CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel verordening Jeugdhulp 2026

Gemeenteraad 2 maart 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp 202642.555 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

35

b.

c.

Als de gemeente al een dossier heeA van de jeugdige of zijn ouder(s) , en de jeugdige of zijn ouder(s) geven toestemming om dit dossier te gebruiken dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) kan afzien van een gesprek. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) van het gesprek worden afgezien. De huisarts, jeugdarts en medisch specialist mogen zelf toegang geven tot specialisFsche jeugdhulp. Dat staat in de Jeugdwet. Zij hoeven niet met de toegang te overleggen.

Artikel 3.5 Het gesprek en onderzoek voor een beoordeling We hebben er bewust voor gekozen om niet vast te leggen hoe het gesprek gevoerd wordt. Dat zou de jeugdige, de ouder(s) én de professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat de onderwerpen van gesprek moeten zijn. Uiteraard gelden bij de gesprekken de eisen van de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Ook voeren de professionals de gesprekken volgens de professionele standaarden. Die heeft de beroepsgroep zelf opgesteld. Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een stappenplan opgesteld om te borgen dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd: 1.

2.

3.

4.

5.

Stel allereerst vast wat de eigenlijke hulpvraag is, Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stel vervolgens vast welke problemen er zijn en breng deze in kaart, Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stel daarna vast welke hulp nodig is en in welke mate die nodig is, De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stel tot slot vast welk aandeel de ouder(s) of het sociale netwerk in de hulp kunnen hebben.

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

36

Het vierde punt gaat over de ‘de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen’ van jeugdigen en ouder(s) (zie artikel 2.3 Jeugdwet). Kort gezegd: eigen kracht. Als vastgesteld is dat de ouder(s) of het sociale netwerk niet zelf de hulp kunnen bieden, moet de gemeente een daarbij passende voorziening voor jeugdhulp toekennen. de beoordeling van ‘eigen kracht’ staat verder uitgewerkt in artikel 4.2. De CRvB geeft helaas geen concrete aanwijzingen over hoe gemeenten de beoordeling van eigen kracht moeten doen. Wel zegt de CRvB dat het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp onderdeel uitmaakt van de beoordeling van eigen kracht. Hoe en aan de hand waarvan de gemeente dit in een individuele situatie beoordeelt moet inzichtelijk zijn voor de hulpvrager. Dit kan verder in de Nadere regels worden uitgewerkt. Lid 2 omvat de onderdelen a. tot en met e. welke de onderwerpen zijn die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouder(s) al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s) voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouder(s) en hun situatie te krijgen.

Procesregie Als een inwoner een vraag of probleem heeA, kan hij of zij op verschillende plekken hulp krijgen. Het risico daarvan is dat hulpverleners dan niet goed van elkaar weten wat ze doen. Daarom kiezen we in onze gemeente voor integrale hulp en ondersteuning. Dit betekent bijvoorbeeld dat er 1 plan komt voor iemand met meer dan 1 probleem op verschillende leefgebieden en over verschillende domeinen( parFcipaFe, wonen, onderwijs, financiën). In het plan kijken we dan hoe de hulp voor de verschillende problemen bij elkaar kan passen. Ons uitgangspunt is: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur( ondersteuningsplan). Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle parFjen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. Het besluit over specialisFsche jeugdhulp volgt uit het ondersteuningsplan. Het cjg voert deze taak samen met verschillende medewerkers vanuit het sociaal domein uit om de problemen aan te pakken, zie artikel 2.3 . Deskundig advies Soms zijn de hulpvraag of problemen ingewikkeld. Het kan dan handig zijn om 1 of meer externe deskundigen in te schakelen. Wanneer dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de jeugdige of ouder(s) en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. Lid 3 stelt dat uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouder(s) en de hulpverlener naar voren kan komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan het cjg ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Lid 4 en lid 5. Van het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en een professional van het cjg over de jeugdhulpvraag wordt een (integraal) onderzoeksplan gemaakt. De verdere inhoud van het (integraal) onderzoeksplan staat in de verordening niet tot in detail beschreven. Regionaal maken gemeenten en de aanbieders samen afspraken over de vorm en de inhoud van het (integraal) onderzoeksplan. Het college heeft de ruimte nadere regels te maken over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

37

Ar#kel 3.6 (integraal) Onderzoeksplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De inhoud van het (integraal) onderzoeksplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek alFjd in het (integraal) onderzoeksplan vastgelegd worden. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het (integraal) onderzoeksplan toe te voegen, voordat de toegang dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Het is belangrijk dat de jeugdhulpaanbieder weet wat de gezinssituatie is. Ook moet de aanbieder weten van de afspraken en de gestelde doelen die in het onderzoeksplan staan. De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk dat de aanbieder deze informatie krijgt. Het cjg of de toegang kan dit ook doen als dat nodig is. Hoofdstuk 4 Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening Artikel 4.1 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.

Belangrijk is dat eerst de problematiek in kaart wordt gebracht en is vastgesteld welke hulp gelet op deze problematiek passend is om aan de jeugdwetdoelen te voldoen. Het uitgangspunt is dat we kijken wat de jeugdige en/of de ouder(s) zelf kunnen doen. Samen met hun sociale netwerk. Daarna kijken we welke vrij toegankelijke voorzieningen er zijn waar ze gebruik van kunnen maken. Is er daarmee niet genoeg om de hulpvraag te beantwoorden? Dan kijken we naar een individuele voorziening. Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun omgeving (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet). In het eerste lid onder d is bepaald dat de inzet van een individuele voorziening een laatste vangnet vormt. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet.

Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Onder lid e wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. Onder lid 1e wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken.

Deze bepalingen bieden het cjg en de toegang ruimte om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest de toegang de goedkoopst adequate voorziening ( lid 2). Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Dit betekent ook dat als de voorziening in de vorm van pgb verstrekt wordt, het pgb-bedrag gebaseerd wordt op de goedkoopst passende voorziening.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

38

De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk om zich op tijd bij de gemeente (cjg) te melden. Doen zij dat later? Dan kan de toegang toch een individuele voorziening toekennen. Daar gelden een aantal voorwaarden bij: a. De jeugdige en/of de ouder(s) moeten nog doelgroep van de Jeugdwet zijn. Dit is zo als de problemen er nog steeds zijn op het moment van het gesprek met de toegang/cjg. b. De toegang moet kunnen beoordelen of de ingeschakelde hulp nodig en passend is. Blijkt bijvoorbeeld dat andere hulp beter was geweest? Dan hoeft het college geen individuele voorziening toe te kennen. c. Als de jeugdige en/of de ouder(s) zich heel laat bij ons melden, is dat hun eigen verantwoordelijkheid. Een periode van 3 maanden lijkt ons redelijk. In het vijfde lid is bepaald dat de individuele voorziening in de vorm van Zorg in natura of een Pgb kan worden verstrekt. Ar#kel 4.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht Dit arFkel geeA uitleg van wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijker (afwegings)kader voor het cjg om afwegingen te maken voor de benodigde jeugdhulp. ArFkel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er met eigen mogelijkheden niet uitkomen.

De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet het college hulp bieden. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situaFe moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeA het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeA, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). Eigen kracht Eigen kracht’ kan verschillende zaken inhouden, zoals: • Het inzetten van vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk; • Mogelijkheden van de ouder zelf. Ouder(s) moeten gemotiveerd aangeven waarom en waardoor ze vast lopen aan de hand van voorbeelden. • Aanspraak kunnen maken op een Aanvullende verzekering Nadat de noodzakelijke hulp voor het gezin in kaart is gebracht door het cjg, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Dit wordt vermeld in het (integraal) onderzoeksplan. Van ouder(s)/verzorgers wordt verwacht dat zij ondersteunen bij de activiteiten die de jeugdige niet kan uitvoeren. Hulp en ondersteuning kan worden ingezet wanneer dit de eigen draagkracht overstijgt. Eigen kracht van ouder(s) is leidend.

Wanneer er problemen zijn in het voldoende kunnen ondersteunen en begeleiden van de jeugdigen, wordt onderzocht of het gezin dit tekort op eigen kracht, dat wil zeggen zonder een (jeugdhulp)voorziening, aan kan. Bij voldoende eigen kracht wordt geen individuele jeugdhulpvoorziening afgegeven; ook niet in de vorm van een Pgb. De begrippen "draagkracht" en "draaglast" sluiten beter aan bij de geest van de Jeugdwet en benadrukken het uitgangspunt van normaliseren. Het geeA een kader voor vragen als: wat kan er van opvoeders zelf verwacht

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

39

worden en wanneer oversFjgt dit de “normale” opvoeding? Het cjg onderzoekt en beoordeeld wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp en wanneer van bovengebruikelijke hulp. Maar ook in welke situaFes er toch sprake is van onvoldoende eigen kracht, ook al er is er in principe sprake van gebruikelijke hulp (dat is het geval als draagkracht en draaglast niet in balans zijn). Ook kan juist de omgekeerde situaFe aan de orde zijn dat er in principe sprake is van bovengebruikelijke hulp, maar doordat de draagkracht en draaglast in balans zijn, er toch voldoende eigen kracht is. De draagkracht en draaglast is dus een onderdeel bij het bepalen van de eigen kracht. Deze begrippen en het afwegingskader worden in de nadere regels nader ingevuld. Artikel 4.3 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de Jeugdige of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De jeugdige of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouder(s) goed en volledig informeert.

In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Artikel 4.4 Verlenging en her indicering Soms krijgt een jeugdige voor een lange tijd specialistische jeugdhulp. Bijvoorbeeld als hij of zij een ernstige beperking heeft. De toegang beoordeelt dan namens het college of de specialistische jeugdhulp door moet gaan. Die beoordeling vindt plaats als sprake is van verlenging. Wanneer procesregie gevoerd wordt vindt de beoordeling plaats tijdens de 1 gezin 1 plan ( ondersteuningsplan) overleggen. Om tijdige voortzetting van de hulpverlening na afloop van een indicatie te kunnen waarborgen dient minimaal acht weken voor afloop van die indicatie een verzoek tot verlenging te worden ingediend. Na ontvangst van het verzoek tot verlenging, met een evaluatierapport of –verslag over de voorliggende periode, zal een herbeoordeling van de hulpverlening plaatsvinden, waarna een besluit zal worden genomen over voortzetting dan wel wijziging van de individuele voorziening, alsmede het volume en de duur van de herindicatie.

Hoofdstuk 5 Individuele jeugdhulpvoorziening via PGB Artikel 5.1 Aanvullende criteria Pgb Lid 2 Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking wil komen voor een Pgb, wordt om een Pgbbudgetplan gevraagd. Het budgetplan Pgb Jeugd vervangt het (integraal) onderzoeksplan niet. Het is een extra bijlage bij het (integraal) onderzoeksplan. In het (integraal) onderzoeksplan staat wat de hulpvraag en gewenste doelresultaten zijn. In het budgetplan staat waarom de jeugdige en/of de ouder(s) een Pgb willen. Ook staan er details in over de kosten. Met het Pgb-budgetplan laat de jeugdige of zijn ouder(s) zien dat is nagedacht over de manier waarop het budget zal worden besteed. Maar belangrijker nog: het vraagt de jeugdige of zijn ouder(s) ook om na te denken over de besteding van het budget dat zij aanvragen. Het Pgb-budgetplan is dus ook een hulpmiddel voor de jeugdige of zijn ouder(s).

In de bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat Pgbbudgetplan om te kunnen beoordelen of aan 1 of meerdere voorwaarden voor het verstrekken van een Pgb is voldaan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

40

men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in dit artikel van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Als het cjg vindt dat de hulp die de betreffende hulpverlener biedt geen passende oplossing is voor de problematiek van de jeugdige of ouder, kan de toegang het Pgb om die reden afwijzen. Let wel: de jeugdige of ouder komt nog steeds in aanmerking voor de benodigde hulp! Alleen niet bij de hulpverlener die hij of zij zelf voor ogen had. Lid 4 De bekwaamheid voor het hebben van een persoonsgebonden budget wordt in samenspraak met de Aanvrager getoetst, maar het oordeel van het cjg is hierin leidend. Hier worden de criteria genoemd aan de hand waarvan wordt beoordeeld of budgethouder/beheerder in staat is om de aan het beheer van een persoonsgebonden budget voortvloeiende taken te kunnen uitvoeren.

Deze zijn afgeleid van de 10 punten uit de 'Kader Pgb-vaardigheid' noemen, ontwikkeld door de VNG en VWS. a.

het doorlopen van het aanvraagtraject: hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder kennis hebben van het Pgb in het sociaal domein. Een budgethouder of budgetbeheerder moet bijvoorbeeld een (her-) indicatie kunnen aanvragen en een (budget-)plan kunnen opstellen; b. inkopen zorg: Hiervoor moet een budgethouder zijn eigen zorgbehoefte kunnen uitdrukken en kennis hebben van het jeugdhulpaanbod. Een budgethouder of budgetbeheerder moet namelijk zelf jeugdhulpbieders zoeken en contracteren; c. goed werkgeverschap: de budgethouder of budgetbeheerder moet kennis hebben van zijn of haar rechten en plichten als werkgever. Activiteiten die vallen onder deze taak zijn onder andere het inwerken van jeugdhulpaanbieders, plannen/roosteren en monitoren of de doelstellingen uit het opgestelde onderzoeksplan behaald worden; d. coördinatie formele of informele jeugdhulpaanbieders: een belangrijke activiteit die onder deze taak valt is het voeren van afstemmingsgesprekken met betrokkenen. Hiervoor is het belangrijk dat de budgethouder of budgetbeheerder communicatief vaardig is; e. administratie voeren: een belangrijk onderdeel van het beheren van een Pgb is de administratie. Hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder financiële vaardigheden hebben zodat deze de facturen kan controleren en het budget kan monitoren.

Verantwoording: Om aan deze taak te kunnen voldoen is het nodig dat een budgethouder of budgetbeheerder kennis heeft van de wetgeving op dat terrein. Lid 5. Recent heeft de CRvB uitspraak gedaan over de dubbelrol: CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761. Het gaat hier om een uitspraak in het kader van de Wmo, waarvan wij uitgaan dat dit ook voor jeugd geldt. De CRvB bepaalt in deze uitspraak dat het college zich op het standpunt mag stellen dat een beoogde zorgverlener niet het Pgb van de cliënt kan beheren, omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken kan vervullen. NB: Een ouder die het Pgb beheert en de andere ouder die de hulp verleent, mag op grond van deze uitspraak niet geweigerd worden. Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel a Jeugdwet maakt deze constructie mogelijk. Een Pgb dat beheerd wordt door een ander dan degene die de hulp gaat is toegestaan, dus dat geldt ook als zij een persoonlijke relatie hebben. Onder 5b wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

41

omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. 1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbreken. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2.

Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische exverslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van betrokken hulpverlening. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. 3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4.

Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. 6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. 7.

Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

42

8.

zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder

Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. In lid 6 onder a is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het cjg. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden. Zesde lid, n. Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal- over een periode van 16 weken- gemiddeld maximaal 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Artikel 5.2 Aanvullende criteria Formele hulp We maken verschil tussen formele en informele hulp. Op basis daarvan bepalen we de hoogte van het Pgb.

Wordt de hulp gegeven vanuit een organisatie of een beroep? Dan gaat het om formele hulp. Uit lid blijkt 1 hoe we dat vaststellen. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZPer), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ registratie heeft. Overigens kunnen niet alle professionals binnen de jeugdhulp een SKJ-registratie krijgen. Een voorbeeld zijn therapeuten die zelfstandig werken. Familieleden geven altijd informele hulp. De reden is dat zij vooral een persoonlijke relatie hebben met de jeugdige en/of de ouder(s) ( 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in dit artikel; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat bepaalt het tarief voor het Pgb.

Artikel 5.3 Aanvullende criteria Informele hulp Artikel 8.1.1., derde lid, Jeugdwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een Pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit wordt ook wel informeel Pgb genoemd. De gemeente heeft dus beleidsruimte. Het is echter niet mogelijk de inzet van het Pgb voor iemand uit het sociale netwerk helemaal uit te sluiten in de verordening. De beleidsruimte beperkt zich tot het vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden een Pgb voor het sociale netwerk kan worden ingezet. In het eerste lid zijn de criteria opgenomen wanneer iemand voor een Pgb in aanmerking komt bij het betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria die genoemd zijn in artikel 5.1. Een van de in het zesde lid genoemde voorwaarden is dat geen Pgb wordt verstrekt als dat tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen. Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

43

In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben. De Jeugdwet verbiedt echter niet om bepaalde vormen van jeugdhulp uit te sluiten en, zeker bij vormen van jeugdhulp waarbij de inzet van professionals nodig is, ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat de hulp ook door iemand uit het sociale netwerk kan worden geboden.

Een uitsluiting in de verordening is feitelijk niet nodig omdat in het onderzoek naar jeugdhulp bij het onderdeel ‘aard en omvang van de benodigde jeugdhulp’ al bepaald is dat de hiervoor genoemde hulp door een professional moet worden geboden. Voor de duidelijkheid is echter in het eerste lid onder b opgenomen dat een Pgb informeel niet kan worden toegekend voor ggz-zorg, omdat in dat geval niet aan de kwaliteit kan worden voldaan (dus dan is niet aan de voorwaarden voldaan). Dit geldt bij ggz-zorg altijd en is dus niet casus afhankelijk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. In het derde lid zijn extra voorwaarden gesteld aan een Pgb voor logeren. Dit moet leiden tot ontlasting van de verzorgende ouder(s) en in belangrijke mate bijdragen aan het vergroten van de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouder(s). Tevens moet hiermee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp worden voorkomen of verminderd. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat het logeren bij bijv.

opa en oma, wat niet ongebruikelijk is, wordt verstrekt met een Pgb. Een Pgb is dan alleen mogelijk als daarmee daadwerkelijk aan de doelen van jeugdhulp wordt gewerkt. Artikel 5.4 Vaststelling hoogte PGB Dit artikel berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2019:467) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het Pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen. In de eerste plaats wordt gekeken naar een adequate jeugdhulpvoorziening en in tweede instantie zijn de kosten leidend in de keuze die gemaakt wordt. Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het cjg een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). De toegang maakt vervolgens een inschatting of het door de pgb-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit.

Op die manier wordt gestreefd naar passende zorg voor alle kinderen, die dat nodig hebben. Het Pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura (eerste lid). Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De tarieven voor professionele jeugdhulp zijn afgeleid van de naturatarieven, tenzij uit het pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

44

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten tarieven: het formeel tarief en informeel tarief. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen. De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. De pgb-tarieven voor formele hulp worden jaarlijks geïndexeerd met de OVA-index (de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), zoals opgenomen in lid 3, lid 4, lid 5. De wijze van indexering is gelijk aan de indexering die van toepassing is op de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein.

Recent is nieuwe rechtspraak over het Pgb-tarief voor informele hulp. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580)) geldt dat het tarief voor een pgb voor informele hulp overeenkomt met de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Inmiddels is er ook een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 30 november 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) dat dit ook voor Pgb’s uit de Jeugdwet geldt. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) passend geacht.

Er vindt in principe geen indexatie plaats van het tarief voor de inzet van het sociaal netwerk en is gebaseerd op de ontwikkeling van de inflatie en/ of de stijging betreffend CAO. Artikel 5.5 Besteding Pgb Trekkingsrecht Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en zijn ouder(s) uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; het college stelt een bedrag ter besteding beschikbaar. Het college verricht, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), betalingen als de door de jeugdige en zijn ouder(s) zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk tegen te gaan. De constructie zorgt ervoor dat het budget alleen wordt besteed om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt betrokkene de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die de jeugdige of zijn ouder(s) nodig hebben (TK 2012-2013, 33 684, nr. 4 pagina 11). In de Regeling Jeugdwet (paragraaf 8) zijn de bepalingen omtrent de Pgb nader uitgewerkt. Zo is te lezen dat de persoon aan wie een Pgb is verstrekt, de budgethouder, een schriftelijke overeenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer sluit met iedere derde die hij ten laste van zijn Pgb jeugdhulp laat verlenen. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan door de SVB vastgestelde modelovereenkomsten. De overeenkomsten moeten ook door het college worden goedgekeurd.

Deze goedkeuring is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De budgethouder kan het budget gebruiken om met een jeugdhulpaanbieder de benodigde hulp in te kopen. De aanbieder, zal na verlening van de hulp, een factuur sturen die dan door de budgethouder

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

45

moet worden geaccordeerd en doorgezonden aan de SVB. Die zal vervolgens de betaling aan de aanbieder voor hulp verrichten. Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet wenselijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn. In het vijfde lid is opgenomen welke kosten voor vergoeding uitgesloten zijn vanuit een Pgb. Tevens staat opgenomen dat het college geen vrij besteedbaar bedrag oftewel een verantwoordingsvrij bedrag toekent. Ar#kel 5.6 tussen#jdse beëindiging pgb In dit arFkel zijn situaFes opgenomen wanneer het PGB mogelijk stopt. Dat kan in de gevallen als het budget niet wordt gebruikt, bij verhuizing, overlijden, veranderde situaFe of als de budgethouder overstapt naar zorg in natura. Hoofdstuk 6 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Artikel 6.1 Herziening ,intrekken, wijzigen en beëindigen De jeugdige of de ouder(s) moeten bij een Pgb alle relevante informatie geven aan het college.

Dat staat in artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet. Wij passen deze informatieplicht niet alleen toe bij het Pgb, maar ook bij Zorg in natura. Het Pgb is namelijk ook een individuele voorziening. Ook bij een individuele voorziening in natura is het logisch dat jeugdigen en hun ouder(s) voldoende en juiste informatie geven. Alleen dan kan het college beoordelen of ze terecht gebruik willen maken van de voorziening. In lid 2 staat in welke situaties het college een besluit mag herzien, wijzigen, intrekken of beëindigen: - herzien: het college verandert het besluit, omdat het recht op de voorziening anders was in het verleden. - wijzigen: het college verandert het besluit, omdat het recht op de voorziening anders is voor de toekomst. - intrekken: het college stopt de voorziening vanaf een datum in het verleden. - beëindigen: het college stopt de voorziening vanaf een datum in de toekomst. Het college is niet verplicht om gebruik te maken van deze bevoegdheid. In de Jeugdwet staan regels voor het herzien en intrekken van Pgb’s (artikel 8.1.4). Uit de toelichting bij de wet blijkt dat het ook om wijzigen en beëindigen gaat. Wij noemen dit expliciet zo in de verordening. Ook passen we deze regels toe voor de Zorg in natura. Lid 3. We verwachten van de jeugdige en/of de ouder(s) dat zij kort na het besluit in actie komen.

Het Pgb voor de individuele voorziening helpt hen namelijk om de gewenste resultaten te bereiken. Hebben zij het Pgb in de 6 maanden na het besluit nog niet gebruikt? Dan kunnen wij ervanuit gaan dat zij het Pgb niet meer gaan gebruiken. Het college kan het besluit dan intrekken. Lid 5. Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Deze bepaling is nodig voor een goede juridische basis. In dit lid regelen we de terugvordering. Dit staat namelijk niet in de Jeugdwet. Het is wel belangrijk, omdat de terugvordering nodig is om een bedrag te mogen invorderen. Bij terugvorderen eisen we het bedrag terug. Bij invorderen nemen we maatregelen om het bedrag echt terug te krijgen.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

46

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is in het zevende lid de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Het college kan daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f.

Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Artikel 6.2 Fraudepreventie en controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een Pgb evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Lid 1.Het is van belang dat jeugdigen en ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een Pgb. Het college moet de jeugdige en ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2.In deze bepaling is de mogelijkheid en de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Toch kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen.

Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

47

en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. Lid 3 In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb). Hoofdstuk 7 Afstemming met andere domeinen Op basis van de Jeugdwet arFkel 2.9 zijn gemeenten verplicht in hun verordening op te nemen hoe de afstemming met andere voorzieningen geregeld is. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het toekomstplan, dat immers over alle domeinen heen gaat. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problemaFek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijkFjdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid Wij vinden het belangrijk dat jeugdigen de hulp krijgen die ze nodig hebben. Ook als ze die hulp na hun 18e verjaardag nog steeds nodig hebben. Daarom vindt er op tijd afstemming plaats.

We hebben niet gekozen voor een vast moment, omdat dit per hulpvraag kan verschillen. Vaak vindt de afstemming plaats als de jeugdige 16,5 jaar is. Bij verlengde jeugdhulp vindt de afstemming later dan 16,5 jaar plaats. Het is wel belangrijk dat de afstemming op tijd plaatsvindt. Daarbij houden we rekening met de tijd die nodig is om de andere voorziening te hebben. De aanbieder heeft de verplichting om samen met cliënten die in zorg zijn vanaf het 16e jaar een ‘toekomstplan’ op te stellen, als blijkt dat de jeugdige de ondersteuning nodig heeft na 18e levensjaar (plan t.a.v. wonen, werken en daginvulling) met een duidelijk omschreven en haalbare tijdslijn naar volwassenheid. Ook wordt hierin aangegeven of en zo ja welke hulp en/of ondersteuning nog nodig is en hoe deze vanuit de Wmo 2015, Wlz, Zorgverzekeringswet wordt ingezet vanaf de 18e verjaardag. De aanbieder betrekt minimaal een half jaar voordat een jongere de leeftijd van 18 jaar (voor pleegzorg en gezinshuis 21 jaar) bereikt, de verwijzer bij (het opstellen van) het toekomstplan. Belangrijke uitgangspunten voor de overgang naar volwassenheid zijn: • • • •

Toekomstgericht werken. De big 5 als basis ( wonen, werk/school, inkomen en welzijn). Op tijd en voldoende aandacht besteden aan de overgang voor jongeren. Werk integraal. Zorgen dat jongeren een stabiele en passende oplossing krijgen. Jongeren helpen bij wettelijke veranderingen. Werk relationeel samen. Help de overgang voor jongeren verkleinen. Zet de juiste mensen op de juiste plek.

Het toekomstplan is van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het toekomstplan. De relevante informatie uit het toekomstplan kan door de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf of door het cjg en/of toegang aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouder(s)/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg Bij lid 1 gaat het om specialistische jeugdhulp die eerst onder de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen viel. Deze jeugdhulp valt vanaf 18 jaar onder de Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeraars stellen hierbij eisen. Zo moet de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de verwijzer zijn. Het cjg en/of toegang kan voor zo’n verwijzing zorgen door contact op te nemen met de verwijzer. Vanaf 18 jaar heeft de jeugdige een eigen zorgverzekering nodig. Daarbij geldt ook een eigen risico. Dit kan ervoor zorgen dat de jeugdige de hulp wil stoppen. Het cjg en/of toegang is hier alert op. Ook kan het cjg de jeugdige ondersteunen bij de veranderingen en nieuwe verantwoordelijkheden.

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

48

Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg Eerste lid Wanneer jeugdigen levenslang en levens-breed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg. Bij kinderen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen. Het cjg en/of toegang, ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) (zo nodig) bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Tweede lid Dit lid is een nadere uitwerking van de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel c:”Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:...indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.” Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van de jeugdige voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer worden van onwillige ouder(s). Ar#kel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel kinderen in de leeAijd van 0 – 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal en brengen een groot deel van hun Fjd op die plekken door. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorzieningen en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen.

Korte lijnen tussen onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en het cjg zijn belangrijk. Zorgen om kinderen kunnen zo makkelijk gedeeld worden, advies ingewonnen en zo nodig gestart worden met het bespreken met kind en/of ouder(s) welke ondersteuning, jeugdhulp geboden kan worden. De samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs spelen een centrale rol bij het organiseren van passend onderwijs( bijv. onderwijsondersteuning, begeleiding bij dyslexie ,huiswerkbegeleiding, remedial teaching en begeleiding bij leerstoornissen) en (speciale) onderwijszorg op de scholen en bovenschools. In veel gevallen zullen onderwijszorg en zorg voor de jeugd elkaar nauw raken. Het is dan ook van belang dat er goede afspraken zijn tussen gemeente en het onderwijs, met name als het gaat om de vraag vanuit welke parFj welke ondersteuning kan worden geleverd. Bovendien volgt uit de wet dat de gemeente en het schoolbestuur in individuele gevallen overleggen als een individuele jeugdhulpvoorziening nodig is (zie arFkel 2.7 lid 1 Jeugdwet). Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning Het hier gestelde betekent dat het cjg en/of de toegang, indien de situatie zich voordoet, afstemming zoekt met een Wmo-consulent danwel een passende Wmo-aanbieder.

Ook vallen bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, met uitgangspunt 1,5 jaar, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is. Ar#kel 7.6 Afstemming werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblemaFek. De jeugdhulp kan daardoor niet of veel minder effecFef zijn. Het is daarom van belang dit soort problemaFek Fjdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecerFficeerde instellingen wordt hierin een acFeve houding verwacht. Ar#kel 7.7 Afstemming met gecer#ficeerde instellingen De gecerFficeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzefen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecerFficeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecerFficeerde instellingen. Dit arFkel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecerFficeerde instellingen.

De Jeugdwet stelt zo’n samenwerkingsprotocol verplicht (zie arFkel 3.5 lid 3 Jeugdwet). Ar#kel 7.8 Afstemming met het jus##edomein In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedrag beïnvloedende) maatregel – kan de

Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2026

49

rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecerFficeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selecFefuncFonaris, de inrichFngsarts, of directeur van de jusFFële jeugdinrichFng besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholingsen trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Ar#kel 7.9 Afstemming met Veilig Thuis ArFkel 4.1.1 Wmo 2015 legt het college de plicht op om een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) in te richten. Het AMHK, beter bekend als Veilig Thuis, is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialisFsche kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaFes van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer gerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlaFng en huwelijksdwang, extreme stalking. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen.

Hoofstuk 8 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit Ar#kel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecer#ficeerde instellingen In dit arFkel staat wat we doen om de verhouding tussen prijs en kwaliteit te beschermen. De gemeente moet hierover regels maken. Dat staat in arFkel 2.12 van de Jeugdwet. Het gaat om de prijs en kwaliteit van jeugdhulp of van de uitvoering van een maatregel van de kinderbescherming of jeugdreclassering. Artikel 8.2 Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouder(s) te geven. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouder(s) zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in arFkel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16433862/2