CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Ontwerpbestemmingsplan Mastboersweg 1 en 4.pdf

Raad 26 september 2023, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W28.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2

Geur

4.2.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op basis van artikel 3, lid 2 van de Wgv worden bedrijfswoningen van andere agrarische bedrijven en voormalige bedrijfswoningen (beëindiging agrarisch bedrijf na 19 maart 2000), tevens de bovenstaande vaste afstanden gehanteerd.

4.2.2 Situatie plangebied Het meest nabijgelegen agrarische bedrijf bevindt zich aan de Alenhuisweg 4, op circa 110 meter ten westen van het plangebied. Ter plaatse bestaat de planologische mogelijkheid tot het exploiteren van een grondgebonden veehouderij. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

32

NL.IMRO.0141.00146-BP21

kader van Rood voor Rood gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. Het plangebied, de grens van het bouwvlak ligt op minimaal 110 meter afstand van het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak. Er wordt daarmee ruim aan de minimale afstandsnorm van 50 meter voldaan. Redelijkerwijs kan en wordt er dan ook vanuit gegaan dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd worden agrarische bedrijven als gevolg van deze ontwikkeling niet verder in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan waarvan in de huidige situatie (twee bedrijfswoningen) reeds sprake is. Conclusie De Wet geurhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.3

Fysieke veiligheid

4.3.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: bereikbaarheid; opkomsttijd; bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

4.3.2 Bereikbaarheid 4.3.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied op hoofdlijnen getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019. Hierbij wordt beoordeeld of: een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is;

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

33

NL.IMRO.0141.00146-BP21

of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. Een beschrijving van de bereikbaarheid in het plangebied staat in 4.3.2.2 beschreven. 4.3.2.2 Situatiebeschrijving bereikbaarheid Het plangebied bevindt zich, ook in de huidige situatie, aan de Masboersweg die over gaat in de Brektummerweg. De Brektummerweg is een zandweg die op basis van onze informatie niet (gegarandeerd) geschikt lijkt voor de een tankautospuit. Dit betekent dat vanaf de Elhorsterweg sprake is van een doodlopende weg van circa 176 meter. Dit is meer dan 80 meter, waardoor het plan niet voldoet aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019. Dit geldt tevens in de huidige situatie. Wanneer de weg ter hoogte van de Elhorsterweg, bijvoorbeeld door wegwerkzaamheden, is afgesloten dan kunnen wij bij een brand in het plangebied niet of slechts zeer beperkt optreden. Daarnaast wordt de Mastboersweg verbonden met de Alenhuisweg. Het is ons niet duidelijk of deze weg geschikt is voor brandweervoertuigen. Wanneer deze weg geschikt is, dan is de Mastboersweg geen doodlopende weg en is het gebied via twee onafhankelijke routes bereikbaar.

4.3.2.3 Advies Brandweer Twente Wij adviseren u om binnen de gemeente Almelo na te gaan of de Alenhuisweg geschikt is voor brandweervoertuigen. Wanneer deze weg voldoet dan zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Anders is ons advies te onderzoeken op welke wijze de tweezijdige bereikbaarheid gerealiseerd kan worden.

4.3.3 Opkomsttijd 4.3.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. 4.3.3.2 Situatieschets opkomsttijd Door de Brandweer Twente is een berekening van de opkomsttijd opgesteld. De berekening betreft de theoretische opkomsttijd en kan in praktijk verschillen met de daadwerkelijke opkomsttijd. Redenen voor een vertraging kunnen bijvoorbeeld wegwerkzaamheden zijn. Daarnaast dient u er rekening mee te houden dat de procedure om te komen tot een definitief en vastgesteld bestemmingsplan over het algemeen een lange doorlooptijd kent. Indien er een advies aan Brandweer Twente is gevraagd kan tussentijds door diverse ontwikkelingen de opkomsttijd gewijzigd zijn. Berekeningen van Brandweer Twente tonen aan de eerste tankautospuit zowel overdag als in de nachtsituatie in theorie binnen 10 minuten ter plaatse kan zijn. 4.3.3.3 Advies Brandweer Twente Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

4.3.4 Bluswatervoorziening 4.3.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019 van Brandweer Nederland geldt als toetsingskader.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

34

NL.IMRO.0141.00146-BP21

4.3.4.2 Situatieschets bluswatervoorziening Tussen de Mastboersweg 1 en Mastboersweg 4 ligt een brandkraan die is aangesloten op een 100 millimeter drinkwaterleidingnet. Daarnaast is er binnen Brandweer Twente een bluswatervisie voor het buitengebied ontwikkeld en wordt er bij een woningbrand in het buitengebied standaard met tankwagens gereden. Het aanwezige open water, eveneens aan de Mastboersweg kan ook als bluswatervoorziening gebruikt worden. Echter moet er rekening mee worden gehouden dat het opbouwen van grootwatertransport extra tijd vraagt. 4.3.4.3 Advies Brandweer Twente Voor het plangebied zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

4.3.5 Zelfredzaamheid 4.3.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. 4.3.5.2 Zelfredzaamheid specifiek Dit plan voorziet in het toevoegen van woningen aan bestaande erven. De aanwezige personen moeten over het algemeen als zelfredzaam worden aangemerkt. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het plangebied in verschillende richtingen te ontvluchten.

4.3.6 Waarschuwen van de bevolking 4.3.6.1 Sirenedekking De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Het plan ligt in het buitengebied waar zich in de directe omgeving geen sirene bevindt. Indien er een geschikt alternatief voorhanden is dan zal dit systeem mogelijk verdwijnen. Het gaat hierbij om landelijke besluitvorming. Brandweer Twente adviseert de landelijke besluitvorming hierover af te wachten en indien nodig dan aanvullende maatregelen te treffen.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi);

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

35

NL.IMRO.0141.00146-BP21

het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe info-teken indicatief weergegeven.

Afbeelding 4.2: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat de woningen: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en RRGS- inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

36

NL.IMRO.0141.00146-BP21

niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Aardgasleiding Gasunie Op een afstand van 220 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Met een uitwendige diameter en maximale werkdruk van respectievelijk 324 mm en 40 bar, bevinden de bijbehorende 1% en 100% letaliteitsgrenzen zich op respectievelijk 140 en 70 meter. Vanwege de ligging van het plangebied op grotere afstand is een nadere risicoverantwoording niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

37

NL.IMRO.0141.00146-BP21

Conclusie Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.6

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van de bestaande agrarische bedrijfswoningen naar een reguliere woning. De beoogde compensatiewoningen en de her te bouwen voormalige bedrijfswoning bevinden zich op een afstand van 400 meter van de provinciale weg N743 en daarmee buiten de wettelijke geluidszone van de provinciale weg. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Mastboersweg. Dit betreft

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

38

NL.IMRO.0141.00146-BP21

een weg waar een 60 km/uur snelheidsregime van toepassing is. Echter worden beide wegen nagenoeg uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer, met de bijbehorende lage verkeersintensiteit. In verband met deze beperkte verkeersintensiteit en de afstand van de compensatiewoning tot de weg (minimaal 30 meter) wordt verwacht dat de geluidsbelasting ter plaatse van deze woning voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt hiermee niet noodzakelijk geacht. Op onderstaande afbeelding is de geluidsbelasting op het plangebied te zien. De voorgevels van de bestaande woningen geven een geluidsbelasting van 48 dB weer.

Afbeelding 4.3: Uitsnede geluidsbelastingkaart (bron: atlasvandeleefomgeving.nl)

4.7

Bodemkwaliteit

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. Kruse Milieu BV heeft in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het voormalige agrarische bouwperceel. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het betreffende onderzoeksrapport dat is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

39

NL.IMRO.0141.00146-BP21

4.7.1 Onderzoeksresultaten De onderzoekslocatie omvat de aangrenzende erven gelegen aan de Mastboersweg 1 en 4. Binnen de onderzoekslocatie bevinden zich 2 woonboerderijen en diverse (agrarische) bijgebouwen. Inpandig zijn de gebouwen grotendeels voorzien van betonvloeren met plaatselijk (mest)kelders. Het onbebouwde terreindeel op het erf is grotendeels verhard met klinkers en met beton. De onverharde terreindelen zijn in gebruik als tuin of weiland. De Mastboersweg vormt geen onderdeel van de onderzoekslocatie. Op circa 100 meter ten noorden van Mastboersweg 1 bevindt zich een veldschuurtje met asbesthoudend dak. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de herontwikkeling en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. Het bodemonderzoek richt zich op de volgende terreindelen; Deellocaties A, B en C: voormalige bovengrondse dieseltanks (15 m2 per deellocatie); Deellocaties D t/m K en O: asbestverdachte druppelzones (2 tot 20 m2 per deellocatie); Deellocatie L: zinkverdachte druppelzone (20 m2); Deellocatie M: erven Mastboersweg 1 en 4 (6900 m2); Deellocatie N: tuinen en weilanden Mastboersweg 1 en 4 (12000 m²).

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 3 voormalige dieseltanklocaties (deellocaties A, B en C), 9 asbestverdachte druppelzones (deellocaties D t/m K en O) en 1 zinkverdachte druppelzone (deellocatie L) op het terrein aanwezig zijn. Deze terreindelen worden beschouwd als verdachte deellocaties. Verder is de bovengrond als gevolg van het voormalige gebruik (agrarisch erf) verdacht voor zware metalen, minerale olie, PAK en asbest (deellocatie M). De ondergrond en het grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De tuinen en de weilanden (deellocatie N) worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten en asbest. Resultaten veldwerk In totaal zijn 33 grondboringen verricht en 50 inspectiegaten gegraven met behulp van een schep, Edelmanboor en zuigerboor. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zand. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Er is ter plekke van de voormalige tanklocaties zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater.

Het freatische grondwater is in de peilbuizen gemiddeld aangetroffen op 1.71 meter min maaiveld. Resultaten chemische en asbestanalyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie A, B en C (voormalige dieseltanklocaties) A - BG is zeer licht verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB A1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen; B - BG is niet verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB B1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen; C - BG is niet verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB C1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen. Deellocatie D tot en met K en O (asbestverdachte druppelzones)

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

40

NL.IMRO.0141.00146-BP21

D - MM FF is niet asbesthoudend; E - MM FF is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; F - MM FF is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; G - MM FF is niet asbesthoudend; H - MM FF is niet asbesthoudend; I - MM FF is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; J - MM FF is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; K - MM FF is niet asbesthoudend; O - MM FF is niet asbesthoudend. Deellocatie L (zinkverdachte druppelzone) L - BG is zeer licht verontreinigd met zink; het grondwater (PB L1) is zeer licht verontreinigd met zink. Deellocatie M: Erven de bovengrond M - BG I is licht verontreinigd met minerale olie en PCB; de bovengrond M - BG II is licht verontreinigd met kwik, PCB en PAK; de bovengrond M - BG III is niet verontreinigd; de bovengrond M - BG IV is licht verontreinigd met lood; de bovengrond M - BG V is licht verontreinigd met lood; de ondergrond (M - OG I en M- OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB M1) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink; het grondwater (PB M21) is matig verontreinigd met barium; M - MM FF - 01, M - MM FF - 02, M - MM FF - 03 en M - MM FF - 04 zijn niet asbesthoudend.

Deellocatie N: Tuinen en weilanden Boring N1.1 is licht verontreinigd met kwik en zink; FF - N1 bevat geen asbest; de bovengrond N - BG II is zeer licht verontreinigd met kwik; de bovengrond (N - BG I, N - BG III en N - BG IV) is niet verontreinigd; de ondergrond (N - OG I en N- OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB N1) is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink; het grondwater (PB N21) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink. Hypothese De hypothese "verdachte locatie" voor de voormalige tanklocaties kunnen met betrekking tot de deellocaties B en C worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden zijn aangetoond. Voor deellocatie A kan de strategie “verdacht” worden geaccepteerd, aangezien de bovengrond zeer licht verontreinigd is met minerale olie. De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” voor de druppelzones ter plekke van de deellocaties E, F, I en J dient te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond. Voor de deellocaties D, G, K en O dient de hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” te worden verworpen, aangezien geen asbest is aangetoond. De hypothese "verdachte locatie" voor de zinkverdachte druppelzone (deellocatie L) kan worden gehandhaafd, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond met zink.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

41

NL.IMRO.0141.00146-BP21

De hypothese "verdachte locatie" voor de bovengrond van het erf kan worden gehandhaafd, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese asbestverdacht kan worden verworpen, aangezien geen asbest is aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" voor de ondergrond ter plekke van het erf kan worden geaccepteerd, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" voor de tuinen en het weiland (deellocatie N) dient te worden verworpen, aangezien er plaatselijk overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde zijn aangetoond. De hypothese asbestverdacht met betrekking tot de puinhoudende bodemlaag in gat N1 kan worden verworpen; er is geen asbest aangetoond. Conclusies en aanbevelingen De voormalige bovengrondse dieseltanks (deellocatie A, B en C) hebben geen of een zeer geringe negatieve in vloed gehad op de bodemkwaliteit. Het zeer licht verhoogde oliegehalte in A - BG geeft geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Van de 9 onderzochte asbestverdachte druppelzones (deellocaties D, E, F, G, H, I, J, K en O) zijn er 5 asbesthoudend. De gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De bovengrond en het grondwater van de zinkverdachte druppelzone (deellocatie L) zijn zeer licht verontreinigd met zink.

In de bovengrond en in het grondwater van deellocatie M zijn plaatselijk licht tot matig verhoogde concentraties aangetoond. Omdat het matig verhoogde bariumgehalte in het grondwater van peilbuis M21 wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde is aanvullend en/of nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk. In de bovengrond en in het grondwater van deellocatie N zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties aangetoond, die geen aanleiding geven voor nader bodemonderzoek. De ondergrond is niet verontreinigd. De puinhoudende bodem van gat N1 is niet asbesthoudend. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.8

Flora en fauna

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor onder andere gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

42

NL.IMRO.0141.00146-BP21

(Natuurbank Overijssel, 30 juni 2022), zie Bijlage 3. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.

4.8.1 Gebiedsbescherming 4.8.1.1 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Het plangebied ligt op minimaal 210 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

43

NL.IMRO.0141.00146-BP21

Figuur 4.4: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de lichtgroene kleur op de kaart aangeduid (bron: Natuurbank Overijssel). Conclusie De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 4.8.1.2 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden.

Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

44

NL.IMRO.0141.00146-BP21

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 10,8 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Lemselermaten. Het plangebied ligt op minimaal 11,23 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Figuur 4.5: Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: pdok.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

45

NL.IMRO.0141.00146-BP21

Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Er wordt agrarische bebouwing gesloopt en de locatie wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie. Als gevolg van deze transformatie neemt de emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) sterk af. Tevens wordt er gebouwd op agrarische cultuurgrond waardoor dit niet meer bemest wordt. De emissie van stikstof tijdens de gebruiksfase is lager dan de huidige en leidt daarom niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Zekerheidshalve is een stikstofonderzoek uitgevoerd. AERIUS Calculator Het rekeninstrument AERIUS Calculator berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlage bij deze rapportage behoort AERIUS projectbestand met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanlegfase en gebruiksfase. Ad Fontem heeft een stikstofberekening uitgevoerd (projectnummer 20AF237, 20 februari 2023) voor de planontwikkeling, zie Bijlage 2.

Uit de berekening volgt dat voor de gebruiksfase de maximale bijdrage na saldering met de huidige landbouwemissies niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Er wordt agrarische bebouwing gesloopt en de locatie wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie waar de agrarische bestemming met bijbehorende gebruiksmogelijkheden verdwijnt. Als gevolg van deze transformatie neemt de emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) sterk af. De emissie van stikstof tijdens de gebruiksfase is lager dan de huidige en leidt daarom niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Zekerheidshalve is een stikstofonderzoek die nogmaals aangeeft dat er geen sprake is van toename stikstofdepositie. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.

4.8.2 Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de toegankelijke bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

46

NL.IMRO.0141.00146-BP21

plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rusten voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Aanvullend vleermuisonderzoek In het kader van de zorgplicht (Art. 1.11 Wet natuurbescherming) moet voorafgaand aan een ingreep, welke mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde diersoorten, een effectbeoordeling plaats vinden. Omdat met een eenmalige visuele inspectie, de functie en betekenis van de aanwezige bebouwing voor vleermuizen niet (volledig) vastgesteld kan worden, was gericht vervolgonderzoek noodzakelijk. Zie Bijlage 4. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen negatief beïnvloed worden indien een ontheffing van de Wet natuurbescherming is verkregen.

In de periode juni-september 2022 is de bebouwing aan de Mastboersweg 1-4 in Almelo onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat vleermuizen geen zomer-, paar- of kraamverblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Wel is er een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in de boerderijwoning op de Mastboersweg 4. De geplande werkzaamheden leiden niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Het uitgevoerde onderzoek voldoet aan het vleermuisprotocol 2021. Conclusie Het slopen van de bebouwing in het plangebied leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

4.9

Archeologie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

47

NL.IMRO.0141.00146-BP21

4.9.1 Archeologie De gemeente Almelo beschikt over een archeologische waardenkaart. Uitsneden van de gemeentelijke archeologische waardenkaart voor het plangebied zijn opgenomen in afbeeldingen 5.2 en 5.3. De plandelen zijn indicatief met de rode contour weergegeven.

Figuur 4.6: Uitsnede archeologische waardenkaart (bron: Gemeente Almelo) Op de weergegeven Archeologische Waardenkaart van de gemeente Almelo heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting en is er een attentiezone nummer 15 rond een historische boerderij/hoesstie (vermeld vóór 1500) aanwezig. In beide gevallen geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en meer dan 2.500 m². Voor het grootste deel van beide erven geldt dat de bodem reeds is geroerd. Enkele nieuw te bouwen gebouwen liggen niet op een plek waar reeds gebouwd of geroerd is in de grond. De nieuwbouw van de woonboerderijaan de Mastboersweg 1, inclusief graafwerkzaamheden fundering van ca. 250 m² valt hier buiten, evenals circa de helft van de compensatiewoning aan de Mastboersweg 1 van ca. 100 m² , divers nieuw aan te planten houtsingels langs o.a. de paardenbak van ca. 450 m² , en diverse struweelaanplanten evenals de benodigde graafwerkzaamheden voor kabels en rioleringen met totaal ca. 500 m² . De paardenbak van ca. 1.000 m² komt op ongeroerde grond te liggen maar de aanleg zal geen werkzaamheden bevatten die dieper zijn dan 40 cm. Voor een oppervlakte van in totaal ca. 1.300 m² zullen bodemingrepen dieper zijn dan 40 cm.

De oppervlakte aan bodemingrepen op gronden die niet geroerd zijn blijft ruimschoots onder de 2.500 m² waardoorarcheologisch onderzoek achterwege gelaten kan worden. Conclusie Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij bodemingrepen over en oppervlak van meer dan 2.500 m². Dit oppervlak wordt in voorliggend geval niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

48

NL.IMRO.0141.00146-BP21

noodzakelijk.

4.9.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Overijssel kan worden afgeleid dat het plangebied ligt in het zandlandschap, specifiek het bouwlandkampengebied. Ter plaatse van de Mastboersweg 1 is een aanduiding opgenomen van 'oude hoeven in Twente omstreeks 1500'. In en nabij het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Met de herinrichting van beide erven wordt rekening gehouden met het landschap en de gebiedskenmerken. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

49

NL.IMRO.0141.00146-BP21

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Vigerend beleid

5.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2 Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan een Watervisie en een waterbeheerprogramma. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

50

NL.IMRO.0141.00146-BP21

voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie.

5.1.5 Beleid gemeente Almelo 5.1.5.1 Waterbeleid Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma (2022-2027) en de Watervisie. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie.

5.1.5.2 Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houden we ons watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar. Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: stedelijk afvalwater hemelwater (regenwater) grondwater oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater,

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

51

NL.IMRO.0141.00146-BP21

hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem. Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze.

5.1.5.3 Almelose Klimaatadaptatie Strategie Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio's. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN). Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: 4. WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld 5. WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen 6. WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1.Kwetsbaarheden in beeld brengen 2.Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3.Uitvoeringsagenda opstellen 4.Meekoppelkansen benutten 5.Stimuleren en faciliteren 6.Reguleren en borgen 7.Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte.

5.1.5.4 Wateroverlast Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. 7. Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. 8. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)).

De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. 9. Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties

ontw erp bestemmingsplan Mastboersw eg 1 en 4

52

NL.IMRO.0141.00146-BP21

ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen. 10. Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater.

5.1.5.5 Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. 11. Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. 12. Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=7b7ffb79-8938-416d-ae03-e966d6054a4d