CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

14.3 APV 2021 - Bijlage 3 - Tabel met overzicht van de wijzigingen.pdf

Raad 7 december 2021, gemeente AlmeloBij agendapunt: APV 202144.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Was-wordt tabel artikelen APV gemeente Almelo 2021 Rood = verwijderd Groen = toegevoegd HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden.

In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. bevoegd bestuursorgaan: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening, dan wel de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; e. bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; f. college: het college van burgemeester en wethouders; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, dan wel in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; k. openbare plaats: openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; m.

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft door eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; o. weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:2 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning en op de aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

Vervallen.

Vervallen.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen

1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik

gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.

wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:7 Termijnen

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:9 Lex Silencio positivo

Artikel 1:9 Lex silencio positivo

1. Paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: a. artikel 2:9: Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest; b. artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt. 2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. artikel 2:25: Vergunning evenementen; b. artikel 2:28: Exploitatievergunning horeca; c. artikel 2:39: Exploitatievergunning speelgelegenheid; d. artikel 3:4: Vergunning seksinrichting; e. artikel 4:18: Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen; f. artikel 2:81b: Exploitatie van een bedrijf in een

Vervallen.

aangewezen gebied, straat of gebouw. Toelichting op de wijziging In het huidige artikel 1:9 staat vermeld wanneer de lex silencio positivo wel (eerste lid) en niet van toepassing is (tweede lid). Met ‘lex silencio positivo’ wordt paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht bedoeld. In deze paragraaf is bepaald dat een vergunning geacht wordt (van rechtswege) te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord (op de aanvraag) door het bevoegde bestuursorgaan binnen de daarvoor gestelde beslistermijn. Dit wordt ook wel de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ genoemd. In een aantal gevallen is het bezwaarlijk dat deze lex silencio positivo van toepassing is. Dit is met name het geval bij vergunningen die de openbare orde beogen te beschermen (tegen bijvoorbeeld ondermijnende activiteiten). In de huidige APV (huidige artikel 1:9) stond opgesomd wanneer de lex silencio positivo wel of niet van toepassing was. In het licht van de rechtszekerheid is het beter als per verschillende vergunning in de APV (dus per afdeling die gaat over een betreffende vergunning, bijvoorbeeld de vergunning voor een seksbedrijf) is bepaald of de lex silencio positivo wel of niet van toepassing is. Daarom is nu per soort vergunning in één van die vergunningen bepaald of de lex silencio positivo van toepassing is.

Voorbeelden hiervan zijn artikel 2:9, vierde lid, of artikel 2:25, zevende lid. HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN

Afdeling 1. Voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag dan wel door te vechten aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1a Verblijfsontzegging

Artikel 2:1a Verblijfsontzegging

1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

Vervallen.

2. De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. 3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door: a. handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:47 eerste lid onder b, 2:48 of 2:74 van deze verordening; b. het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen; c. het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen gebruikt kunnen worden; d. diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten; e. geweldpleging of bedreiging. 4. De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt. 5. Een verblijfsontzegging kan niet worden opgelegd aan personen die in het aangewezen gebied blijkens het bevolkingsregister wonen of in het aangewezen gebied werken. 6. De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven, de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken. 7. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging. Toelichting op de wijziging Dit artikel is verwijderd.

De bevoegdheid van de burgemeester om aan een persoon een verblijfsontzegging op te leggen vloeit niet voort uit dit artikel uit onze APV, maar vloeit voort uit artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet. Dit artikel bevat ook geen nadere uitwerking van de bevoegdheid die voortvloeit uit de Gemeentewet. Dit artikel in onze APV heeft daarom geen meerwaarde en is overbodig. In het geval de burgemeester een verblijfsontzegging wil opzeggen, kan hij dat doen op basis van de Gemeentewet. AFDELING 2. BETOGING

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:2 Optochten

Artikel 2:2 Optochten

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam, adres en telefoonnummer van degene die de betoging houdt;

1. Degene die het voornemen heeft om op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan voor uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

2. De kennisgeving bevat: a. naam, adres en telefoonnummer van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een ontvangstbevestiging waarin de datum en het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten, een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen of een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 Afwijking termijn Vervallen; opgenomen in artikel 2:3 Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens Vervallen; opgenomen in artikel 2:3 Afdeling 2a. Sluiting voor publiek openstaande gebouwen

In de huidige APV bestaat geen artikel 2:5, maar de inhoud van het nieuwe artikel 2:5 (rechterkolom) is gebaseerd op het huidige artikel 2:80. Het huidige artikel 2:80 staat echter in de afdeling woonoverlast, maar hoort daar niet thuis. Vandaar dat dit artikel is naar voren is gehaald. Het artikel staat nu direct achter de artikelen die betrekking hebben openbare orde en veiligheid. Zie het huidige artikel 2:80 voor de wijzigingen die zijn ingevoerd in het nieuwe artikel 2:5 ten opzichte van het huidige artikel 2:80.

Artikel 2:5 Sluiting voor publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid of de zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of daarbij behorende erven in bepaald gebied, het voor het publiek openstaande gebouw voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten voor het publiek openstaand

gebouw te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5. Dit artikel geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling wordt voorzien elders in deze verordening. AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aanhuis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG

Afdeling 4. Vertoningen op openbare plaatsen

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:8 Straatfeest en straatbarbecue

Artikel 2:8 Straatfeest en straatbarbecue

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:9 Straatartiest

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen

1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod

1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot

beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; b. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17. d. reclameborden en uitstallingen als bedoeld in de ‘Beleidsregel reclameborden en uitstallingen’ indien de plaatsing ervan in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels; e. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. het college stelt nadere regels vast voor de categorieën als bedoeld in sub e van lid 2. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.

indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van

Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven openbare plaatsen 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. zonneschermen, mits zij zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt. b. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; c.

terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onder f; d. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; e. reclameborden en uitstallingen als bedoeld in de ‘Beleidsregel reclameborden en uitstallingen’, indien de plaatsing ervan in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels; f. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; g. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; h. het college stelt nadere regels vast voor de categorieën als bedoeld in sub g van lid 3;

een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheerrijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaalwegenreglement.

i. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. 4. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 3. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheerrijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Toelichting op de wijziging Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Zie verder de toelichting bij artikel 2:12. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van

of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; e. indien er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. 3. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

het bevoegd bestuursorgaan een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening.

Toelichting op de wijziging Omdat in de praktijk is gebleken dat de toepassing van een meldingsstelsel moeilijkheden met zich meebrengt, is in artikel 2:12 een eenvoudig vergunningstelsel opgenomen. De achterliggende gedachte is dat voor de aanleg van een uitweg over gemeentegrond (veelal de stoep) ook nog privaatrechtelijk overeenstemming moet zijn tussen gemeente en autobezitter. Bij die overeenkomst wordt dan ook het element verkeersveiligheid meegenomen. Voor het (laten) aanleggen van een uitweg geldt een vergunningplicht. Het is van belang zich te realiseren dat sprake is van een omgevingsvergunning. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. Dit wordt niet uitdrukkelijk bepaald in artikel 2:12. AFDELING 6. VEILIGHEID OP DE WEG

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

1. De rechthebbende op een bedrijf die

1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking

winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

stelt, is verplicht: a. de winkelwagentjes te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 2. Het college kan nadere regels stellen over dit verbod.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke

1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Vervallen.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Vervallen; opgenomen in de Brandbeveiligingsverordening 2012.

1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; en b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en

onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Gevaarlijke of hinderlijk voorwerp

Artikel 2:19 Gevaarlijke of hinderlijk voorwerp

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Gereserveerd.

Vervallen.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht of door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan een ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin

1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties

geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Afdeling 7. Evenementen

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9, 2:26a en 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een straatfeest of buurtbarbecue (klein evenement). 3. Evenementen worden onderverdeeld in de volgende categorieën: a. meldingsplichtig evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd; b. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving, de openbare orde, de veiligheid en/of het verkeer; c. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving, de openbare orde, de veiligheid en/of gevolgen voor het verkeer; d.

C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer, de openbare orde, de veiligheid en hulpverleningsdiensten.

Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder een evenement verstaan: iedere voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9, 2:26a en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder e. 2. Onder een evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. Evenementen worden onderverdeeld in de volgende categorieën: a. meldingsplichtig evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd; b. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving, de openbare orde, de veiligheid en/of gevolgen voor het verkeer; c.

B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving, de openbare orde, de veiligheid en/of gevolgen voor het verkeer; d. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer, de openbare orde, de openbare veiligheid en hulpverleningsdiensten.

Artikel 2:25 Evenement

Artikel 2:25 Vergunningplicht evenementen en meldingsplicht kleine evenementen

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een

vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het evenement plaatsvindt op zondag tussen 13.00 en 22.00 uur of op maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 en 23.00 uur; b. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; c. het evenement niet plaatsvindt in het centrum; d. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 300 personen; e. er geen bouwsel wordt geplaatst met een verblijfsruimte die is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk; f. geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 07.00 uur of na 23.00 uur; g. er een organisator is; h. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3. De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 5.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen 12 weken na ontvangst op de aanvraag voor een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:24, lid 3 onder d.

vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Het is verboden een straatfeest of buurtbarbecue (klein evenement) te organiseren als de organisator niet ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement indien: a. het evenement plaatsvindt op zondag tussen 13.00 uur en 22.00 uur of op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur; b. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; c. het evenement niet plaatsvindt in het centrum; d. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 300 personen; e. er geen bouwsel wordt geplaatst met een verblijfsruimte die is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk; f. geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 07.00 uur of na 23.00 uur; g. er een organisator is; h. de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding (bedoeld in het tweede en derde lid) besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen twaalf weken na ontvangst op de aanvraag voor een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:24, derde lid, onder d. 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Toelichting op de wijziging Voor een klein evenement, zijnde een straatfeest of buurtbarbecue, is in de praktijk al jarenlang geen vergunning (meer) nodig, maar daarvoor moet tijdig een melding worden gedaan. De feitelijke situatie komt niet overeen met de huidige APV. In de huidige APV staat namelijk dat een straatfeest en buurtbarbecue een klein evenement is, daarmee onder de definitie van een ‘evenement’ valt (en daarmee dus onder de vergunningplicht). Dit is hersteld in het nieuwe artikel 2:25, tweede lid.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Artikel 2:26 Ordeverstoring

1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod van lid 2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 7a. Betaald voetbalwedstrijden

Artikel 2:26a Betaald voetbalwedstrijden

Artikel 2:26a Begripsbepalingen en vergunningplicht betaald voetbalwedstrijden

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan: a. de betaald voetbalorganisatie Heracles Almelo, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie Heracles Almelo als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; b. de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Almelo waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie betrokken is en indien het betreft een A-interland; c. degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie betrokken is. 2. Het is de organisator als bedoeld in het eerste lid verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder vergunning van de burgemeester. 3. De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: a. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid; b. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd. 4. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, indien een verbod, als bedoeld in het derde lid, is uitgevaardigd.

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de organisator verstaan: a. de betaald voetbalorganisatie Heracles Almelo, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie Heracles Almelo als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; b. de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Almelo waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie betrokken is en indien het betreft een A-interland; c. degene die buiten de gevallen genoemd onder a en onder b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie betrokken is. 2. Het is de organisator verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder vergunning van de burgemeester. 3. De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: a. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid; of b. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

Artikel 2:26b Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald voetbalwedstrijd

Artikel 2:26b Onnodig opdringen en wanordelijkheden bij betaald voetbalwedstrijden

1. Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als

1. Het is verboden zich bij een voetbalwedstrijd, als

bedoeld in artikel 2:26a onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Naast het bepaalde bij of krachtens de Wet Wapens en Munitie is het verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3. Een ieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

bedoeld in artikel 2:26a, onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet Wapens en Munitie is het verboden om bij een voetbalwedstrijd, als bedoeld in artikel 2:26a, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3. Eenieder is verplicht om bij een voetbalwedstrijd, als bedoeld in artikel 2:26a, alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

Artikel 2:26c Supportersstromen en bestuurlijke ophouding

Artikel 2:26c Supporters en bestuurlijke ophouding

1. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken. 2. Al degenen die behoren tot de supportersvereniging van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maken zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente. 3.

Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig plaatsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde verstoren of ernstig dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen, zijn verplicht zich op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in een door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Almelo. 4. De burgemeester is bevoegd door hem aangewezen personen die de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, niet naleven overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet tijdelijk te doen ophouden op een door hem aangewezen plaats indien dit nodig is ter

1. Iedere supporter van een bezoekende betaald voetbalclub, ieder die door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins uitstraalt of in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra zij de gemeente bereiken. 2. Eenieder die behoort tot de supportersvereniging van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maakt, is verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente. 3. Eenieder die behoort tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maakt en niet in het bezit is van een geldig plaatsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde verstoort of ernstig dreigt te verstoren, dan wel racistisch gedrag vertoont of racistische uitlatingen doet, is verplicht zich op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in een door de politie aan te geven route en richting, behalve indien degene woonachtig is in de gemeente. 4.

De burgemeester is bevoegd om de door hem aangewezen personen die een verplichting uit het eerste, tweede of derde lid niet naleven overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet tijdelijk te doen ophouden op een door hem aangewezen plaats, indien dit nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de

voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd. 5. De bevoegdheid bedoeld in het vierde lid omvat mede de bevoegdheid om deze personen over te laten brengen naar een door de burgemeester aangewezen plaats.

niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd. 5. De bevoegdheid, zoals bedoeld in het vierde lid, omvat mede de bevoegdheid om deze personen over te laten brengen naar een door de burgemeester aangewezen plaats.

Artikel 2:26d Individueel stadionomgevingsverbod

Artikel 2:26d Individueel stadionomgevingsverbod

1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in een door hem nader aan te wijzen gebied rondom het Stadion van Heracles Almelo vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden van de in artikel 2:26a genoemde organisator. Het verbod geldt voor een bepaalde periode van ten hoogste twee jaar. 2. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien de persoon de openbare orde in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de in artikel 2:26a genoemde organisator in dit stadion is gespeeld.

1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen om zich op te houden in een door hem nader aan te wijzen gebied rondom het stadion van Heracles Almelo van vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden, als bedoeld in artikel 2:26a, indien de persoon de openbare orde in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de in artikel 2:26a genoemde organisator in dit stadion is gespeeld. 2. Het verbod geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar.

Artikel 2:26e Alcoholverbod op wedstrijddagen

Artikel 2:26e Alcoholverbod op wedstrijddagen

1. Het is verboden om tegen betaling dan wel om

1. Het is verboden om tegen betaling, dan wel om niet, alcoholhoudende dranken te verstrekken in het stadion van Heracles Almelo gedurende het tijdvak van drie uur voor tot één uur na de periode gedurende welke het stadion voor het publiek toegankelijk is voor het bijwonen van een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a. 2. De burgemeester kan bepalen dat het verbod niet van toepassing is op door hem aan te wijzen categorieën van wedstrijden. 3. De burgemeester kan bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod eveneens van toepassing is op voor een nader door hem aan te wijzen gebied rondom het stadion.

niet alcoholhoudende dranken te verstrekken in het Stadion van Heracles Almelo gedurende het tijdvak van drie uur voor tot één uur na de periode gedurende welke het stadion voor het publiek toegankelijk is voor het bijwonen van een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a. 2. De burgemeester kan bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is op door hem aan te wijzen categorieën van wedstrijden. 3. De burgemeester kan bepalen dat het in het eerste lid gestelde verbod tot verstrekking van alcoholhoudende dranken eveneens van toepassing is op voor een nader door hem aan te wijzen gebied rondom het stadion. Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=90110f69-231b-4985-97be-516a06a699d7