CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

15.1 Vaststellen bestemmingsplan de Riet - Bijlage - Bestemmingsplan de Riet.pdf

Raad 8 maart 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan de Riet39.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bornsestraat 107-109 Bornsestraat 161 Bornerbroeksestraat 96-100

Groothandel Bouwmarkt Groothandel

Bornerbroeksestraat 213 Bornerbroeksestraat 222 Bornerbroeksestraat 284 Irisstraat 9 Pijlkruidstraat 43 Violierstraat 103 Violierstraat 107 Violierstraat 170 Zonnebloemstraat 13

Garage Bakker Bakker Garage Fietsenmaker Sportschool Tankstation Garage Reparatie tbv particulieren

SBI code (2008)

Beoordeling Richtafstand tot woningen (m.)

46733 4752 4634 4635 4636 4637 4638 451 4724 4724 451 47 931 473 451 952

30 30 30

Niet genoemd B; kan gescheiden van woningen Niet genoemd

30 10 10 30 10 30 30 30 10

B; kan gescheiden van woningen A; kan aanpandig aan woningen A; kan aanpandig aan woningen B; kan gescheiden van woningen A; kan aanpandig aan woningen Niet genoemd Niet genoemd B; kan gescheiden van woningen A; kan aanpandig aan woningen

In gemengd gebied

Het tankstation bij de garage, op het perceel Violierstraat 103-107, staat op ongeveer 30 meter van een woning. Die afstand voldoet aan de richtafstand en is in die zin acceptabel. De garages aan de Violierstraat en de Bornerbroeksestraat liggen min of meer in een gemengd gebied aan een hoofdweg. Ze zijn gescheiden van woningen en om die reden acceptabel in een gemengd gebied. De garage (Irisstraat 9) en de reparatiewerkplaats (Zonnebloemstraat 13) zijn solitaire bedrijven in een woongebied. De huidige bedrijven (zie tabel) en hun activiteiten geven geen hinder voor de omgeving. Uit de inventarisatie blijkt dat er binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan De Riet geen bedrijven bevinden die een zodanig risico voor de omgeving vormen, dat deze in planologisch opzicht een risico vormen voor de woningen binnen het plangebied. 5.1.4 Bedrijven en activiteiten buiten het plangebied In de omgeving van het plangebied staan geen bedrijven die een negatieve invloed op het plangebied hebben. In de paragraaf over externe veiligheid wordt het aspect veiligheid langs het spoor behandeld.

5.2 Fysieke Veiligheid 5.2.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: <0000> bereikbaarheid;

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

21

NL.IMRO.0141.00134-BP31

<0000> <0000> <0000> <0000>

opkomsttijd; bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking.

De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen: <0000> Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. <0000> Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. <0000> Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. <0000> Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. <0000> Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. 5.2.2 Bereikbaarheid 5.2.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

Hierbij wordt beoordeeld of: <0000> de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; <0000> een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; <0000> of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. Een beschrijving van de bereikbaarheid in het plangebied staat in 5.2.2.2 beschreven. 5.2.2.2 Bereikbaarheid 'De Riet' Het plangebied betreft een bestaande situatie, waarbij de wegenstructuur is gerealiseerd. Over het algemeen zijn de diverse objecten in het plangebied via twee zijden bereikbaar. Uit de toelichting blijkt dat er door de gemeente aandacht is voor het parkeren in het plangebied. Zoveel als mogelijk dient voorkomen te worden dat geparkeerde voertuigen de wegen blokkeren voor hulpdienstvoertuigen 5.2.3 Opkomsttijd 5.2.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd.

In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

22

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. Hierin staat dat voor woningbouw van na 2003 een opkomsttijd geldt van 12 minuten. Een beschrijving van de opkomsttijd in het plangebied staat in 5.2.3.2 beschreven. 5.2.3.2 Opkomsttijd 'De Riet' Het plangebied is bestemd voor onder andere de functies ‘Wonen’, ‘Gemengde doeleinden’ en ‘Maatschappelijk’ en bebouwing bestaat voornamelijk uit woningbouw. Gezien de grootte van het gebied, is op basis van de CBS buurten de gemiddelde opkomsttijd van het gebied beschreven, zodat er op hoofdlijnen inzicht is in de theoretische opkomsttijden. Of dit in praktijk ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd hangt van diverse factoren af, waaronder bijvoorbeeld wegwerkzaamheden op de aanrijdroute, veranderingen in de wegenstructuur (plaatsing nieuwe snelheid beperkende maatregelen) of de brandweervoertuigen die zich op een andere locatie bevinden. Momenteel vindt de uitruk plaats vanaf de brandweerkazerne aan de Brugstraat. Voor woningbouw in het plangebied van het bestemmingsplan De Riet geldt een opkomsttijd van 8 minuten. Op basis van bovenstaande berekeningen blijkt dat in theorie bij (grondgebonden) woningen over het algemeen wordt voldaan aan de gestelde norm ter plaatse zijn. Aangezien het een gemiddelde per buurt is, geeft dit geen gedetailleerde beschrijving per specifiek object.

5.2.4 Bluswatervoorziening 5.2.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang, omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: <0000>

De primaire bluswatervoorziening <0000> Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet.

<0000>

De secundaire bluswatervoorziening: de secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken.

<0000>

De tertiaire bluswatervoorziening: bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken.

5.2.4.2 Situatieschets bluswatervoorziening Voor woningbouw van voor 1992, waar dit plangebied over het algemeen uit bestaat, geldt voor de primaire bluswatervoorziening een minimale capaciteit van 60 m3/per uur. Daar waar zich in het plangebied gietijzeren leidingen bevinden is de verwachting dat deze leidingen in theorie niet de gevraagde capaciteit leveren op de overige locaties wordt hier over het algemeen aan voldaan. Daarnaast zijn er locaties waar de dekking van het aantal brandkranen beperkt is. Het opbouwen van het water zal daardoor extra tijd vragen. In of nabij het plangebied bevindt zich open water (De Weezebeek, de Almelose Aa of de vijver nabij de Anjelierstraat). De afstand om voor de gehele wijk de beschikking te hebben over een secundaire bluswatervoorziening is echter te groot. De tertiaire bluswatervoorziening is voldoende. Het opbouwen van grootwatertransport vraagt per definitie extra tijd. Ook kan de blusleiding nabij het spoortracé gebruikt worden als bluswatervoorziening. Hiervoor is het van belang dat de werking ervan is geborgd.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

23

NL.IMRO.0141.00134-BP31

5.2.5 Waarschuwen van de bevolking 5.2.5.1 Sirenedekking De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld. Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd. Hierbij valt onder andere te denken aan: <0000> Sms-berichten; <0000> Sirenewagens. 5.2.5.2 Sirenedekking plangebied Het plangebied valt binnen het theoretische dekkingsgebied van meerdere sirenes.

5.3 Externe veiligheid 5.3.1 Algemeen Bij het opstellen van de externe veiligheidsparagraaf is uitgegaan van de huidige wet en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Door de gemeente Almelo is tevens extern veiligheidsbeleid vastgesteld (maart 2014). Hierbij gaat het om het Externe veiligheidsbeleid 2015-2018. Dit beleid is op 19 november 2019 verlengd tot en met het jaar 2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit externe veiligheidsbeleid. De risicobronnen in en in de nabijheid van het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde risicobronnen kunnen bedrijven zijn, maar ook transportroutes over weg, rail of vaarwater en leidingroutes voor brandstoffen zoals gasleidingen. Beoordeeld is of kan worden voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico. Het Besluit Externe Veiligheid inrichtingen (Bevi), de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en de handreiking verantwoording groepsrisico zijn bij deze beoordeling toegepast. Bedrijven zoals geregistreerd in het “Risico Register Gevaarlijke Stoffen”, het RRGS, zijn in de beoordeling van het plaatsgebonden en groepsrisico voor zover aanwezig meegenomen.

Voor het beoordelen van transportrisico’s is gebruik gemaakt van de circulaire “Risico normering vervoer gevaarlijke stoffen” het RNGS, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor het beoordelen van eventuele risico’s van gasleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) beschouwd. Het advies van de Brandweer Twente voor dit plan (Advies actualisatie bestemmingsplan De Riet met kenmerk: 16002535) is meegenomen bij het opstellen van deze paragraaf externe veiligheid. Getracht wordt de risicocontouren zoveel mogelijk op het terrein van de risico-inrichting/bron zelf te projecteren. Dit teneinde de beperking van het gebruik van terrein van derden zoveel mogelijk te voorkomen. Daar waar veiligheidscontouren zich uitstrekken tot terreinen van derden kan dit beperkingen opleveren voor het gebruik van deze terreinen. Het bestemmingsplan behelst een gebied met voornamelijk de functie "Wonen" en "Gemengde doeleinden. Het voorliggende bestemmingsplan De Riet is conserverend van aard. Het vestigen van nieuwe risicobedrijven of nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten wordt in dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. 5.3.2 Risicobronnen in het plangebied In en nabij het plangebied van het bestemmingsplan De Riet ligt het spoortracé Deventer – Hengelo. Het spoortracé is de spoorlijn tussen Deventer en Hengelo.

Dit tracé is voor wat betreft externe veiligheid relevant, omdat er gevaarlijke stoffen over worden vervoerd.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

24

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Basisnet spoor & Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Begin juli 2010 is het Basisnet spoor vastgesteld (hierna: het Basisnet). Dit is het spoornetwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het doel hiervan is evenwicht voor de lange termijn tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor elk traject op het Basisnet is een zogeheten risicoplafond vastgesteld. Hiermee moeten niet alleen vervoerders van gevaarlijke stoffen rekening houden, maar bijvoorbeeld ook gemeenten die langs een traject van het Basisnet willen gaan bouwen. Het Basisnet met haar veiligheidsmaatregelen zorgt ervoor dat economische belangen niet worden gehinderd en dat tegelijkertijd de veiligheid van omwonenden sterk wordt verbeterd. Veiligheidsmaatregelen die met het vaststellen van het Basisnet geborgd zijn en voor de gemeente Almelo van toepassing zijn: <0000> Maximaal gebruik maken van Betuweroute waardoor de vervoersstroom met wagons brandbare gassen binnen de gemeente Almelo worden beperkt tot 200 (was volgens oude cijfers nog 3300 wagons).

De kans op een incident (faalkans) met deze wagons wordt met deze maatregel verkleind. <0000> Warme-BLEVE-vrij rijden: Met goederenvervoerders en verladers zijn afspraken gemaakt over de samenstelling van treinen. Zo zullen wagons met brandbaar gas zoveel mogelijk gescheiden worden vervoerd van wagons met zeer brandbare vloeistof. Bij dit zogenaamde 'warme BLEVE vrij rijden' worden treinen dusdanig samengesteld dat de kans op een ontploffing (BLEVE) na een ongeluk verder wordt verkleind. Deze maatregel resulteert in een zeer sterke daling van de risico's in de eerste 200 meter vanaf het spoor en is inmiddels in werking; <0000> ATB vv bij emplacement: Deze installatie zorgt ervoor dat automatisch wordt ingegrepen op het moment dat een trein door een rood sein rijdt. Er worden binnen de gemeente Almelo circa 11 seinen voorzien van deze voorziening. De kans op een incident (faalkans) wordt met deze maatregel verkleind. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. De Regeling Basisnet is per 21 november 2016 aangepast in verband met het verkleinen van het plasbrandaandachtsgebied langs enkele rijkswegen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet.

De Wvgs is in de afgelopen tijd aangepast aan het Basisnet.Voor het wettelijk vastleggen van de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het Basisnet is op het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm) en ziet op ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes. 5.3.3 Risicobronnen nabij het plangebied Emplacement Op grote afstand van het plangebied is het emplacement gelegen. Formeel wordt het spooremplacement van Almelo nog als risicovolle inrichting beschouwd, omdat dit emplacement is genoemd in bijlage 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Deze vermelding in bijlage 3 is inmiddels echter achterhaald, omdat het rangeren met volle wagons, geladen met gevaarlijke stoffen, niet meer plaatsvindt binnen de reikwijdte van deze inrichting. De veiligheidsafstanden komen niet tot in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen inrichtingen aanwezig welke te beschouwen zijn als een risicovolle inrichting in de zin van de wet (Bevi) en er zijn geen risicorelevante inrichtingen (geregistreerd in het RRGS) in de omgeving van het plangebied aanwezig. Nadere aandacht is daarom niet nodig.

5.4 Groepsrisico Het groepsrisico (GR) kent geen vaste norm waaraan dient te worden voldaan, maar een oriënterende waarde welke dient te worden getoetst. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen dient elke (mogelijke) verandering van het groepsrisico verantwoord te worden (de verantwoordingsplicht

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

25

NL.IMRO.0141.00134-BP31

groepsrisico). Deze verantwoordingsplicht geldt ook als het groepsrisico wijzigt maar wel onder de oriënterende waarde blijft. Het groepsrisico en de verantwoordingsplicht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn inmiddels wettelijk verankerd in het Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) zoals dat ook geldt voor inrichtingen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor de gemeente Almelo is berekend dat door het vaststellen van het Basisnet spoor er geen overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico is (0,2 maal de oriënterende waarde van het groepsrisico. Bron: Basisnet spoorgemeente Almelo: feitenblad, 5 december 2011, 5789). Desondanks zal er wel invulling aan de zogeheten “verantwoording van het groepsrisico” moeten worden gegeven. De verantwoording van het groepsrisico houdt in dat, naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, tevens rekening dient te worden gehouden met een aantal kwalitatieve aspecten. Hiertoe behoren voornamelijk de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Met betrekking tot het groepsrisico en de verantwoording daarvan is de zone van 200 meter (groepsrisico aandachtsgebied) vanaf het spoor een belangrijke afstand.

Dit gebied omvat het 100% letaliteitpercentage, op circa 140 meter (bron: advies regionale brandweer), daarnaast is vanaf de 200 meter sprake van een significant lager letaliteitpercentage. Tot 200 meter van het spoor neemt het percentage overlevenden met de afstand toe. Vanaf 200 meter hebben mensen binnenshuis in principe voldoende bescherming. Ruimtelijke ontwikkelingen buiten de 200 meter zullen daarnaast geen significante invloed meer hebben op de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De afstand van 200 meter vanaf het spoor staat ook centraal in het (Bevt) en in het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Almelo. Bij ruimtelijke plannen die geheel of deels binnen de 200 meter van de transportbron zijn gelegen dient aandacht gegeven te worden aan de verantwoordingsplicht groepsrisico. Bij ruimtelijke plannen die geheel buiten deze 200 meter zijn gelegen behoefd alleen aandacht geschonken te worden aan de beheersbaarheid van een ongeval, niet aan ruimtelijke maatregelen. De verantwoording van het groepsrisico: Gemeentelijk beleidskader Het landelijk beleid op het gebied van de externe veiligheid laat beleidsruimte open die ingevuld kan worden door gemeenten. De gemeente Almelo heeft invulling gegeven aan deze ruimte.

De gemeente Almelo heeft haar beleid met betrekking tot externe veiligheid weergegeven in het beleidsdocument: 'Extern veiligheidsbeleid gemeente Almelo 2015-2018 (vastgesteld: 11 maart 2014). Dit beleid is op 19 november 2019 verlengd tot en met 2021. Deze beleidsnota Externe Veiligheid is dan ook nog steeds actueel en geeft daarbij de kaders aan waarbinnen de gemeentelijke afweging op het gebied van externe veiligheid dient plaats te vinden. Dit beleidsdocument vormt het gemeentelijk kader voor het invullen voor de verantwoordingsplicht. Woongebieden Voor wat betreft nieuwe situaties in woongebieden is de ambitie ten aanzien van het plaatsgebonden risico dat kwetsbare objecten niet binnen de 10-6 contour van een bedrijf, transportas (weg, spoor en water) of buisleiding liggen (wettelijk voorgeschreven). Verder mogen beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties binnen de 10-6 contour, doch buiten de 10-5 contour, van een risicobron liggen, mits een toetsing plaatsvindt op zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor rampenbestrijding en dit positief wordt beoordeeld. Er worden geen nieuwe risicobronnen geïntroduceerd. Dit is verankerd in de bestemmingsplanregels. Spoorzone Een belangrijk aspect in dit beleid is dat de gemeente Almelo een zogeheten spoorzone heeft vastgesteld waar o.a. ambities zijn uitgesproken over een zone van 200 meter vanaf het spoor.

Tot 200 meter van de transportbron worden functies met een laag zelfredzaamheidsniveau, zoals grote zorgcomplexen, ziekenhuizen, basisscholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, beperkt of uitgesloten. De spoorzone heeft ook effecten voor de inrichting van de ruimte. Zo worden kwetsbare functies zoveel mogelijk van de transportroute af gesitueerd (risicoluwe zijde). Verder gelden maatregelen bij (beperkt) kwetsbare objecten. Ook dit is verankerd in de bestemmingsplanregels.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

26

NL.IMRO.0141.00134-BP31

In het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Almelo is tevens verklaard dat in gevallen waarbij er een beperkte wijziging in de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in aantallen personen, volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Aangezien het bestemmingsplan De Riet niet voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, kan voor dit bestemmingsplan worden volstaan met een beperkte invulling van de verantwoordingsplicht groepsrisico, waarbij in elk geval moet worden ingegaan op de punten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze punten zijn ingevuld in samenspraak met de veiligheidsregio. Welk soort spoorvervoer geeft het grootste risico? Het scala van gevaarlijke stoffen dat over het doorgaand spoor binnen de gemeente Almelo wordt vervoerd is gevarieerd. Er zijn echter een drietal stofgroepen te onderscheiden: <0000> Vervoer van brandbare gassen (koude en warme BLEVE). <0000> Vervoer van giftige stoffen (verspreiding toxische wolk). <0000> Vervoer van brandbare vloeistoffen (plasbrand). Het effectgebied bij een incident verschilt hierbij sterk per stofgroep. Globaal gesteld reiken de letale aspecten van een plasbrand tot circa 30 meter, een BLEVE tot 200 meter en een toxische wolk tot vele kilometers. Het vervoer van brandbare gassen is in belangrijke mate verantwoordelijk voor het huidige (hoge) groepsrisico binnen de gemeente Almelo.

De eerder besproken veiligheidsmaatregelen rond het Basisnet zorgen er voor dat de kans op dit scenario sterk wordt beperkt. Het vervoer van giftige stoffen levert zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie (maatregelen basisnet spoor) een relatief geringe bijdrage aan de omvang van het groepsrisico. De omvang van deze bijdrage wordt namelijk sterk bepaald door de aanname dat 90% van de aanwezige personen doelmatig binnen kan schuilen. Dit geldt ook voor het plangebied. Het BLEVE scenario (vervoer brandbare gassen) is in de huidige situatie voor de gemeente Almelo nog het maatgevende en (groeps-) risicobepalende transport. Maar met de komst van het Basisnet spoor en het Besluit Transport Externe Veiligheid is dit scenario echter wel sterk gereduceerd (van 3300 wagons naar 200 wagons). Voor het plangebied zijn een BLEVE en toxische wolk als effect leidend. Het plasbrandscenario is een scenario dat door de verdiepte ligging (tunnelbak) voor een groot gedeelte van het spoortraject risico reducerend is. Met voorgaande in ogenschouw nemend is voor onderhavige situatie gekeken naar de consequenties voor het groepsrisico van het doorgaand spoor.

Hoogte van het groepsrisico In het Basisnet spoor, waarbij rekening is gehouden met generieke maatregelen, is een groepsrisico van 0,2 maal de oriënterende waarde berekend (Bron: Basisnet spoor- gemeente Almelo: feitenblad, 5 december 2011, 5789). Invloed plangebied op de hoogte van het groepsrisico De oriënterende waarde van het groepsrisico (0,2 maal de oriënterende waarde) wordt niet overschreden. Daarbij is rekening gehouden met alle toekomstige ruimtelijke plannen uit het Masterplan rondom het stationsgebied die de gemeente Almelo toentertijd heeft aangeleverd. Verblijfsduur Binnen de toetsingsafstand voor het groepsrisico ligt een woongebied. De verblijfsduur van de daar aanwezige personen ligt voornamelijk in de dagperiode. Toekomstige situatie gemiddelde personendichtheid Het bestemmingsplan De Riet is conserverend van aard. Er is sprake van een stationaire situatie die geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. De toekomstige gemiddelde personendichtheid zal daarom overeenkomen met de huidige. Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico Maatregelen welke getroffen zijn in dit ruimtelijke besluit zijn gelegen in de planvoorschriften. Binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico zullen nieuwe activiteiten met een hoge personendichtheid

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

27

NL.IMRO.0141.00134-BP31

zoals kantoren, onderwijs etc. niet op basis van dit bestemmingsplan worden toegestaan. Individuele verzoeken binnen het invloedsgebied kunnen indien gewenst in een separate procedure worden beoordeeld op het invloed op het groepsrisico. Mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding/beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Het is van belang dat hulpdiensten bij het uitvoeren van hun taak om een incident te bestrijden niet belemmerd worden. De inrichting van de ruimte kan de bestrijding negatief en positief beïnvloeden. Het is dus van belang om knelpunten voor de hulpverlening die voortkomen uit de ruimtelijke inrichting te voorkomen. De volgende onderdelen worden beoordeeld: <0000> De bereikbaarheid van risicobronnen; <0000> de opstelmogelijkheden bij de risicobronnen; <0000> de inzetbaarheid en aanwezigheid van (blus)middelen; <0000> zelfredzaamheid bij de risicobron. De bereikbaarheid en opstelmogelijkheden nabij de risicobron De bereikbaarheid en opstelmogelijkheden hebben onder andere betrekking op de mogelijkheden om bovenwinds aan te kunnen rijden, de beschikbare werkruimte en de mogelijkheden om de opstelplekken te bereiken. Over het algemeen is er fysieke ruimte rond de risicobron aanwezig en kan tweezijdig aangereden worden. Desondanks kunnen obstakels zoals geluidsschermen een beperking vormen voor de bereikbaarheid van de risicobron.

Bij ontwikkelingen rondom de risicobron dient geborgd te worden dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten gewaarborgd wordt en daar waar mogelijk geoptimaliseerd. De inzetbaarheid en aanwezigheid van (blus)middelen De meeste brandkranen in de omgeving van de risicobron zijn aangesloten op het drinkwaterleidingnet. Met de realisatie van de verdiepte ligging van het spoor is er parallel aan het spoor nog een bluswatervoorziening gerealiseerd. Hierdoor zijn mogelijkheden tot optreden vergroot. Daarnaast ligt nabij het spoor de Weezebeek die bij een incident gebruikt kan worden als secundaire bluswatervoorziening. Zelfredzaamheid binnen het plangebied Wanneer zich een incident op het spoortracé voordoet is het van belang dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Dit kan door schuilen of vluchten uit het bedreigde gebied. In het plangebied gaat het voornamelijk om woonfuncties, waarbij de meeste van de aanwezige mensen in hoofdzaak zelfredzaam zijn. Er bevinden zich echter ook enkele maatschappelijke functies, waaronder woonzorgcentrum De Koppel. Het is van belang dat de aanwezige personen de mogelijkheid hebben om te schuilen of te vluchten. Dit is in het plangebied het geval. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Er is sprake van een bestaande stationaire situatie.

Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst <0000> Planvoorschriften zijn zodanig geredigeerd dat toename van het groepsrisico, anders dan geprognosticeerd, slechts marginaal kan plaatsvinden. Mochten zich binnen het plangebied ontwikkelingen voordoen waarvoor een vrijstellingsprocedure wordt gevolgd, dan zal bij deze vrijstelling het effect van deze ontwikkeling op het groepsrisico worden beschouwd. <0000> Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Almelo hanteert de ambitie om geen nieuwe zeer kwetsbare objecten te realiseren binnen 200 meter van het spoor. Deze ambitie draagt positief bij aan externe veiligheidssituatie. Conclusie Het doorgaand spoor is de voornaamste risicobron voor het plangebied. Als gekeken wordt naar de wet- en regelgeving en het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Almelo, wordt geconcludeerd dat er geen onevenredige risico’s voor het plangebied worden veroorzaakt. Het voldoen aan de wettelijke eisen en normen betekent echter niet dat er zich geen calamiteiten kunnen voordoen. Er blijft altijd een restrisico aanwezig waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

28

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Gelet op bovenstaande overwegingen wordt onderhavige situatie verantwoord geacht. Als via een omgevingsvergunning of anderszins medewerking wordt verleend aan functiewijzigingen of een nadere uitwerking van het bestemmingsplan (huidige plan is globaal van aard), zal aan de geldende voorwaarden op het gebied van de regelgeving met betrekking tot externe veiligheid moeten worden voldaan en op grond van “een goede ruimtelijke ordening” een verantwoording van het groepsrisico dienen plaats te vinden.

5.5 Luchtkwaliteit Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet de luchtkwaliteit in acht worden genomen. In dit geval zijn de wijzigingen van het bestemmingsplan zeer beperkt en mocht al sprake zijn van een wijziging, dan is het begrip “Niet in betekenende mate” (NIBM), zoals genoemd in de wet zeker van toepassing. Een onderzoek met een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit is om die reden niet nodig. Omdat ook de jaarlijkse rapportage in het kader van de “Wet Luchtkwaliteit” (hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer) geen overschrijding van de grenswaarden in en om het plangebied van het bestemmingsplan De Riet laat zien, mag geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. De resultaten van de rapportage zijn te zien op de website van de monitoringtool NSL: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/.

5.6 Geluid Het plangebied van het bestemmingsplan De Riet ligt binnen de wettelijke geluidzones van verschillende wegen en de spoorlijn Almelo - Hengelo. 5.6.1 Wegverkeerslawaai Langs de verschillende wegen staan woningen waarvan de geluidbelastingen hoger liggen dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde.

Afbeelding 1: Woningen met een hoge geluidbelasting van wegen. De woningen staan op de B-lijst.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

29

NL.IMRO.0141.00134-BP31

De B-lijst woningen (aangegeven met oranje stippen) zijn voor 1986 gebouwd en komen bij hoge geluidbelastingen voor geluidsanering in aanmerking. Voorwaarde is ook dat er financiële middelen beschikbaar zijn om de sanering uit te voeren. De sanering houdt in dat de isolatie van de woningen wordt getoetst en dat zonodig geluidsisolerende maatregelen worden getroffen. In het kader van de EU richtlijn omgevingslawaai worden de geluidbelastingen bij alle woningen om de vijf jaar, vanaf 2011, berekend en vastgelegd in de Geluidbelastingkaart. Daarmee wordt de akoestische kwaliteit bij de bestaande woningen gemonitord. De resultaten voor 2011 en 2016, als ook de verschillen, |zijn te zien op de website iCinity.nl. Volgend op de Geluidbelastingkaart is het Actieplan Geluid gemaakt. In het actieplan voor het jaar 2016 zijn een dertien zogenaamde “hotspots” vastgelegd. De hotspots zijn wegvakken waar langs woningen liggen met geluidbelastingen hoger dan 63 dB (plandrempel). Afbeelding 2: Hotspots bij het plangebied

Binnen het plangebied liggen vier hotspots, te weten: <0000> 4 Violierstraat, tussen Zwanenbloemstraat en Bornsestraat, <0000> 7 Rietstraat, tussen Bornerbroeksestraat en Violierstraat, <0000> 8 Zuiderstraat en Bornerbroeksestraat, <0000> 9 Bornsestraat, tussen Grotestraat en Schipbeekstraat, Het in 2018 vastgestelde actieplan geeft aan dat hotspots worden gesaneerd als de weg voorzien wordt van een nieuw wegdek en er financiële middelen beschikbaar zijn. 5.6.2 Railverkeerslawaai De spoorlijn Almelo – Hengelo heeft een geluidzone die een groot deel van het plangebied overlapt.

Afbeelding 3: Woningen met een hoge geluidbelasting van het spoor. De woningen staan op de Raillijst.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

30

NL.IMRO.0141.00134-BP31

De Raillijst woningen (aangegeven met gele stippen) zijn voor 1986 gebouwd en kwamen voor geluidsanering in aanmerking. De sanering is uitgevoerd door het spoor verdiept te leggen en geluidschermen te plaatsen. De sanering van de Raillijst woningen, in dit deel van Almelo, is daarmee afgerond. In het kader van de EU richtlijn omgevingslawaai worden ook de geluidbelastingen van het railverkeer bij alle woningen berekend en vastgelegd in de Geluidbelastingkaart. De resultaten staan op de website iCinity.nl. 5.6.3 Conclusie en opmerkingen In artikel 76 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 4.1 lid 3 van het Besluit geluidhinder is bepaald dat het akoestische onderzoek, de toetsing aan de geluidsnormen en daarmee samenhangende procedures niet van toepassing zijn, indien op het tijdstip van vaststelling van een bestemmingsplan sprake is van: <0000> Al aanwezige of in aanleg zijnde wegen of spoorwegen; en <0000> Reeds aanwezige of in aanbouw zijnde woningen of andere geluidsgevoelige objecten. Gezien het feit dat de bestaande situatie niet wijzigt, wordt gesteld dat een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelastingen bij woningen en andere geluidgevoelige objecten op dit moment niet nodig is. Het bestemmingsplan De Riet betreft een actualisatie en is overwegend conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Het bestemmingsplan De Riet legt alleen de bestaande (planologische) situatie vast. Geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan De Riet.

5.7 Bodem 5.7.1 Bodemkwaliteit De bodenkwaliteit dient beoordeeld te worden binnen de kaders van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Circulaire bodemsanering 2013 bevat regels die ervoor zorgen dat saneren en het toepassen van grond op een saneringslocatie op elkaar is afgestemd. Zo geldt dat bij het ontgraven van grond uitgegaan wordt van functiegericht en kosteneffectief saneren. Als grond van elders wordt aangevoerd op de saneringslocatie (bijvoorbeeld om een leeflaag van grond aan te brengen), dan is het uitgangspunt dat dit moet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart. Bodemkwaliteitskaart De gemeente Almelo heeft gedurende de periode 1985-2018 veel data (afkomstig van uitgevoerde bodemonderzoeken) verzameld op basis waarvan het mogelijk was een bodemkwaliteitskaart vast te stellen. Deze bodemkwaliteitskaart gaf inzicht in de bodemkwaliteit van de bovengrond (tot 0.5m) en de ondergrond (tot 2m –mv). De bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond is bepaald op de klasse “AW2000”.

Gebleken is dat door langdurig gebruik van de bodem licht verhoogde concentraties van diverse stoffen (zware metalen, PAK, PCB en minerale olie) kunnen voorkomen. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld op basis van landelijke voorschriften. Op 1 juli 2008 is het hoofdstuk Grond en baggerspecie voor landbodem van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Dit was in Twente aanleiding om samen te werken bij het opstellen van nieuw beleid voor ontgraven en toepassen van grond. Het resultaat van de samenwerking was in 2010 een uniforme bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer Twents beleid veur oale groond. Het reeds bestaande beleid is recent geactualiseerd. De gemeente Almelo was betrokken bij de samenwerking. Er is nu slechts één bodemkwaliteitskaart met een bijbehorende Nota bodembeheer voor het gehele Twentse grondgebied opgesteld. Hiermee is uitvoering gegeven aan de wens te komen tot een verdere uniformering en vereenvoudiging van het beleid voor ontgraven en toepassen van grond. Per 1 juli 2019 is het nieuwe bodembeheerbeleid met de bijbehorende bodemkwaliteitskaart van kracht geworden. Onderscheid wordt gemaakt tussen drie bodemkwaliteitsklassen: AW2000, Wonen en Gebiedsgericht. Gebieden met de bodemkwaliteitsklasse AW2000 hebben een goede bodemkwaliteit. Meestal bevinden deze klassen zich in het landelijk gebied of in nieuwbouwwijken.

Gebieden met de bodemkwaliteitsklasse Wonen zijn gebieden waar wordt gewoond en gewerkt. Als gevolg van deze activiteiten, heeft de bodem in deze gebieden een minder goede kwaliteit dan AW2000. Het is wel zeer geschikt om zonder risico’s te kunnen wonen en eventueel te gebruiken

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

31

NL.IMRO.0141.00134-BP31

als tuin. Gebieden met de bodemklasse Gebiedsgericht kunnen niet in één van de voorgaande twee bodemkwaliteitsklassen worden ingedeeld. Functiewijziging Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en hierbij moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan De Riet is actualisatie met een overwegend conserverend karakter. Met dit bestemmingsplan worden geen (nieuwe) ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is verder geen sprake van een functiewijziging. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld via een aanvraag om omgevingsvergunning) kan bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Als dit nodig is, dan wordt bij (nieuwe) ontwikkelingen langs die weg een bodemonderzoek opgevraagd.

5.8 Ecologie Onderzoek naar ecologie De wetgeving op het gebied soorten- en gebiedsbescherming beschermt aanwezige flora en fauna tegen verstoringen en bedreigingen in hun voortbestaan. De flora- en faunawetgeving is ook van toepassing op bestaand stedelijk gebied. In de Wet natuurbescherming worden de beschermde soorten (planten en dieren) met namen benoemd. Deze mogen niet opzettelijk worden verwijderd, verstoord of in hun bestaan worden bedreigd. Dit heeft consequenties voor nieuwe ontwikkelingen, zoals onder andere sloop en aanpassingen aan oude gebouwen die mogelijk nest- of overwinteringsplaats zijn voor beschermde dieren of vestigingsplaats zijn voor beschermde planten. De aanwezige houtopstanden kunnen eveneens beschermde flora en fauna bevatten of van levensbelang zijn in het voortbestaan van bepaalde flora en fauna. Bescherming van flora en fauna Initiatiefnemer is verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen, zoals sloop of aanpassing van oude gebouwen, groen- en waterelementen na te gaan in hoeverre beschermde flora en fauna in het geding is. Een nader onderzoek en/of een aanvraag om omgevingsvergunning in het kader van de flora- en faunawetgeving kan noodzakelijk zijn. Onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning zijn de te nemen compenserende maatregelen ter beperking c.q. voorkoming van schade aan flora en fauna.

Het bestaande stedelijke gebied is in een aantal gevallen door inrichting, beheer, gebruik of ontwikkeling aanleiding geweest voor de ontwikkeling en vestigingen van beschermde flora en fauna. Een continuering van dit gebruik en/of beheer vormt geen beletsel als het gaat om beschermde flora en fauna. Nieuwe ontwikkelingen kunnen in strijd zijn met de voortbestaansmogelijkheden van aanwezige flora en fauna en zullen dan op basis van ontheffingen geregeld moeten worden. Daarvoor moet eerst onderzocht worden welke flora en fauna precies aanwezig zijn. Hierbij zal in veel gevallen sprake zijn van compenserende maatregelen die voor de realisatie van nieuwe ontwikkelingen gerealiseerd moeten zijn. Conclusie De actualisatie van het bestemmingsplan De Riet is overwegend conserverend van karakter. Er vinden op basis van het plan geen wijzigingen plaats in de bestaande bebouwingsstructuur en dient rekening te worden gehouden met de wet- en regelgeving.

5.9 Archeologie en cultuurhistorie 5.9.1 Archeologie Beleid Op grond van de Monumentenwet en beleid van de gemeente Almelo dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. Een initiatiefnemer dient zorg te dragen voor archeologisch onderzoek als er archeologische waarden verstoord kunnen worden als gevolg van bodemingrepen die bij de realisatie. In de ruimtelijke onderbouwing van bestemmingsplannen

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

32

NL.IMRO.0141.00134-BP31

moeten eventueel aanwezige archeologische waarden in beeld worden gebracht en kan archeologisch vooronderzoek nodig zijn. Of er ook vooronderzoek nodig is hangt af van aanwezige reeds bekende archeologische waarden en de verwachtingswaarde. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De gemeente Almelo heeft een archeologische waardenkaart waarop bekende en te verwachten archeologische waarden staan aangeduid. Aan de hand van deze kaart zijn in de verbeelding van het bestemmingsplan archeologische waarden opgenomen. Het bestemmingsplan is een conserverend plan en daarom is geen uitgebreid inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Archeologische verwachtingswaarde Het plangebied ligt ten zuiden van de oude binnenstad van Almelo. Het ligt in een gebied dat van nature bestond uit dekzandlandschap met een afwisseling van hoger liggende dekzandwelvingen en lagere beekdalen en beekvlaktes.

Tot in de 20e eeuw was het nog een overwegend agrarisch gebied dat met name in de tweede helft van die eeuw is verstedelijkt. Op het merendeel van dekzandwelvingen lagen bouwlanden waarop deels een esdekken zijn ontstaan. De lagere delen werden ingenomen door hooi- en weilanden. Op de bodemkaart zijn deze niet aangeduid omdat het plangebied ten tijde van de bodemkarteringen al was bebouwd. Aan de hand van oude topografische kaarten zijn echter wel de voormalige bouwlanden te reconstrueren. Deze zones zijn aangeduid met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In het plangebied zijn meerdere boerderijen aanwezig die in de Late Middeleeuwen al in historische bronnen zijn vermeld. Vanuit archeologisch perspectief zijn deze boerderijen van belang omdat in de directe omgeving van deze boerderijen vaak oudere voorgangers hebben gestaan waarvan de grondsporen en resten nog aanwezig kunnen zijn. Daarom is rond deze boerderijen binnen een attentiecirkel een hoge archeologische verwachtingswaarde aangeduid. Het gaat om de zeer oude erven Boomshuis (in 1416 genoemd Bomes huis, nr 9), Reigershöfte (in 1366 genoemd Reigershöfte of Gladbecke, nr 13) en Revenboer (in 1316 genoemd Ten Reve, nr.14). Verder is er nog een in de 16e een 17e eeuw genoemd erf aanwezig geweest dat als de Rietboer bekend stond (in 1602 genoemd Ryt Lambert, nr. 10).

Alle genoemde erven zijn bij de stadsuitbreiding verdwenen maar mogelijk zijn archeologische resten ervan nog deels in de bodem behouden. Afbeelding 4: Archeologische verwachtingszones in (het zuidelijke deel van) het plangebied.

Overige gegevens In het plangebied zijn drie archeologische vindplaatsen in de landelijke database ARCHIS geregistreerd. Twee meldingen betreffen het voormalige met grachten omgeven erf Reigershöfte (2658 en 2673). De andere melding (2673) betreft een stenen bijl uit de jonge steentijd die is gevonden nabij de Huygensstraat. Er zijn verder geen archeologische onderzoeken geregistreerd.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

33

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Terreinen van Archeologische waarde In het plangebied van het bestemmingsplan De Riet liggen geen terreinen van archeologische waarde. Conclusies: <0000> Op basis van beleid van de gemeente Almelo is voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde in het kader van ruimtelijke planvorming en omgevingsvergunningen geen archeologisch vooronderzoek nodig. <0000> De zones met een hoge archeologische verwachtingswaarde dienen op de plankaart aangeduid te worden als (mede-)bestemming “Archeologische verwachtingswaarde hoog”. In de regels dienen bouwregels en een aanlegvergunningstelsel te worden opgenomen. In de betreffende zone dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien er als gevolg van een ruimtelijke procedure bodemingrepen plaatsvinden dieper dan 50 cm en in omvang meer dan 2500 m2. <0000> De zones met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde dienen op de plankaart aangeduid te worden als (mede-)bestemming “Archeologische verwachtingswaarde middelhoog”. In de regels dienen bouwregels en een aanlegvergunningstelsel te worden opgenomen. In de betreffende zone dient archeologisch onderzoek plaats te vinden, als bodemingrepen plaatsvinden welke dieper zijn dan 50 cm en in omvang meer dan 5000 m2. 5.9.2 Cultuurhistorie Beleid Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden.

Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Cultuurhistorische waarden omvatten meer dan alleen bouwhistorische objecten en monumenten waarop tot voorheen vaak alleen de aandacht lag in bestemmingsplannen. Door middel van een historisch-geografische inventarisatie dienen ook cultuurlandschappelijke structuren en elementen in beeld gebracht moeten worden, zoals oude infrastructuur, verkavelingsstructuren en elementen daarin zoals houtwallen, beeklopen en essen, en moet ook gedacht worden aan het stedenbouwhistorische karakter van wijken en gebieden. Belangrijk is om na te gaan wat het ‘eigene’ van een gebied is en om dat met al zijn elementen en structuren in beeld te brengen.

De resultaten van de inventarisatie worden gewogen, om een antwoord te geven op de vraag welke ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied toelaatbaar worden geacht. De gemeente Almelo heeft nog geen specifiek beleid dat de aanpassing van de Bro regelt. In dit bestemmingsplan wordt met de inventarisatie van cultuurhistorische waarden echter voorzien in de eisen volgens het Bro. Historisch geografische kenmerken, waardevolle structuren en objecten De oudste goede cartografische informatie over het gebied is te vinden in de kadastrale minuutkaarten uit het begin van de 19e eeuw. Hieruit en uit latere topografische kaarten is de ontwikkeling van het gebied te volgen. Daaruit is te zien hoe vanaf het midden van de twintigste eeuw het gebied met een eeuwenoud agrarisch landschap (oud hoevenlandschap) snel is getransformeerd in een stedelijk gebied. Voorheen bestond het uit de buurschap de Boomshoek en het zuidelijk gelegen gebied dat als het Nieuwland bekend stond. De Boomshoek is tot in de 20e eeuw nog een oud cultuurlandschap dat in de Late Middeleeuwen is ontstaan. De oude erven die er tot aan de staduitbreiding waren zijn al vermeld in de 14e en de 15e eeuw. Hier liggen ook merendeels de hogere dekzandruggen die voorheen als bouwlanden in gebruik waren. Het Nieuwland is, getuige de naam, vrijwel zeker later in cultuur gebracht.

Op de oude topografische kaarten is te zien dat het vooral weide- en graslanden zijn, gelegen in een oudtijds lager en natter gebied. Op de afbeelding staat het plangebied De Riet met het Nieuwland en de buurtschap Boomshoek afgebeeld. Een onregelmatige verkaveling van oude cultuurland in dekzandgebied. De scheiding tussen het lager liggende Nieuwland en de Boomshoek lag ongeveer langs een verdwenen beek die vanuit het gebied De Wateregge in het oosten, liep naar de Sumpel of de Weesebeek in het westen. Uit de periode voor de stadsuitbreiding zijn er in het plangebied weinig historisch geografische structuren en objecten behouden. De oude wegen

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

34

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Bornerbroeksestraat en de Bornsestraat zijn oude invalswegen en liggen nu nog grotendeels ter plaatse van het oude tracé. Binnen het plangebied zijn oude veldwegen en verkavelingen zo goed als onherkenbaar.

Afbeelding 5: Topografische dienst. Nieuwland en de buurtschap Boomshoek afgebeeld. Een onregelmatige verkaveling van oude cultuurland in dekzandgebied.

Gebouwde objecten en monumenten Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er in De Riet diverse (gebouwde) structuren en elementen aanwezig die als waardevol aangemerkt kunnen worden. Een groot deel van De Riet is gebouwd tussen circa 1914 en 1940. Er zijn meerdere monumentale gebouwen aanwezig en het beschermde stadgezicht De Riet. De monumentale gebouwen zijn de voormalige Egbertuskerk met de bijbehorende pastorie en de gebouwen van de voormalige LTS en de voormalige Rietveldmavo. Het Wethouder E. van Dronkelaarplein met het oorlogsmonument is als een beschermd stadgezicht aangemerkt. Verder kenmerkt De Riet zich als een stadsdeel met veel karakteristieke architectuur uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw in een tuindorpachtige stedenbouwkundige opzet. Conclusie De genoemde karakteristieke stedenbouwkundige structuren en monumentale waarden dienen zo goed als mogelijk gerespecteerd te worden bij eventuele toekomstige ontwikkelingen. De actualisatie van het bestemmingsplan De Riet maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en heeft een overwegend conserverend karakter. Het bestemmingsplan De Riet legt alleen de bestaande (planologische) situatie vast.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

35

NL.IMRO.0141.00134-BP31

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf In dit hoofdstuk wordt het wateraspect en de wijze waarop in het bestemmingsplan De Riet rekening is gehouden met de waterhuishouding nader behandeld.

6.1 Beleidskader In deze paragraaf wordt het beleid omtrent het wateraspect behandeld.

6.1.1 Europees- en Rijksbeleid In deze paragraaf wordt het Europees beleid en het Rijksbeleid voor het wateraspect behandeld. 6.1.1.1 Algemeen Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn in 2009 stroomgebiedbeheerplannen opgesteld. Hierin staan de doelen en maatregelen om chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater voor duurzaam gebruik te realiseren. Het gaat om een combinatie van landelijke en gebiedsgerichte maatregelen. De uitvoering van landelijke maatregelen uit het Nationaal Waterplan is in het algemeen volgens schema. De gebiedsgerichte maatregelen zijn uitgevoerd door waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. De omvang van de gebiedsgerichte maatregelen is tussentijds wel bijgesteld, bijvoorbeeld doordat de maatregelen in de rijkswateren die onder het kabinet Rutte 1 zijn getemporiseerd pas na 2015 worden ingelopen. Eind 2015 zijn de stroomgebiedbeheerplannen voor 2016-2021 vastgesteld. Hierin zijn aanvullende landelijke en gebiedsgerichte maatregelen opgenomen. In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen.

Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico’s. Om veilig en comfortabel in onze delta te kunnen blijven wonen is het nodig wateropgaven en andere ruimtelijke plannen te combineren. Bijvoorbeeld dijkversterkingen met natuurontwikkeling of bestrijding van wateroverlast met stedelijke herinrichting. Door het slimmer verbinden van water en ruimte moet Nederland de veiligste delta in de wereld blijven. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Hierbij streven we naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) heeft tot doel om in de periode tot 2020 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. In het Nationaal Bestuursakkoord is vastgelegd dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming wordt gewaarborgd.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

36

NL.IMRO.0141.00134-BP31

6.1.1.2 Klimaatadaptie Overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties werken aan klimaatadaptie, met de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) als kader. Het doel is Nederland waterrobuust en klimaatbestendig in te richten. De klimaatadaptatieopgave krijgt voor een belangrijk deel invulling via het Deltaprogramma. Alle overheden werken met het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie – onderdeel van het Deltaprogramma – stap voor stap toe naar maatregelen. Eind 2019 hadden vrijwel alle gemeenten, waterschappen en provincies stresstesten uitgevoerd die de risico’s van wateroverlast, droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen in beeld brengen. Ook het Rijk heeft voor de rijkswegen en het spoor (op onderdelen) stresstesten uitgevoerd. Veel gemeenten, waterschappen en provincies hebben een risicodialoog gevoerd of zijn bezig met de voorbereidingen ervan en sommige hebben uitvoeringsprogramma’s opgesteld. 6.1.1.3 Deltaplan Zoetwater De uitvoering van het Deltaplan Zoetwater fase 1 (2015-2021) loopt grotendeels volgens schema. Bijna alle maatregelen zullen in 2021 klaar zijn. In april 2019 is besloten tot en met 2021 7 miljoen euro te besteden aan maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte, urgente projecten op de Hoge Zandgronden en het verbeteren van de kennisbasis.

Inmiddels zijn ook kansrijke strategieën en maatregelen voor de tweede fase van het Deltaplan Zoetwater in beeld gebracht. In 2019 is de geactualiseerde knelpuntenanalyse beschikbaar gekomen. Hieruit en uit de deltascenario’s, blijkt dat in de toekomst vaker watertekorten kunnen optreden door klimaatverandering, verzilting en sociaaleconomische ontwikkelingen. 6.1.1.4 Impuls met Delta-aanpak Waterkwaliteit Met de Delta-aanpak Waterkwaliteit geeft Nederland een impuls aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is nodig om in 2027 de geplande maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) af te kunnen ronden en aan de doelen van de richtlijn te voldoen. In 2019 zijn voor de prioritaire onderwerpen drie bestuurlijke versnellingstafels ingericht: de landbouwtafel (meststoffen en gewasbescherming), de stoffentafel (opkomende stoffen en medicijnresten) en de brede tafel (onder meer Kaderrichtlijn Water, kennisimpuls en communicatie). In 2019 is gestart met de Nationale analyse waterkwaliteit. Deze brengt in beeld welke effecten de voorgestelde maatregelen op de waterkwaliteit in 2027 hebben, op basis van regionale en nationale analyses. De waterbeheerders gebruiken deze resultaten om de stroomgebiedbeheerplannen van de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2022-2027 in te vullen met nieuwe maatregelen.

Dit loopt parallel met het opstellen van waterplannen door het Rijk, de provincies en de waterschappen. 6.1.1.5 Omgevingswet De Omgevingswet zal (naar verwachting) op 1 januari 2022 in werking treden. Het betreft een stelselherziening van het bestaande omgevingsrecht. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De wet- en regelgeving uit de Waterwet voor waterveiligheid - met de nieuwe normen voor waterkeringen die sinds 2017 van kracht zijn - worden opgenomen in de Omgevingswet. 6.1.1.6 Nationale Omgevingsvisie en Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Op 20 juni 2019 bood de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) aan de Tweede Kamer aan. Onderdeel hiervan is de beleidskeuze dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is (prioriteit 1). Voor de hele NOVI is water als een van de ordenende principes gehanteerd. De NOVI wordt vastgesteld bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De ontwerp-NOVI geeft de strategische hoofdlijnen van het waterbeleid. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 geeft daar nadere uitwerking en uitvoering aan. In november 2019 kon iedereen zienswijzen indienen over het voornemen voor het opstellen van het Nationaal Waterprogramma en het bijbehorende MER. Eind 2020 zal het kabinet het ontwerp-Nationaal Waterprogramma vaststellen.

ontwerp Bestemmingsplan De Riet

37

NL.IMRO.0141.00134-BP31

6.1.2 Provinciaal beleid De provincie Overijssel houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor het overleg en de plannen voor waterbeheer in de regio. In deze paragraaf wordt het provinciaal beleid voor het wateraspect behandeld. 6.1.2.1 Provinciale Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie (2017) wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 van de provinciale Omgevingsvisie op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. De ambities voor water zijn: <0000> Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; <0000> Voorbereid zijn op de lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte); <0000> Optimale watercondities (kwaliteit en kwantiteit) voor landbouw, wonen, natuur en landschap; <0000> Betrouwbare drinkwatervoorziening (kwaliteit en kwantiteit); <0000> Zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; <0000> Zorgvuldig gebruik van de ondergrond (energie, zoutwinning, opslag, zandwinning, WKO, hoofdtransportleidingen, voorraadvorming grondwater). 6.1.2.2 Provinciale Omgevingsverordening In de provinciale Omgevingsverordening is het onderdeel 'Waterverordening' opgenomen.

Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 van de provinciale Omgevingsvisie op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. De waterverordening bevat regels over de volgende onderelen die op grond van de Waterwet verplicht zijn: <0000> Regionale waterkeringen (2.4. Waterwet); <0000> Waterkwantiteit (2.8. Waterwet); <0000> Toedeling vaarwegbeheer (3.2. Waterwet); <0000> Regionale waterplannen (3.11., 4.5. en 4.7. Waterwet); <0000> Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.5. en 4.7. Waterwet); <0000> Peilbesluiten (5.2. Waterwet); <0000> Grondwateronttrekkingen (8.1. in relatie te lezen tot 6.4. Waterwet); <0000> Handhaving. Met oog op de Omgevingswet die (naar verwachting) op 1 januari 2022 in werking treedt, zijn de regels voor wat betreft het wateraspect in hoofdstuk 4 van de provinciale Omgevingsverordening bijeengebracht in één gebiedsdekkende regeling. De gebiedsdekkende regeling geldt voor de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe. De gemeente Almelo valt binnen het waterschap Vechtstromen. Dit hoofdstuk richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van deze waterschappen voor zover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Overijssel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=0c268d94-c805-4001-8da1-43df6cf5eb46