02 Reactie Quickscan rekenkamer Almelo begroting 2023.pdf
Tekst van het document
Gemeente Almelo
Raadsbrief ter informatie
Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo
Aan de raad van de gemeente Almelo Bijlage
Doorkiesnummer
Behandeld door E. Leppink
Datum 18 oktober 2022
Onderwerp Reactie Quickscan rekenkamer Almelo begroting 2023
Geachte leden van de raad, De Rekenkamercommissie Almelo heeft besloten om de programmabegroting 2023 te onderwerpen aan een QuickScan. Met belangstelling heeft het college kennis genomen van de resultaten. In deze raadsbrief geven wij een korte reactie op de bevindingen van de rekenkamercommissie. Wij verwachten dat onze reactie bijdraagt aan uw beeldvorming ten aanzien van de programmabegroting en aan de politiek-bestuurlijke duiding welke uw raad aan de bevindingen van de rekenkamercommissie wenst te geven. We merken daarbij in algemene zin op dat er in het kader van de uitgevoerde QuickScan geen ambtelijke en bestuurlijke hoor- en wederhoorprocedure heeft plaatsgevonden, zoals dit wel gebruikelijk is bij reguliere rekenkameronderzoeken. Als gevolg daarvan heeft zowel de QuickScan van de rekenkamercommissie als onze bestuurlijke reactie daarop soms een technisch karakter.
Reactie op de kernpunten De rekenkamercommissie benoemt in haar QuickScan 7 kernpunten. Hierna gaan wij in op deze punten. De overige constateringen van de rekenkamercommissie worden verderop in deze brief behandeld.
1. Programmabudgetten Hoe bindend zijn de begrotingen in de programma’s: is hier sprake van budgetten per jaar of feitelijk een budget voor vier jaar? Reactie: Zoals in de toelichting op de budgetten wordt aangegeven, wordt in de programmabegroting per programma € 400.000 per jaar (totaal 4 jaar) beschikbaar gesteld, maar kan de werkelijke uitputting gedurende de periode 2023-2026 plaatsvinden. Dit betekent dat middelen die in enig jaar niet besteed zijn, tot en met 2026 beschikbaar blijven voor het programma. Dit is dezelfde werkwijze als in de afgelopen raadsperiode werd gehanteerd. Het formaliseren van het meerjarige karakter van deze budgetten vindt plaats via het verzamelbesluit, als onderdeel van de tussentijdse rapportages.
Pagina 1 van 8 Raad - 2207411 DCS - 2280618
2. Autorisatieniveau begroting Autorisatie door de raad op het niveau van hoofdtaakvelden sluit nog niet uit dat de raad bij de begroting via amendement op het niveau van taakvelden de begroting kan wijzigen. Reactie: Deze stelling van de rekenkamercommissie is correct. Het autorisatieniveau van de begroting is door uw raad vastgesteld in de Financiële verordening 2021 (Artikel 3 lid 4.). Het autoriseren van de begroting op hoofdtaakveldenniveau past bij de gedachte dat de raad een kaderstellende en controlerende rol heeft en daarbij stuurt op hoofdlijnen. Dit laat onverlet dat de raad met het college nadere afspraken kan maken over specifieke onderwerpen. Zoals bijvoorbeeld het taakstellend budget op minimaregelingen waartoe uw raad in 2020 besloten heeft. Op het moment dat uw raad de begroting op het niveau van de taakvelden amendeert, dan acht het college zich vanzelfsprekend gehouden aan het inhoudelijke en financiële kader dat u hiermee aan het college meegeeft. Verder stuurt uw raad niet alleen door uitoefening van het formele budgetrecht, maar stelt u ook de beleidsinhoudelijke kaders voor de uitoefening van onze taken vast. Het college opereert binnen deze kaders.
3. Financieel tekort 2026 De begroting in 2026 vertoont een tekort van € 17 mln. Dat het college ‘het ravijn’ in het gemeentefonds 2026 benadrukt is begrijpelijk. Toch lijkt er meer aan de hand te zijn dan enkel de aanpassingen in het gemeentefonds, maar de tekst is daarover niet eenduidig. Reactie: Het college heeft naar aanleiding van de QuickScan en de presentatie daarover in uw raad nogmaals kritisch gekeken naar het verloop van het gemeentefonds en de algemene uitkering in het bijzonder. Het college blijft bij het standpunt dat het tekort in 2026 grotendeels wordt verklaard door een lagere uitkering uit het gemeentefonds en vindt de tekst hierover in de begroting eenduidig. We zien in reële termen (gecorrigeerd voor loon- en prijsstijgingen) dat de algemene uitkering van het gemeentefonds daalt van 171,7 miljoen euro in 2023 naar 161,6 miljoen euro in 2026. Een daling van 10 miljoen euro. De daling van 2025 op 2026 bedraagt 13,0 miljoen euro, namelijk van 174,6 miljoen euro naar 161,6 miljoen euro. Bovenstaande uitkomsten zijn in lijn met de doorrekening van de meicirculaire 2022 die in de begroting is verwerkt. Op pagina 70 van de begroting ziet u bij taakveld 0.7 op hoofdlijnen de nominale ontwikkeling van het gemeentefonds. Op taakveld 0.8 worden de loon- en prijscompensatie voor toekomstige jaren gereserveerd.
Deze twee taakvelden geven gezamenlijk eenzelfde beeld als de nadere analyse van de algemene uitkering van het gemeentefonds hierboven. Het college erkent wel, dat door de keus om in deze begroting uit te gaan van een hogere loon- en prijsstijging in 2023 dan het Centraal Planbureau (CPB) voorziet, het negatieve effect van de meicirculaire 2022 op het begrotingssaldo wordt versterkt. We gaan bij punt 8. Energie en inflatie hier dieper op in.
4. Uitbreiding lokaal belastinggebied Bereid u zich voor op discussies over wijzigingen in het lokaal belastinggebied en de gevolgen daarvan voor de inwoners van Almelo. Reactie: Het college onderschrijft de aanbeveling van de rekenkamercommissie. Ook wij zullen ons als college en raad moeten gaan buigen over de vraag wat de eventuele wijziging van het gemeentelijke belastinggebied betekent voor ons beleid en onze belastingtarieven. De hervorming van het gemeentelijke belastinggebied vraagt bovendien om een zorgvuldige
Pagina 2 van 8
voorbereiding, zowel aan de kant van het Rijk als aan de kant van gemeenten. Er zal voldoende tijd moeten worden genomen om de exacte gevolgen voor de lastendruk bij onze inwoners en bedrijven, inclusief eventuele herverdelingseffecten, in kaart te brengen. En vervolgens om hierover met elkaar het politieke debat te voeren en tot besluitvorming te komen. Over hoe de hervorming van het gemeentelijke belastinggebied eruit gaan zien en of deze omvangrijke stelselwijziging ook daadwerkelijk in 2026 gerealiseerd zal gaan worden, valt op dit moment echter nog heel weinig te zeggen. De VNG is hierover in gesprek met het Rijk en heeft namens de gemeenten een aantal randvoorwaarden meegegeven. De belangrijkste zijn: - Eerst de financiële verhoudingen op orde; - Geen verhoging van de lastendruk. Het college onderschrijft deze randvoorwaarden volledig. We volgen de ontwikkelingen op de voet. Op het moment dat de contouren van de voorgenomen herziening meer duidelijk worden dan zullen wij u hierover informeren. Vanzelfsprekend spant ons college zich ervoor in om uw raad in een zo vroeg mogelijk stadium in de gelegenheid te stellen om op basis van de juiste informatie tot weloverwogen keuzes te komen.
5. Sociaal domein In de begroting van het sociaal domein zijn ontwikkelingen in de groei van het beroep op voorzieningen niet meegenomen. Daarmee verliest de raad zicht op eventuele risico’s en effecten van landelijk voorgenomen hervormingen Reactie: De rekenkamercommissie wijst op de effecten van de voorgenomen maatregelen op rijksniveau met betrekking tot de Jeugdwet en Wmo. Dat gaat op termijn doorwerken in de gemeentelijke begroting. Terecht merkt de rekenkamercommissie daarbij op dat de hervormingen nog de status van ‘voorgenomen wijziging’ hebben. In de meerjarenraming anticiperen wij financieel door de stelpost autonome ontwikkeling sociaal domein (vanaf 2024 nog 1 miljoen euro structureel) en de reserve sociaal domein (incidenteel 4 miljoen euro). Goed zicht hebben op het gebruik van voorzieningen in het sociaal domein, zo stelt de rekenkamercommissie, is van belang om te kunnen begrijpen waar bijsturen mogelijk zou kunnen zijn. Het college is die mening ook toegedaan. We gaan in de komende jaren meer inzetten op data-analyse, waardoor wij verwachten betere ‘forecasts’ te kunnen geven. We weten op dit moment nog niet hoe ver we daarmee in de toekomst kunnen kijken.
Het punt van de rekenkamercommissie dat de ontwikkelingen in het verwachte gebruik beter op zijn plaats zijn in de basisbegroting van het sociaal domein dan elders in de begroting, zien wij als een oproep om bij de basisbegroting van het sociaal domein een wat uitgebreidere toelichting op te nemen. Dit nemen wij als verbeterpunt mee in de P&C-cyclus.
6. Centrumtaken Overweeg de informatie over alle centrumtaken die Almelo uitvoert op een centrale plaats in de begroting op te nemen Reactie: De rekenkamercommissie merkt op dat de uitgaven voor centrumtaken onder het taakveld bestuur zijn opgenomen en vraagt zich af of dit passend is, gelet op de discussies over de herverdeling van het gemeentefonds en de door het Rijk doelbewust opgelegde verfijning van de informatievoorziening over het sociaal domein. Met de rekenkamercommissie zijn wij het eens dat de kosten moeten worden verantwoord op de plek waar deze thuishoren. De keuze om de kosten van centrumtaken onder taakveld bestuur te verantwoorden is in lijn met het BBV. De uitgaven onder bestuur die gerelateerd zijn aan het sociaal domein zijn middelen die juist niet besteed zijn aan zorg voor inwoners en daarom worden doorgestort naar de regiogemeenten. We voorkomen hiermee dat uitgaven ten onrechte aan het sociaal domein worden toegerekend.
Pagina 3 van 8
Het opnemen van een aanvullende paragraaf voor centrumtaken die Almelo uitvoert is het overwegen waard. Wel is het college van mening dat nut en noodzaak om hiertoe te komen, in voldoende mate moeten vaststaan. Het ligt voor de hand om een dergelijke paragraaf toe te voegen op het moment dat het aantal door Almelo uitgevoerde centrumtaken en bijbehorende specifieke Rijksuitkering (SPUK’s) groter wordt. De huidige ontwikkeling, zoals de rekenkamercommissie schrijft, waarbij het Rijk samen met provincies en gemeenten via diverse vormen van regiodeals afspraken maakt over beleidsdomeinen, kan hier aanleiding toe zijn. Op dit moment voeren wij binnen onze begroting alleen centrumgemeentetaken uit op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het Rijk heeft besloten tot een doordecentralisatie van de centrumtaak beschermd wonen. Deze taak komt daarmee op korte termijn bij álle gemeenten te liggen, niet alleen bij centrumgemeenten. Naar verwachting wordt ook de centrumtaak maatschappelijke opvang binnen enkele jaren verder gedecentraliseerd. Ter voorbereiding op de doordecentralisatie Beschermd wonen heeft uw raad op 15 februari jl. een visiedocument hieromtrent vastgesteld.
7. Begroting grondexploitaties De begroting rondom de grondexploitatie lijkt intern tegenstrijdig: er staan in 2025 en 2026 baten en lasten genoemd terwijl tegelijkertijd is aangegeven dat er geen grondposities in die jaren meer zijn. Reactie: Het college onderschrijft de opmerking van de rekenkamercommissie. De begroting lijkt op dit punt tegenstijdig te zijn. In de meerjarenraming (p. 182-186) trekken wij de jaarschijf 2023 bij budgetten die niet van invloed zijn op het begrotingssaldo structureel door. Het gaat dan om de grondexploitaties, riolering- en de afvalbegroting. De focus ligt daarmee meer op het begrotingssaldo van de meerjarenraming dan op de mutaties in de baten en lasten. Deze werkwijze hanteert Almelo al jaren en is in het verleden ingezet vanuit efficiencyoverwegingen en het terugdringen van de werkzaamheden binnen de P&C-cyclus. Wij zullen nagaan in hoeverre wij de meerjarenraming in toekomstige begrotingen op dit punt kunnen aanpassen. Verder geldt dat voor de toekomstige gebiedsontwikkelingen in het kader van de uitvoeringsagenda stadsontwikkeling (waaronder Spoorzone), op dit moment nog geen uitvoeringskredieten of grondexploitaties door uw raad zijn vastgesteld.
Het is dan ook logisch dat de financiële effecten hiervan, waaronder de verwerking van baten en lasten die zijn verbonden aan de eventueel noodzakelijke aan- en verkoop van gronden (afhankelijk van de mate waarin de gebiedsontwikkeling op basis van passief dan wel actief grondbeleid kan worden vormgegeven), op dit moment nog niet in de meerjarenraming zijn opgenomen. Het college verwacht, zo geven wij ook in de begroting aan, dat met de totale uitvoeringsagenda stadsontwikkeling een aanzienlijke investering in de stad gemoeid zal gaan. Wij zullen daarbij als gemeente moeten investeren, maar wij verwachten ook dat partijen met een grondpositie binnen deze herontwikkelingsgebieden, zoals woningcorporaties, een bijdrage leveren. Met betrekking tot de woningbouwprogrammaring reiken wij uw raad graag onderstaande informatie aan: De woningbouwopgave is gebaseerd op Woonvisie Almelo 2020-2030 en de Regionale Woonagenda Twente 2030 (RWT2030). Onderzoeksbureau ABF Research heeft de woningbehoeftecijfers van de Woonvisie geactualiseerd, aangevuld met het ambitiescenario op basis van de Regionale Woonagenda Twente 2030. Dit geeft inzicht in een consumentgericht bouwprogramma. De daadwerkelijke woningbouwprogrammering kan hiervan afwijken, afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de gebiedsontwikkelingen.
Voor de sociale huurwoningen (40%) geldt dat Almelo een voorraad heeft die vér ligt boven de rijksopgave van 30%. Dit komt ook aan de orde in de woondeal Twente met het Rijk waar evenwichtige verdeling van de opgave sociaal een belangrijk onderwerp is.
Pagina 4 van 8
Ontwikkeling woningbehoefte Almelo 2020 – 2030: In het woningmarktmodel (ABF research) is de toekomstige woonsituatie van huishoudens bepaald aan de hand van • de huidige woonsituatie; • de huidige woningvoorraad; • de woningbehoefte; • de verwachte en gewenste mutaties in de voorraad. Daarbij houden we niet alleen rekening met de woonwensen van huishoudens, maar ook met de mogelijkheden deze wensen te realiseren, en met de keuzes die mensen maken als de gewenste woning niet binnen bereik is (uitstel, afstel of andere verhuiswensen). Daarnaast kunnen zaken van invloed zijn waar huishoudens geen controle over hebben, zoals prijsstijgingen, nieuwbouw, of de sloop en verkoop van huurwoningen. Aansluitend op het economisch profiel dient ook de bevolkingssamenstelling in balans te zijn. Om deze in balans te krijgen, ligt de focus op het bedienen van de midden- en hogere inkomensgroepen. Met name jongeren en starters, die soms al werkzaam zijn in Almelo, zijn potentiële doelgroepen die Almelo graag beter aan zich wil binden. Daarom wordt binnen de woningbouwopgave sterk ingezet op centrum stedelijke en groen stedelijke woonmilieus voor deze groepen, vooral in het midden en hogere segment. Om deze doelgroepen te kunnen bedienen heeft Almelo ruimte nodig: voor aantrekkelijke stadse milieus in en rond de binnenstad en de Spoorzone, maar ook groen stedelijke milieus aan de stadsrand.
Iedereen is welkom, maar Almelo heeft als groen/blauwe stad onderscheidende kwaliteiten voor juist jonge huishoudens (met kinderen) die graag in een stad wonen met de stedelijke kwaliteiten waarbij het water en het groen nabij zijn. Deze kwaliteit maakt Almelo uniek binnen Twente.
Reactie op overige punten (hoofdstuk 4) 8. Energie en inflatie (onderdeel 4.1) Inflatiepercentage Is de veronderstelde daling van de inflatie naar een ‘normaal’ niveau van 2% per jaar vanaf 2024 wel realistisch? Reactie: Bij het opstellen van onze begroting en meerjarenraming sluiten wij aan bij de verwachtingen van het Centraal Planbureau (CPB). Onze meerjarenraming gaat uit van de loon- en prijsindices zoals die zijn opgenomen in het Centraal Economisch Plan 2022 (CEP2022). Op het moment dat de inflatie hoger uitvalt dan het CEP 2022, dan worden wij voor het bedrag dat wij als bijdrage ontvangen uit het gemeentefonds, gecompenseerd. Uiteraard is het daarbij de vraag in hoeverre daarmee sprake zal zijn van een volledige compensatie, aangezien de werkelijke kostenstructuur van gemeenten altijd enigszins afwijkt van de macro-economische indices. Verder is het college bij het opstellen van de begroting behoedzaam omgegaan met de ramingen voor de loon- en prijscompensatie. Zoals aangegeven op pagina 11 van de begroting, gaan wij in de jaarschijf 2023 uit van 4% looncompensatie, waar het CPB in het CEP2022 uitgaat van 3,3%. Dit komt neer op een aanvullende reservering die index-op-index oploopt naar ca. € 471.000 in 2026. In voorgaande begrotingsjaren is voorts niet gecompenseerd voor achteraf hogere (of lagere) uitvallende inflatie in het voorliggende begrotingsjaar.
In het licht van de huidige prijsstijgingen heeft het college dat nu wel gedaan. Met de toevoeging van 2,7% prijscompensatie over 2022, is een aanvullende reservering gemoeid die cumulatief oploopt tot een bedrag van € 4,6 miljoen euro in 2026. Ook bij het opstellen van een begroting is er sprake van een momentopname. De begroting is gebaseerd op de ontwikkelingen en macro-economische cijfers zoals die bekend waren ten tijde van het verschijnen van de meicirculaire 2022 (CEP2022). De Macro Economische
Pagina 5 van 8
Verkenningen (MEV2023) op basis waarvan het Rijk de septembercirculaire doorrekent, laten voor 2023 een hogere prijsindex zien (5,9%), terwijl de prijsindex voor de periode 2024-2026 gehandhaafd blijft op het niveau van het CEP2022, waarmee wij in onze meerjarenraming rekening houden.
Energiekosten en indexatie van subsidies Uit de teksten van de begroting is niet af te leiden hoe het college met vraagstukken rondom energiekosten van subsidie ontvangende organisaties is omgegaan. Daarmee verdienen de ramingen en veronderstellingen op energiegebied naar het oordeel van de rekenkamer de nodige nuancering en misschien wel slagen om de arm. Daarnaast doet de rekenkamer de suggestie om in de meerjarenraming rekening te houden met een jaarlijkse indexatie van subsidies. Reactie: Ten aanzien van het energievraagstuk deelt het college de zorgen van de rekenkamercommissie. Net als de gemeente zelf worden ook onze subsidiepartners op dit moment geconfronteerd met hogere energietarieven. Daarbij komt dat de ontwikkelingen erg onzeker zijn, waardoor het op dit moment nog niet duidelijk is wat de (structurele) financiële effecten van deze hogere energietarieven zijn. We monitoren deze ontwikkelen dan ook via de reguliere gesprekscyclus met onze subsidiepartners. Ten aanzien van de indexatie van subsidiepartijen geldt dat wij de subsidies in ieder geval jaarlijks verhogen in het kader van de reguliere prijsindexatie. Of het toekennen van de – op dit moment hogere – gecombineerde index (1/3e prijsindexatie, 2/3e looncompensatie) financieel mogelijk is beoordelen wij jaarlijks bij de perspectiefnota of de begroting.
Daarom staan op pagina 11 in de jaarschijven 2024-2026 pro memorie posten genoemd.
9. Afvalstoffen- en rioolheffing (onderdeel 4.2) De rekenkamercommissie merkt op dat de lasten voor de taakvelden riolering en afval in de meerjarenraming (p. 183) stabiel zijn en stelt voor om in de paragraaf lokale heffingen de verwachte opbrengsten van lokale heffingen ook voor de periode van de meerjarenraming in beeld te brengen. Verder wijst de rekenkamercommissie op het mogelijke toegenomen risicoprofiel van het kwijtscheldingsbeleid en wijst zij op het belang van de tussentijdse informatievoorziening richting uw raad (actieve informatieplicht). Reactie: Ten aanzien van de stabiele lasten in onze meerjarenraming geldt de opmerking die reeds is gemaakt bij het punt dat de rekenkamercommissie maakt met betrekking tot de basten en lasten van de grondexploitaties (Zie punt 7. Begroting grondexploitaties). In aanvulling daarop merken wij op dat de begroting veelal wordt afgeleid van beleidsplannen zoals het Programma Water en riolering 2022-2026. Vaak wordt in deze beleidsplannen een meerjarige doorkijk gegeven. Het college onderkent dat de huidige economische ontwikkelingen een opwaartse druk kunnen hebben op de vraag naar kwijtschelding van gemeentelijke lasten. Wij houden op dit vlak nauwgezet een vinger aan de pols. Van het GBTwente ontvangen wij gedurende het jaar informatie met betrekking tot de belastingopbrengsten en de verleende kwijtschelding.
Waar mogelijk wordt daarbij ook een prognose gemaakt van de nog te verlenen kwijtschelding. Tot op heden (peildatum 1-10-2022) laten de analyses van het GBTwente nog geen stijging zien. Naarmate de druk op de koopkracht aanhoudt kan dit uiteraard veranderen. Op het moment dat de ontwikkelingen aanleiding geven tot een wijziging van de begroting, dan zullen wij u via de reguliere P&C-cyclus (tussenrapportages) informeren.
10. Weerstandsvermogen (onderdeel 4.3) De rekenkamercommissie doet de suggestie om bij de presentatie van het weerstandsvermogen in beeld te brengen wat het effect op de weerstandsratio is op het moment dat er zich een incidentele dan wel structurele financiële tegenvaller zou voordoen (scenario’s).
Pagina 6 van 8
Reactie: Het college neemt deze aanbeveling over. In de vergadering van 20 november 2020 heeft uw raad de Kadernota Integraal Risicomanagement en Weerstandsvermogen 2020-2024 vastgesteld. Hiermee is het beleid geactualiseerd en op basis van deze nota is ook de uitvoering van het risicomanagement in Almelo de afgelopen jaren verbeterd. Het anders presenteren van het weerstandsvermogen kan een mooie vervolgstap zijn. Vanaf de jaarverantwoording 2022 zullen wij dit opnemen in onze stukken.
11. Stelpost areaaluitbreiding (onderdeel 4.4) Als dekkingsmaatregel neemt het college (p. 14) een stelpost areaaluitbreiding op. Loopt het college hiermee feitelijk niet vooruit op de feitelijke realisatie van de areaaluitbreiding? Reactie: Begrijpelijkerwijs is de rekenkamercommissie, die voor het eerst een QuickScan op de begroting van Almelo heeft uitgevoerd, niet geheel bekend met onze begrotingstechniek en de werkwijze die wij in Almelo hanteren. De suggestie dat in de begroting een stelpost met meeropbrengsten uit areaaluitbreiding is opgenomen, vooruitlopend op de daadwerkelijke realisatie van deze areaaluitbreiding, is wat dat betreft begrijpelijk maar niet juist. In onze meerjarenraming is een jaarlijkse stelpost van € 225.000 opgenomen, anticiperend op extra lasten die voortkomen uit toekomstige areaaluitbreiding (bv. extra lasten in verband met onderhoud van de openbare ruimte). In het kader van de begroting wordt jaarlijks afgewogen in hoeverre de stelpost areaaluitbreiding ingezet moet worden ter dekking van hogere lasten. Het restant valt vrij ten gunste van het begrotingssaldo. Dit is een werkwijze die in Almelo al sinds jaren wordt toegepast. De jaarschijf 2023 is in de begroting structureel vrijgevallen. Voor 2024 en 2026 is er op de stelpost nog € 225.000 structureel per jaar beschikbaar.
Voor de jaarschijf 2025 is dit 55.000 euro, als gevolg van de eenmalige structurele verlaging van deze stelpost waartoe bij de perspectiefnota 2021 besloten is. Het totaal van de stelpost bedraagt aldus € 505.000 structureel vanaf 2026.
12. Pilots en nieuwe ontwikkelingen (onderdeel 4.5) Inhoudelijk vraagt de rekenkamercommissie aandacht voor twee genoemde pilots: wijk-GGDer en Schuldenlab (p. 20/p. 21). De commissie pleit voor het formuleren van criteria vooraf waarlangs de effecten van deze pilots beoordeeld kunnen worden. Reactie: Het college onderschrijft het belang van een goed beoordelingskader. Wij nemen dit mee bij de uitwerking van de programmaplannen. Op basis van deze uitwerking gaan wij hierover graag het gesprek aan met uw raad.
13. Economische ontwikkeling (onderdeel 4.6) Hightech Almelo De teksten over Hightech Almelo (p. 48) roepen de vraag op hoe onderscheidend Almelo van andere Twentse steden is om een dergelijke claim waar te kunnen maken. En wat betekent dat dan bijvoorbeeld voor de versnelde woningbouw-ambities en het meenemen van talenten op andere niveaus? Reactie: Het college ziet in de tekstuele passage op pagina 47 en 48 geen claim, maar beschrijft hier juist een uitdaging. Namelijk de uitdaging om voldoende talent aan te trekken en te behouden voor de banen die er in de hightech zijn in Almelo. Hightech is een van de sterke sectoren in Twente waarbij Almelo zich kenmerkt door de hightech productiekant (naast de research en development hightech in Twente). Juist omdat dit een grote uitdaging is, is een strategische aanpak nodig in samenwerking met het onderwijs en bedrijfsleven. De woningbouwopgave wordt dan ook gekoppeld aan de ambities van Almelo/Twente om voor deze doelgroep (jongeren en midden en hoger opgeleiden) een aantrekkelijk aanbod en leefklimaat te creëren.
Pagina 7 van 8
14. Administratief (onderdeel 4.7) Stelposten De term stelposten kan verwarring oproepen als hieronder ook bezuinigingen worden verstaan. Reactie: Met stelposten bedoelen wij nog niet verdeelde lasten/nog nader onder te verdelen middelen. Dus geen bezuinigingen. Het college heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er ten aanzien van de interpretatie van deze term verwarring bestaat in uw raad.
Negatieve lasten treasury In de begroting en meerjarenraming zijn op het taakveld treasury negatieve lasten opgenomen. Daarmee kan een vertekend beeld ontstaan. Reactie: De negatieve lasten worden veroorzaakt door de interne rentetoerekening. Deze dient op grond van het BBV als negatieve last verwerkt te worden.
Wij vertrouwen erop dat bovenstaande reactie bijdraagt aan uw beeldvorming ten aanzien van de programmabegroting 2023 en u helpt bij uw oordeelsvorming ten aanzien van de punten die de rekenkamercommissie u heeft meegegeven. Vanzelfsprekend en met vertrouwen zien wij uit naar het gesprek met uw raad over de beleidsinhoudelijke doelstellingen zoals opgenomen in de begroting 2023 en het daarmee samenhangende middelenkader.
Hoogachtend, Burgemeester en Wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester,
F.W. van Ardenne
Pagina 8 van 8
A.J. Gerritsen