CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Commissie Sociaal 5 februari 2026 - Technische vragen en antwoorden

Gemeenteraad 2 maart 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Heropening van de vergadering5.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Technische vragen – VERORDENING JEUGDHULP 2026

Fractie GL – 4 februari 2026 Vraag: Graag wil ik de vindplaatsen van de jurisprudentie hebben die ten grondslag liggen aan de wijzigingen die het college nu voorstelt. Op die manier kan ik ook zelf kijken hoe het college de jurisprudentie interpreteert. Mogelijk daarnaast wil ik ook de jurisprudentie kunnen vinden die gaat over gebruikelijke zorg en bovengebruikelijke zorg binnen de jeugdwet. Het lukt mij niet op basis van de wet te vinden wat de gemeente hierin mag / moet, dus ik vermoed dat het in jurisprudentie verder is uitgewerkt maar ik kan het niet meteen vinden. Ik verwacht dat de ambtenaren die vindplaatsen ergens in hun dossier hebben staan. Antwoord: Voor de verordening is de volgende jurisprudentie van belang geweest: Op basis van geldende rechtspraak mag van ouder(s) in principe worden verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren, ook als dergelijk vervoer meer van hen verlangt dan dat er in de regel van ouder(s) verwacht mag worden (boven gebruikelijke hulp). Als de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, is er sprake van eigen kracht. De gemeente hoeft dan geen vervoersvoorziening toe te kennen. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 3 november 2021 ECLI:NL:RBOBR:2021:5719, Rechtbank OostBrabant, 20/3633)uitgesproken dat de gemeente de financiële draagkracht van de ouder(s) in positieve zin mag meewegen bij het besluit.

Dit betekent dat een vervoersvoorziening wel kan worden toegekend als de ouder(s) om financiële redenen de kosten van het vervoer niet kunnen betalen. De begrippen "draagkracht" en "draaglast" sluiten beter aan bij de geest van de Jeugdwet en benadrukken het uitgangspunt van normaliseren. Het geeft een kader voor vragen als: wat kan er van opvoeders zelf verwacht worden en wanneer overstijgt dit de “normale” opvoeding? Het cjg onderzoekt en beoordeeld wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp en wanneer van bovengebruikelijke hulp. Maar ook in welke situaties er toch sprake is van onvoldoende eigen kracht, ook al is er in principe sprake van gebruikelijke hulp (dat is het geval als draagkracht en draaglast niet in balans zijn). Ook kan juist de omgekeerde situatie aan de orde zijn dat er in principe sprake is van bovengebruikelijke hulp, maar doordat de draagkracht en draaglast in balans zijn, er toch voldoende eigen kracht is. De draagkracht en draaglast is dus een onderdeel bij het bepalen van de eigen kracht. Deze begrippen en het afwegingskader worden in de nadere regels nader ingevuld. Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen, betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het cjg is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag.

Dat kan door het voeren een of meer gesprekken (zie artikel 3.5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (ECLI:NL:CRVB:2019:276, Centrale Raad van Beroep, 17/7234 JW) De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Pagina 1 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (ECLI:NL:CRVB:2019:2362, Centrale Raad van Beroep, 18/3756 JW). Recent heeft de CRvB uitspraak gedaan over de dubbelrol: ECLI:NL:CRVB:2019:3761, Centrale Raad van Beroep, 18-5550 WMO15. Het gaat hier om een uitspraak in het kader van de Wmo, waarvan wij uitgaan dat dit ook voor jeugd geldt. De CRvB bepaalt in deze uitspraak dat het college zich op het standpunt mag stellen dat een beoogde zorgverlener niet het Pgb van de cliënt kan beheren, omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken kan vervullen. NB: Een ouder die het Pgb beheert en de andere ouder die de hulp verleent, mag op grond van deze uitspraak niet geweigerd worden.

Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel a Jeugdwet maakt deze constructie mogelijk. Een Pgb dat beheerd wordt door een ander dan degene die de hulp gaat is toegestaan, dus dat geldt ook als zij een persoonlijke relatie hebben. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803, Centrale Raad van Beroep, 16/3344 WMO15 en ECLI:NL:CRVB:2019:467, Centrale Raad van Beroep, 17/3624 WMO) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het Pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen. Recent is nieuwe rechtspraak over het Pgb-tarief voor informele hulp. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580)) geldt dat het tarief voor een pgb voor informele hulp overeenkomt met de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Inmiddels is er ook een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 30 november 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) dat dit ook voor Pgb’s uit de Jeugdwet geldt. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen.

Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) passend geacht. Fractie D66 – 4 februari 2026 Vraag: Artikel 2.3. Tweede lid; Kan het woord primair vervangen worden door in eerste plaats. Denk aan de aangenomen motie heldere taal. Antwoord: Dit kan via een amendement, dit kan het college niet meer wijzigen, nu de verordening al voor aan de raad ligt. Vraag: Artikel 2.3. Klopt (-10)moet dat niet 10 zijn. Graag verheldering. Antwoord: Dit is een schrijfwijze, kan als 10 maanden of -10 maanden.

Pagina 2 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Vraag: Artikel 3.3.het is ons niet duidelijk hoe de beslistermijn van vier weken in het vijfde lid zich verhoud tot de beslistermijnen in derde en vierde lid. Graag verheldering. Antwoord: De beslistermijn mag wettelijk met 8 weken worden verlengd, bij reeds ingezette jeugdhulp dient dit vastgelegd te worden binnen 4 weken in een beschikking na start van de hulp. Vraag: Artikel 5.2. Eerste lid onder g. Wat houdt de klachtenprocedure ZZP-er in. Antwoord: De Wkkgz (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) verplicht zorgaanbieders om een klachtenregeling te hebben. Dit geldt ook voor zzp’ers, behalve wanneer zij uitsluitend zorg verlenen die onder de Jeugdwet of de Wmo valt. In dat geval is de Wkkgz niet van toepassing. Tegen iedere bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional, ook een zzp’er, kan een klacht worden ingediend. Zo’n SKJ-klacht gaat alleen over het professioneel handelen van de jeugdprofessional en wordt getoetst aan de beroepsnormen. Als de Wkkgz niet van toepassing is, mag een zzp’er zelf bepalen of hij voor dit soort praktische klachten een geschillencommissie inschakelt. Daarom is deze bepaling opgenomen, als waarborg, zodat ook zzp'ers een duidelijke klachtenprocedure hebben welke goed kenbaar is voor de jeugdige en ouder. Vraag: Artikel 5.2. Eerste lid. Tekstuele opmerking.

Bent u in regel 1 het woord hulp vergeten? Moet het niet formele hulp zijn, zo nee graag verheldering. Antwoord: Ja, daar moet nog hulp staan. Zie antwoord op vraag 1. Fractie GL – 10 februari 2026 Vraag: Met het oog op de Verordening Jeugdhulp 2026 heb ik toch nog een technische vraag. Ik snap dat het kort dag is, maar hoop toch de gevraagde informatie op tijd te kunnen krijgen. Uit de stukken begrijp ik dat de gemeente in samenwerking met een advocatenkantoor en andere juristen de verordening geüpdatet heeft. Ik zou graag inzage krijgen in die samenwerking / de stukken daarvan. In het bijzonder als het gaat over het volgende: mijn fractie heeft sterk de indruk dat de legitimiteit van enkele maatregelen van de verordening onder druk staat, bijvoorbeeld als het gaat over wat nog als 'eigen kracht' van de inwoner, diens netwerk of het kind gevraagd kan worden, maar ook als het gaat om de plicht op te nemen minder te gaan werken. In brede zin vragen we ons af of de opdracht zoals die in de Jeugdwet is omschreven nog uitgevoerd kan worden met de verordening zoals die nu voorligt.

Pagina 3 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Het gaat dus om discussies / inzichten / risicotaxaties over de bandbreedte van de plicht van de gemeente, wat zij mag vragen van aanvragers en waar de grenzen liggen van wat de gemeente mag / moet ten aanzien van Jeugdhulp. Mocht dat lukken, zou ik ook graag weten hoe de exacte opdrachtformulering aan de externe bureaus is geweest. Graag zou ik dus de samenwerking inzien voor zover het dit soort onderwerpen betreft. Op die manier kunnen we met dezelfde juridische informatie een oordeel vellen over de verordening. Antwoord: Er is samengewerkt met Victor Advocaten bij het aanpassen van de verordening, waarbij de focus vooral lag op het afbakenen van de jeugdhulpplicht. Een belangrijk onderdeel daarvan was het zorgen voor een goede aansluiting van de verordening op de regionaal ingekochte jeugdhulpvoorzieningen. Dit omvatte de artikelen over voorzieningen, de medische verwijsroute, het onderzoek, en de afstemming met andere wetten. Voor de volledigheid is de handreiking die Victor Advocaten heeft geschreven voor het Rijk over de afbakening van de jeugdhulpplicht toegevoegd als bijlage. Daarnaast heeft Victor Advocaten geadviseerd om de verordening aan te passen op basis van verschillende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.

In deze jurisprudentie wordt bevestigd dat de belangrijkste zaken (zoals prijs, duur en de aard van de dienst) voor toegang tot jeugdhulpvoorzieningen in de verordening zelf beschreven moeten worden. Dit is anders dan wat veel gemeenten doen, namelijk het opnemen van deze informatie in nadere regels. Vanuit de jurisprudentie is aanbevolen om dit punt in de verordening zelf op te nemen. In de bijlage bij de verordening zijn nu alle jeugdhulpvoorzieningen opgenomen die regionaal zijn ingekocht. Per voorziening wordt de doelgroep en de intensiteit van de hulp beschreven. Dit maakt de toegang tot de jeugdhulp duidelijker en zorgt ervoor dat de voorzieningen die de gemeente aanbiedt goed aansluiten bij de regionaal ingekochte voorzieningen. De memo waarin de aanpassingen verder worden toegelicht zijn bijgevoegd. Fractie GL – 11 februari 2026 Vraag: In artikel 4.2, eerste lid, lees ik de volgende zin: "Dit geldt ook als er sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen." In de toelichting op de verordening meen ik te mogen begrijpen dat het hier gaat om problemen of beperkingen van het kind, niet die van de ouders. Ik vind de tekst van het artikel hier dubbelzinnig.

Daarom wil ik graag weten 1) of mijn lezing van de toelichting klopt en 2) of men inderdaad van mening is dat deze formulering inderdaad ook gelezen kan worden als betrekking hebbend op de situatie van de ouders. In dat laatste geval moet de tekst denk ik aangepast worden, want de toelichting maakt - blijkens de antwoorden op de technische vragen - geen onderdeel uit van de verordening / het besluit. Dat kan tot onwenselijke situaties leiden, lijkt me. Want het is juist al te goed denkbaar dat bijvoorbeeld de psychische problemen van de ouders ertoe leiden dat draagkracht en draaglast niet met elkaar in evenwicht zijn. Antwoord: Ja, het betreft inderdaad problematiek of beperkingen van het kind en niet van de ouders, de uitvoering leest dit ook zo en zal ook als zodanig het artikel hanteren en niet interpreteren voor de ouders. Voor wat betreft deze vraag en de vorige vraag in samenhang gezien, volgen hieronder nog een aantal geanonimiseerde praktijkvoorbeelden omtrent het inzetten en beroep op eigen kracht en draagkracht.

Pagina 4 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Wij hopen dat deze voorbeelden meer helderheid en verduidelijking geven naar hoe dit toegepast wordt in de praktijk. Aanvraag voor vergoeding vervoer voor het ophalen en terugbrengen van de jeugdige in het weekend Situatie: Jeugdige is opgenomen in een behandelsetting in een andere provincie. Ouders zijn gescheiden en halen en brengen om beurten hun kind op. Vrijdag ophalen, zondag terugbrengen. Ouders vragen volledige vergoeding van de benzinekosten. Er is hier naar de (financiële) draagkracht gekeken van beide ouders. Beide ouders lukt het om zelf hun kind op te halen. Wel willen zij graag de benzinekosten volledig vergoed hebben. Wij mogen niet naar de in- en uitgaven vragen van ouders. Wel dienen ouders zelf aannemelijk te maken dat zij als zij de vergoeding niet krijgen, in de financiële problemen komen. Ouder 1 heeft op dat moment geen baan. Er wordt dan niet naar de inkomsten gevraagd, maar aannemelijk is dan dat ouder 1 daardoor minder inkomen heeft dan daarvoor. Er wordt dan voor een half jaar volledig de benzinekosten vergoed. Ouder 2 heeft wel een baan en geeft niet aan dat er financiële problemen komen als de benzinekosten niet worden vergoed. Ouder 2 krijgt geen vergoeding. In deze situatie is dus zowel naar de draagkracht als financiële draagkracht gekeken.

Kind gaat eens per maand logeren bij een zorgboerderij, van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf halen en brengen, tenzij Een logeerweekend wordt ingezet ter ontlasting van het gezin. Er wordt dan gekeken naar de eigen kracht, draagkracht/draaglast van ouders. Samen met ouders bespreekt de Jeugd- en Gezinscoach of ouders zelf in staat zijn hun kind te halen en te brengen. Er zijn ook situaties waarin gezien wordt dat er sprake is van zodanige overbelasting bij ouders dat bij voorbaat al ingeschat wordt dat het zelf verzorgen van vervoer te veel voor ouders is. Ouders vragen dagbesteding voor hun kind in het weekend. Beide ouders werken vier dagen in de week. Hun kind kan vanwege een beperking niet terecht bij de reguliere kinderopvang. Vier dagen per week wordt er jeugdhulp ingezet in de vorm van naschoolse opvang. Ouders willen in het weekend ook graag dagbesteding. Een argument is dat andere (gezonde) kinderen ook naar een sport gaan. Geadviseerd wordt dan aan ouders om te kijken naar activiteiten in het voorliggend veld (bijv. g voetbal, paardrijden voor kinderen met een beperking) waar hun kind aan deel kan nemen en waar zij zelf met hun kind naartoe kunnen gaan. Er wordt dan een stukje eigen kracht van ouders, omdat er al op vier dagen per week jeugdhulp wordt ingezet. Verzoek om kinderopvang Beide ouders werken.

Ouder 1 vijf dagen per week als ZZP’er en ouder 2 vier dagen per week in loondienst. Hun kind kan niet op de reguliere naschoolse opvang blijven doordat hij steeds ruzie krijgt en fysiek wordt naar andere kinderen. Hij kan niet goed tegen prikkels en heeft moeite met de overgang van school naar de naschoolse opvang. Ouders vragen voor drie dagen per week jeugdhulp aan voor kinderopvang in een kleine groep. 1 dag per week worden opa en oma ingezet waar nog drie kinderen zijn en daar gaat het goed. Met ouders wordt besproken dat het op basis van de beschikbare informatie waarschijnlijk hun kind ten goede zal komen als hun kind inderdaad niet na schooltijd nog in een grote groep kinderen terecht komt. Er wordt dan gevraagd om te kijken naar mogelijkheden zoals de inzet van een gastouder waar minder kinderen zijn, de inzet van een oppas aan huis en de mogelijkheden van ouders zelf. Er wordt niet geadviseerd aan de ouders om minder te gaan werken maar vragen hen wel om te kijken naar de mogelijkheden die er eventueel nog zijn voordat gedacht kan worden aan de inzet van jeugdhulp. Verschillende vragen waarbij het netwerk wordt betrokken Er zijn ook situaties waarbij de organisatie Eigen Plan wordt ingeschakeld. Voor de inzet van Eigen Plan is geen jeugdhulpbeschikking nodig. Eigen Plan vraagt het netwerk om mee te denken met ouders als ouders ergens tegen aan lopen.

Dit kan bijvoorbeeld een vraag voor ontlasting zijn als één van de ouders is overleden. Pagina 5 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Uit een netwerkbijeenkomst van Eigen Plan kan dan komen dat een familielid van een kind in het weekend meegaat naar de voetbal of dat er af en toe gelogeerd kan worden door de kinderen. Niet alleen kan daardoor de inzet van jeugdhulp worden voorkomen maar nog belangrijker: de kinderen worden ook ondersteund door hun familie en/of netwerk. Behalve deze voorbeelden wordt er heel veel jeugdhulp ingezet ter ontlasting van de kinderen of hun ouders waarbij het niet altijd kinderen met een beperking betreft. Het gaat dan juist over kinderen die reageren op soms zeer schrijnende thuissituaties. Fractie GL – 12 februari 2026 Vraag: Ik heb het memo goed bestudeerd net als de Verkenning Afbakening Jeugdhulpplicht. Als ik beiden goed lees, zie ik dat er niet expliciet een rechtmatigheidstoets is gedaan voor artikel 4.2 lid 10 en lid 11 en andere, stringente wijzigingen die in onze beoogde verordening zijn opgenomen. Het gaat mij dus om de wijzigingen die stellen dat zorg voorgaat op werken, maatschappelijke activiteiten en sociale activiteiten. Ook alle bepalingen die zeggen dat de overbelasting wel te wijten moet zijn aan de zorg of dat als de zorg aan het werk te wijten is, daar eerst de oplossing gedaan moet worden.

Klopt mijn indruk dat zo'n toets niet is gedaan? Of een toets die daarop lijkt? En klopt mijn indruk ook dat er geen expliciete toets wordt gedaan of deze verordening als geheel - zoals we die nu voor hebben liggen - de wettelijke taak uit 2.3 Jeugdwet nog werkelijk volledig uitvoert? Als zo'n toets toch is gedaan, dan wil ik graag de uitwerking van die toets ook in kunnen zien, en door wie die toets is uitgevoerd. Antwoord: De verordening is juridisch getoetst. Uit de vraagstelling wordt afgeleid dat dit ziet op de jeugdhulpplicht en de verplichting om de essentialia als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet in de verordening op te nemen. De verordening is juridisch getoetst door Victor Advocaten en bevat alle vereiste onderdelen. Zo zijn de beschikbare voorzieningen opgenomen, is geregeld op welke wijze een jeugdige aanspraak kan maken op een voorziening en zijn afwijkingsbevoegdheden vastgelegd. Voor zover afbakening heeft plaatsgevonden, blijft de bevoegdheid bestaan om op grond van de hardheidsclausule, mits deugdelijk gemotiveerd, in individuele gevallen tot een afwijkende beslissing te komen. Extra toelichting op artikel 4.2 lid 6, betreffende rechtmatigheid: Juridisch rechtmatig indien dit individueel en met een concrete beoordeling wordt toegepast.

Ook voor boven gebruikelijke hulp geldt dat dit onder omstandigheden tot de eigen verantwoordelijkheid kan behoren maar dit is in beginsel niet het uitgangspunt. Het vraagt dus een goede individuele beoordeling. Dit artikel is geschreven om een afwegingskader te creëren en niet een directe afwijzingsgrond. Extra toelichting bij artikel 4.2 lid 11, betreffende rechtmatigheid: Juridische rechtmatig om het sociale netwerk mee te wegen ter ondersteuning. De hulp moet concreet beschikbaar zijn zonder dwang. In de toepassing van dit lid is dit relevant en zo is het ook bedoeld. De individuele voorziening wordt niet automatisch niet verstrekt als er een sociaal netwerk bestaat. Ook hier gaat het om een afwegingsinstrument waar de gemeente op de juiste wijze toepassing aan moet geven.

Pagina 6 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Fractie BAS – 12 februari 2026 Door de regionale 5% bezuiniging op GGD Hollands Noorden is onder andere het laagdrempelige opvoedspreekuur en de opvoedondersteuning weggevallen. De GGD geeft zelf aan dat deze dienstverlening volledig stopt, waardoor ouders moeilijker tijdig ondersteuning kunnen vinden en waardoor expertise verloren dreigt te gaan. Daarnaast is de door de gemeente uitgezette aanbesteding voor de inzet van opvoedadviseurs mislukt wegens het uitblijven van geschikte inschrijvingen. BAS maakt zich ernstige zorgen dat hierdoor cruciale expertise structureel verloren gaat, temeer omdat de nieuwe Verordening Jeugdhulp juist méér nadruk legt op preventie en tijdige, toegankelijke ondersteuning. Dit zal extra druk op het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) veroorzaken, dat reeds een breed takenpakket heeft en nu mogelijk onvoldoende capaciteit behoudt om dit gat op te vangen. Hierover stelt BAS de volgende technische vragen: Vraag: Heeft het college actief contact gezocht met de (voormalige) GGD-opvoedadviseurs om te voorkomen dat deze professionals Alkmaar verlaten, zodat hun opgebouwde expertise behouden kan blijven voor de gemeente? Antwoord: Ja, de opvoedadviseurs zijn nog steeds werkzaam hun hun huidige functie. Zie verder het antwoord op vraag 2.

Vraag: Welke concrete stappen zet het college om te voorkomen dat deze expertise definitief verdwijnt uit de lokale jeugdketen? Antwoord: Om te voorkomen dat deze expertise definitief verdwijnt heeft de gemeente ervoor gekozen om de opvoedadviseurs te behouden en onder te brengen bij een andere partij. Vraag: Kan het college toelichten welke oorzaken ten grondslag liggen aan het feit dat er geen geschikte inschrijvingen zijn ontvangen in de aanbesteding van januari 2026? Antwoord: Van de drie partijen die vooraf hebben aangegeven interesse te hebben in deze opdracht heeft er maar één partij daadwerkelijk ingeschreven. De andere twee partijen hebben een onvolledige inschrijving gedaan waardoor deze niet beoordeeld konden worden. De enige inschrijving betrof een voorwaardelijke inschrijving. Hierdoor ontstond een ongeldige inschrijving. Wettelijk mag nu een versnelde procedure worden gestart. Vraag: Waarom heeft het college, gezien de urgentie en het bekende risico op expertiseverlies, niet ingezet op een tijdelijke verlenging of noodconstructie met de GGD zodat de functie niet weg zou vallen? Antwoord: De GGD heeft aangegeven dat de functie per 1 januari 2026 komt te vervallen. Als tijdelijke oplossing is besloten de opvoedadviseurs een half jaar in dienst te houden bij de GGD (tot uiterlijk 30 juni 2026) en hen te detacheren naar de gemeente Alkmaar. Pagina 7 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Vraag: Wat is de tijdlijn voor een nieuwe aanbesteding of een alternatieve inkoopprocedure, en welke aanpassingen overweegt het college om wél tot succesvolle inschrijving te komen? Antwoord: De onderhandelingsprocedure is gestart. De drie partijen die eerder in het proces hebben aangegeven interesse te hebben in deze opdracht zijn uitgenodigd voor de onderhandelingsprocedure. Alle drie de partijen hebben inmiddels aangegeven interesse te hebben in de onderhandelingsprocedure. De verwachting is dat met de onderhandelingen en verduidelijking van de opdracht en prijs een overeenkomst met één van deze partijen mogelijk is. De procedure wordt naar verwachting vóór de zomer succesvol afgerond. Vraag: Hoe borgt het college de continuïteit van laagdrempelige opvoedondersteuning nu zowel de GGD-functie is vervallen als de eerste aanbesteding is mislukt? Antwoord: Het college vindt het belangrijk dat de continuïteit van laagdrempelige opvoedondersteuning wordt gewaarborgd door de huidige inzet van de opvoedadviseurs voort te zetten. Hiermee blijft de ondersteuning voor ouders beschikbaar.

Vraag: Welke tijdelijke maatregelen worden direct ingezet om te voorkomen dat ouders in Alkmaar maandenlang zonder enige vorm van opvoedadvies komen te zitten? Antwoord: In overleg met de GGD is besloten de opvoedadviseurs een half jaar langer in dienst te houden en aan de gemeente Alkmaar te detacheren. Vraag: Kan het college inzichtelijk maken hoe het CJG deze extra druk moet opvangen nu expertise vanuit de GGD is weggevallen en er geen aanbieder is gevonden die de opvoedondersteuning overneemt? Antwoord: Het CJG ervaart geen extra druk omdat de opvoedadviseurs werkzaam blijven in hun huidige functie. Vraag: Zijn er aanvullende financiële en personele middelen gereserveerd voor het CJG om deze taakverzwaring op te vangen, en zo ja: welke? Antwoord: Er zijn geen aanvullende financiële middelen gereserveerd voor het CJG. Zie het antwoord op vraag 8. Vraag: Welke scenario’s heeft het college uitgewerkt voor het geval een hernieuwde aanbesteding wederom mislukt? Antwoord: Indien de aanbesteding mislukt, kan een nieuwe procedure worden gestart. Dit heeft mogelijk consequenties voor de inzetbaarheid van de huidige opvoedadviseurs.

Pagina 8 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Fractie SvdH – 19 februari 2026 Vraag: Toetsing aan Jeugdwet – inkomen, werk en financiële gegevens: Kan het college aangeven op welke wettelijke grondslag artikel 4.2 lid 10 en lid 11 zijn gebaseerd, gezien de Jeugdwet en vaste jurisprudentie expliciet verbieden om: o financiële gegevens van ouders te betrekken bij de toegang tot jeugdhulp, ouders te vragen minder te werken of enige vorm van financiële afweging te maken bij het toekennen van jeugdhulp? Antwoord: De voorgestelde artikelen 4.2 lid 10 en lid 11 zijn gebaseerd op de onderzoeks- en afwegingsbevoegdheid van het college zoals neergelegd in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Deze bepaling verplicht het college om, voorafgaand aan een besluit over jeugdhulp, een zorgvuldig en integraal onderzoek te verrichten naar de concrete omstandigheden in de situatie van de jeugdige en ouders/verzorgers. De artikelen beogen geen uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden en verbreden ook niet de grenzen die volgen uit de Jeugdwet en vaste jurisprudentie. Artikel 4.2 lid 10 en 11 zijn uitsluitend bedoeld als gespreksonderwerken binnen het onderzoek en kunnen niet op zichzelf leiden tot weigering, beperking of vertraging van een individuele voorziening. Vraag: Verkapte eigen bijdrage: Hoe voorkomt het college dat de verplichting om “spanningen door werk te verminderen” (art.

4.2 lid 10) feitelijk neerkomt op een verkapte eigen bijdrage, terwijl de Jeugdwet sinds 2015 geen eigen bijdrage meer toestaat? Antwoord: De Jeugdwet voorziet niet in een eigen bijdrage voor het ontvangen van jeugdhulp. De voorgestelde bepalingen brengen hierin geen wijziging. Het bespreken van mogelijke spanningen binnen de thuissituatie, waaronder een eventuele samenloop met werk, kan uitsluitend plaatsvinden om bij te dragen bij een volledig en zorgvuldig beeld van de draaglast en draagkracht van ouders en jeugdigen te verkrijgen. Deze informatie mag niet worden aangewend als voorwaarde voor toegang tot jeugdhulp. Er wordt derhalve geen financiële verplichting opgelegd. Hiermee is uitgesloten dat artikel 4.2, lid 10 feitelijk resulteert in een verkapte eigen bijdrage. Vraag: Verbod op verplicht inzetten van netwerkzorg: Op welke jurisprudentie baseert het college de verplichting in artikel 4.2 lid 11 om het sociaal netwerk in te zetten, terwijl de CRvB stelt dat netwerkzorg mag worden meegewogen maar niet kan worden afgedwongen? Antwoord: Artikel 4.2, lid 11 sluit aan bij de verplichting om het sociale netwerk te betrekken bij het onderzoek naar de ondersteuning en hulpverlening. Deze betrokkenheid kan echter op geen enkele wijze leiden tot afdwingbare verplichtingen voor netwerkleden.

Dit is in overeenstemming met vaste jurisprudentie, waarin is vastgesteld dat inzet van het netwerk mag worden meegewogen in het onderzoek, maar niet kan worden opgelegd als voorwaarde of verplichting. De bepaling schept derhalve geen juridische verplichting voor ouders of netwerkleden en kan evenmin worden aangewend om toegang tot noodzakelijke jeugdhulp te beperken of te weigeren.

Pagina 9 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Vraag: Gelijke behandeling en willekeur: Hoe voorkomt het college rechtsongelijkheid wanneer de gemeente wettelijk niet mag vragen naar werk- of inkomenssituatie, maar deze informatie wél gevolgen kan hebben als ouders deze spontaan delen? Is dit uitvoerbaar zonder willekeur? Antwoord: Het college vraagt niet actief naar inkomens- of werksituaties en gebruikt deze informatie niet als beoordelingscriterium bij de toegang tot jeugdhulp. Indien ouders uit eigen beweging informatie delen, wordt deze uitsluitend contextueel betrokken en niet normerend toegepast. De beoordeling blijft gebaseerd op objectieve en wettelijk toegestane criteria uit de verordening. Hierdoor is de uitvoering uitvoerbaar zonder willekeur en wordt rechtsgelijkheid gewaarborgd. Vraag: Systematiek gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp: Kan het college toelichten hoe artikel 4.2 lid 10 en 11 zich verhouden tot de bestaande systematiek in de verordening, waarin gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp en draagkracht/draaglast al volledig zijn afgebakend? Welke meerwaarde hebben deze twee leden nog? Antwoord: De bestaande systematiek rond gebruikelijke hulp, hulp boven gebruikelijke hulp en de beoordeling van draaglast en draagkracht blijft onverkort van toepassing. Artikel 4.2, lid 10 en lid 11 brengen geen wijziging aan in deze systematiek.

De bepalingen hebben uitsluitend een verduidelijkend karakter en benoemen expliciet aandachtspunten voor het gesprek, zonder dat zij zelfstandige rechtsgevolgen of aanvullende verplichtingen creëren. Vraag: Financiële mogelijkheden van het netwerk (art. 2.6 lid 3): Op welke wettelijke basis mag de gemeente de “financiële mogelijkheden van het netwerk” meewegen bij vervoer, gezien het verbod om financiële gegevens van ouders of netwerkleden te betrekken bij jeugdhulp? Antwoord: De bepaling over de financiële mogelijkheden van het netwerk heeft geen betrekking op een draagkrachttoets of enig vorm van inkomensonderzoek. De bepaling ziet uitsluitend op de praktische vraag of vervoer feitelijk door het netwerk kan worden verzorgd. Indien vervoer door het netwerk wordt uitgevoerd, kan op verzoek een passende tegemoetkoming — zoals een kilometervergoeding — worden verstrekt wanneer ouders deze kosten niet kunnen dragen. Hiermee wordt voorkomen dat netwerkleden financieel worden belast, zonder dat financiële gegevens van ouders of netwerkleden worden getoetst. Vraag: Verplichte inzet aanvullende verzekering (art.

4.1 lid 1 onder b): Is het verplicht aanspreken van een aanvullende verzekering juridisch houdbaar, gezien de Jeugdwet geen verplichting kent om privaatrechtelijke verzekeringen te benutten? Antwoord: Het aanspreken van een aanvullende verzekering is niet verplicht en vormt geen directe voorwaarde voor de toegang tot jeugdhulp. Wel is dit een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun omgeving (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet). Pagina 10 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 Het behoort dus enkel tot de eigen mogelijkheden van ouders en jeugdigen. Wanneer het benutten van eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en vrij toegankelijke voorzieningen onvoldoende blijkt om de hulpvraag te beantwoorden, wordt een individuele voorziening toegekend. Dit gebeurt ongeacht het bestaan van een aanvullende verzekering. Vraag: PGB-uitsluitingsgronden (art. 5.1 lid 5): Hoe verhouden de harde uitsluitingsgronden voor het PGB zich tot de CRvB-eis dat uitsluiting altijd individueel, proportioneel en gemotiveerd moet zijn? Is de huidige formulering niet te absoluut? Antwoord: De in de verordening opgenomen uitsluitingsgronden voor het persoonsgebonden budget laten onverlet dat iedere aanvraag individueel, proportioneel en deugdelijk gemotiveerd wordt beoordeeld op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij iedere aanvraag vindt een integrale en zorgvuldige afweging plaats. De formulering van de uitsluitingsgronden leidt derhalve niet tot automatische of categorische afwijzing, maar fungeert als kader waarbinnen de individuele beoordeling plaatsvindt.

Vraag: Risicoanalyse rechtmatigheid: Heeft het college een juridische risicoanalyse uitgevoerd op de houdbaarheid van artikel 4.2 lid 10 en 11? o Zo ja, kan deze worden gedeeld met de raad? o Zo nee, waarom niet? Antwoord: De voorgestelde verordening is juridisch getoetst door Victor Advocaten. In deze toetsing is beoordeeld of de bepalingen voldoen aan de Jeugdwet, voldoende duidelijk zijn geformuleerd en in de praktijk uitvoerbaar zijn. De verordening bevat alle vereiste onderdelen: de beschikbare voorzieningen zijn opgenomen, het is vastgelegd op welke wijze een jeugdige aanspraak kan maken op een voorziening en de afwijkingsbevoegdheden zijn helder omschreven. Hoewel in de verordening op onderdelen een afbakening is aangebracht, blijft de mogelijkheid bestaan om – op grond van de hardheidsclausule en mits deugdelijk gemotiveerd – in individuele gevallen van de bepalingen af te wijken. Daarmee blijft ruimte voor maatwerk gewaarborgd, zodat in uitzonderlijke situaties een passende beslissing kan worden genomen.

Vraag: Uitvoerbaarheid door CJG: Kan het CJG deze bepalingen uitvoeren zonder in strijd te handelen met de Jeugdwet of privacywetgeving, met name waar het gaat om: o het beoordelen van werkuren, o het beoordelen van financiële omstandigheden, o het verplichten van netwerkzorg? Antwoord: De voorgestelde bepalingen zijn uitvoerbaar voor het CJG en passen binnen de kaders van de Jeugdwet en de geldende privacywetgeving. Aspecten zoals werk, financiën en het sociale netwerk worden uitsluitend betrokken in het kader van een zorgvuldig en integraal onderzoek, en worden niet normerend of verplichtend toegepast. Pagina 11 van 12

Commissie Sociaal, 5 februari 2026 De uitvoering blijft hiermee in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, evenals de vereisten van gegevensbescherming. De voorgestelde wijzigingen dragen er bovendien aan bij dat de verordening expliciet aansluit bij actuele wet- en regelgeving en bij geldende jurisprudentie.

Pagina 12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16627249/1