Raadsvoorstel Wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
Tekst van het document
RAADSVOORSTEL Raadsvergadering:
11 december 2025
Agendapunt: Commissie:
Bestuur en middelen
Portefeuillehouder:
Anja Schouten
Onderwerp: wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv) Voorgesteld besluit 1.
De Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening vast te stellen.
Samenvatting Deze verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) heeft als doel de Apv actueel te houden. Naast het doorvoeren van technische verwijzingen, het uitvoeren van een aanbeveling van de Rekenkamer Alkmaar, het herstellen van de weeffout over het verbod om te slapen op of aan de weg, het aanscherpen van de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester en het harmoniseren van de strafbepaling, wordt voorgesteld om een vergunningplicht voor afhaal/bezorgzaken in te voeren, een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij samenscholing, een geluidhinderverbod voor motorvoertuigen en bromfietsen, een harddrugsverbod voor heel Alkmaar en een tabaksrookverbod in de nabijheid van openbare gebouwen in de Apv op te nemen. Dit voorstel staat in relatie tot n.v.t. Argumenten 1.
Met het vaststellen van de Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening is de Apv weer actueel.
De Apv moet een adequaat juridisch instrument blijven om ongewenst gedrag tegen te gaan of te reguleren. Het periodiek aanpassen van de Apv is nodig om te voorkomen dat deze verordening gaat achterlopen bij nieuwe wetgeving, rechtspraak en andere maatschappelijke ontwikkelingen. Voordat de wijzigingen hieronder kort worden toegelicht, wordt nog opgemerkt dat de verordening tot het wijzigen van de Apv een concreet besluit is, wat maakt dat de Verordening participatie en uitdaagrecht Alkmaar 2025 niet van toepassing is. Regulier onderhoud van de Apv Met het vaststellen van deze verordening worden technische verwijzingen op de juiste manier doorgevoerd. Omdat het verbod om te slapen op of aan de weg gaat over het tegengaan van overlast, hoort dit verbod bij nader inzien van de VNG thuis in de Apv (en niet in de Verordening fysieke leefomgeving). Deze weeffout wordt dan ook hersteld. Verder wordt een aanbeveling van de Rekenkamer Alkmaar over de indieningstermijn voor een zogenoemd a-evenement uitgevoerd en wordt de bevoegdheid van de burgemeester om voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten aangescherpt. Vanwege een opmerking van het Openbaar Ministerie (OM) over de strafbepaling wordt
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
1
de strafmaat voor het overtreden van de Apv geharmoniseerd met de (buur)gemeenten. Deze wijzigingen vallen onder de noemer «regulier onderhoud» met als doel de Apv actueel te houden. In de zogenoemde transponeringstabel zijn deze wijzigingen kort toegelicht en uitgebreider in de artikelsgewijze toelichting. Nieuw in de Apv De meest in het oog springende wijzigingen zijn: een vergunningplicht voor afhaal-/bezorgzaken, een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij samenscholing, een harddrugsverbod voor heel Alkmaar en een tabaksrookverbod in de nabijheid van openbare gebouwen. Hieronder worden deze wijzigingen kort toegelicht; voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting. I. Vergunningplicht voor afhaal-/bezorgzaken Een exploitatievergunning voor afhaal-/bezorgzaken draagt bij aan de openbare orde en veiligheid en een leefbaar woon- en ondernemersklimaat in Alkmaar. De ondernemingsvorm afhaal-/bezorgzaak is in de laatste jaren, met name sinds de coronaperiode, in populariteit toegenomen. Deze zaken zijn nauw verwant aan horecazaken, die voor de exploitatie een vergunning nodig hebben. Afhaal-/bezorgzaken zijn te kwalificeren als openbare inrichtingen en daarom wordt voorgesteld om de Apv hierop aan te passen. Alkmaar sluit hiermee ook aan bij andere gemeenten (o.a.
Den Helder, Schagen) die afhaal/bezorgzaken al als openbare inrichting in de Apv hebben opgenomen. Met de vergunningplicht ontstaat meer sturing aan de voorkant, waarbij de burgemeester kan toetsen of een afhaal-/bezorgzaak zich in Alkmaar kan vestigen. Zo wordt meegenomen of de afhaal/bezorgzaak zich verdraagt met het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid (artikel 2:20 van de Apv). Ook kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden en worden exploitanten en leidinggevende getoetst op hun levensgedrag en doorlopen zij een Bibob-toets. Dit is belangrijk omdat een leidinggevende de verantwoordelijkheid draagt en zeggenschap heeft in de openbare inrichting, en daarmee een belangrijke rol vervult in hoe het woon- en leefklimaat en de openbare orde wordt beïnvloed. Daarnaast ontstaat met de vergunningplicht de mogelijkheid om effectiever in te grijpen als dat nodig is. Een vergunningplicht werkt preventief tegen de vestiging van ondermijningscriminaliteit in Alkmaar. Afhaal-/bezorgzaken die worden gestart om de reden dat deze ondernemingsvorm in Alkmaar niet hoeft te voldoen aan de vergunningsvereisten, die wel gesteld worden bij de vestiging van bijvoorbeeld een cafetaria of restaurant, worden ontmoedigd: voortaan gelden dezelfde vereisten voor alle openbare inrichtingen.
Een vergunningplicht draagt dan ook bij aan het verbeteren van het ondernemersklimaat van bonafide ondernemers in Alkmaar. Voor bestaande afhaal-/bezorgzaken geldt een overgangstermijn van een jaar om legesvrij een vergunning aan te vragen. Voor nieuw te vestigen afhaal-/bezorgzaken geldt de vergunningplicht met ingang van 1 januari 2026. II. Verbod op gezichtsbedekkende kleding bij samenscholing Voor een goed begrip is het essentieel om de juridische contouren en de reikwijdte van demonstraties en samenscholingen niet door elkaar heen te laten lopen. Een samenscholing is immers geen demonstratie, waarbij het gaat om «het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied” (vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 6). Het onderscheid tussen een samenscholing en een demonstratie is relevant, omdat een demonstratie –
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
2
anders dan een samenscholing – grondwettelijk en internationaalrechtelijk is beschermd. Daarom kan alleen de landelijke wetgever via de Wet openbare manifestaties (Wom) inhoudelijke beperkingen aan de demonstratievrijheid stellen. Het standaard door een burgemeester opleggen van een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding (wat feitelijk neerkomt op een algeheel verbod) bij een demonstratie past niet in de systematiek van de Wom en is niet toegestaan. Daarom heeft de landelijke wetgever aangekondigd het wetgevingsproces te starten om in de Wom een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties op te nemen (zie Kamerstukken II 2024/25, 34 324, nr. 36). Omdat, zoals gezegd, een samenscholing geen demonstratie is, kan een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij samenscholing wel in de Apv worden opgenomen. Met het nieuwe verbod kan worden opgetreden tegen voorwerpen en stoffen waarvan het aannemelijk is dat die aanwezig zijn of zijn meegebracht om gebruikt te worden bij verstoringen van de openbare orde. Hierbij valt te denken aan een (bivak)muts, masker, sjaal, verzwaarde handschoen, tok of sportbitje. Dit soort voorwerpen worden steeds vaker gebruikt door ordeverstoorders, omdat tegen het bezit niet kan worden opgetreden door de politie.
Door het niet kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit soort voorwerpen of stoffen in verdachte omstandigheden is het mogelijk dat wangedrag, ook in anonimiteit, kan worden gepleegd. Met deze verbodsbepaling wordt dan ook beoogd om de politie alsnog effectief en doelmatig handhavend te kunnen laten optreden. III. Geluidhinderverbod voor motorvoertuig of bromfiets Het nieuw artikel verbiedt het zich «geluidhinderlijk» te gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. «Geluidhinderlijk gedragen» is niet alleen het (hard) rondrijden of snel optrekken, maar bijvoorbeeld ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor of, overbodig getoeter of luide door de geopende ramen schallende muziek. Dit artikel regelt niet het normale verkeer op de weg, zoals dat is geregeld in de Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, maar het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden. Daarom is dit artikel geplaatst in afdeling 4 (maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade) van hoofdstuk 2 van de Apv.
Het invoeren en handhaven van dit artikel staat niet op zichzelf, maar moet worden bezien in relatie tot andere maatregelen zoals ingrepen in de buitenruimte, zoals het plaatsen van snelheidsremmers, het verlagen van de maximumsnelheid naar 30 kilometer per uur en communicatiecampagnes om veroorzakers van «geluidhinderlijk» gedrag te attenderen op de overlast en hinder die zij veroorzaken (vgl. het door uw raad op 26 juni 2025 vastgestelde Actieplan verkeersveiligheid Alkmaar, p. 34). IV. Harddrugsverbod In de voortgangrapportage messenverbod en verbod openlijk harddrugsgebruik van 15 april 2025 is te kennen gegeven dat de mogelijkheid wordt onderzocht om in de Apv een harddrugsverbod voor heel Alkmaar op te nemen. Het nieuwe tweede lid van artikel 2:51 de Apv voorziet – in lijn met het advies van de politie – in een harddrugsverbod voor heel Alkmaar. Voor softdrugs (lachgas) blijft het op grond van het derde lid van artikel 2:51 mogelijk om de burgemeester gebieden te laten aanwijzen waar dit verboden is. V. Tabaksrookverbod Aanleiding om het tabaksrookverbod in de Apv op te nemen is een aanvulling op de verdere bewustwording over gezond gedrag bij jong en oud en verder toe te werken naar een rookvrije generatie. Het rookverbod moet bijdragen aan het voorkomen dat jongeren gaan roken of vapen. Bij jongeren geldt immers dat zien roken, doet roken.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
3
Tabaks- en rookwarenwet volgt uitdrukkelijk dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft om bij verordening regels te stellen over rookverboden (Kamerstukken II 2019/20, 35 504, nr. 3, p. 8-10). Het tabaksrookverbod houdt via een gebiedsaanwijzing een verbod in op het roken van tabaksproducten en elektronische sigaretten in de nabijheid van een gebouw met een publieke of openbare functie, niet zijnde een openbare inrichting. De rechthebbende van zo’n gebouw kan het college verzoeken om een gebiedsaanwijzing. Op verzoek van bijvoorbeeld een schoolbestuur kan een gebied net buiten het schoolterrein worden aangewezen waar niet mag worden gerookt of gevapet. Hiermee kan worden voorkomen dat net buiten de hekken van een onderwijsgebouw wordt gerookt of gevapet, omdat op onderwijsterreinen al een landelijk rookverbod geldt. Als jongeren toch willen roken of vapen dan zullen ze zich dus (nog) verder af van het schoolterrein moeten bewegen. Daarmee wordt het roken (nog) meer ontmoedigd (men moet er verder voor lopen) en wordt het roken (meer) uit het gezichtsveld van andere jongeren onttrokken. De aanvrager van de gebiedsaanwijzing draagt zorg voor een juiste uitvoering en het naleven van het rookverbod.
Een dergelijke aanwijzing geeft bijvoorbeeld het schoolbestuur de bevoegdheid om te kunnen optreden tegen overtreding van het rookverbod (anders dan alleen maar vriendelijk verzoeken om dit niet te doen). Uitvoering van deze maatregel heeft vooralsnog dan ook geen effect op de toezicht- en handhavingscapaciteit van de gemeente. Kanttekeningen en alternatieven 1.
Het niet actueel houden van de Apv leidt tot onhandigheden en onduidelijkheden.
Niet alleen de gemeente zelf, maar ook haar inwoners en ondernemers zijn gebaat bij regelgeving die wordt aangepast aan nieuwe wetgeving, rechtspraak en andere maatschappelijke ontwikkelingen. Verouderde regelgeving is niet in het belang van inwoners en ondernemers en levert daarnaast voor de gemeente een risico op bij eventuele juridische procedures.
Financiële aspecten Dit voorstel heeft geen financiële gevolgen.
Vervolg en communicatie De Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening wordt gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad en treedt in werking op de dag na het bekendmaken daarvan. In de digitale regelingenbank is vervolgens de volledige en actuele versie van de Algemene plaatselijke verordening terug te vinden.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
4
Bijlagen 1.
Transponeringstabel Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening
Burgemeester en wethouders van Alkmaar, mw. drs. A.M.C.G. Schouten, burgemeester
dhr. R.M. Reus MPM, gemeentesecretaris
Collegevergadering: 23 september 2025
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
5
VERORDENING Nr. De raad van de gemeente Alkmaar; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2025; gelet op het advies van de commissie Bestuur en middelen van 2 december 2025; de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; overwegende dat om de Algemene plaatselijke verordening actueel, bruikbaar en handhaafbaar te houden het noodzakelijk is om technische verwijzingen en de weeffout over het verbod om te slapen op of aan de weg te herstellen, een aanbeveling van de Rekenkamer Alkmaar over de indieningstermijn voor een zogenoemd a-evenement uit te voeren, de bevoegdheid van de burgemeester om voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten aan te scherpen en strafbepaling voor wat betreft de strafmaat te harmoniseren en het daarnaast wenselijk is om een vergunningplicht voor afhaal-/bezorgzaken, een verbod
op
gezichtsbedekkende
kleding
bij
samenscholing,
een
geluidhinderverbod
voor
motorvoertuigen en bromfietsen, een harddrugsverbod en een tabaksrookverbod in de nabijheid van openbare gebouwen in te voeren; besluit vast te stellen de Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening Artikel I
Wijzigen verordening
De Algemene plaatselijke verordening wordt als volgt gewijzigd: A Het tweede lid van artikel 1:3 komt te luiden: 2. Een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2:10 voor een a-, b- of c-evenement wordt ingediend uiterlijk tien, veertien of achttien weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft. B In artikel 1:8 wordt «acht weken» vervangen door: tien weken. C In artikel 2:1 wordt onder vernummering van het vierde, vijfde en zesde lid tot het vijfde, zesde en zevende lid, na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
6
4. Het is verboden op een openbare plaats, openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren. D Onderdeel b van het eerste lid van artikel 2:19 komt te luiden: b. openbare inrichting: 1º. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, sportkantine of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder openbare inrichting wordt ook verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden, 2º. een afhaal- en/of bezorgzaak, waaronder wordt verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekke bereide en voor directe consumptie geschikte eetwaren of dranken plegen te worden verstrekt; E In artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder a, wordt «artikel 2:19» vervangen door: artikel 2:20. F Na artikel 2:38a wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2:38b
Slapen op of aan de weg
1. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daarvoor gelegenheid te bieden. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor een vaartuig waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3:3 van de Verordening fysieke leefomgeving is verleend of als de Beleidsregel inzake vissend overnachten aan het water van toepassing is. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid. G Na artikel 2:45 wordt een artikel ingevoerd, luidende: Artikel 2:45a
Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden zich op de weg met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat. H Artikel 2:51 wordt als volgt gewijzigd:
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
7
1. Het tweede lid komt te luiden: 2. Het is verboden op een openbare plaats, het openbaar water of in een voertuig of vaartuig middelen als bedoeld in de artikel 2 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, of voorbereidingen daartoe te verrichten of voor dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats, het openbaar water of in een voertuig of vaartuig middelen als bedoeld in de artikel 3 van de Opiumwet of daar op gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, of voorbereidingen daarvoor te verrichten. I Artikel 2:55 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf. 2. Na het tweede lid worden twee leden toegevoegd, luidende: 3. Op aanvraag kan de burgemeester een sluiting opheffen wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.
Op de aanvraag om opheffing van de sluiting is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. J In artikel 4:3, tweede lid en onder b, wordt «artikel 2:9» vervangen door: artikel 2:10. K Na artikel 4:4 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 4:5
Tabaksrookverbod in de directe nabijheid van een gebouw met een publieke of openbare functie, niet zijnde een openbare inrichting
1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tabaksproducten te roken of de damp van elektronische sigaretten of elektronische sigaretten zonder nicotine te consumeren. 2. Een rechthebbende van een gebouw met een publieke of openbare functie, niet zijnde een openbare inrichting, kan bij het college een verzoek indienen tot het opnemen van een bepaald gebied in een aanwijzingsbesluit.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
8
3. Bij het toewijzen van het verzoek, als bedoeld in het vorige lid, draagt de rechthebbende zorg voor een juiste uitvoering en het toezicht op het naleven van het verbod. L Artikel 5:1 komt te luiden: Overtreding van het bij of krachtens het bepaalde in deze verordening opgenomen artikelen, uitgezonderd artikel 2:3 of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, de artikelen 2:47 en 2:48 en artikel 4:5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. M Aan artikel 5:5 worden twee leden toegevoegd, luidende: 5. Artikel 2:20, eerste lid, van deze verordening is niet van toepassing op het exploiteren van afhaalen/of bezorgzaak, die voor 1 januari 2026 al in de gemeente Alkmaar is gevestigd tijdens de periode tot 1 januari 2027. 6. Een afhaal- en/of bezorgzaak die voor 1 januari 2026 al in de gemeente Alkmaar is gevestigd, betaalt geen leges voor het aanvragen van een vergunning als voor 1 januari 2027 een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening is aangevraagd. N Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onder verlettering van de onderdelen e tot en met i tot f tot en met j wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: e. de Beleidsregel inzake vissend overnachten aan het water op artikel 2:38b van deze verordening; 2.
Onder verlettering van de onderdelen i en j (nieuw) tot j en k wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: i. het Besluit van de burgemeester van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent het verbod op gebruik lachgas op openbare plaatsen op artikel 2:51, derde lid, van deze verordening; Artikel II
Inwerkingtreding
1. Deze verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening treedt in werking op de dag na het bekendmaken daarvan. 2. In afwijking van het eerste lid treden de onderdelen D en M in werking op 1 januari 2026. De raad van Alkmaar, 11 december 2025 mw. drs. A.M.C.G. Schouten, burgemeester
mw. mr. V.H. Hornstra, griffier
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
9
Toelichting Verordening tot het wijzigen van de Algemene plaatselijke verordening Algemeen De Algemene plaatselijke verordening (Apv) moet een adequaat juridisch instrument blijven om ongewenst gedrag tegen te gaan of te reguleren. Het periodiek aanpassen van de Apv is nodig om te voorkomen dat de verordening gaat achterlopen bij rechtspraak, nieuwe wetgeving en andere maatschappelijke ontwikkelingen. Deze verordening heeft dan ook tot doel om de Apv actueel te houden. Artikelsgewijs A (artikel 1:3) en B (artikel 1:8) Eind 2024 heeft de Rekenkamer Alkmaar haar onderzoeksrapport naar het verlenen van vergunningen voor evenementen gepubliceerd. Een van de aanbevelingen (aanbeveling 6) uit dit onderzoek is om te onderzoeken of het mogelijk is om voor een zogenoemd a-evenement de uiterste indieningstermijn uit te breiden naar tien weken. Omdat dit kan heeft het college deze aanbeveling overgenomen. Met deze wijziging wordt hierin voorzien. De wijziging van artikel 1:8 hangt samen met de wijziging van het tweede lid van artikel 1:3. C (artikel 2:1) Vierde lid Met het verbod in het vierde lid kan worden opgetreden tegen voorwerpen en stoffen waarvan het aannemelijk is dat die aanwezig zijn of zijn meegebracht om gebruikt te worden bij verstoringen van de openbare orde. Hierbij valt te denken aan een (bivak)muts, masker, sjaal, verzwaarde handschoen, tok of sportbitje.
Dit soort voorwerpen worden steeds vaker gebruikt door ordeverstoorders omdat tegen het bezit niet kan worden opgetreden door de politie. Dit wordt niet alleen geconstateerd rond voetbalwedstrijden, maar ook bij rellen/ongeregeldheden op andere plaatsen in de stad. Door het niet kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit soort voorwerpen of stoffen in verdachte omstandigheden is het mogelijk dat wangedrag, ook in anonimiteit, kan worden gepleegd. Met deze verbodsbepaling wordt dan ook beoogd om de politie alsnog effectief en doelmatig handhavend te kunnen laten optreden. Omdat het vierde lid onderdeel uit maakt van het artikel dat gaat over samenscholing geldt het verbod alleen als sprake is van een samenscholing. Het is essentieel om de juridische contouren en de reikwijdte van betogingen en samenscholingen niet door elkaar heen te laten lopen. Een samenscholing is immers geen betoging, waarbij het gaat om «het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied” (vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 6). Anders gezegd, handhaving van dit verbod is gericht op risicovolle evenementen (o.a. voetbal) of situaties met signalen voor ongeregeldheden. De politie is deskundig om te bepalen wanneer hiervan sprake is. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van een betoging.
Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden; verwezen wordt naar de toelichting op het vijfde lid (oud). Daar wordt nog
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
10
aan toegevoegd dat de burgmeester op grond van de Wet openbare manifestaties eigen bevoegdheden heeft om ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden gezichtsbedekkende kleding te verbieden (vgl. de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7126, r.o. 11.2, Kamerstukken II 2024/25, 34 324, nr. 36, p. 2 en Kamerstukken I 2019/20, 34 349, O, p. 5). D (artikel 2:19) en M (artikel 5:5) Artikel 2:19, eerste lid, onderdeel b en onder 1º en 2º In de Apv wordt het begrip «openbare inrichting» gebruikt. Omdat het begrip «openbare inrichting» geen vaststaand begrip is en er regelmatige nieuwe ondernemingsvormen ontstaan, is de invulling van dit begrip naar de tijdsgeest en in lijn met de ontwikkelingen aangepast. Daarom wordt een onderscheid gemaakt tussen de zogenoemde «natte en droge horeca» en «afhaal- en/of bezorgzaak». Het eerste lid, onderdeel b en onder 1º, is de voortzetting van het oude onderdeel b. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, hebben – naast een Alcoholwetvergunning – een exploitatievergunning nodig. Deze vergunningplichtige bedrijven zijn de zogenoemde natte horeca.
Het kan voorkomen dat geen Alcoholwetvergunning nodig is, omdat niet-alcoholhoudende drank of zwak-alcoholische drank wordt verstrekt voor gebruik ergens anders of dat rookwaar wordt verstrekt. Deze zogenoemde droge horeca is ook exploitatievergunningplichting. Dit betekent onder meer dat coffeeshops en shisha lounges onder deze vergunningplicht vallen. In deze afdeling worden coffeeshops en shisha lounges dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn er geen bijzondere bepalingen over coffeeshops en shisha lounges opgenomen. Opgemerkt wordt dat op grond van de Opiumwet de handel in drugs is verboden. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond van deze verordening daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat over coffeeshops en shisha lounges – vanwege de effecten die deze openbare inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde – wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning verplicht te stellen als het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie van een koffiehoek. Als het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is geen vergunning nodig.
De opsomming onder «1º» zal nooit volledig zijn omdat geregeld nieuwe horecaconcepten worden bedacht: cruciaal is dat het gaat om het bedrijfsmatig of in een mate alsof het bedrijfsmatig is dranken worden geschonken en spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte. De ondernemingsvorm «afhaal- en/of bezorgzaak» is in de laatste jaren, met name sinds de coronaperiode, in populariteit toegenomen. Deze zaken zijn nauw verwant aan horecazaken, die voor de exploitatie ook een vergunning nodig hebben. Afhaal- en bezorgzaken zijn daarom te kwalificeren als openbare inrichtingen. In het eerste lid, onderdeel b en onder 2º, is de categorie «afhaal- en/of bezorgzaak» toegevoegd om deze categorie onder de exploitatievergunningplicht te laten vallen. Door de vergunningplicht ontstaat meer sturing aan de voorkant, waarbij de burgemeester kan toetsen of een «afhaal- en/of bezorgzaak» zich in Alkmaar kan vestigen. Zo wordt meegenomen of de «afhaal-
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
11
en/of bezorgzaak» zich verdraagt met het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid. Ook kunnen aan de voorkant voorschriften aan de vergunning worden verbonden, zoals bijvoorbeeld dat altijd een leidinggevende aanwezig dient te zijn. Ook worden exploitanten en leidinggevenden getoetst op hun levensgedrag en doorlopen zij een Bibob-toets. Dit is belangrijk omdat een leidinggevende de verantwoordelijkheid draagt en zeggenschap heeft in de openbare inrichting, en daarmee een belangrijke rol vervult in hoe het woon- en leefklimaat en de openbare orde wordt beïnvloed. Met een vergunningplicht ontstaan mogelijkheden waarmee effectiever kan worden ingegrepen als dat nodig is. Verder werkt de vergunningplicht preventief tegen de vestiging van ondermijningscriminaliteit in Alkmaar. Een «afhaal- en/of bezorgzaak» die wordt gestart om de reden dat deze ondernemingsvorm in Alkmaar niet hoeft te voldoen aan de vergunningsvereisten, die wel gesteld worden bij de vestiging van bijvoorbeeld een cafetaria of restaurant, wordt ontmoedigd, doordat voortaan dezelfde vereisten voor alle openbare inrichtingen gelden. Een vergunningsplicht draagt dan ook bij aan het verbeteren van het ondernemersklimaat van bonafide ondernemers in Alkmaar.
Zij hebben baat bij het invoeren van de vergunningplicht, omdat oneerlijke concurrentie van zaken die de branche besmetten, kunnen worden geweerd of als zij de openbare orde verstoren effectief kunnen worden aangepakt. Door de mogelijkheid om aan de voorkant beter te toetsen en aan de achterkant effectiever op te treden, worden oneerlijke ondernemers of ondernemers die de openbare orde en veiligheid verstoren, geweerd. Dit betekent ook dat de eerlijke ondernemer geen oneerlijke concurrentie heeft. In artikel 5:5 is overgangsrecht opgenomen. Een «afhaal- en/of bezorgzaak» die voor 1 januari 2026 in Alkmaar is gevestigd heeft een jaar de tijd om legesvrij een aanvraag voor een exploitatievergunning in te dienen. Bij het bepalen wanneer een «afhaal- en/of bezorgzaak» zich in Alkmaar heeft gevestigd is het handelsregister leidend. F (artikel 2:38b) Het verbod in dit artikel heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast. In het bijzonder gaat het om het voorkomen van brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij.
Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel in de concrete situatie proportioneel is. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van herhaling (recidive). Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats of het plaatsen van een tent tijdens het nachtvissen bestaan afzonderlijke voorschriften. Voor dit laatste is via onderdeel J een regeling getroffen. G (artikel 2:45a) Verkeerslawaai komt in veel vormen voor, zoals bijvoorbeeld knetterende brommers, met piepende banden en veel motorgeraas accelererende auto’s (uitlaatlawaai), toeterend rondrijdende stoeten om uiting te geven aan een of andere feestelijkheid, bonkende muziek uit een tot rondrijdende disco omgebouwde auto. Allerlei geluiden die voor ergernis kunnen zorgen en door velen als geluidhinder worden ervaren.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
12
Dit artikel verbiedt het zich «geluidhinderlijk» gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. «Gedragen» is niet alleen het (hard) rondrijden of snel optrekken, maar bijvoorbeeld ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor of, overbodig getoeter of luide door de geopende ramen schallende muziek. Dit artikel regelt niet het normale verkeer op de weg, zoals dat is geregeld in de Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV), maar het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden (zie de arresten van de Hoge Raad van 21 juni 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4668, NJ 1966, 416 en van 13 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC3085, NJ 1979, 38 (Alkmaar)). Daarom is dit artikel geplaatst afdeling 4 (maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade) van hoofdstuk 2 van de Apv. Gelet op deze rechtspraak is dit artikel niet in strijd met de artikelen 28 (signalen) en 57 (onnodig geluid) van het RVV; dit betekent dat de politie ook op grond van artikel 57 van het RVV kan verbaliseren.
Het invoeren en handhaven van dit artikel staat niet op zichzelf (onder meer omdat toepassing van dit artikel beperkt blijft tot “heterdaadjes”), maar moet worden bezien in relatie tot andere maatregelen zoals ingrepen in de buitenruimte, zoals het plaatsen van snelheidsremmers en het verlagen van de maximumsnelheid naar 30 kilometer per uur en communicatiecampagnes om veroorzakers van «geluidhinderlijk» gedrag te attenderen op de overlast en hinder die zij veroorzaken (vgl. het Actieplan verkeersveiligheid Alkmaar van 21 mei 2025, p. 34). Onderwerpen die gaan over het reguleren van gedrag van personen in de openbare ruimte, die een sterk persoonsgebonden (en niet-zaaksregelateerd) karakter hebben die ook een motief hebben de openbare orde – in de zin van de door het gemeentebestuur gewenste gereguleerde normale gang van zaken van het gemeenschapsleven in, aan en zichtbaar vanaf de openbare ruimte – en veiligheid te beschermen, komen in het algemeen niet in aanmerking om in het omgevingsplan te worden geregeld (vgl. Kamerstukken II 2014–2015, 33 962, nr. 23, p. 55 en Kamerstukken I, 2015–2016, 33 962, E, p. 6566). Het oogmerk van dit artikel is het tegengaan van de geluidhinder veroorzaakt door een motorvoertuig of bromfiets en ziet daarmee op het voorkomen dat de rust wordt verstoord. Het gaat dan om rust als onderdeel van de openbare orde.
Dit artikel hoort daarom thuis in de Apv, en is geen regel die in het omgevingsplan moet worden opgenomen (zie uitdrukkelijk VNG, Handreiking APV en omgevingsplan, VNG: Den Haag 2023, p. 30-31). H (artikel 2:51) Tweede lid Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Met het tweede lid wordt openlijk harddrugsgebruik in de hele gemeente verboden ter bescherming van de openbare orde en voorkoming van overlast. Aanleiding om in eerste instantie op grond van een gebiedsaanwijzing door de burgemeester een openlijk harddrugsverbod in de binnenstad in te stellen waren de signalen vanuit de politie dat er vaker openlijk harddrugs gebruikt wordt in de openbare ruimte en dat dit steeds vaker als ‘normaal’ gezien wordt. De politie zag een directe link tussen (openlijk) drugsgebruik en agressie en geweldsincidenten tijdens het uitgaan en bij incidenten waar dak- en thuislozen bij zijn betrokken. Dit had een negatief effect op de openbare orde en veiligheid. Sinds de inwerkingtreding van deze gebiedsaanwijzing op 7 maart 2024 heeft de politie veertien keer een boete uitgeschreven voor openlijk harddrugsgebruik. Door de politie wordt de mogelijkheid om
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
13
verbaliserend op te treden tegen het openlijk drugsgebruik als zinvol ervaren. Door verbaliserend op te treden, wordt lik-op-stuk toegepast op het openlijk drugsgebruik. De politie ziet begrip bij de personen die bekeurd worden voor het openlijk drugsgebruik. Ook ziet de politie dat burgers die getuige of melders zijn van openlijk drugsgebruik, content zijn met het optreden van de politie. Het openlijk drugsgebruik wordt hierdoor ontmoedigd en de normalisering van drugsgebruik wordt hierdoor tegengegaan. De politie heeft de burgemeester geadviseerd om de gebiedsaanwijzing te verlengen en uit te breiden. Dit heeft op 27 maart 2025 geleid tot een nieuwe aanwijzing met een groter gebied. Daarnaast heeft de politie geadviseerd om bij voorkeur heel Alkmaar aan te wijzen met een verbod op openlijk harddrugsgebruik. Om een eventueel waterbedeffect tegen te gaan en (dus) te voorkomen dat openlijk harddrugsgebruik zich verplaatst naar niet-aangewezen gebieden, ligt het voor de hand om openlijk harddrugsgebruik in de hele gemeente te verbieden ter bescherming van de openbare orde en voorkoming van overlast. Ook speelt mee dat met het aanwijzen van de hele gemeente discussie wordt voorkomen waar precies de grenzen van de gebiedsaanwijzing zijn.
De gebiedsaanwijzing voor openlijk harddrugsgebruik wordt inwerkingtreding van dit lid ingetrokken, omdat het verbod op openlijk harddrugsgebruik dan direct volgt uit de Apv. Derde lid Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Met het derde lid kan openlijk softdrugsgebruik en het gebruik van lachgas (dat sinds 1 januari 2023 een softdrug is) in door de burgemeester aan te wijzen gebieden worden verboden ter bescherming van de openbare orde en voorkoming van overlast. Om te zorgen dat het «besluit van de burgemeester van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent het verbod op gebruik lachgas op openbare plaatsen» (Gemeenteblad 2021, 257542) van kracht blijft is daarvoor in onderdeel J een regeling getroffen. Verhouding tot de Opiumwet De Opiumwet stelt landelijk regels over harddrugs (uiteengezet in lijst I) en softdrugs (uiteengezet in lijst II). Het is verboden om harddrugs en softdrugs binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben en te vervaardigen (artikelen 2 en 3 van de Opiumwet). De Opiumwet heeft tot doel de publieke gezondheid te beschermen. Bovendien stelt de Opiumwet het gebruik niet strafbaar.
“Het is niet de bedoeling aan de term ‘aanwezig hebben’ een zo ruime uitleg te geven dat daaronder ook ‘gebruik’ valt” (Kamerstukken II, 1975/76, 13 407, nr. 7, p. 2). Het tweede en derde lid dupliceren de Opiumwet niet en kennen een ander motief: handhaving van de openbare orde; het bestrijden van de overlast en hinder die mensen ondervinden van het openlijk gebruik van drugs. Beide regels kunnen dus naast elkaar blijven bestaan (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3031 en van 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3328). I (artikel 2:55) Tweede lid De burgemeester kan met het tweede lid optreden als in of rondom een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woonen leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij (het
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
14
faciliteren van) strafbare feiten zoals illegaal gokken, als er door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn of zijn verworven of overgedragen, de aanwezigheid van een (vuur)wapen, bij herhaaldelijke of ontoelaatbare overlast zoals geruzie en intimidatie in of vanuit een winkel of bij het herhaaldelijk overtreden van de regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Alcoholwet, de Apv of de aan de vergunning verbonden voorschriften. Ook bij ernstige geweldsincidenten die een verhouding hebben met een voor een publiek openstaand gebouw is het voor de burgemeester noodzakelijk om op te treden en de openbare orde of het woon- en leefklimaat te herstellen. Bij een dergelijk incident, zoals een vechtpartij, kan de burgemeester overgaan tot een (spoed)sluiting (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1131). Bij acute en concrete dreiging voor de openbare veiligheid en gezondheid waarbij onmiddellijk moet worden ingegrepen, kan alleen op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet worden overgegaan tot sluiting (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699, r.o. 3.2). Bij de besluitvorming moet de burgemeester motiveren waarom de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenredig is.
Verhouding tot andere sluitingsbevoegdheden Het tweede lid is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de Apv of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende openbare inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a van de Gemeentewet te sluiten. Sluiting is geen strafmaatregel Sluiting is een bestuurlijke maatregel. Een sluiting is gericht op het beschermen of herstellen van de openbare orde en heeft niet (ook) een bestraffend karakter (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1284, r.o. 8.1-8.2). Dit neemt niet weg dat de waarborgen van artikel 6 van het EVRM van toepassing zijn als de sluiting (ook) is gebaseerd op verdenking van strafbare feiten. Om dat te voorkomen mag geen vaststelling van schuld plaatsvinden en mag van die schuld ook niet worden uitgegaan; alleen dan is sluiting geen «criminal charge» als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699, r.o. 4.1). Derde en vierde lid Het derde lid van dit artikel biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op verzoek van een belanghebbende op te heffen.
De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het pand zijn gewaarborgd. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot het sluiten van het pand. De sluitingsbevoegdheid heeft betrekking op dienstverrichters. Omdat de Dienstenrichtlijn en Dienstenwet van toepassing zijn, zou zonder nadere regeling het niet tijdig beslissen op een in het derde lid bedoelde aanvraag tot opheffing van de sluiting van rechtswege leiden tot een positieve beslissing op de aanvraag. Gelet op de ernst van de maatregel in het belang van bescherming van de openbare orde of het woon- of leefklimaat, is dit onwenselijk. Daarom is in het vierde lid paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing verklaard.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
15
J (artikel 4:3) Het betreft een juridisch-technische wijziging waarbij een juiste verwijzing wordt opgenomen. K (artikel 4:5) Uit de geschiedenis van de totstandkoming van Tabaks- en rookwarenwet volgt dat verschillende maatregelen kunnen worden genomen om delen van de openbare ruimte rookvrij te maken, bijvoorbeeld door het aanwijzen en instellen van rookvrije zones, wel of niet rondom een plek of gebouw dat al rookvrij is. Hierbij is een onderscheid te maken tussen het instellen van rookvrije zones met feitelijk, informele maatregelen, het instellen van rookvrije zones met hulp van huisregels en het opnemen van rookverboden in een verordening (Kamerstukken II 2019/20, 35 504, nr. 3, p. 7-8). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van Tabaks- en rookwarenwet volgt verder uitdrukkelijk dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft om bij verordening regels te stellen over rookverboden (Kamerstukken II 2019/20, 35 504, nr. 3, p. 8-10). Het is dus mogelijk om op bepaalde plaatsen in de openbare ruimte een rookverbod in te stellen als aanvulling op de rookverboden als bedoeld in artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet; daarom is in deze bepaling aangesloten bij wat de Tabaks- en rookwarenwet onder «rookverbod» verstaat. De gemeenteraad kan niet het roken in de open lucht in of bij gebouwen en inrichtingen die zijn genoemd in artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet verbieden.
Die regeling doorkruist artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit. Anders gezegd, op grond van het eerste en tweede lid kan bijvoorbeeld een gebied dat direct buiten het hek van een onderwijsinstelling is gelegen worden aangewezen als gebied waar niet mag worden gerookt. De juridische grondslag voor deze aanwijzing doorkruist de Tabaks- en rookwarenwet niet, omdat het gaat over gebied waarover de Tabakswet geen regels stelt. Algemene plaatselijke verordening of omgevingsplan? De Omgevingswet is niet bedoeld om te sturen op gedrag dat ongezond is, maar op activiteiten die via de
fysieke
leefomgeving
gevolgen
kunnen
hebben
op
het
gebied
van
gezondheid
of
omgevingskwaliteit. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit moeten regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarbij is van belang dat het «wijzigen» van de fysieke leefomgeving niet hetzelfde is als het «gebruiken» daarvan. Bij het «wijzigen» gaat het om directe fysieke ingrepen door de mens die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen (Stb. 2020, 400, p. 1702 (Invoeringsbesluit Omgevingswet)). Het «wijzigen» is geen omstandigheid die van korte duur is en de activiteit moet ook specifiek zijn gericht op het tot stand brengen van de wijziging (zie VNG, Handreiking APV en omgevingsplan, VNG: Den Haag 2023, p. 11). Dit betekent dus dat als een activiteit – roken in de openbare ruimte – de wijziging van de fysieke leefomgeving niet beoogt, het niet verplicht is dit in het omgevingsplan op te nemen (Stb. 2020, 400, p. 1702). Hierbij geldt verder dat het veroorzaken van emissies – zoals rookwaren – niet valt onder het wijzigen van de fysieke leefomgeving, omdat emissies naar de lucht geen tastbare wijzigingen zijn (Stb. 2020, 400, p. 1107 en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (vzr) van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1047). Uit het voorgaande wordt de conclusie getrokken dat het rookverbod niet thuis hoort in het omgevingsplan.
Rookverbod in de Apv Aanleiding om het tabaksrookverbod in de Apv op te nemen is een aanvulling op de verdere bewustwording over gezond gedrag bij jong en oud en verder toe te werken naar een rookvrije generatie. Het rookverbod moet bijdragen aan het voorkomen dat jongeren gaan roken of vapen. Bij jongeren geldt immers dat zien roken, doet roken.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
16
Met het tabaksrookverbod kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat net buiten de hekken van een onderwijsgebouw wordt gerookt of gevapet, omdat op onderwijsterreinen al een landelijk rookverbod geldt sinds 2020 (artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet). Op verzoek van een rechthebbende van een onderwijsgebouw kan een zone rondom het onderwijsterrein worden aangewezen waar niet mag worden gerookt of gevapet. Een dergelijke aanwijzing geeft het schoolbestuur de bevoegdheid om te kunnen treden tegen overtreding van het rookverbod (anders dan alleen maar vriendelijk verzoeken om dit niet te doen). Als jongeren toch willen roken of vapen dan zullen ze zich dus (nog) verder af van het schoolterrein moeten bewegen. Daarmee wordt het roken (nog) meer ontmoedigd (men moet er verder voor lopen) en wordt het roken (meer) uit het gezichtsveld van andere jongeren onttrokken. De beoordeling van het verzoek om een gebied aan te wijzen is maatwerk. De rechthebbende draagt op grond van het derde lid de zorg voor een juiste uitvoering en het naleven van het rookverbod. De rechthebbende financiert zelf de borden, tekens, etcetera om te laten zien dat het verbod geldt.
De inzet van de aanvrager van het verbod, duidelijke bebording en gezond verstand van betrokkene moet het mogelijk maken dat het uitvoeren van deze maatregel vooralsnog dan ook geen effect heeft op de toezicht- en handhavingscapaciteit van de gemeente. L (artikel 5:1) Volgens artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen, niet zijnde andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie (de strafmaat). Hieruit volgt dat de formele wetgever aan de gemeentelijke wetgever de keuzemogelijkheid heeft gelaten om op overtreding van gemeentelijke verordeningen een geldboete te stellen van de tweede categorie of van de eerste categorie. Aldus kan de raad bepalen welke overtredingen hij van zwaardere aard en welke overtredingen hij van lichtere aard acht. Dit doet niets af aan de vrijheid van de strafrechter om binnen de door de (Gemeente)wet gestelde grenzen de soort en de maat van de straf in een concreet geval te bepalen. Tot de grens van de door de gemeentelijke wetgever gekozen geldboetecategorie zal de strafrechter dus steeds de straf in het concrete geval moeten bepalen. Bij het bepalen van de straf houdt de rechter rekening met de draagkracht (artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht).
Op grond van signalen vanuit de praktijk en dat wat in andere (buur)gemeenten is bepaald, wordt er nu voor gekozen om de strafmaat voor het overtreden van de Apv te bepalen op hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Ieder soort delict kan namelijk onder bepaalde omstandigheden worden gepleegd, dat een geldboete van meer dan de eerste categorie (€ 515,-; prijspeil 1 januari 2024) in de rede ligt. Het komt wel eens voor dat de strafrechter de behoefte heeft om bij bepaald hinderlijk gedrag een geldboete van de tweede categorie (€ 5.150,-; prijspeil 1 januari 2024) op te leggen terwijl dat (nog) niet mogelijk is. Deze wijziging voorziet in de mogelijkheid om toch een geldboete van ten hoogste de tweede categorie op te leggen. In plaats van een geldboete van ten hoogste de tweede categorie is het op basis van artikel 5:1 ook mogelijk om voor genoemde overtredingen een hechtenis te eisen van ten hoogste drie maanden. Hierdoor wordt aan het Openbaar Ministerie de keuze gelaten om in plaats van een geldboete hechtenis
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
17
te vorderen. Het is immers weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. In zo’n geval kan hechtenis meer helpend zijn voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang. De rechter bepaalt de hoogte van de straf. Door ook overtreding van het bij of krachtens de verordening bepaalde met straf te bedreigen, wordt ook het niet naleven van door het college krachtens delegatie door de raad gestelde nadere regels bestempeld tot strafbaar feit. De strafbaarstelling van overtreding van de door het college gestelde nadere regels moet immers steunen op de verordening die door de raad is vastgesteld. Ook het niet nakomen van de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften wordt door het gebruik van de term "krachtens" een strafbaar feit. Bepalingen die zien op overtreding van de (voorschriften van de) Wet openbare manifestaties (artikel 2:3) en de bepalingen die zien op de bestrijding van heling (artikelen 2:47 en 2:48), zijn uitgezonderd. De reden is dat de strafbaarstelling van overtreding hiervan is geregeld in bijzondere (formele) wetten.
wijzigen Algemene plaatselijke verordening (Apv)
18