NIEUW Bijlage 1. Ruimtelijke motivering Elgerweg 101 te Alkmaar
Tekst van het document
Gezien de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in het schoolgebouw is in dit rapport vermeld om verder onderzoek uit te voeren naar de aan- of afwezigheid van vleermuizen. In 2024 is er een vleermuisinventarisatie uitgevoerd door Elsken Ecologie (zie bijlage 6). Tijdens de inventarisaties is een beeld verkregen over het gebruik van de bebouwing en groenstructuren op het perceel aan de Elgerweg 101 te Alkmaar. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Gewone dwergvleermuizen maken zeer sporadisch en opportunistisch gebruik van het terrein en de omgeving. Ook ruige dwergen lieten zich met name in het najaar horen. Geen van beide soorten vertoonde binding met het plangebied anders dan kortstondig foerageren. Andere soorten zijn niet waargenomen, ook niet na na-analyse van de opnamen van de batlogger. Hiermee is geconcludeerd dat er geen beschermde waarden voor vleermuizen zijn aangetroffen. Er zijn geen vliegroutes, essentiële foerageergebieden en/of verblijfplaatsen voor deze soortgroep aanwezig. De zorgplicht is onverminderd van toepassing en verlangt van de initiatiefnemer dat deze met respect omgaat met alle levende natuur, ook voor plantensoorten en de soorten die niet als beschermd zijn aangewezen.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 24/44
Gebiedsbescherming De planlocatie ligt op ongeveer 0,65 kilometer van de dichtstbijzijnde gronden van het Natuurnetwerk Nederland en op circa 0,29 kilometer van het dichtstbijzijnde Beschermd Landschap uit de provinciale omgevingsverordening. Gezien de afstand en de ligging van het plangebied is geen sprake van aantasting van het Natuurnetwerk Nederland of het Beschermd Landschap. Op een afstand van circa 3,5 kilometer ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. Behoudens effecten door stikstofdepositie kunnen andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in de Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden, vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 11: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 25/44
Figuur 12: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden.
Stikstof Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Aveco de Bondt een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen bij deze motivering (zie bijlage 7). Hierin zijn zowel de realisatiefase als gebruiksfase beoordeeld. Realisatiefase Algemeen geldt dat de stikstofemissie tijdens werkzaamheden wordt bepaald door: • Het aantal uren dat materieel en machines worden ingezet; • Het vermogen van het in te zetten materieel en machines; • Het aantal voertuigbewegingen en het afgelegde aantal kilometers. Uit de berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase niet leidt tot depositie op omliggende Natura 2000- gebieden (0,00 mol N/ha/jr). Gebruiksfase Uit de berekening blijkt dat de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Water In het kader van de Omgevingswet dient bij ruimtelijke plannen het waterbelang te worden gewogen (voorheen watertoets). De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 26/44
Provincie Noord-Holland De provincie heeft een belangrijke taak in het regionale waterbeheer, bijvoorbeeld op het gebied van waterveiligheid en waterkwaliteit. Zo vertaalt de provincie het nationale waterbeleid naar regionaal beleid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de eisen voor regionale dijken, de normen voor wateroverlast, of de doelen voor de waterkwaliteit van het oppervlaktewater. De waterschappen passen dit beleid in hun werk toe. Op grond van de verplichting in de Omgevingswet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Noord-Holland de Omgevingsverordening NH2022 opgesteld. Hieruit blijkt het volgende: • Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Het plangebied bevindt zich niet in een boringsvrije zone; • Het plangebied ligt buiten een waterbergingsgebied; • Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; • Het plangebied grenst niet aan Kader Richtlijn Water (KRW) oppervlaktewater; • Het plangebied is niet gelegen in een ‘overstroombaar gebied’. Beleid waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2022-2027) opgesteld.
In het Waterprogramma 2022-2027 zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Verder kent het waterschap de volgende eisen met betrekking tot waterberging: • Voor het aanbrengen van verhard oppervlak met een maximum van 2.000 m2 gelden algemene regels. Bij het aanbrengen van minder dan 230 m2 verhard oppervlakte geldt alleen de specifieke zorgplicht en hoeft er geen informatie te worden aangeleverd of compensatie te worden gerealiseerd. Situatie plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomsten van deze digitale watertoets, een beschrijving van de huidige situatie en een beschrijving van het geldende beleid is verder uitgewerkt in een memo opgesteld door Aveco de Bondt in juli 2025. Deze memo is opgenomen als bijlage 8.
Uit de analyse van het beleid en de huidige situatie komen geen aandachtspunten naar voren. Enkel is het van belang om in de toekomstige situatie een ontwateringsdiepte van 0,7 meter onder maaiveld te behouden, dit mede gezien de relatief hoge grondwaterstanden. In een vervolgfase is het aan te raden om een onderzoek te doen naar deze grondwaterstanden en aandacht te besteden aan de ontwateringsdiepte. Uit de beoordeling van de beoogde situatie middels het invullen van de vragenlijst komt naar voren dat in een vervolgfase het volgende minimaal dient te worden nagegaan bij de gemeente dan wel het waterschap: • Navraag bij de gemeente over hun regels inzake de omgang met hemelwater. Mogelijk geldt de verplichting om schoon hemelwater binnen het plangebied te verwerken. • Verder uit werken hoe kan worden omgegaan met afvalwater en hemelwater. Het waterschap adviseert een gescheiden rioolstelsel aan te leggen binnen de nieuwe ontwikkeling. • Nagaan of de molen een functie vervult ten behoeve van het waterbeheer en of de beoogde ontwikkeling een invloed heeft op deze mogelijke functie.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 27/44
Conclusie Mits in een vervolgfase bovengenoemde punten worden meegenomen vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Onderzocht is wat de effecten zijn van de geplande nieuwbouw op de windvang van de sluismolen. 4.10 Windhinder Het plangebied van onderhavige ontwikkeling is gelegen in een molenbiotoop. Rond de molen geldt een molenbiotoop, zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De molenbiotoop houdt in dat de uitstraling, functie, locatie en omgeving als een geheel is wat niet uit balans mag komen. Bebouwing kan impact hebben op de door de molen ontvangen wind. Situatie plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9). De planlocatie ligt in de molenbiotoop van de Sluismolen. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD). Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Het realiseren van het geplande woon-zorgcomplex heeft geen netto invloed op de windvang van de Sluismolen. • Er is vastgesteld dat de molen in de huidige situatie 88,5% van de tijd kan draaien, overeenkomend met 7759 uur per jaar. Hiervoor is uitgegaan van een windsnelheidsbereik van 1,4 m/s tot 15,0 m/s. In de geplande situatie kan de molen eveneens 7759 uur per jaar draaien.
Er is theoretisch een afname van 0,01% vastgesteld. Gezien de marginale theoretische berekende invloed zal er in de praktijk geen verschil zijn voor de molen op basis van de uitgangspunten in het onderzoek. • De molen kan 19,1% van de tijd bemalen, wat overeenkomt met 1677 uren per jaar. Hierbij is uitgegaan van het generieke bemaalbereik van 5,0 m/s tot 15,0 m/s, waarbij vrijwel alle molens kunnen functioneren als werktuig. Mocht blijken dat de molen ook bij lagere snelheden kan bemalen, zullen de effecten kleiner zijn dan beschreven in het rapport. In de geplande situatie kan de molen 1676 uren per jaar bemalen. Gezien de marginale theoretische berekende invloed zal er in de praktijk geen verschil zijn voor de molen op basis van de uitgangspunten in het onderzoek. • De geplande bebouwing zorgt voor een zeer beperkte verschuiving van de turbulentie-intensiteit. Dit zal geen verschil opleveren voor de molen. • In verticale onbalans verandert nauwelijks door het plan. Dit zal geen verschil opleveren voor de molen. De onbalans in de horizontale richting is in de huidige situatie laag, en wordt door toedoen van het plan nog iets lager, wat gunstig is voor de molen. Op basis van de voorgaande analyse wordt geconcludeerd dat de windvang van Sluismolen niet noemenswaardig wordt beïnvloed door de geplande ontwikkeling.
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft ingestemd met de rapportage en de conclusies en heeft op 27 maart jl. goedkeuring verleend aan het bouwplan middels een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.11 Verkeer en parkeren Ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voorzien in voldoende parkeerruimte en een goede verkeersafwikkeling op het omliggend wegennet zodat overlast in de omgeving wordt voorkomen. In deze paragraaf wordt op de aspecten verkeer en parkeren ingegaan.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 28/44
Situatie plangebied Parkeren Volgens de parkeernormennota Alkmaar 2025-2027 kent een verpleeg- en verzorgingstehuis een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid. Hieruit volgt dat de totale behoefte naar parkeerplaatsen bij een woonzorgcomplex met 108 wooneenheden 54 parkeerplaatsen betreft. Volgens deze parkeernormennota is het mogelijk om salderen toe te passen. Bij salderen gaat het vooral om het beroep dat vanuit de oorspronkelijke functie werd gedaan op de openbare ruimte. De oorspronkelijke functie betreft een school met 12 lokalen en een gymzaal incl. kleedkamers en verkeersruimtes. Bij toepassing van de salderingsmethodiek kan de parkeerbehoefte van 54 parkeerplaatsen met 16 parkeerplaatsen in mindering worden gebracht. Dit valt te verklaren als volgt: Gymzaal De gymzaal incl. kleedkamers en de verkeersruimtes is 453 m2 groot. Volgens de gemeentelijke parkeernormennota is er een salderingsnorm van 2,4 parkeerplaatsen per 100m2 van toepassing. Dit leidt tot de volgende rekensom: (453 m2 / 100) * 2,4 = 10,8 parkeerplaatsen die gesaldeerd mogen worden. School De school had oorspronkelijk 12 lokalen. Volgens de gemeentelijke parkeernormennota is er een salderingsnorm van 0,5 parkeerplaatsen per leslokaal van toepassing. Dit leidt tot de volgende rekensom: 12 * 0,5 = 6 parkeerplaatsen die gesaldeerd mogen worden.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat het mogelijk is om de parkeerbehoefte van 54 parkeerplaatsen met 16 parkeerplaatsen in mindering te brengen. Hieruit volgt een parkeerbehoefte van 38 parkeerplaatsen. In het definitieve terreinontwerp zal in ieder geval rekening worden gehouden met de inpassing van ten minste 38 parkeerplaatsen. Derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verkeer Voor het aspect verkeer is er gebruik gemaakt van het CROW 744. In het CROW is de beoogde ontwikkeling het beste aan te merken als 'Verpleeg- en verzorgingstehuis'. Voor dergelijke functies zijn in de CROW geen cijfers ten aanzien van verkeersgeneratie opgenomen. Daarnaast bevat de gemeentelijke parkeernota geen kencijfers ten aanzien van verkeersgeneratie. Derhalve is worst case de categorie ‘Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen)’ in de ‘Rest bebouwde kom’ met een stedelijkheidsgraad van ‘Sterk stedelijk’ toegepast. In dit geval is er sprake van een gemiddeld kencijfer van 2,45 verkeersbeweging per woning. In onderstaande tabel is vervolgens de verkeersgeneratie berekend. Tabel 1: Berekening verkeersgeneratie.
Aantal wooneenheden Categorie
108
Gemiddeld kencijfer verkeergeneratie
Totale
(Rest bebouwde kom, sterk stedelijk) verkeergeneratie
Aanleunwoning, serviceflat 2,45 (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen)
264,6
Er valt een verkeersgeneratie van 265 motorvoertuigenbewegingen per etmaal te verwachten. Uit het participatieverslag, opgenomen als 0, blijkt dat in de huidige situatie de Elgerweg als een knelpunt wordt ervaren. Ook de afslag van de Laan van Athene wordt in de huidige situatie als knelpunt ervaren. Echter mag verwacht worden dat in de toekomstige situatie deze verkeersbewegingen voornamelijk gegenereerd worden
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 29/44
door toekomstig personeel, bezoek en leveranciers die verspreid over de dag naar het woonzorgcomplex zullen komen en gaan. De toekomstige motorvoertuigbewegingen zullen derhalve verspreid worden over de dag waarmee verwacht mag worden dat er een veilige verkeerssituatie wordt geborgd. Conclusie Het aspect parkeren en verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 Toetsing besluit m.e.r. De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een merplicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat betekent, dat de vergunning een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij categorie J11 is kolom 2 niet van toepassing. Kolom 3 wijst ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ aan als gevallen waarin sprake is van de mer-beoordelingsplicht. Hiervan is in deze situatie sprake. Geconcludeerd wordt dus dat sprake is van een project-mer-beoordeling. Conclusie De project-mer-beoordeling is opgenomen als bijlage 11. Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van de m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Geadviseerd wordt om het college van B&W van de gemeente Alkmaar te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. 4.13 Duurzaamheid De duurzame ontwikkeling is in de Ow geborgd via artikel 1.3 en 2.1.
In artikel 1.3 van de Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: • Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en • Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, het Rijk of een Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 30/44
voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Het belangrijkste instrument voor duurzame ontwikkelingen is de Omgevingsvisie van de gemeente. In deze visie worden de duurzaamheidsdoelen benoemt. Deze doelen spelen een belangrijke rol voor het afwegen van nieuwe ontwikkelingen. Ook is het mogelijk om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geformuleerde landelijke normen. Situatie plangebied De omgevingsvisie van de gemeente Alkmaar heeft 3 ambities waarvan de tweede ambities ingaat op duurzaamheid. De gemeente Alkmaar wilt zichzelf zien als een compacte stad waar gekozen wordt voor verdichting. De compacte stad Alkmaar is een duurzame en klimaatbestendige stad, waarin iedereen gezond kan leven. Het beoogde initiatief draagt bij aan deze verdichting, terwijl er ook aandacht wordt gegeven aan het verbeteren van het groensysteem.
De hoeveelheid verharding zal in de toekomstige situatie afnemen en er zal meer groen voor terugkomen. De verharding dat aanwezig zal zijn, is functioneel en waar mogelijk (half) open. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.14 Gezondheid De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het aspect gezondheid: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.
• Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten. De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten (zoals lucht, geluid, geur, straling, etc.) op de gezondheid van bewoners zo klein mogelijk is. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 31/44
Situatie plangebied In paragrafen 4.3 t/m 4.7 is ingegaan op de aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen. Tevens geldt er hier voor het aspect geur geen aandachtspunten. Het beleid ten aanzien van het aspect trillingen is opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat en paragraaf 5.1.5 van het Bkl. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl. Het gebouw is aan te merken als een trilling gevoelige gebouw. Echter zijn er in de directe omgeving geen bronnen voor trillingen aanwezig. Er is dus geen sprake van hinder door trillingen in het gebied. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 32/44
5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets bevat de Omgevingswet echter een onuitvoerbaarheidstoets. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Uit deze ruimtelijke motivering blijkt dat het plan uitvoerbaar is. Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Alkmaar is een koopakte opgesteld. Hierin is opgenomen dat initiatiefnemer verantwoordelijk is voor alle kosten rondom planschade. Daarnaast zijn in de koopakte afspraken vastgesteld ten aanzien van aanpassingen aan de openbare ruimte op gronden in eigendom van de gemeente.
Hierbij moet voldaan worden aan de Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) waarin eisen en wensen van de gemeente zijn omschreven bij de (her)inrichting van de Openbare Ruimte en aansluiting op gemeentegrond. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de ontwikkeling van de locatie Elgerweg 101 is er reeds al ruimschoots overleg geweest met de omwonenden. In de plannen is rekening gehouden met de resultaten hiervan met name voor wat betreft schaduwwerking, groeninpassing en stedenbouwkundige inpassing. Het participatieproces is gestart met twee openbare informatiebijeenkomsten voor alle omwonenden. Aansluitend is een klankbordgroep samengesteld bestaande uit buurtbewoners voor nadere verdieping en dialoog. Het traject is afgesloten met een derde, afrondende informatiebijeenkomst waarin het ontwerp is gepresenteerd. De gemeente en AIG Care & Living hebben ook input geboden tijdens de verschillende informatiebijeenkomsten. Tevens zijn er na de 3 bijeenkomsten enquêtes verstrekt. De enquête-uitkomsten bevestigden dat draagvlak voor het plan aanwezig is, maar onder druk stond door beperkte communicatie over enkele sleutelelementen zoals de vierde bouwlaag en het aangepaste bouwvlak. Tijdens de verschillende bijeenkomsten was er ruimte voor reflectie op eerdere communicatie. Het participatieverslag is als bijlage 10 bijgevoegd.
5.3 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, lid 2 Bkl. In samenhang hiermee worden in een besluit op een omgevingsvergunning ook de beoordelingsregels betrokken zoals opgenomen in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving voor zover deze betrekking hebben op de gevraagde activiteit, beoordeeld en indien noodzakelijk nader onderzocht. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de voorgaande hoofdstukken. Uit onderliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 33/44
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 34/44
Bijlage 2 Akoestisch onderzoek
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 35/44
Bijlage 3 Onderzoek omgevingsveiligheid
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 36/44
Bijlage 4 Verkennend natuuronderzoek
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 37/44
Bijlage 5 Notitie voorschriften omgevingsveiligheid
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 38/44
Bijlage 6 Vleermuisinventarisatie
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 39/44
Bijlage 7 AERIUS-berekening
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 40/44
Bijlage 8 Memo water
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 41/44
Bijlage 9 Windhinderonderzoek
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 42/44
Bijlage 10 Participatieverslag
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 43/44
Bijlage 11 Project-mer beoordeling
datum referentie
4 juni 2026 240544_AdB_RAP_0001_v6.0
P 44/44