milieu
Artikel 22.44
specifieke zorgplicht milieu
Zwerfafval Zwerfafval
Paragraaf 22.3.3 Artikel 22.53
Zwerfafval Zwerfafval
Artikel (uitgeschreven)
Verschil met huidige regeling
Toelichting op verschil
Voldoet de bruidsschatregel aan het BKL (versie juli 2020)
Toelichting op BKL (versie juli 2020)
Maatwerk mogelijk
1. Deze Paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. 2. Deze Paragraaf is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. 3. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het
N.V.T.
N.V.T.
Nee
De regels van de Paragraaf 2.3 Milieubelastende activiteiten zijn alleen van toepassing op milieubelastende Nee activiteiten zoals genoemd in artikel 2.3.1.1 van de bruidsschat. Het algemene toepassingsbereik van deze Paragraaf van de bruidsschat beoogt het begrip Wet milieubeheer–inrichting te vervangen. De instructieregels van het Bkl voor geluid, trillingen en geur, zijn (kort gezegd) van toepassing op het toelaten van activiteiten, anders dan het wonen en doorgaand verkeer, die geluid, trillingen of geur veroorzaken. Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen Geluid, Trillingen en Geur, van het Bkl is daarmee ruimer dan het begrip inrichting. Deze bepaling houdt milieubelastende activiteiten buiten het toepassingsbereik van de bruidsschat die wel vallen binnen het toepassingsbereik van de instructieregels van het Bkl.
1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i.
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 3. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door
Ja
Voor de activiteiten die geen Wet milieubeheer–inrichtingen waren, blijven gedurende de transitieperiode de regels voor hinder uit de APV en Paragraaf 2.2 'Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen' van de bruidsschat gelden.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van Nee de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Specifiekere zorgplicht; Er geldt nu een Ja almgene zorgplicht, een algemeen verbord en een specifieke zorgplicht.. Deze specifieke zorgplicht is concreter. Deze zorgplicht komt grotendeels overeen met de zorgplicht van het Bal. De zorgplicht van de bruidsschat geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Voor deze zorgplicht gelden geen instrucieregels van het Bkl. Wel geldt doe instructieregel met betrekking tot 'aanvaardbaarheid'. Met het openemen van deze zorgplicht wordt hier aan voldaan. Het betreft hier de artikelen 5.59, 5.83, 5.89c en artikel 5.92 van het BKL. Deze artikelen van het Bkl bepalen dat de gemeente in haar omgevingsplan rekening houdt met geluid/trillingen/slagschaduw/geur door een activiteit op een gevoelig gebouw en dat het omgevingsplan erin voorziet dat geluid/trillingen/slagschaduw/geur door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In specifieke gevallen kunnen aanvullende regels noodzakelijk zijn. Met het opnemen van de zorgplicht wordt hier aan voldaan.
Ja
Valt nu onder Artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4. of artikel 5.165 BKL.
Ja
N.V.T.
Opmerking
Lokale regelgeving aanwezig?
Lokaal beleid
Bestemmingsplan
Plaatselijke verordening
Toelichting
Voldoet het beleid aan het BKL (versie 25-022021)
Advies
Actie voor juli 2022/inwerkingtreding
Actie voor 2029
Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen Geluid, Trillingen en Geur, van het Bkl is ruimer dan het toepassingsbereik zoals in dit artikel geformuleerd Bijvoorbeeld evenementen zijn uitgesloten van het toepassingsbereik, maar in het omgevingsplan moet wel een regeling worden opgenomen over (geluidhinder van) evenementen (zoals bijvoorbeeld in het huidige evenementen beleid of de APV) Het toepassingsbereik moet dan dus aangepast worden zodra de regeling over evenementen in het omgevingsplan is opgenomen.
Almelo heeft geen specifiek beleid op dit onderdeel. De regels t.a.v. het opruimen van zwerfafval worden in het omgevingsplan opgenomen.
Geen
Ja, opnemen in het omgevingsplan
Wel rekening houden met het landeljk afvalbeheerplan (LAP3).
De gemeente stelt om de bruidsschat over te nemen.
Onderwerp
Algemeen milieubelastende activiteiten Toepassingsbereik
Artikel Bruidsschat (Hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgvingswet zoasl gewijzigd bij Besluit van 16 september 2020 en gepubliceerd in het Staatsblad op 28 oktober 2020 (stb 2020,400)) Paragraaf 22.3.1 Artikel 22.41
Thema
Algemene bepalingen Algemeen toepassingsbereik
Artikel (uitgeschreven)
Verschil met huidige regeling
Toelichting op verschil
Voldoet de bruidsschatregel aan het BKL (versie juli 2020)
Toelichting op BKL (versie juli 2020)
Maatwerk mogelijk
1. Deze Paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. 2. Deze Paragraaf is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. 3. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het
N.V.T.
N.V.T.
Nee
De regels van de Paragraaf 2.3 Milieubelastende activiteiten zijn alleen van toepassing op milieubelastende Nee activiteiten zoals genoemd in artikel 2.3.1.1 van de bruidsschat. Het algemene toepassingsbereik van deze Paragraaf van de bruidsschat beoogt het begrip Wet milieubeheer–inrichting te vervangen. De instructieregels van het Bkl voor geluid, trillingen en geur, zijn (kort gezegd) van toepassing op het toelaten van activiteiten, anders dan het wonen en doorgaand verkeer, die geluid, trillingen of geur veroorzaken. Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen Geluid, Trillingen en Geur, van het Bkl is daarmee ruimer dan het begrip inrichting. Deze bepaling houdt milieubelastende activiteiten buiten het toepassingsbereik van de bruidsschat die wel vallen binnen het toepassingsbereik van de instructieregels van het Bkl.
1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i.
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 3. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door Gereserveerd voor Bodem
Ja
Specifiekere zorgplicht; Er geldt nu een Ja algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht is concreter. Deze zorgplicht komt grotendeels overeen met de zorgplicht van het Bal. De zorgplicht van de bruidsschat geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Voor deze zorgplicht gelden geen instrucieregels van het Bkl. Wel geldt doe instructieregel met betrekking tot 'aanvaardbaarheid'. Met het openemen van deze zorgplicht wordt hier aan voldaan. Het betreft hier de artikelen 5.59, 5.83, 5.89c en artikel 5.92 van het BKL. Deze artikelen van het Bkl bepalen dat de gemeente in haar omgevingsplan rekening houdt met geluid/trillingen/slagschaduw/geur door een activiteit op een gevoelig gebouw en dat het omgevingsplan erin voorziet dat geluid/trillingen/slagschaduw/geur door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In specifieke gevallen kunnen aanvullende regels noodzakelijk zijn. Met het opnemen van de zorgplicht wordt hier aan voldaan.
Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Bal.
N.v.t.
De onderwerpen bodembeheer en het bouwen of ontwikkelen op verontreinigde bodem worden voor het grootste deel centraal geregeld in het Bal en Bkl
Ja
Art. 5.89n Bkl - gemeente moet regelen op welke manier en binnen welke termijn een afdeklaag - aangebracht o.g.v. Ja Bal, omgevingsplan, omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift - of maatregelen ter voorkoming van blootstelling in het kader van toevalsvondst bodem, in stand worden gehouden, onderhouden of vervangen.
Artikel 22.44
specifieke zorgplicht milieu
Bodembeheer Nazorg na saneren Toepassingsbereik
Paragraaf 22.3.7 Paragraaf 22.3.7.1 22.125
Bodem Bodem
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
N.v.t.
Nazorg na afloop van saneren van de bodem
22.126
Bodem
1. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Nee
Paragraaf 22.3.7.2 22.127
Bodem Bodem
1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit: 1°. een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of 2°. een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. 2. Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Nee
Deze bruidsschatregels gelden alleen voor locaties waarbij via eerdere besluitvorming is vastgesteld dat de interventiewaarde bodemkwaliteit is overschreden.
Ja
Lokaal beleid
Bestemmingsplan
Plaatselijke verordening
Toelichting
Voldoet het beleid aan het BKL (versie 25-022021)
Actie voor juli 2022/inwerkingtreding
Actie voor 2029
Ja
Niet schrappen Eventuele extra beschermingsmaatregelen
Geen.
Opnemen in omgevingsplan.
Ja
Belangrijk is dat het saneren heeft plaatsgevonden op basis van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
Geen.
Aanpassen en opnemen in het omgevingsplan.
Artikel 5.89o van het Bkl verplicht gemeenten tot het aanwijzen van bodembeheergebieden. Ja O.b.v. art. 5.89p van het Bkl wordt de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld. Indien paragraaf ongewijzigd wordt gelaten betekent dit dat de regels alleen gelden voor locaties die onder de Wbb zijn beschikt als ernstig verontreinigd en niet spoedeisend en voor locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde zoals dat blijkt uit een bodemkwaliteitskaart.
Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen Geluid, Trillingen en Geur, van het Bkl is ruimer dan het toepassingsbereik zoals in dit artikel geformuleerd Bijvoorbeeld evenementen zijn uitgesloten van het toepassingsbereik, maar in het omgevingsplan moet wel een regeling worden opgenomen over (geluidhinder van) evenementen (zoals bijvoorbeeld in het huidige evenementen beleid of de APV) Het toepassingsbereik moet dan dus aangepast worden zodra de regeling over evenementen in het omgevingsplan is opgenomen.
Advies
Ja, bruidsschatartikel aanpassen en opnemen in het omgevingsplan.
De bruidsschatregels voor nazorg geven invulling aan deze verplichting met bepalingen die zijn afgeleid van de overeenkomstige bepalingen uit het huidige Besluit Uniforme Saneringen (BUS).
Kleinschalig graven Toepassingsbereik
Lokale regelgeving aanwezig?
Er zijn op onderdelen overlappingen tussen Geen. het Bal en de bruidsschat. Het is dus zinvol om na te gaan waar deze overlappingen aanwezig zijn en te bekijken of delen van de bruidsschat om die reden geschrapt kunnen worden.
Voor de activiteiten die geen Wet milieubeheer–inrichtingen waren, blijven gedurende de transitieperiode de regels voor hinder uit de APV en Paragraaf 2.2 'Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen' van de bruidsschat gelden.
specifieke zorgplicht milieu
Opmerking
Voor alle onderwerpen is er ruimte voor bestuurlijke afweging, zolang wordt voldaan aan de instructieregels. De regels kunnen worden afgestemd op de lokale bodemverontreinigingssituatie en op de ambitie van de gemeente.
Ja
Nee
Verordening bodemsanering Almelo 2006
Beschrijft een nazorgplan
Ja
Beleidsregels PFAS regiogemeenten Twente & Bodem kwaliteitskaart PFAS Nota bodembeheer regio Twente (gemeente Almelo)
Verordening bodemsanering Almelo 2006
Nota bodembeheer
Nee
Deze bruidsschatregel kan worden aangepast, maar niet worden geschrapt. Er moet worden voldaan aan de instructieregel in het Bkl, dus hierop aanpassen. Houd rekening met voorwaarden Bkl • Gericht koppelen aan locaties (werkingsgebied) • Nader specificeren Mogelijkheid tot verplichting om sanerende of andere beschermende maatregelen voor te schrijven in het omgevingsplan voor de situaties waarin bepaalde bodemwaarden worden overschreden. Er moet aanvullend beleid worden opgesteld, tenzij het een BUS-sanering betreft.
Opnemen in omgevingsplan en let op artikel 5.89p Bkl. Gemeente kan voor de toelaatbare kwaliteit bodem voor een andere waarde kiezen dan de huidige interventiewaarde. Eventueel aanpassen regels.
De algememene bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS is beschreven in de bodemkwaliteitskaart PFAS en dient als bewijsmiddel van bodembeheergebieden. In de nota wordt omschreven hoe er momenteel wordt omgegaan met het ontgraven en toepassen van grond in Twente. Verder bevat het de voorwaarden die gelden voor het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie binnen het grondgebied van de deelnemende gemeenten.
Regels aanpassen aan de lokale situatie in overeenstemming met het Bkl + opnemen in het omgevingsplan.
Indien ontbreken van de noodzaak dan schrappen (zie kolom hier links van)
(eventueel aanpassen) opnemen in het omgevingsplan.
Geen.
Opnemen.
Gemeente kan het toepassingsgebied van deze paragraaf verruimen door deze van toepassing te verklaren op andere locaties of gebieden die verontreinigd zijn boven de interventiewaarde (gebruik hiervoor informatie uit het bodeminformatiesysteem). De gemeente kan de regel koppelen aan relevante locaties, zodat de regel alleen bij deze locaties zichtbaar wordt in het DSO.
Grotere ontgravingen >25m3 zonder risico. De verordening bodemsanering 2006 en het gebiedsgericht grondwaterbeheer kunnen worden geschrapt.
Als gemeente geen noodzaak ziet tot het stellen van regels over kleinschalig graven kan deze paragraaf worden geschrapt. Bijvoorbeeld als de gemeente geen sterke bodemverontreiniging in de gemeente heeft. Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
22.128
22.129
Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij 22.130 kleinschalig graven
Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Toepassingsbereik
Paragraaf 22.3.7.3
Bodem
Bodem
Bodem
1. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.127, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur ervan. 2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Nee
Ja
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
N.v.t
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
N.v.t
N.v.t. Ja Enkel in § 5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie van het Bkl geldt (op het gebied van bodem)de plicht tot het verstrekken van gegevens en bescheiden.
Geen aanpassing vereist.
Het Bkl stelt geen instructieregels in § 5.1.4.5.
Ja
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Geen.
Ja
Alleen schrappen als de hele activiteit geschrapt wordt. Geen aanpassing vereist.
Geen.
Geen.
Schrappen.
Schrappen.
Schrappen.
Schrappen.
Geen.
Opnemen.
Geen.
Opnemen.
Het Bkl stelt geen instructieregels in § 5.1.4.5.
Om administratieve lasten te besparen is het een overweging om de informatieplicht in bepaalde situaties te schrappen, als er geen noodzaak is om deze informatie voor ketentoezicht te verkrijgen omdat hiervoor andere informatiebronnen beschikbaar zijn.
Het is niet mogelijk om in het omgevingsplan op te nemen dat de milieukundige begeleiding door een erkend bedrijf uitgevoerd moet worden. Om administratieve lasten te besparen is het een overweging om de milieukundige begeleiding niet te verplichten in situaties waarin het herstel van de afdeklaag bij kleinschalig graven op een andere manier geborgd kan worden.
Bodem
Bodem
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Nee
N.v.t.
Ja
Ja
Gebiedsgericht aanpak van grondwaterbeheer
/
Verordening bodemsanering Almelo 2006
Deze regels zouden volledig geschrapt kunnen worden, omdat deze regels gezien de specifieke bodemverontreinigingssituatie van een gemeente geen meerwaarde hebben. Specificeren van regels. Definiëren van het werkingsgebied.
Bodem: mitigerende maatregelen
22.132
Bodem
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke Paragraaf 22.3.17 bijproducten of uitsneiden van vlees, vis of organen Toepassingsbereik artiikel 22.202
toepassingsbereik
Gegevens en bescheiden
artikel 22.203
Melding
Bodem: bodembeschermende voorziening
artikel 22.206
Bodem
Bodem: bodembeschermende voorziening
artikel 22.207
Bodem
Bodem: eindonderzoek bodem
artikel 22.208
Bodem
Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Gegevens en bescheiden: beëindiging activiteit
artikel 22.209
Artikel 22.210
Bodem
Bodem
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.131, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem Nee maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
1. Deze paragraaf is van toepassing op: N.v.t. a. het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; c. het uitsnijden van vis; of d. het uitsnijden en pekelen van organen. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 worden aan het college van Ja burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; 3°. het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 4°. de ligging van de bedrijfsriolering; 5°. de plaats van de lozingspunten; en 6°. de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 1. Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 2. Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht. 3. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Ja
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat: a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; b. de wijze waarop het onderzoek is verricht; c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; d. informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; e. bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en f. als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Ja
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ja
Ja Ja
N.v.t.
Ja
Ja
Gebiedsgericht aanpak van grondwaterbeheer
Artikel 2.3, lid 1, inhoud saneringsplan Verordeing bodemsanering Almelo
/
Idem
Verordening bodemsanering Almelo 2006
N.v.t.
N.v.t
Meldingsvereiste specifiek voor verwerken van dieren.
N.V.t
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
In huidige regelgeving verwaarloosbaar bodemrisico Maatregel nu in secundaire norm
n.v.t.
-
n.v.t.
Ja
Nieuw. Specifiek voor deze activiteit opgenomen.
Ja
Ja
Indieningsvereisten
n.v.t.
Ja
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
In het omgevingsplan mag de gemeente zelf bepalen of en in welke gevallen zij een verplichting tot het verstrekken van bepaalde gegevens en bescheiden wil opleggen.
Nee
Geen aanpassing vereist.
Ja
Ja
Nee
Ja
Nota bodembeheer. De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
Beleid is meer algemeen bepaald en hier gericht op de meldingplicht.
De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit -De beleidsnota bevat niet de indieningsvereisten.
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Opnemen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist.
Geen.
Opnemen.
Nota kan niet meer worden gebruikt. Goed kijken bij lopende zaken of dat beleid daar nog op afgemaakt moet worden.
Nota kan niet meer worden gebruikt. Goed kijken bij lopende zaken of dat beleid daar nog op afgemaakt moet worden.
termijn eindrapport
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
Artikel 22.211
Bodem
1. Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 2. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Ja
Hersteltermijn
Ja
Informeren herstelwerkzaamheden
Artikel 22.212
Bodem
Meldingsvereiste
N.v.t.
Paragraaf 22.3.19 Artikel 22.221
1. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum. 2. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.
Ja
In werking hebben van een acculader Toepassingsbereik
Toepassingsbereik
Meldingsvereiste
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Artikel 22.222
Bodem
Ja
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Artikel 22.223
Bodem
Vervangende term voor verwaarloosbaar bodemrisico Verplichting uit BRL
n.v.t.
Bodem: logboek bodembeschermende voorziening Traditioneel schieten Toepassingsbereik
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Paragraaf 22.3.21 Artikel 227
Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Ja
Bodem: bodembeschermende voorziening
Toepassingsbereik
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Gegevens en bescheiden
Artikel 22.228
Melding
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Bodem en externe veiligheid
Artikel 22.229
Bodem en Externe veiligheid
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.
Ja
Bodem: bodembeschermende voorziening
Artikel 22.230
Bodem
1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen. 2. De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.
Nee
Bodem: logboek bodembeschermende voorziening Bodem: eindonderzoek bodem
Artikel 22.231
Bodem
Artikel 22.232
Bodem
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd Ja over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 1. Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de Ja bodem vast te stellen. 2. Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden. 3. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Bodem: rapport van het eindonderzoek Artikel 22.233 bodem Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit Artikel 22.234
Bodem
Gereserveerd voor Bodem
Bodem
n.v.t.
Ja
Artikel 22.235
Bodem
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het Ja eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 1. Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het Ja eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 2. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Termijn Rapport
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
Hersteltermijn
Ja
Ja
Informeren: herstelwerkzaamheden
Artikel 22.236
Bodem
Melding
n.v.t.
Ja
Paragraaf 22.3.23 Artikel 22.240
1. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum. 2. Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.
Ja
Opslaan van vaste mest Toepassingsbereik
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 . 2. Deze paragraaf is niet van toepassing: a. op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en b. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
N.v.t.
Gegevens en bescheiden
Artikel 22.241
Melding
1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.241 worden aan het college van Ja burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; 3°. het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 4° de ligging van de bedrijfsriolering; 5°. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd; 6°. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en 7°. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
specifieke meldingsplicht voor opslaan van vaste mest
n.v.t.
Bodem: Opslag
Artikel 22.242
Bodem
1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van Ja gedroogde pluimveemest, opgeslagen: a. op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of b. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd. 2. Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen: a. in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen; b. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of c. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Meer algemeen omschreven
n.v.t.
Bodem: logboek bodembeschermende voorziening Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Toepassingsbereik
Artikel 22.243
Bodem
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 22.246
Toepassingsbereik
Gegevens en bescheiden
Artikel 22.247
Melding
1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van: n.v.t. a. kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3 ; of b. vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3 . 2. Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.246 worden aan het college van Ja burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; 3°. het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 4° de ligging van de bedrijfsriolering; 5°. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd; 6°. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en 7°. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; d.
gegevens over de lozingsroutes; en e. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Bodem: bodembeschermende voorziening
Artikel 22.248
bodem
1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
Ja
Nieuw is vaste bijvoedermiddelen. n.v.t. bodembeschermende voorziening criterium gewijzigd. t.o.v. artikel 3.65 Activiteitenbesluit
Bodem: logboek bodembeschermende voorziening Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels Toepassingsbereik
Artikel 22.249
bodem
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Ja
Is nieuw
n.v.t.
Artikel 22.252
Toepassingsbereik
Ja
Artikel 22.253
Melding
1. Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 Nee zoogdieren. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.252 worden aan het college van Ja burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; 3°. het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 4°. de ligging van de bedrijfsriolering; en 5°. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; d. per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren: 1°. gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden; 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en 3°. een beschrijving van het ventilatiesysteem; e.
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,: 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en 2°. een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en f. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekst aan het college van burgemeester en wethouders.
n.v.t.
Gegevens en Bescheiden
Meldingsplicht voor deze activiteit
n.v.t.
Bodem: bodembeschermende voorziening
Artikel 22.254
bodem
Nu verwaarloosbaar bodemrisico.
Bodem: logboek
Artikel 22.255
bodem
Onderdeel van de BRL om verwaarloosbaar bodemrisico te verkrijgen
Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten Toepassingsbereik
Paragraaf 22.3.26
Artikel 22.258
Toepassingsbereik
n.v.t.
Ja
Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
Artikel 22.260
Bodemenergie
n.v.t.
Ja
Paragraaf 22.3.24
Paragraaf 22.3.25
Vangnetvergunning lozen in de bodem
Artikel 22.268
Bodem
Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
Artikel 22.270
Regels
Ja
Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of Nee geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht. 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van Ja burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1°. de grenzen van het terrein; 2°. de ligging en de indeling van de gebouwen; en 3°. de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ja
Andere formulering met zelfde doel
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in Ja hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken: Ja a. in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of b. met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; b. de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; c. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; d. een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; e.
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en f. de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten. 3. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en b. er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.
Ja
Ja
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Ja
Ja
ja
Ja
Ja
Nu algemene eis bij bodembedreigende activiteiten.
Ja
Ja
Indieningsvereisten
n.v.t.
n.v.t.
Meldingsplicht voor deze activiteit
Nu meldingsplicht voor interferrentie.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
Artikel 'herstelplicht bodem' is vegelijkbaar
Ja
Nu in verwijzing naar BRL
Ja
1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels Ja of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd. Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd Ja over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. wonen; b. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of c. het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld. 3. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater. Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.261 tot en met 22.269, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Specifieke meldingsplicht voor traditioneel schieten
Ja
Relatie met politietaak. Maakt registratie en toezicht mogelijk
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
Nee
Ja
Geen aanpassing vereist
Nota bodembeheer. De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
Stadsrandgebied Almelo Noord-Oost NL.IMRO.0141.BP00063-0401
Beleid is meer algemeen bepaald en hier gericht op de meldingplicht .
Ja
De bodemkwaliteit onderzocht - Beleidsnota voor het uitvoeren van bodemtoets en / of bodemonderzoek bij ruimtelijke plannen, de omgevingsvergunning voor bouwen en milieu en de melding Activiteitenbesluit
Artikel 'herstelplicht bodem' is vegelijkbaar.
Geen.
Geen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen.
Geen.
Ja
Nee
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
n.v.t.
Geen relatie met instructieregels in paragraaf 5.1.4 of artikel 5.165 Bkl
Ja
n.v.t.
Geen.
Opnemen.
Geen.
Geen.
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen.
Geen.
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Ja
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
n.v.t.
Ja
Nee
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen.
Opnemen.
Gebiedsgericht aanpak van grondwaterbeheer
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
Geen aanpassing vereist
Geen.
Opnemen.
bodembeschermende voorziening in huidige regelgeving niet altijd nodig.
Toets vanwege interferrentie activiteit is meldingsplichtig op grond van Bal 4.1136
Mogelijkheid tot schrappen Specificeren van de regels Definiëren van het werkingsgebied
Nieuwe vorm
n.v.t.
n.v.t.
Milieubelastende activiteiten beoordelen volgens het 8.9-8.11 BKL
Ja
Let op voor grondwaterbeschermingsgebieden Nee
Ja
Nee
Afhankelijk van de specifieke bodemverontreinigingssituatie van een gemeente kan het wel wenselijk zijn de regels op onderdelen aan te passen.
Onderwerp
Thema
Voorrangsbepalingen Cultuurhistorie
Artikel Bruidsschat (Hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit Omgvingswet zoasl gewijzigd bij Besluit van 16 september 2020 en gepubliceerd in het Staatsblad op 28 oktober 2020 (stb 2020,400)) Artikel 22.2
Toelichting op BKL (versie juli 2020)
Maatwerk mogelijk
Voorrangsbepaling (gemeentelijke momenten) 1. Voor de toepassing van de artikelen 22.29 eerste en tweede lid, 22.30, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 Ja en 22.284 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Op grond van dit artikel behouden eerder aangewezen gemeentelijke en archeologische monumenten hun status.
Dit artikel kan vervallen als alle gemeentelijke en arvcheologische monumenten zijn opgenomen in het omgevingsplan.
N.v.t.
Voorrangsbepalingen Cultuurhistorie
Artikel 22.3
Voorrangsbepaling (rijksbechermende stadsen dorpsgezichten
De artikelen 22.29, derde lid, en 22.37, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als ja bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Op grond van dit artikel behouden eerder aangewezen gemeentelijke en archeologische monumenten hun status. Ook relatie met artikel 2.15e, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (vergunningplicht bij rijksbeschermde monumenten)
Dit artikel kan vervallen als alle rijksbeschermde stad- en dorpsgezichten in het omgevingsplan zijn opgenomen.
N.v.t.
Activiteiten met betrekking tot Bouwwerken open erven en terreinen Algemeen Maatwerkvoorschriften
Paragraaf 22.2 Paragraaf 22.2.1 Artikel 22.4
Algemeen Maatwerkvoorschriften
Algemeen
Paragraaf 22.2.2
Bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5
Algemene regels over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Uitzetten rooilijnen, bebouwinggrenzen en straatpeil
1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze Paragraaf, met uitzondering van bepalingen over meeten rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze Paragraaf.
Ja
Maatwerk is nu alleen mogelijk op basis van gelijkwaardigheid.
Ja
N.v.t.
Ja
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Nee
Artikel 1.24 Bouwbesluit
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Zorgplicht
Artikel 22.6
Specifieke zorgplicht beschermen omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden
Degene die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere wel of niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
Ja
Nieuwe zorgplicht
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Bouwen in stand houden van bouwwerken
Paragraaf 22.2.3 Algemene regels over het bouwen in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7
Algemeen bouwen
Welstand
1. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijk eisen van welstand van toepassing zijn.
Ja
een gebouw mag in beginsel niet worden gebouwd als het in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand.
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Aansluiting nutsvoorzieningen
Artikel 22.8
Aansluiting nutsvoorzieningen
Artikel 22.9
Aansluiting op distributienet voor elektriciteit Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit Nee in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Aansluiting op distrubutienet voor gas
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Artikel 22.10
Aansluiting op distrubutienet voor warmte
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een Nee bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is Nee een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3.