CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Provinciaal Inpassingsplan Vloedbeltverbinding.pdf

Raad 29 november 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W3.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Almelo

Raadsbrief ter informatie

Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo

Aan de raad van de gemeente Almelo Bijlage 1

Doorkiesnummer

Behandeld door M. Snijders

Datum 11 oktober 2022

Onderwerp Provinciaal Inpassingsplan Vloedbeltverbinding

Geachte leden van de raad, Met deze brief willen wij u informeren over het verzenden van een reactie aan Gedeputeerde staten (UIT-22105970) over het Provinciaal Inpassingsplan Vloedbeltverbinding. De brief is een aanvullende reactie op de verzonden reactie betreffende het scopedocument Provinciaal Inpassingsplan Vloedbeltverbinding. Dit naar aanleiding van het horen door de provincie op 20 september 2022 op grond van artikel 3.26 Wet ruimtelijke Ordening (zie hierover onze brief aan u van 6 september 2022 – RAAD 7350). Naar aanleiding van het scopedocument hebben we als gemeente nader onderzoek laten doen naar de Vloedbeltverbinding. Hiervoor hebben we bij ingenieursbureau Witteveen+Bos een opdracht uitgezet om de beoogde doelstellingen en uitgangspunten voor de aanleg van de verbinding nader te beschouwen. Uit de nadere beschouwing blijkt dat de Vloedbeltverbinding niet voldoet aan de gestelde doelstellingen en uitgangspunten voor de aanleg van de weg. Bovendien is de keuze voor de Vloedbeltverbinding tegen de achtergrond van het verkorte MIRT-onderzoek als zeer voorbarig te beschouwen. Er had in eerste instantie moeten worden ingestoken op andere maatregelenpakketten die uit het MIRT-onderzoek volgen. Daarnaast stelt Witteveen+Bos vast dat belangrijke adviezen van de commissie m.e.r. niet zijn opgevolgd.

Ook deze adviezen raken aan de doelstellingen van de verkeersmaatregelen. Ook voor wat betreft stikstof worden grote vraagtekens bij de Vloedbeltverbinding geplaatst. Deze bevindingen zijn reden om Gedeputeerde Staten met de bijgevoegde brief (UIT - 105970) een nadere reactie te geven op het scopedocument. Bovendien is het een oproep tot bezinning en het verzoek om een pas op de plaats te maken in de procedure voor realisatie van de Vloedbeltverbinding. We roepen daarin op om met alle betrokken partijen (niet alleen Almelo) om tafel te gaan om de impact en wenselijkheid van het voorgenomen tracé zonder (voor)oordelen te bespreken. Hoogachtend, Burgemeester en Wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester,

F.W. van Ardenne Pagina 1 van 1 Raad - 2207395 DCS - 2279614

A.J. Gerritsen

Postadres: Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo

College van Gedeputeerde Staten Postbus 10078 8000 GB ZWOLLE

Bezoekadres: Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo telefoon: (0546) 54 11 11 e-mail: gemeente@almelo.nl internet: www.almelo.nl

Uw brief

Uw kenmerk

Ons kenmerk UIT- 22105970

Bijlage(n) Doorkiesnummer Behandeld door 1 0546-54 11 11 M. Snijders Onderwerp Provinciaal Inpassingsplan Vloedbeltverbinding

Datum 11 oktober 2022 Zaaknummer DCS - 2279614

Geacht college, Inleiding Al meerdere keren hebben wij onze zorgen geuit over uw keuze voor de Vloedbeltverbinding en daarbij uiteengezet waarom die keuze objectief bezien onnavolgbaar is. Voor het laatst deden wij dat (mede namens de gemeenteraad) in onze brief d.d. 6 september jl. In deze brief hebben wij nogmaals benadrukt dat met de Vloedbeltverbinding niet wordt voldaan aan de afgesproken en in de startnotitie MER benoemde uitgangspunten. Wij hebben u vriendelijk verzocht om pas op de plaats te maken en de PIP-procedure in afwachting van nader onderzoek en overleg niet voort te zetten. Tot op heden hebben wij geen reactie op deze brief gekregen. Advies Witteveen+Bos Ondertussen hebben wij Witteveen+Bos om advies gevraagd. In dit stadium hebben de deskundigen van Witteveen+Bos in het bijzonder gekeken naar nut en noodzaak van de Vloedbeltverbinding, in relatie tot het al dan niet halen van de beoogde doelstellingen en uitgangspunten. Een samenvatting van de bevindingen hierover van Witteveen+Bos kunt u lezen in de bijgevoegde notitie. Wittveen+Bos trekt op basis van de stukken en objectieve uitgangspunten een heldere conclusie: de Vloedbeltverbinding voldoet aan geen van de gestelde doelstellingen en uitgangspunten. Bovendien is de keuze voor de Vloedbeltverbinding tegen de achtergrond van het verkorte MIRT-onderzoek als zeer voorbarig te beschouwen.

Er had in eerste instantie moeten worden ingestoken op andere maatregelenpakketten die uit het MIRT-onderzoek volgen. Daarnaast stelt Witteveen+Bos vast dat belangrijke adviezen van de commissie m.e.r. niet zijn opgevolgd. Ook deze adviezen raken aan de doelstellingen van de verkeersmaatregelen. Ook voor wat betreft stikstof worden grote vraagtekens bij de Vloedbeltverbinding geplaatst. Al met al is de conclusie van Witteveen+Bos dat nut en noodzaak van de Vloedbeltverbinding op dit moment alles behalve vaststaan.

Pagina 1 van 2 UIT - 105970

Bank: BNG Bank, Den Haag NL56 BNGH 028 50 00 187 BIC Code: BNGHNL2G

BTWnr. NL 0015 84 108 B 01

Dringende oproep: nu geen PIP-procedure, eerst ruimte voor nader onderzoek en overleg De bevindingen van Witteveen+Bos onderschrijven onze dringende oproep om pas op de plaats te maken en niet blindelings door te gaan met de PIP-procedure. Er ontbreekt nog veel aan de stappen die moeten worden gezet alvorens (conform de gemaakte afspraken) tot een verantwoorde keuze van de te treffen maatregelen kan worden gekomen. Het toch doorgaan met de PIP-procedure is tegen deze achtergrond onverantwoord en onacceptabel. Het is nu het moment om eerst nader onderzoek te doen. Alleen op die manier kan worden voorkomen dat verder wordt gewerkt aan een voorbarig en vanuit (onder andere) financieel en verkeerskundig oogpunt gezien buitengewoon onverstandig plan. Slotopmerking Tot slot nog een opmerking over de toelichting die door medewerkers van de provincie is gegeven aan onze gemeenteraad op 20 september 2022. Tijdens deze bijeenkomst is bevestigd dat ook onze raad zich niet kan vinden in uw voornemen om verder te gaan met de Vloedbeltverbinding. Wij verzoeken u deze brief te zien als een nadere reactie van ons college en de raad, zoals aangekondigd in onze brief d.d. 6 september jl. Wij herhalen de bereidheid die aan onze zijde bestaat om in overleg met u tot een gezamenlijk plan te komen, waarmee objectief bezien de beoogde doelen wel kunnen worden bereikt.

Een afschrift van deze brief wordt verzonden aan Provinciale Staten, de gemeente Borne, wethouder Hanneke Steen als vertegenwoordiger vanuit de regio op het gebied van mobiliteit en Stichting Dorpsbelangen Bornerbroek.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Almelo, de secretaris, de burgemeester,

Pagina 2 van 2 BenW - 105970

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Beschouwing doelstellingen Vloedbeltverbinding Second opinion Vloedbeltverbinding Gemeente Almelo 133496 Definitief 10 oktober 2022 133296/22-014.417 K. Poelsema MSc, drs. ing. A van de Werfhorst Drs. ing. A van de Werfhorst Drs. ing. A van de Werfhorst

Paraaf

Bijlage(n)

-

Aan

Gemeente Almelo

dhr. H. Veldscholten

Kopie

1

INLEIDING

De provincie Overijssel heeft het voornemen tot aanleg van de Vloedbeltverbinding. Het gekozen alternatief voor deze nieuwe provinciale weg is gelegen op grondgebied van de gemeenten Borne en Almelo. De gemeente Almelo heeft laten weten behoefte te hebben aan een onafhankelijk onderzoek naar nut en noodzaak van de Vloedbeltverbinding en naar de vraag of met de Vloedbeltverbinding de doelstellingen worden gehaald. Witteveen+Bos heeft een beschouwing opgesteld waarin de volgende vragen worden beantwoord: 1 is met de gekozen variant voor de Vloedbeltverbinding het bereiken van de doelstellingen voldoende aannemelijk onderbouwd? · minder verkeer op de A1/A35; · een robuuster wegennet; · minder verkeer op N743. Zijn de eisen uit De Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Vloedbeltverbinding en het advies van de Commissie m.e.r. voldoende meegenomen in het PlanMER? 1 zijn uitspraken over de stikstofdepositie voldoende aannemelijk onderbouwd? In de beschouwing zijn de volgende documenten in ogenschouw genomen: - oplossingsrichtingen A1-A35 en adaptief pakket, Fase 2 van het verkorte MIRT-onderzoek. Sweco 31 juli 2019; - notitie Reikwijdte en Detailniveau Vloedbeltverbinding. Sweco 19 mei 2020;

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

-

vloedbeltverbinding Borne, Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport. Commissie m.e.r. 9 september 2020; planMER Vloedbeltverbinding. Sweco 22 februari 2021; planMER Vloedbeltverbinding – Deelrapport Verkeer, Sweco 12 februari 2021; scopedocument provinciaal inpassingsplan vloedbeltverbinding, provincie Overijssel/Antea-group 4 juli 2022.

In deze notitie wordt er voor iedere doelstelling weergeven wat er in de verschillende documenten beschreven staat, daarna volgt er een beschouwing. Tot slot wordt er een beschouwing gegeven over de nut en noodzaak en stikstof.

2

BEREIKEN VAN DOELSTELLINGEN

2.1

Minder verkeer op de A1/A35

Verkort MIRT-onderzoek De doelstelling ‘Minder verkeer op A1/A35’ vindt zijn basis in het MIRT-onderzoek dat als doel had te bepalen welke opgaven er liggen om de bereikbaarheid over de A1/A35 en van de regio Twente te faciliteren. Daarbij ging het met name om het zo optimaal mogelijk faciliteren van het doorgaande verkeer op de A1, als verkeersader naar het oosten, en op het (onderliggende) wegennet van Twente. Hierbij is ook gekeken naar de verkeersveiligheid en de leefbaarheid. In het MIRT-onderzoek zijn oplossingsrichtingen gezocht door de ‘afpel’-methodiek van de mobiliteitsladder te gebruiken. Dit betekent dat de volgende volgorde doorlopen moet worden om oplossingen te genereren voor mobiliteitsvraagstukken: 1) ruimtelijke ordening, 2) prijsbeleid, 3) openbaar vervoer, 4) mobiliteitsmanagement, 5) benutting, 6) aanpassing aan de bestaande infrastructuur en 7) nieuwe infrastructuur. In het MIRT-onderzoek zijn de eerste vier stappen als niet voldoende effectief aangegeven en niet verder onderzocht. Vervolgens zijn voor de stappen 5 tot en met 7 (benutting, aanpassing bestaande infrastructuur en nieuwe infrastructuur) vijf adaptieve pakketten met mogelijke maatregelen opgesteld. Deze pakketten hebben een volgorde gekregen: “die elkaar min of meer in de loop van de tijd dan wel bij toenemende mobiliteitsproblematiek kunnen opvolgen”.

De maatregelpakketten 1 tot en met 5a betreffen maatregelen aan het hoofdwegennet (HWN), het pakket 5b (Impuls doorstroming/robuustheid door investering OWN) betreft maatregelen op het onderliggend wegennet (OWN). Als één van de laatste adaptieve maatregelen, is in pakket 5b: ‘de aanleg van een provinciale weg vanaf De Kluft in Borne naar de N743 aan de noordwestkant van Zenderen met verbinding naar de N744 naar Albergen’ genoemd. Advies Commissie m.e.r. op de NRD De commissie m.e.r. geeft in haar advies het volgende aan: ‘Onderzoek eerst of een nieuwe verbinding nuttig en noodzakelijk is of dat andere oplossingen voldoende probleemoplossend zijn. Ga daarna pas mogelijke tracés vergelijken. Betrek daarbij wat het betekent als de maatregelen uit het Verkort MIRT-onderzoek worden uitgevoerd’. Daarnaast stelt de commissie m.e.r dat de doelstelling van het project zo concreet, specifiek en kwantitatief mogelijk beschreven moeten zijn. PlanMER In het PlanMER is de doelstelling ‘minder verkeer op de A1/A35’ als volgt geconcretiseerd: - ‘het verbeteren van de doorstroming en verkeersveiligheid op de A1/A35, met minder congestie tot gevolg en minder kans op ongevallen die op hun beurt weer nieuwe congestie veroorzaken. De doelstelling is een reductie van de intensiteiten op de A1/A35 met 5 %. Hiermee wordt het aantal files met een substantieel groter percentage (20-30 %) beperkt’.

2|6

Witteveen+Bos | 133496/22-014.417 | Definitief

In het PlanMER zijn nut en noodzaak direct gekoppeld aan de doelen en wordt er gesteld dat in het MIRT-onderzoek is gebleken dat er ook bij het treffen van maatregelen op de A1/A35 problemen in het plangebied resteren. Er is echter nog geen concreet perspectief op dergelijke maatregelen op de A1/A35. Bij het toetsen van de alternatieven die zijn onderzocht is aangetoond dat de concreter gemaakte doelstelling van een intensiteitsvermindering van 5 % op de A1/A35 niet wordt gehaald. Het uiteindelijke voorkeursalternatief behaalt (afgerond naar boven) 2 % reductie. Beschouwing: Met het oog op de doelstelling voor het HWN en in de filosofie van het MIRT-onderzoek, is nut en noodzaak van een nieuwe verbinding pas aan de orde als de maatregelen op het HWN onvoldoende oplossend vermogen bieden. Aan die voorwaarde is niet voldaan. In het PlanMER wordt niet het advies van de Cie m.e.r. gevolgd om in te gaan op wat het betekent voor de nut en noodzaak van een nieuwe verbinding als de maatregelen uit de eerste drie stappen van de mobiliteitsladder en de adaptieve pakketten 1, 2, 3, 4 en 5a worden uitgevoerd. Er wordt aangevoerd dat in het MIRT-onderzoek is geconcludeerd dat er problemen in het plangebied resteren na uitvoeren van de maatregelen op het HWN. Onduidelijk is wat in deze formulering bedoeld wordt met ‘plangebied’ en ‘resteren’.

Deze conclusie is niet als zodanig in het rapport verkort MIRTonderzoek aangetroffen en wordt ook in het PlanMER niet onderbouwd. In het PlanMER is aangetoond dat de doelstelling van 5 % reductie van de intensiteit op de A1/A35 niet wordt gehaald. Nut en noodzaak in het licht van deze eerste doelstelling is dan ook niet aangetoond.

2.2

Een robuuster wegennet

Advies Cie m.e.r. De Cie m.e.r. geeft in haar advies het volgende aan: ‘Beschrijf de doelstelling van het project zo concreet, specifiek en kwantitatief mogelijk’. Hierbij wordt aangegeven dit in ieder geval voor een aantal vragen te doen, een van deze vragen is: ‘Wat wordt precies onder ‘robuustheid’ van het regionale wegennet verstaan?’ PlanMER In het PlanMER op bladzijde 21 is de doelstelling als volgt nader uitgeschreven: ‘het versterken van de robuustheid van het regionale wegennet waardoor verstoringen opgevangen kunnen worden en het lokale verkeer zo min mogelijk wordt belast. Ook het risico op verstoring wordt kleiner’. Robuustheid is hiermee niet geconcretiseerd en blijft een kwalitatief karakter behouden. In de toetsing van de alternatieven wordt alleen het toevoegen van nieuwe infrastructuur als positief aangemerkt voor het behalen van deze doelstelling. In de effect-analyse wordt bijvoorbeeld voor het Nulplusalternatief (PlanMER bladzijde 73) geoordeeld: ‘… voegt geen infrastructuur toe in het gebied en draagt daarom niet bij aan de robuustheid van het wegennet in de regio’. Beschouwing: Het advies van de Cie m.e.r. ten aanzien van het zo concreet, specifiek en kwantitatief mogelijk maken van de doelstellingen is niet opgevolgd voor de doelstelling voor een robuuster wegennet.

Er is niet aantoonbaar en specifiek gezocht naar robuuste oplossingen anders dan het aanleggen van nieuwe infrastructuur. Robuustheid is alleen kwalitatief aangetoond en alleen gewaardeerd in de alternatieven waar sprake was van nieuwe infrastructuur.

3|6

Witteveen+Bos | 133496/22-014.417 | Definitief

2.3

Minder verkeer op de N743

PlanMER In het PlanMER is de derde doelstelling als volgt concreet gemaakt: - ‘het verminderen van het verkeer op de N743 door Borne en de kern Zenderen, waardoor daar het woon- en leefmilieu verbeterd. De doelstelling is een reductie van het verkeer door Zenderen met minimaal 30 %. Het verkeer op de N743 door Borne neemt dan evenredig af’. In het PlanMER (bladzijde 12) is hierbij de randvoorwaarde opgenomen, ‘dat de te nemen maatregelen niet mogen leiden tot negatieve effecten voor de leefbaarheid en de afwikkeling van het verkeer in het achterliggende gebied’. Beschouwing In Nederland is het gebruikelijk om bij de aanleg van een rondweg/nieuwe verbinding een doelstelling te hanteren van een verkeersreductie van 70 % of meer op de bestaande verbinding. Een streven naar een reductie van verkeersintensiteiten van 30 % als doel voor het aanleggen van een rondweg is, in het licht van de in Nederland meestal gebruikte norm van 70 % of meer, erg laag. Hoewel de nieuwe verbinding, zij het nipt, kan voldoen aan de doelstelling van 30 %, blijft bij die doelstelling de vraag of hiermee voldoende nut en noodzaak is aangetoond om het woon- en leefklimaat te verbeteren. Randvoorwaarde negatieve effecten in achterliggend gebied (h, bladzijde 21).

Voor de voorkeursvariant is beschreven dat er een forse stijging aan intensiteiten ontstaat op de Van Rechteren Limpurgsingel en Bornsestraat N349 (tussen Nijreessingel en Vloedbeltverbinding). Op de Bornsestraat is deze zelfs 60 %. De gekozen voorkeursvariant voldoet niet aan de gestelde randvoorwaarde in het MER ten aanzien van negatieve effecten in het achterliggende gebied. Dit betekent dat een Vloedbeltverbinding niet aan deze randvoorwaarde voldoet.

2.4

Nut en noodzaak

In de beschouwingen in de voorgaande paragrafen is gebleken dat nut en noodzaak, gerelateerd aan de doelstellingen, onvoldoende vaststaat: - een reductie van verkeersintensiteit van 5 % op de A1/A35 (doelstelling 1) wordt niet gehaald; - robuustheid (doelstelling 2) is onvoldoende smart gemaakt; - een reductie van de verkeersintensiteit van 30 % (doelstelling 3) in de kern Zenderen wijkt erg af van de landelijk toegepaste streefnorm van 70 %. Ook door het niet in ogenschouw nemen van alle stappen van de mobiliteitsladder staat nut en noodzaak onvoldoende vast. Mobiliteitsladder In tegenstelling tot wat er in de NRD en in het PlanMER wordt gesteld is het voor het oplossen van knelpunten in infrastructuur wel van belang om voldoende aandacht te besteden aan de stappen 1, 2, 3 en 4 van de mobiliteitsladder. De NRD en PlanMER verwijzen hierbij alleen naar de bevinding in het Verkorte MIRT-onderzoek. Hier is de mobiliteitsladder toegepast en zijn de eerste vier stappen (ruimtelijke ordening, prijsbeleid, openbaar vervoer en mobiliteitsmanagement) als onvoldoende probleemoplossend voor de A1/A35 bevonden. Echter, in het PlanMER is sprake van andere, meer lokale doelen, zoals de leefbaarheid in Zenderen en de robuustheid van het wegennet, die specifiek op het OWN betrekking hebben.

Door maatregelen als met name openbaar vervoer en mobiliteitsmanagement niet in beschouwing te nemen, zijn nut en noodzaak van het aanleggen van nieuwe infrastructuur onvoldoende onderbouwd.

4|6

Witteveen+Bos | 133496/22-014.417 | Definitief

3

STIKSTOF

Advies Cie m.e.r. In het advies van de Cie m.e.r. staat het volgende: ‘De NRD geeft aan dat ook de effecten van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden in beeld zullen worden gebracht. Breng met een daarvoor geschikt programma in beeld wat de stikstofeffecten zijn van het project in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase’. PlanMER In het PlanMER is het advies van de Cie m.e.r. op de NRD niet gevolgd. Er zijn geen berekeningen uitgevoerd met een daarvoor geschikt programma. Wel zijn er op basis van expert judgement bevindingen gedaan. Daarbij is de aanname gedaan dat op het niveau van het gehele plangebied het verkeer niet met meer dan 1000 mvt/etmaal toeneemt. Daarnaast is op basis van een generieke rekenregel een inschatting gemaakt van de toename van de stikstofdepositie. Een verkeerstoename van 1000 mvt/etmaal geeft 0,2 mol toename op 1 km. Op zes km is dit nog maximaal 10 % daarvan, zijnde 0,02 mol. Op basis van deze aannames is bepaald dat deze toename ecologisch niet relevant is en daarmee de alternatieven niet tot een effect op Natura 2000 leiden. Scopedocument In het scopedocument staat het volgende: ‘De verwachting is dat er door de Vloedbeltverbinding geen noemenswaardige extra voertuigen in het gebied gaan rijden, wel zal de route van het verkeer wijzigen. Dit wordt onderzocht met de verkeersgegevens uit het meest recente regionale verkeersmodel’.

‘Door de nieuwe weg zal vooral het bestaande verkeer zich anders verdelen over het wegennet. Dit nieuwe verkeersbeeld kan effecten hebben op de stikstofdepositie. Om deze effecten in beeld te brengen wordt een stikstofberekening uitgevoerd met de meest recente versie van het Aerius-rekenprogramma. Indien uit de stikstofberekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de Vloedbeltverbinding te hoog is worden passende maatregelen getroffen’. Beschouwing Stikstofdepositie is in het PlanMER niet als een onderscheidend criterium gehanteerd en lijkt alleen te zijn gerelateerd aan de vergunbaarheid. Er zijn alleen algemene aannames gedaan die geen recht doen aan een oordeel op vergunbaarheid of aan een onderscheidend effect. Bij de algemene aanname dat 0,02 mol/ha niet significant zou zijn, wordt voorbij gegaan aan de mogelijke situatie dat een N2000 al een bestaande (hoge) overbelasting kent. Lokale grote verschillen en/of toenames van verkeersintensiteiten zijn onterecht niet in beschouwing genomen, zoals bijvoorbeeld in het voorkeursalternatief op het kruispunt de Kluft (de groei betreft hier 6000 tot 8000 mvt/etmaal). De impact die dit bijvoorbeeld kan hebben op de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Lonnekermeer is niet beschouwd, maar dit kan wel significant zijn.

De stikstofdepositie in de aanlegfase van de nieuwe infrastructuur is in het PlanMER niet in ogenschouw genomen. In het Scopedocument is aangegeven dat voor het Provinciaal Inpassingsplan voor de voorkeursvariant wel modelberekeningen worden gedaan (verkeersmodel en Aerius).

4 1

CONCLUDERENDE BESCHOUWING met de gekozen variant voor de Vloedbeltverbinding zijn de doelstellingen onvoldoende aannemelijk onderbouwd: 1 een reductie van verkeersintensiteit van 5 % op de A1/A35 (doelstelling 1) wordt niet gehaald, slechts 2 %; 2 robuustheid (doelstelling 2) is onvoldoende smart gemaakt; 3 een reductie van de verkeersintensiteit van 30 % (doelstelling 3) in de kern Zenderen wijkt erg af van de landelijk toegepaste streefnorm van 70 % voor rondwegen.

5|6

Witteveen+Bos | 133496/22-014.417 | Definitief

2 3

Oplossingsrichtingen als openbaar vervoer en mobiliteitsmanagement zijn niet in de onderzoeken meegenomen: de eisen uit De Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Vloedbeltverbinding en het advies van de Commissie m.e.r. zijn op een aantal punten onvoldoende meegenomen in het PlanMER; de uitspraken over de stikstofdepositie zijn onvoldoende aannemelijk onderbouwd de effecten van stikstofdepositie zijn niet berekend voor de verschillende alternatieven.

6|6

Witteveen+Bos | 133496/22-014.417 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=d2469f99-3046-40ce-a486-f1501797aa81