14.3 Adviesrecht raad aanvraag Bellavistatraat 5 - bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing TGO Bellavistastraat 5
Tekst van het document
Opvanglocatie Almelo Bellavistastraat 5, Almelo
Gemeente Almelo 20 december 2024
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Opvanglocatie Almelo Gemeente Almelo
Bellavistastraat 5, Almelo Definitief 20 december 2024 145319/24-019.027
145319 Anoniem Anoniem
Anoniem Anoniem Anoniem
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Hoogoorddreef 15 Postbus 12205 1100 AE Amsterdam +31 (0)20 312 55 55 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Projectlocatie
6
1.2.1 1.2.2
6 7
Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie
1.3
Planologische toetsing
8
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
9
1.5
Leeswijzer
9
2
BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
10
3
BELEIDSKADER
12
3.1
Rijksbeleid
12
3.1.1 3.1.2
12 13
3.2
3.3
Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Provinciaal beleid
13
3.2.1
13
Omgevingsvisie Overijssel 2017 en Omgevingsverordening 2017
Gemeentelijk beleid
17
3.3.1 3.3.2
17 18
Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 Woonvisie Almelo 2020-2030
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
20
4.1
Milieueffectrapportage
20
4.1.1 4.1.2 4.1.3
20 21 21
4.2
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Ladder voor duurzame verstedelijking
21
4.2.1 4.2.2 4.2.3
21 21 21
Toetsingskader Resultaten Conclusie
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
Duurzaamheid & gezondheid
21
4.3.1 4.3.2 4.3.3
21 22 22
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Verkeer en parkeren
22
4.4.1 4.4.2 4.4.3
22 23 24
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Flora en fauna
24
4.5.1 4.5.2 4.5.3
24 27 29
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Luchtkwaliteit
30
4.6.1 4.6.2 4.6.3
30 30 32
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Geur 4.7.1 4.7.2 4.7.3
33 Toetsingskader Resultaten Conclusie
33 33 33
4.8
Geluid
33
4.9
Omgevingsveiligheid
33
4.9.1 4.9.2 4.9.3
33 35 36
4.10
4.11
4.12
4.13
4.14
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Trillingen
37
4.10.1 4.10.2 4.10.3
37 37 37
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Cultureel erfgoed
37
4.11.1 4.11.2 4.11.3
37 38 38
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Weging van het waterbelang
39
4.12.1 4.12.2 4.12.3
39 39 39
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Bodemkwaliteit
39
4.13.1 4.13.2 4.13.3
39 40 40
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Ontplofbare Oorlogsresten
40
4.14.1 4.14.2 4.14.3
40 40 40
Toetsingskader Resultaten Conclusie
4.15
4.16
4.17
Activiteiten en milieuzonering
40
4.15.1 4.15.2 4.15.3
40 41 42
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Lichthinder
42
4.16.1 4.16.2 4.16.3
42 42 42
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Sociale veiligheid
43
4.17.1 4.17.2 4.17.3
43 43 43
Toetsingskader Resultaten Conclusie
5
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
44
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44
5.1.1
Participatie
44
5.2
Beheer en onderhoud
45
5.3
Handhaving
45
Laatste pagina
45
Bijlage(n) I
Stikstofdepositieberekening
II
Notitie omgevingsveiligheid
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Het college van gemeente Almelo heeft op 25 september 2024 een besluit genomen over realisatie van Tijdelijke Gemeentelijke Opvang (TGO). Het kabinet heeft in juni 2024 via de regionale regietafels en de commissaris van de Koning verzocht tot tijdelijke gemeentelijke opvang. Gemeente Almelo is voornemens dit in te vullen door in het pand aan de Bellavistastraat 5 in Almelo maximaal 70 opvangplekken te realiseren. De opvang is beoogd voor een periode van minimaal 6 maanden en maximaal tot medio 2027. De datum van ingebruikname van de opvanglocatie is voorzien voor 15 januari 2025. De beoogde opvang is strijdig met het ter plaatse geldende bestemmingsplan1 (vastgesteld 11 juni 2013) van de gemeente Almelo. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling past niet De beoogde tijdelijke ontwikkeling kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor is een onderbouwing noodzakelijk voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend rapport voorziet hierin.
1.2
Projectlocatie
1.2.1
Ligging projectlocatie
De projectlocatie bevindt zich ten westen van het centrum van de stad Almelo in de gelijknamige gemeente, dit is weergegeven op Afbeelding 1.1. De projectlocatie ligt binnen een gemengde buurt waar zowel bedrijven als woningen aanwezig zijn.
1
Vanaf 1 januari 2024 zijn de beheersverordeningen en bestemmingsplannen van rechtswege omgezet naar het omgevingsplan. Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van het huidige naar het nieuwe recht. Alle beheersverordeningen en bestemmingsplannen worden onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Omdat de gemeente Almelo uitgegaan van de beheersverordening.
6 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
Afbeelding 1.1 Ligging projectlocatie
1.2.2
Begrenzing projectlocatie
Voorliggende onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (hierna: GoFlo) heeft betrekking op het bestaande pand aan de Bellavistastraat 5 en het bijbehorende buitenterrein in Almelo. De begrenzing van de projectlocatie is weergegeven op Afbeelding 1.2.
Afbeelding 1.2 Begrenzing projectlocatie
7 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
1.3
Planologische toetsing
Rohof van de gemeente Almelo (onherroepelijk vastgesteld op 11 juni 2013), als onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Gemeente Almelo. Op de projectlocatie ligt de enkelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog'. Op Afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding 1.3
-
De voor 'Dienstverlening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1 dienstverlening; 2 kantoren; 3 verkeersvoorzieningen ten behoeve van het bestemmingsverkeer; 4 voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, erven en groenvoorzieningen.
Op de projectlocatie gelden ook de volgende bestemmingsplannen: - Parapluherziening algemene afwijkingen (20 december 2022). Dit parapluplan is opgesteld vooruitlopend gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2015) beleidsregels zijn niet relevant voor voorliggende tijdelijke ontwikkeling. - Parapluherziening wonen (vastgesteld 23 maart 2020). Dit parapluplan bevat regels over kamergewijze verhuur en woningsplitsing. Deze regels zijn niet relevant voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
8 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
-
Parapluherziening parkeren (vastgesteld 5 juni 2018). Dit parapluplan bevat beleidsregels voor parkeren in paragraaf 4.4 wordt hier verder op ingegaan.
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De voorgenomen tijdelijke opvang kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag de vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 1, Bkl). De initiatiefnemer moet aantoonbaar maken/onderbouwen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale- en waterschapsverordening en een aanvaarbaard woon- en leefklimaat. Voor een BOPA-aanvraag geldt in principe de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is bezwaar en beroep mogelijk. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Waarna wordt ingegaan op de participatie gedurende het project.
9 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Hierbij wordt eerst ingegaan op de huidige situatie, vervolgens wordt de beoogde situatie uitgewerkt.
2.1
Huidige situatie
De projectlocatie ligt aan de Bellavistastraat 5 in Almelo. Het perceel is kadastraal bekend als Ambt-Almelo, sectie L, nummer 2730. Het betreft een bestaand, leegstaand gebouw waar op eigen terrein 15 autoparkeerplaatsen aanwezig zijn. Ook is reeds een fietsenstalling aanwezig op het terrein. Het terrein is bijna volledig verhard. Op Afbeelding 2.1 is de kadastrale situatie weergegeven.
Afbeelding 2.1 Kadastrale situatie
2.2
Toekomstige situatie
Gemeente Almelo is voornemens om op de projectlocatie maximaal 70 personen op te vangen voor een periode van minimaal 6 maanden en maximaal tot medio 2027. Het bestaande pand ondergaat een functiewijziging en wordt getransformeerd en geschikt gemaakt voor opvang. Door een interne verbouwing worden o.a. slaapvertrekken, verblijf- en recreatieruimten gecreëerd. Om voldoende sanitaire voorzieningen te realiseren wordt aan de achterzijde van het pand een tijdelijke sanitaire unit geplaatst met 8 douchecellen met wastafels. De sanitaire unit wordt geplaatst op reeds
10 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
bestaande verharding, er zijn geen bodemingrepen nodig. Het leidingwerk wordt vanuit het bestaande gebouw bovengronds op de sanitaire unit aangesloten. De buitenruimte wordt niet opnieuw ingericht en er wordt geen verharding toegevoegd of weggenomen. Er vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Op Afbeelding 2.2 is een plattegrond weergegeven van de nieuwe situatie in het pand.
Afbeelding 2.2 Plattegrond nieuwe situatie
11 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling het relevante ruimtelijk beleid en de regelgeving van Rijk, provincie en gemeente beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen de tijdelijke ontwikkeling en het beleid en er wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende beleid en regelgeving.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Omgevingswet
De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving door tientallen wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene Rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. Het is sinds inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Artikel 22.6 lid 1 van Omgevingswet heeft betrekking op de ruimtelijke plannen die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit artikel bepaalt dat de ruimtelijke regels die onderdeel zijn geworden van het tijdelijke mogelijk is om regels uit de voormalige ruimtelijke plannen aan te passen. Ook is het niet mogelijk om per locatie alleen een deel van de daar op grond van het ruimtelijk plan geldende regels van het tijdelijke deel te laten vervallen.
Bij een vaststellingsbesluit kunnen alleen alle voor een locatie geldende regels van het tijdelijke deel vervallen. Bij een wijziging van regels in het tijdelijke deel, zullen dus alle regels voor de betrokken locatie (ook de regels die op zichzelf niet gewijzigd hoeven te worden) opnieuw vastgesteld moeten worden en met inachtneming van de regels van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan vastgelegd moeten worden. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is in een eenvoudiger alternatief om projecten planologisch mogelijk te maken zonder het omgevingsplan te wijzigen. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Gezien de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit na 1 januari 2024 wordt ingediend is de wet- en regelgeving conform de Omgevingswet van kracht. De vergunning kan enkel verleend worden als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend rapport dient als onderbouwing hiervan.
12 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
3.1.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met voorgenomen ontwikkeling In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad. Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van de opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvesting van asielzoekers. Het COA is de uitvoerende dienst van het Rijk voor deze opvang.
Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de opvanglocatie in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de beoogde opvanglocatie.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel 2017 en Omgevingsverordening 2017
Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving wordt omschreven in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 (hierna: Omgevingsvisie). Op 8 november 2023 hebben Provinciale Staten de huidige Omgevingsvisie geactualiseerd. Het instrument om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. In de omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Provinciale Staten geven aan wat de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing. Soms is deze sturing normstellend, maar meestal is de sturing richtinggevend of inspirerend. Op Afbeelding 3.1 is het uitvoeringsmodel weergegeven.
13 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie provincie Overijssel
In het uitvoeringsmodel staan de stappen centraal. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door provinciale generieke beleidskeuzes, de ontwikkelingsperspectieven geven richting aan waar wat ontwikkeld kan worden en de gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag hoe wordt het initiatief hieraan getoetst. Provinciale generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de Europese Unie, het Rijk of de provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig of mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Als deze beleidskeuzes het gevolg zijn van provinciale keuzes zijn ze verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Deze generieke beleidskeuzes zijn ingedeeld in 5 thema's, te weten: integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) moeten doorlopen: - integraliteit: de eis van integraliteit houdt in, dat alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn, zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen: · deze rapportage laat zien dat sprake is van een transparante en evenwichtige afweging tussen alle relevante omgevings- en milieuaspecten; - toekomstbestendigheid: de eis dat gekozen oplossingen voor maatschappelijke opgaven toekomstbestendig moeten zijn, houdt in dat een initiatief de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien niet in gevaar mag brengen. In artikel 4.6 van de Omgevingsverordening komt de eis van toekomstbestendigheid terug als een motiveringseis. Deze motiveringseis houdt in alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn: · met de opvanglocatie is sprake van een tijdelijke opvanglocatie, wat inhoudt dat de motiveringseis voor toekomstbestendigheid niet van toepassing is.
Door de tijdelijkheid van het voornemen vormt de opvanglocatie geen belemmering voor de behoeften van de huidige en toekomstige generatie; - concentratiebeleid: het concentratiebeleid van de provincie Overijssel houdt in, dat stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) zoveel mogelijk worden geconcentreerd. In artikel 4.4 van de Omgevingsverordening wordt het principe van concentratie van stedelijke bebouwing vastgelegd. De ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen worden alleen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen: · de opvanglocatie is voorzien in een bestaand pand. Er is door inrichting van de locatie als tijdelijke opvang sprake van een functiewijziging in reeds bestaande bebouwing. Het gebruik wijkt af van de
14 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
-
-
planologisch toegestane functie. Het gebruik van deze locatie voor opvang in een bestaand pand in de binnenstad is in lijn met het concentratiebeleid, omdat de nabijheid van winkels, OV en overige voorzieningen de concentratie versterkt; (boven) regionale afstemming: de verplichting tot (boven)regionale afstemming is erop gericht om gemeenten gezamenlijk verantwoordelijkheid te laten nemen voor de regionale programmering van woningbouw, werklocaties en stedelijke voorzieningen. Ook wanneer alleen wordt voorzien in een (lokale) behoefte is onderlinge afstemming gewenst, omdat het aanbod in een gemeente aan woningen, werklocaties en voorzieningen onderdeel uitmaakt van een regionale markt. De Ladder voor duurzame verstedelijking stelt eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden: · Het COA zorgt landelijk voor de opvang van vluchtelingen en stemt daarbij op landelijk, regionaal en lokaal niveau af over de locatie van tijdelijke opvang.
Aangezien sprake is van een tijdelijke opvanglocatie door het COA voor een doelgroep waarbij een groot tekort aan plekken is vormt de verplichting voor (boven) regionale afstemming geen belemmering voor deze ontwikkeling. De ladder duurzame verstelijking komt ook in hoofdstuk 3.2 aan bod. zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik: de eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag - zowel ondergronds als bovengronds - te voorkomen. Door middel van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik wordt in artikel 4.5 van de Omgevingsverordening de verplichting opgelegd om voor stedelijke functies in de Groene Omgeving met extra ruimtebeslag aannemelijk wordt gemaakt dat voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied, de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie en mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut: · door gebruik te maken van een bestaand pand met reeds aanwezige voorzieningen wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik en vindt geen extra ruimtebeslag plaats.
Ontwikkelingsperspectieven (waar) In de Omgevingsvisie staan 6 ontwikkelingsperspectieven: 3 voor de Groene Omgeving en 3 voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat zou kunnen worden ontwikkeld.
volgende over deze ontwikkelperspectieven. De binnensteden leggen de basis voor de identiteit van de steden. Behoud en gebruik van het aanwezige historisch erfgoed draagt bij aan versterking van de identiteit en de toeristische aantrekkingskracht van de steden. In de binnensteden binnen de stedelijke netwerken (waaronder Almelo) is ruimte voor concentratie van stedelijke voorzieningen (winkels, cultuur, openbaar vervoer). Hier wil de provincie kansen benutten bijvoorbeeld bij herbestemming, herstructurering en transformatie voor het creëren van grootstedelijke
Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie. Door de tijdelijke opvanglocatie wordt het historisch erfgoed niet aangetast en de tijdelijke opvanglocatie past goed bij de concentratie van voorzieningen. De tijdelijke opvanglocatie wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing heeft daarmee geen negatief effect op klimaatadaptatie of de energietransitie.
15 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
Daarmee is de ontwikkeling niet in strijd met de doelen voor de betreffende ontwikkelperspectieven uit de provinciale Omgevingsverordening. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in 4 lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, infrastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, et cetera. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende 4 lagen: 1 natuurlijke laag; 2 laag van het agrarisch cultuurlandschap; 3 stedelijke laag; 4 laag van de beleving.
de Omgevingsverordening. De Catalogus Gebiedskenmerken beschrijft voor alle gebiedstypen in Overijssel welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. Aangezien de ontwikkeling enkel een tijdelijke functiewijziging betreft, worden de gebiedskenmerken niet aangetast. Omgevingsverordening DSO De relevante gebiedsaanwijzingen, beperkingengebieden en omgevingswaarden die behoren bij de Omgevingsverordening Overijssel zijn weergegeven in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het DSO is geraadpleegd. De projectlocatie behoort volgens de Omgevingsverordening niet tot een grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied of gebied met de aanduiding Natuurnetwerk Nederland. Op basis van het DSO zijn onderstaande gebiedsaanwijzingen, activiteiten en locaties van toepassing op de projectlocatie. Per aanwijzing wordt geanalyseerd of deze van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling en of deze mogelijk beperkingen oplevert: - gebiedsaanwijzingen: · bakens in de tijd: deze gebiedsaanwijzing beschrijft voor het gebiedstype bakens in de tijd welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling enkel een tijdelijke functiewijziging betreft, worden de gebiedskenmerken niet aangetast; · historische centra binnensteden en landstadjes: deze gebiedsaanwijzing beschrijft voor het gebiedstype historische centra binnensteden en landstadjes welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling enkel een tijdelijke functiewijziging betreft, worden de gebiedskenmerken niet aangetast; · nieuwe recreatiewoningen: deze gebiedsaanwijzing bevat regels over het toestaan van nieuwe recreatiewoningen. De voorgenomen ontwikkeling maakt geen nieuwe recreatiewoningen mogelijk. Om deze reden is deze gebiedsaanwijzing niet van toepassing; · recreatieve routes en vaarwegen: deze gebiedsaanwijzing beschrijft voor het gebiedstype recreatieve routes en vaarwegen welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling enkel een tijdelijke functiewijziging betreft, worden de gebiedskenmerken niet aangetast; - activiteiten: · activiteiten gereguleerd in de omgevingsverordening Overijssel: hier wordt verwezen naar de begripsbepaling die van toepassing zijn op de verordening: de verordening is van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · activiteiten in beperkingengebied provinciale vaarwegen: hier zijn regels opgenomen over het werken in een beperkingengebied van een provinciale vaarweg. De projectlocatie ligt niet in het
16 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
-
beperkingengebied van een provinciale vaarweg, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · bezit en vervoer van keutels braakballen losse veren en sterrenschot: hier wordt aangegeven dat het bezit en vervoer van keutels braakballen losse veren en sterrenschot vergunningvrij is. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van bezit en vervoer van keutels braakballen losse veren en sterrenschot, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · evenementen op de weg: hier zijn indieningsvereisten opgenomen voor een vergunning/melding. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van evenementen op de weg, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · ontgrondingsactiviteit: hier zijn regels opgenomen over ontgrondingsactiviteiten. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van ontgrondingen, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · opzettelijk vangen van dieren: hier zijn regels opgenomen over het opzettelijk vangen van dieren. Bij voorgenomen ontwikkeling worden niet opzettelijk dieren gevangen, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · vellen houtopstanden: hier zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden.
Bij voorgenomen ontwikkeling worden geen houtopstanden geveld, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; · vestiging of vergroten van een geitenhouderij: hier zijn regels opgenomen over het vestigen of vergroten van een geitenhouderij. Bij voorgenomen ontwikkeling worden geen geitenhouderijen gevestigd of vergroot, deze activiteit is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; locaties: · bakens in de tijd: zie gebiedsaanwijzingen; · bebouwing: hier wordt verwezen naar de ladder voor duurzame verstedelijking. Paragraaf 4.2 beschrijft geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De locatieaanwijzing is daarmee niet van toepassing op voorgenomen ontwikkeling; · glastuinbouw niet toegestaan: op aangewezen locaties is nieuwe glastuinbouw niet toegestaan. Gezien voorgenomen ontwikkeling geen glastuinbouw mogelijk maakt, is de locatieaanwijzing niet van toepassing; · nieuwe recreatiewoningen: zie gebiedsaanwijzingen; · primaire waterkeringen: hier worden locaties aangewezen waar primaire waterkeringen vrije ruimte hebben en waar ontwikkelingen niet zijn toegestaan.
De projectlocatie ligt niet binnen de vrije ruimte van een primaire waterkering, de locatieaanwijzing is niet van toepassing; · provincie Overijssel: zie gebiedsaanwijzingen; · recreatieve routes en vaarwegen: zie activiteiten; · verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen: zie activiteiten.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gelet op de bovenstaande toetsing en het feit dat het enkel een tijdelijke opvanglocatie betreft, is er geen sprake van strijdigheid met de Omgevingsvisie Overijssel 2017 en de Omgevingsverordening 2017. Eventuele beleidskeuzes, ontwikkelperspectieven of gebiedskenmerken worden door de tijdelijke ontwikkeling niet aangetast.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040
De Omgevingsvisie is vastgesteld op 29 september 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Almelo. In de Omgevingsvisie staat hoe de omgeving binnen de gemeente Almelo zich tot nu toe heeft gevormd en wat de visie is voor de toekomst. Het is een onderdeel van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 wordt ingevoerd.
17 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
Voor de Omgevingsvisie is de gemeente Almelo verdeeld in vier gebieden: het buitengebied, de bedrijventerreinen, de wijken & dorpen en de binnenstad. Daarnaast zijn er onderwerpen die voor alle gebieden hetzelfde zijn, die los van de gebiedsindeling, in algemeenheid zijn beschreven. Voor de projectlocatie is wijken en dorpen het meest relevant. De gemeente Almelo wil een sterke centrumgemeente zijn en blijven met een regionale functie voor Noordwest-Twente. Om dat op woongebied te realiseren, heeft de gemeente drie grote ambities geformuleerd. De gemeente streeft naar een woningvoorraad dat: flexibel, evenwichtig & gevarieerd en toekomstbestendig & duurzaam is. De gemeente wil wijken creëren met gemengde woonmilieus waar genoeg aanbod is voor elke doelgroep. De bestaande woonvoorraad heeft relatief veel sociale woningbouw en koopwoningen in het hoge(re) segment. Dit wordt meer in balans gebracht door bij herstructurering op woningen in het middensegment in te zetten. Verder wil de gemeente de bestaande woningvoorraad zo slim mogelijk benutten en daarmee aansluiten op de ontwikkeling van de bevolking. Dat betekent onder meer: - de benodigde verscheidenheid aanbrengen door herstructureren van panden en gebieden; - de (minimale hoeveelheid) nieuwbouw ontwikkelen in bestaande wijken (inbreiding, geen uitbreiding).
Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling resulteert niet in een ruimtelijke verandering doordat gebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw. Daarentegen kan de ontwikkeling wel verpaupering in de toekomst tegengaan, waardoor de ontwikkeling het pand toekomstbestendiger maakt. Door het gebouw te transformeren naar een opvanglocatie wordt leegstand voorkomen en blijft het pand intact. Ook is hergebruiken bestaand pand duurzamer dan nieuw bouwen. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de omgevingsvisie van gemeente Almelo.
3.3.2
Woonvisie Almelo 2020-2030
De woonvisie van de gemeente Almelo gaat over wonen in Almelo en de vele onderwerpen die daarmee samenhangen, zoals demografische ontwikkelingen, de bevolkingssamenstelling, de zorgvraag omtrent wonen, de kwaliteit van de woningvoorraad en verduurzaming. Met de visie wordt 15 jaar vooruit gekeken. Op basis van de prognose, historische en huidige woonsituatie zijn de belangrijkste ambities bepaald. Almelo wil een sterke centrumgemeente zijn en blijven, met een regiofunctie voor Noordwest-Twente. Om dat op woongebied te realiseren zijn drie grote ambities geformuleerd. De gemeente streeft naar: 1 een flexibele woningvoorraad: · de verwachte groei van de gemeente mogelijk maken en alvast voorbereid zijn op de (op termijn) te verwachten krimp; · onderscheidende nieuwbouw realiseren en een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor jongeren en jonge gezinnen; · inbreiding verkiezen boven uitbreiding; · een vitale, aantrekkelijke binnenstad creëren; · de kernen Aadorp en Bornerbroek de ruimte geven om aan de vraag naar nieuwbouw tegemoet te komen; 2 een evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad: · het aandeel koop- en huurwoningen meer in evenwicht brengen, en de sociale woningbouw beter over onze (en omliggende) gemeente(n) verdelen; · de woonvoorzieningen voor kwetsbare groepen beter over onze (en omliggende) gemeenten verdelen; 3 een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
· zorgen dat (oudere) inwoners een fijne woonomgeving krijgen/behouden, in nabijheid van anderen en met voorzieningen binnen bereik; · bestaande en nieuwe woningen levensloopgeschikt maken;
18 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
·
een betaalbare en duurzame energievoorziening bereikbaar maken voor iedereen en bestaande woningen voor 2050 aardgasvrij maken.
De woningvoorraad kan tot 2035 nog met ruim 1.600 woningen groeien en die groei zal vooral bestaan uit koopwoningen. In dit segment is er meer vraag naar eengezinswoningen dan naar meergezinswoningen (niet-grondgebonden/appartementen). In de huursector is het de opgave om meergezinswoningen toe te voegen. Per saldo neemt het sociale huursegment in omvang af. Opgemerkt wordt dat deze gemeentelijke Woonvisie (nog) niet is aangepast aan de bijgestelde ambitie zoals vastgelegd in de Regionale Woonagenda Twente. Daarin zijn immers afspraken gemaakt dat binnen de gemeente Almelo tot 2030 in een woningbehoefte van meer dan 2.000 woningen extra zal voorzien. Inbreiding verkiezen boven uitbreiding Bij de uitbreiding van de woningvoorraad wordt de aanwezige ruimte in het bestaande bebouwde gebied benut. Het is belangrijk om niet te bouwen voor leegstand dus de vraag is welke woningen toegevoegd worden en waar. Hierbij wordt uitgegaan van inbreiding boven uitbreiding. Het is een kwestie van prioriteren; toevoegen gaat hier niet (alleen) over nieuwbouw, maar over transformatie, herstructurering en verduurzaming. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De gemeente Almelo richt zich op een flexibele, evenwichtige, gevarieerde, toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad. De beoogde transformatie sluit aan op deze beleidslijnen uit de woonvisie.
Met de ontwikkeling is sprake van transformatie in de stadsrand. Dat past bij de keuze voor inbreiding boven uitbreiding. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is daarmee in lijn met de woonvisie van de gemeente Almelo. Daarnaast moet genoemd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen permanente woonfunctie omvat, het betreft een tijdelijke opvanglocatie.
19 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van deze BOPA aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - milieueffectrapportage; - ladder voor duurzame verstedelijking; - duurzaamheid & gezondheid; - verkeer en parkeren; - flora en fauna; - luchtkwaliteit; - geluid; - geur; - omgevingsveiligheid; - trilling; - cultureel erfgoed; - bodemkwaliteit; - ontplofbare oorlogsresten; - weging van het waterbelang; - activiteiten en milieuzonering; - lichthinder; - (sociale) veiligheid.
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Toetsingskader
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is het toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan.
20 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
4.1.2
Resultaten
Het vestigen van een tijdelijke opvang staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit jurisprudentie is gebleken dat in specifieke gevallen het vestigen van een tijdelijke opvang kan worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit hangt echter af van de aard, omstandigheden en plaatselijke situatie. In onderhavige situatie is sprake van een opvang in een bestaand gebouw, met een beperkte omvang van 70 personen voor een beperkte periode. Deze ontwikkeling kan gezien de aard, tijdelijkheid en ingebruikname van een bestaand pand niet worden Omgevingsbesluit.
4.1.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gezien de aard, tijdelijkheid en plaatselijke situatie (het betreft enkel een functiewijziging) is onderhavig plan niet merbeoordelingsplichtig.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Toetsingskader
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
4.2.2
Resultaten
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ontwikkeling of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling als genoemd in artikel 5.129g van het Bkl, aangezien gebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw en sprake is van een tijdelijke ontwikkeling.
4.2.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling voorziet niet in een substantiële ontwikkeling waardoor geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee hoeft de laddertoets niet uitgevoerd te worden.
4.3
Duurzaamheid & gezondheid
4.3.1
Toetsingskader
Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid, bij een BOPA-aanvraag, is sterk afhankelijk van het beleid van de gemeente. Er is geen algemeen toetsingskader, per gemeente moet er vastgesteld worden, ten eerste, of er getoetst dient te worden en ten tweede, hoe getoetst dient te worden.
21 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
Voor duurzaamheid dient hoofdzakelijk gekeken te worden naar de te treffen energiebesparende maatregelen, zo horen alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar te worden getroffen. In het huidige tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeente Almelo zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. Leidraad eis hernieuwbare energie bij ingrijpende renovatie
ingrijpende renovatie, hernieuwbare energie opgewekt moet worden. Een renovatie is ingrijpend als meer dan 25 % van de oppervlakte van de gebouwschil verandert. Bovendien moet de verandering op de integrale gebouwschil zijn uitgevoerd.
4.3.2
Resultaten
Voor duurzaamheid geldt nieuw bouwen van opvanglocatie. Ook wordt door de voorgenomen verbouwing ten behoeve van de functiewijziging de levensduur van het gebouw langer omdat deze langer in gebruik blijft, dit is duurzaam. In het huidige tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeente Almelo zijn nog geen regels toegevoegd met betrekking tot gezondheid waaraan getoetst kan worden. Voor het thema gezondheid zijn er dus geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Er is geen sprake van een ingrijpende renovatie omdat niet meer dan 25 % van de oppervlakte van de gebouwschil verandert. Enkel inpandig vindt verbouwing plaats, de gebouwschil blijft ongewijzigd. Daarom hoeft .
4.3.3
Conclusie
Het aspect duurzaamheid & gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie en het parkeren besproken.
4.4.1
Toetsingskader
Bestemmingsplan parapluherziening parkeren/herschreven beleidsregel parkeernormen Almelo Op het hele grondgebied van gemeente Almelo is (als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) 5 juni 2018) van kracht. In dit bestemmingsplan wordt beschreven dat de meest recente beleidsregels omtrent parkeren gelden, dit is geldend vanaf 1 maart 2021). Voor het opvangen van asielzoekers zijn geen parkeernormen opgenomen in de beleidsregels van gemeente Almelo. CROW-normen Er is geen CROW-categorie/normen voor een opvanglocatie.
22 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
4.4.2
Resultaten
Verkeersgeneratie Gemotoriseerd verkeer als gevolg van de opvanglocatie is in hoofdzaak afkomstig van medewerkers op de locatie en ondersteunende diensten en leveranciers. Verder verplaatsen de bewoners zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer. In tabel 3.1 is het aantal geraamde vervoersbewegingen als gevolg van het gebruik van de opvanglocatie weergegeven. Deze vervoersbewegingen zijn gebaseerd op gegevens van soortgelijke opvanglocaties. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen+Bos, die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de vervoersbewegingen van opvanglocaties. Met deze rekentool worden de verwachte vervoersbewegingen voor nieuwe opvanglocaties of voor uitbreiding van bestaande opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van locaties. Deze rekentool wordt geregeld herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan, zodat de inschatting van de verwachte vervoersbewegingen altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak conservatief zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een onderschatting van de verwachte vervoersbewegingen.
Tabel 4.1 Verwachte vervoersbewegingen beoogde situatie (70 personen) Categorie
Aantal voertuigen/jaar
Aantal vervoersbewegingen/jaar
1.937
3.874
middelzwaar vrachtverkeer
921
1.842
zwaar vrachtverkeer
89
178
totaal aantal per jaar
2.947
5.894
totaal aantal per dag
8
16
licht verkeer
Het lokale verkeersnet kan de beperkte toename in aantal vervoersbewegingen per dag gemakkelijk opvangen. Ontsluiting van het projectlocatie De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Bellavistastraat en vervolgens hoofdzakelijk via de Wierdensestraat (en in mindere mate de Nieuwe Sligtestraat). Daarmee gaat het verkeer vanuit de opvang bijna direct op in het heersende verkeersbeeld. Parkeren
opvangen van asielzoekers. Echter is het In Tabel 4.1 is te zien dat per dag 8 voertuigen worden verwacht op de locatie. Op de locatie zijn 15 parkeerplaatsen aanwezig, deze voorzien daarmee ruim in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Daarnaast komt de CROWvoor asielzoekers
het meest overeen met een opvang 70 personen leidt dit
het personeel dat daar in ploegendienst werkt. Dit personeel zal deels per OV komen (station dichtbij) en deels (mede vanwege de ploegendienst) per auto. Ook uitgaande van deze redenering voorzien de 15 aanwezige parkeerplekken ruim in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Fietsen Een fietsenstalling is aanwezig op de projectlocatie, hier wordt plek gerealiseerd voor 80 fietsen. Daarmee is er in de stalling voldoende plek in geval alle bewoners een fiets hebben. Daarnaast is ruimte voor de fietsen
23 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
van het personeel.
4.4.3
Conclusie
De verkeeraantrekkende werking van de tijdelijke opvanglocatie is zeer beperkt. Daarnaast zijn er voldoende parkeerplekken op eigen terrein aanwezig om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Ook zijn er voldoende fietsparkeerplekken aanwezig. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.5
Flora en fauna
4.5.1
Toetsingskader
Gebiedsbescherming Onder de Omgevingswet maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. De instrumenten zien op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en aangewezen bijzondere natuurgebieden, landschappen en parken (artikel 2.44 Ow). Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Door middel van Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit 2 Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve onder andere de begrenzing van het gebied, opgenomen voor welke habitattypen en soorten het gebied is aangewezen en welke doelen hiervoor gelden.
Op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e van de Omgevingswet (Ow) is een omgevingsvergunning vereist voor ctiviteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen 1 kan hebben voor een Natura 2000Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de formulering zijn activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied niet vergunningplichtig. Daarnaast benoemt hoofdstuk 11 van het Bal enkele gevallen die een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden (bijvoorbeeld in een omgevingsverordening, ministeriële regeling of programma). Op grond van artikel 8.74b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit een passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen (zoals extern salderen).
Als de vereiste zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten niet is verkregen, dan kan op grond van artikel 8.74b lid 2 Bkl een omgevingsvergunning alleen nog worden verleend, als: a. er geen alternatieve oplossingen zijn; b. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en, 1
Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.
24 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
c.
de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de Natura 2000-activiteit. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd1. Wat deze zorgplicht in ieder geval inhoudt, is nader uitgewerkt in artikel 11.6 lid 2 Bal. Stikstofdepositie Voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20192 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moeten worden in de vergunningverlening. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator.
Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied3. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten4; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen5.
Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a lid 1 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Door deze bepaling dwingt de wetgever initiatiefnemers om de emissie van stikstof zoveel mogelijk te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18 lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10 lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt6. 1
Artikel 11.6 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving.
2
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
3
Artikel 5.1 Omgevingswet.
4
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
5
Artikel 8.74b lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving.
6
Artikel 7.19a lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving.
25 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen1. NNN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, gericht op de bescherming, instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: - de aanwezige dier- en plantensoorten; - typen natuurlijke habitats; - leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Afdeling 7.3 Bkl bevat instructieregels voor de Omgevingsverordening die de provincie verplichten tot: - het aanwijzen van NNN-gebieden2; - het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden in deze gebieden3; en, - het stellen van regels (over regels in omgevingsplannen en projectbesluiten), in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden4. Indien ontwikkeling is gelegen in NNN of in de nabijheid van NNN, instructieregels uit omgevingsverordening uitwerken in H4, paragraaf 4.2.2. Hier terugverwijzen naar die paragraaf. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet.
Soortenbescherming is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten. Een flora- en faunaactiviteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten 5. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde soorten. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt beschermde soorten of habitats voorkomen. Dit gebeurt door middel van een Quickscan. Als blijkt dat er mogelijk beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Door middel van het vervolgonderzoek moet duidelijk worden waar welke soorten voorkomen, of er sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties (voortplantings- of vaste rust- en/of verblijfplaatsen) en moeten de effecten van het voornemen in beeld worden gebracht. Hierbij dient te worden bezien of er een verbodsbepaling wordt overtreden door de betreffende ingreep. Op basis van art. 5.1 lid 2 onder g Ow is een flora- en fauna-activiteit vergunningplichtig voor zover deze als dusdanig is aangewezen op basis van hoofdstuk 11 van het Bal.
Hoewel de betreffende artikelen en kaders afhankelijk zijn van de specifieke soorten die betrokken zijn bij de betreffende activiteit, komt het toetsingskader op voor alle soorten op hoofdlijnen grotendeels overeen. Om een omgevingsvergunning te verkrijgen dient op hoofdlijnen te worden voldaan aan 3 criteria: a. er bestaan geen andere bevredigende oplossingen dan de betrokken activiteit; 1
Artikel 7.5 lid 4 Besluit bouwwerken leefomgeving.
2
Artikel 7.6 Besluit kwaliteit leefomgeving.
3
Artikel 7.7 Besluit kwaliteit leefomgeving.
4
Artikel 7.8 Besluit kwaliteit leefomgeving.
5
Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.
26 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
b. c.
de activiteit is nodig in het kader van een van de in de wet genoemde redenen (bijvoorbeeld de volksgezondheid of openbare veiligheid); de voorgenomen activiteit leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding.
Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de flora- en faunaactiviteit. Iemand die weet of kan weten dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, moet: a. alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd1. Wat deze plicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.27 lid 2 Bal. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is onderdeel van de Omgevingswet. Houtopstanden worden in de zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of 2 griend . De regels uit de Omgevingswet gelden als er sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Onder rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben 3. Op grond van artikel 11.126 Bal is het verboden om een houtopstand buiten de bebouwingscontour houtkap (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Bij vellen hoort tevens een herbeplantingsplicht4.
Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. De gemeente kan ook regels stellen over houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap, als het andere doelen dient dan de doelen uit de Omgevingswet. Bijvoorbeeld ten behoeve van behoud van cultureel erfgoed of veiligheid of als er geen rijksregels over zijn, zoals het aanplanten van houtopstanden zonder dat daarvoor een houtopstand is geveld.
4.5.2
Resultaten
Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Wierdense Veld op ca. 10 km afstand van de projectlocatie, dit is weergegeven op Afbeelding 4.1. Vanwege de ligging van de projectlocatie buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van fysieke effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000avonds en tussenliggende afstand. Van directe negatieve fysieke effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is daarmee geen sprake. Ook indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen als gevolg van de aard van de voorgenomen ontwikkeling en de relatief grote
1
Artikel 11.27 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving.
2
Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.
3
Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.
4
Artikel 11.129 Besluit activiteiten leefomgeving.
27 | 45
Witteveen+Bos | 145319/24-019.027 | Definitief
tussenliggende afstand van 10 km worden uitgesloten. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is eveneens geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet onderdeel Natura 2000-activiteiten zijn niet nodig.
Afbeelding 4.1 Natura 2000-gebieden nabij projectlocatie
Stikstofdepositie Door de werkzaamheden zijn effecten van stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op voorhand niet uit te sluiten. Daarom zijn de omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden en het gebruik met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt. Voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (opgenomen in bijlage I van voorliggend rapport) voor de aanlegfase en gebruiksfase. Hieruit blijkt geen projecteffect (stikstofdepositie toename) van meer dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van bovenstaande resultaten zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Hiermee wordt geconcludeerd dat voor de beoogde aanleg en het beoogde gebruik van de locatie geen vergunningplicht geldt voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen percelen behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Overijssel. De dichtstbijzijnde percelen van het NNN-netwerk zijn gelegen op circa 4 km afstand van de projectlocatie, dit is weergegeven op Afbeelding 4.2.