Technische vragen over RV verordeningen Zaffier - Bijlage 1. Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet en invordering boetes
Tekst van het document
Vorderingen, welke niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, komen voor kwijtschelding in aanmerking indien er sprake is van een situatie gesteld in het tweede lid onder a in combinatie met de situatie gesteld in het tweede lid onder b.
Bij beide categorieën vorderingen dient er gedurende een minimale periode te zijn afgelost en een minimaal bedrag te zijn terugbetaald alvorens het college het verzoek om kwijtschelding inwilligt. Dit om te voorkomen dat belanghebbende met een lage aflossingscapaciteit een veel kleiner deel van de vordering zou moeten terugbetalen ten opzichte van belanghebbende met een hoge(re) aflossingsca- paciteit. Dit zou rechtsongelijkheid tot gevolg kunnen hebben. Tevens wordt hiermee voorkomen dat de prikkel om te gaan werken of om meer te gaan verdienen uitblijft. Er is een onderscheid aangebracht in de hoogte van het percentage wat minimaal terugbetaald dient te worden om de strengere aanpak van vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlich- tingenplicht tot uiting te brengen.
In het vierde lid is bepaald dat de eventuele wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten niet voor kwijtschelding in aanmerking kunnen komen. Deze bedragen dienen altijd volledig te worden terugbetaald.
Artikel 16. Afkoop De belanghebbende van wie de teveel of ten onrechte verstrekte bijstand wordt teruggevorderd kan een verzoek om afkoop doen. Het college neemt daarin niet zelf het initiatief. Vorderingen, welke ontstaan zijn gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden vòòr 1 januari 2013, komen voor afkoop in aanmerking indien er sprake is van een situatie gesteld in het eerste lid onder a in combinatie met de situatie gesteld in het eerste lid onder b.
Vorderingen, welke niet zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, komen voor afkoop in aanmerking indien er sprake is van een situatie gesteld in het tweede lid onder a in combinatie met de situatie gesteld in het tweede lid onder b.
Afkoop is mogelijk op elk moment in het invorderingsproces. Dit in tegenstelling tot kwijtschelding. Aan afkoop is geen minimale aflossingsduur verbonden. Wel kan afkoop alleen ingewilligd worden indien vaststaat dat de reguliere wijze van invordering minder zal opleveren dan datgene dat met afkoop van 75 % respectievelijk 50% van de (restant) vordering wordt geïncasseerd.
14 Gemeenteblad 2016 nr. 109766 9 augustus 2016
Er is onderscheid aangebracht in de hoogte van het percentage wat minimaal terugbetaald dient te worden om de strengere aanpak van vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlichtin- genplicht tot uiting te brengen.
In het vierde lid is bepaald dat de eventuele wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten niet voor afkoop in aanmerking kunnen komen. Deze bedragen dienen altijd volledig te worden terug- betaald.
Artikel 17. Afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek Met ingang van 1 juli 2012 is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in werking getreden. De ge- meente heeft hierin per die datum een wettelijke taak op het gebied van schuldhulpverlening gekregen. In het eerder aangehaalde collegebesluit inzake financiële zelfredzaamheid is gekozen voor een integrale benadering van de debiteur/belanghebbende, waarbij enerzijds een voortvarend terug- en invorderings- beleid wordt nagestreefd en anderzijds een optimale schulddienstverlening wordt geboden. Deze twee wettelijke taken kunnen soms op gespannen voet met elkaar staan. Waar het college de keuzevrijheid heeft, wordt getracht beide taken recht te doen. Dit is vormgegeven in artikel 17. Met waarborgen om- kleed komt het college tegemoet dan wel kan het college tegemoet komen aan de schuldhulpvraag van de belanghebbende.
De waarborgen in het eerste lid zijn erop gericht dat alleen meegewerkt wordt als een andere oplossing van de schuldensituatie niet meer mogelijk is. Niet voor alle categorieën vorderingen is medewerking mogelijk. In artikel 60c van de Participatiewet is bepaald dat bij de situatie waarin er sprake is een vordering, ontstaan als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht voor zover de schending van de inlich- tingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013, in combinatie met een boete of in combinatie met een aangifte bij het Openbaar Ministerie, zowel de vordering als de boete niet meegenomen mogen worden in een schuldregeling. Deze categorie vorderingen is dan ook uitgezonderd van het eerste lid.
Dit geldt echter niet als er sprake is van een zelfstandig boetebesluit namelijk ingeval van zogeheten nulfraude. Dit is opgenomen in het tweede lid. In dat geval hoeft een boete een schuldhulpverleningstra- ject niet in de weg te staan. Deze boete mag echter niet gesaneerd/geregeld worden in de vorm van afkoop. De boete moet geheel worden terugbetaald. Algehele betaling moet tijdens dit schuldhulpver- leningstraject plaats vinden. Als aan die voorwaarden kan worden voldaan, mag de boete meegenomen worden in het schuldhulpverleningstraject.
De schuldenregeling dient wel door een erkende organisatie tot stand te komen. De organisatie dient lid te zijn van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. Een bewindvoerder dient te zijn aangesloten bij de Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch (erkenningsprocedure bewindvoering).
In de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de schuldenregeling wordt de invordering voortgezet. Van het voorrecht van preferentie wordt in deze situaties gebruik gemaakt. In het vierde lid is een aantal redenen opgenomen op grond waarvan het college besluit om het eerder afgegeven besluit om medewerking te verlenen aan de schuldregeling weer in te trekken. Hierbij wordt een koppeling gemaakt met het beleid dat het college voorstaat voortvloeiend uit de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Zoals hiervoor vermeld is het het college niet toegestaan om vorderingen, ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013, waarbij ook sprake is van een boeteoplegging of een aangifte bij het Openbaar Ministerie in verband met valsheid in geschrifte, mee te nemen in een schuldregeling. Dit geldt dus ook voor deze boetes. In het vijfde lid is toch gekozen om in twee situaties een beperkte vorm van schuldhulpverlening in die situatie te (blijven) bieden zonder dat dit leidt tot schuldregeling van de vordering en/of de boete. Door deze bepaling wordt toch enigszins recht gedaan aan de zorgplicht van de gemeente voortvloeiend uit de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
In sub a staat dat het college medewerking kan verlenen aan een schuldhulpverleningstraject voor zover deze beperkt is tot preventie overeenkomstig het daaromtrent gestelde in het Beleidsplan integrale schuldhulpverlening gemeente Alkmaar (met) schuldenaar aan zet deel II en de Beleidsregels schuld- hulpverlening gemeente Alkmaar. De preventie kan gericht zijn op het in evenwicht houden van inkom- sten en uitgaven van de belanghebbende, waarbij is vastgesteld dat het bestaande schuldprobleem door in of bij die persoon gelegen omstandigheden nog niet duurzaam opgelost kan worden. Bijvoorbeeld bij klanten met schulden die niet regelbaar zijn, omdat een wet het regelen van bepaalde schulden niet toestaat, zoals het geval is in de WWB bij vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlich- tingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013. Hierdoor kunnen de overige schulden evenmin geregeld worden. Preventie kan gericht zijn op het niet
15 Gemeenteblad 2016 nr. 109766 9 augustus 2016
laten verslechteren van de maatschappelijke positie van de belanghebbende door hem gebruik te laten maken van de hulpverleningsketen. De gemeente verwijst dan door. Tevens kunnen bijvoorbeeld de producten Budgetbeheer, Budgetcoaching, Flankerende hulp en Beschermingsbewind worden ingezet.
Daarnaast verleent het college in sub b medewerking aan de voortzetting van de schuldhulpverlening indien het traject zich inmiddels in de nazorgfase bevindt, omdat de gemeente gebaat is bij een zorg- vuldige afronding van deze fase van het schuldhulpverleningstraject. Verwacht wordt dat de terugval in de oude, problematische schuldensituatie daardoor wordt verkleind.
HOOFDSTUK 6 NIET OF NIET MEER VOLDOEN AAN BETALINGSVERPLICHTING
Artikel 18. Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting Door middel van het betekenen van een dwangbevel krijgt het terugvorderingsbesluit op grond van artikel 60, tweede lid van de Participatiewet een executoriale titel. De gemeente kan indien er sprake is van wanbetaling bij vorderingen overgaan tot dwanginvordering door middel van verrekening (wanneer aan de debiteur tevens bijstand wordt verleend) of het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Bij boetes is het college verplicht tot verrekening over te gaan. Ver- eenvoudigd derdenbeslag is niet mogelijk voor boetes. Daarnaast staat voor zowel de vordering als de boete de “gewone” weg van executoriaal beslag open. Tenuitvoerlegging door middel van beslag ge- schiedt conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingeval de belanghebbende geen lopende bijstandsuitkering meer heeft, waardoor verrekening niet (meer) mogelijk is, en hij de betalingsverplichting niet of niet meer (volledig) voldoet dan draagt het college de vordering en de boete ter incasso over aan een gerechtsdeurwaarder, zoals gesteld in het tweede lid.
Het derde lid behelst het verschil in dwanginvordering tussen vorderingen ontstaan voor en na de in e werking treding van de 4 Tranche Algemene wet bestuursrecht. Voor vorderingen die ontstaan zijn vóór 1 juli 2009 is er geen sprake van een dwangbevel. Voor die zaken is het recht van parate executie nog van toepassing.
Artikel 19. Rente en kosten Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet of onvoldoende nakomt, dan dienen voor de in artikel 18 van deze beleidsregels genoemde vormen van dwanginvordering kosten te worden gemaakt. Deze kosten hebben betrekking op zowel de verschuldigde wettelijke rente als de overige op de invordering toeziende kosten. Deze kosten worden vastgesteld aan de hand van het Besluit ambts- handelingen gerechtsdeurwaarders (Btag). Hierin zijn de normbedragen opgenomen voor o.a. de ex- ploten, beslagen, gerechtelijke bewaring, etc. Daarnaast komen ook de buitengerechtelijke incassokosten voor rekening van de belanghebbende. De normbedragen daarvoor zijn bepaald in het Besluit vergoeding e buitengerechtelijke kosten. Als gevolg van de inwerking treding van de 4 Tranche Algemene wet be- stuursrecht is hierbij in de beleidsregel een onderscheid gemaakt tussen vorderingen, die ontstaan zijn vóór en ná 1 juli 2009.
HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN
Artikel 20. Schorsende werking In het eerste lid is bepaald dat het college in beginsel direct tot invordering kan overgaan zodra het betreffende besluit is genomen en er dus wordt beschikt over een executoriale titel. Een eventueel be- zwaar- of beroepschrift van de belanghebbende tegen dit besluit heeft geen schorsende werking. Wel kan de belanghebbende de voorzieningenrechter van de rechtbank of van de Centrale Raad van Beroep hangende een bezwaar- of beroepsprocedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder begrepen een schorsing.
In het tweede lid is een uitzondering op het eerste lid verwoord, namelijk in situaties, waarin de invor- dering onevenredig bezwaarlijk is voor de belanghebbende wegens in de persoon gelegen omstandig- heden de invordering wel wordt opgeschort gedurende de bezwaar- en/of beroepsprocedure.
In het derde lid worden vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht over een periode ná 1 januari 2013 en boetes van het tweede lid uitgezonderd, omdat de wetgever een strenge aanpak van de invordering en daarmee een onverwijlde incasso van de vordering bij dit soort vorderingen en van de boete voorop stelt.
Artikel 21. Intrekking oude regeling De beleidsregels terug- en invordering WWB en invordering boetes gemeente Alkmaar, de beleidsregels terug- en invordering WWB en invordering boetes gemeente Graft-de Rijp en de beleidsregels terug- en invordering WWB en invordering boetes gemeente Schermer worden ingetrokken.
16 Gemeenteblad 2016 nr. 109766 9 augustus 2016
Artikel 22. Overgangsbepalingen De overgangsbepalingen van artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW- wetgeving zijn niet geheel in overeenstemming met artikel 15 IVBPR (Internationaal Verdrag voor de Burgerlijke en Politieke Rechten). Laatstgenoemd internationaal verdragsartikel is van hogere wetgeving en maakt daarmee strijdige nationale wetgeving onverbindend. In principe is hiervoor dan ook geen beleidsartikel noodzakelijk. Daar echter een deel van het vorderingenbestand niet overeenkomstig de Wet aanscherping zal gaan worden afgehandeld acht het college het noodzakelijk om toch een bepaling in de beleidsregels op te nemen waarin uitdrukkelijk wordt aangesloten bij het verdragsartikel en waarin de overgangsbepaling uit voormelde wet buiten toepassing wordt verklaard. In het kort komt deze bepaling erop neer dat vorderingen worden teruggevorderd naar materieel recht dat gold ten tijde van de periode waarop de vordering betrekking heeft.
Artikel 23. Bijlage De uitwerking van het debiteurenheronderzoeksplan is in een afzonderlijke bijlage opgenomen. De inhoud van deze bijlage maakt onverkort onderdeel van deze beleidsregels uit en heeft dezelfde juridische werking als de artikelen in deze beleidsregels.
Artikel 24. Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 25. Citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
17 Gemeenteblad 2016 nr. 109766 9 augustus 2016
BIJLAGE l DEBITEUREN HERONDERZOEKSPLAN Het college is niet verplicht tot het verrichten van (financiële) heronderzoeken met betrekking tot vor- deringen en boetes. Het belang van het geregeld verrichten van (financiële) heronderzoeken als controle instrument wordt echter onderkend. De invulling en de frequentie van de (financiële) heronderzoeken wordt aan het college overgelaten.
Onder een financieel heronderzoek wordt verstaan een onderzoek naar de financiële en persoonlijke situatie van de debiteur met als doel om de aflossingsverplichting te herijken.
Onder een (regulier) heronderzoek worden alle overige heronderzoeken geschaard, bijvoorbeeld een heronderzoek naar de verblijfplaats van de debiteur indien deze niet bekend is of een heronderzoek naar de stand van zaken bij een debiteur die valt onder de WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen).
Met het oog op effectiviteit en efficiency van de inspanningen zijn de termijnen waarbinnen een finan- cieel heronderzoek wordt verricht aangepast aan de hoogte van de vordering. Naarmate het bedrag van de vordering of boete hoger is, is de frequentie van het financieel heronderzoek hoger.
Met het instrument van het financieel heronderzoek en de daaraan gekoppelde termijnen, waarbinnen het college van burgemeester en wethouders deze heronderzoeken uitvoert, wordt in samenhang met de beleidsregels terugvordering invulling gegeven aan de rechtmatige uitvoering van het terugvordering- en invorderingsbeleid.
Van de in dit plan genoemde termijnen, waarbinnen een financieel heronderzoek wordt verricht, kan in individuele gevallen worden afgeweken als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht.
financieel heronderzoek frequentie heronderzoek bij beëindiging uitkering altijd bij lopende uitkering geen (inkomsten wijzigen niet tijdens looptijd van de uitkering) Alleen bij aanpassing uitkeringsnorm leidt dit tot aanpassing hoogte aflos- sing. Wel altijd een regulier heronderzoek. bij nakoming betalingsverplichting ingeval uitkering is beëindigd: a. standaard elke 12 maanden b. indien met grote waarschijnlijkheid een wijziging in het per geval bezien inkomen valt te verwachten (regulier) heronderzoek frequentie heronderzoek in ieder geval 12 maanden na datum uitspraak Rechtbank of zoveel vaker bij WSNP of faillissement als dit nodig wordt geacht bij schuldhulpverlening in ieder geval binnen 12 maanden plaats na bericht dat alle overige schuldeisers akkoord zijn met het aanbod of zoveel vaker als dit nodig wordt geacht bij overdracht ter incasso aan gerechtsdeurwaarder binnen maximaal 12 maanden na datum overdracht aan deurwaarder invordering is niet mogelijk wegens adres onbekend of gedurende de eerste 12 maanden na bekend worden dat verblijfplaats niet adres buitenland traceerbaar is elke 6 maanden en na 12 maanden elke 12 maanden invordering is niet mogelijk om financiële redenen gedurende de eerste 12 maanden elke 6 maanden en na 12 maanden elke 12 maanden overige gevallen per geval bezien
18 Gemeenteblad 2016 nr. 109766 9 augustus 2016