Bijlage 1f. Natuurtoets
Tekst van het document
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
G&G-advies QS2024-221
Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
F.M. Emmen
2024
Opdrachtgever Pro6 Vastgoed
G&G-advies QS2024-221
Datum Versie
16 juli 2024 V1
Gecontroleerd door: S.J. Gutker de Geus De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden ...................................................................................................... 7
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 8
Methode
9
2.1
Soorten .................................................................................................................... 9
2.2
Gebieden................................................................................................................ 11
3
Aanwezige biotopen
12
4
Aanwezige beschermde soorten
14
5
6
4.1
Planten ................................................................................................................... 14
4.2
Vissen ..................................................................................................................... 14
4.3
Amfibieën............................................................................................................... 15
4.4
Vogels..................................................................................................................... 16
4.5
Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 17
4.6
Vleermuizen ........................................................................................................... 18
4.7
Overige fauna ........................................................................................................ 21
4.8
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 22
Effectbeoordeling en maatregelen
23
5.1
Vogels..................................................................................................................... 23
5.2
Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 24
5.3
Vleermuizen ........................................................................................................... 25
5.4
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 26
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
27
6.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 27
6.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 27
6.3
Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) .................................................................. 27
6.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 28
6.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 28
6.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 29
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
4
7
8
Zorgplicht
30
7.1
Passende preventieve maatregelen.......................................................................31
7.2
Passende ontwikkelings- en herstelmaatregelen ..................................................31
Conclusies
33
8.1
Beschermde soorten ..............................................................................................33
8.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................34
8.3
Zorgplicht ...............................................................................................................35
9
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
36
10
Bijlagen
38
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Kalkovensweg 1 te Alkmaar her in te richten. Alkmaar ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie Noord-Holland. De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en er wordt nieuwbouw gerealiseerd. Aanvullend zullen enkele bomen worden gekapt. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet (hierna Ow) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (zie Bijlage 1), waaronder een ‘flora- en fauna-activiteit’ (zie Bijlage 1.2.7). In opdracht van Pro6 Vastgoed B.V. heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Ow. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken en wordt de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1) gerelateerd tot de plannen besproken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en de noodzaak een omgevingsvergunning beschermde soorten aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
6
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft een bomenkwekerij en bevindt zich in de bebouwde omgeving van Alkmaar, in een buitenwijk buiten de stadskern. Het plangebied wordt omsloten door woonwijken. Direct ten westen van het plangebied ligt een spoorlijn. Op 350 meter afstand ten zuiden van het plangebied loopt de N9, een drukke verkeersader. Op 400 meter afstand ten westen loopt de Hoevervaart, een brede watergang. Op 500 meter afstand ten noorden van het plangebied ligt een begraafplaats en Westerhout, een park met grote opgaande bosschages. Op 4,7 kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
1.4
7
Werkzaamheden De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en er worden nieuwbouw gerealiseerd (appartementen). Ten behoeve van deze plannen zullen enkele bomen worden gekapt. In het zuidelijke deel van het plangebied staan aan de buitenrand van een bosschage een vijftal bomen welke gekapt dienen te worden. Mogelijk komen hier nog enkele bomen bij in het noordwestelijke deel (zie afbeelding op volgende pagina). Overig, lager gelegen groen binnen het plangebied zal mogelijk ook worden gerooid. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing, benodigd hak-, breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen en licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.
Impressie van de toekomstige situatie met de te kappen bomen in het zuidelijke deel (groene omgrenzingen) en de mogelijk te kappen bomen in het noordwestelijke deel (rode omgrenzing).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
8
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt beoordeeld of passende maatregelen genomen moeten worden. Ten slotte bevat hoofdstuk 8 de conclusies. Hoofdstuk 9 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
2
9
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of een vergunning moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is onderzocht in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied ligt en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gericht gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2014-2024). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard, de waarde en de relevantie van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning, de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met andere vogels moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook Bijlage 1.2.5).
Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Naar soorten flora en fauna van de Rode Lijst (waarvoor de specifieke zorgplicht geldt) is gericht gezocht binnen het volledige plangebied en een straal van 100 meter rondom het plangebied. Op basis van de aanwezige biotopen wordt in hoofdstuk 7 een inschatting gemaakt of dergelijke soorten voor kunnen komen in het plangebied. Voor deze soorten worden afhankelijk van de situatie passende preventieve, ontwikkelings- of herstelmaatregelen genoemd waarmee het
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
10
plangebied geschikt blijft of kan worden voor deze soorten. Voor alle hierboven genoemde soortgroepen geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de algemene zorgplicht welke wordt besproken in hoofdstuk 7 en Bijlage 1.1.1. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 25 juni 2024 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.
→https://www.nvwa.nl/
onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten
Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (Hoofdstuk 4) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyses en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. De aangetroffen biotopen binnen het plangebied worden onderverdeeld in typeringen. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke of passende maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of een vergunning dient te worden aangevraagd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
2.2
11
Gebieden Op de ‘InformatieKaart Natuur’ van BIJ12 is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden die horen bij Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie: https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://geoapps.noordholland.nl/GeoWeb/Viewer/?app=053d3575f0e4430cb095bd0fcb461 c7f Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
12
3
Aanwezige biotopen In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen binnen het plangebied beschreven. Deze biotopen worden onderverdeeld in verschillende typeringen: bebouwing, groenstructuren en wateren en oevers. Bebouwing De bebouwing binnen het plangebied betreft een vrijstaande loods, een houten opslag met overkapping en een bouwkeet. De loods is opgebouwd uit bakstenen muren, glas en plaatmateriaal met een plat dak. Tot op een hoogte van zo’n drie meter zijn open stootvoegen aanwezig. De rest van de loods is strak afgewerkt en de metalen dakrand zit strak tegen de gevel aan. Verder zijn in de loods geen opvallende gaten of spleten waargenomen. In de metalen bouwkeet en in de houten opslag met overkapping zijn tevens geen opvallende spleten of kieren waargenomen. Groenstructuren Het grootste gedeelte van het plangebied (boomkwekerij) wordt gevormd door groen. Naast diverse bomen die om de drie jaar worden aangeplant en weer verwijderd zijn er aangelegde perkjes aanwezig. Verspreid door het plangebied liggen bergen zand en/of aarde, al dan niet volledig begroeid met vegetatie. In het zuiden van het plangebied is een bosschage aanwezig met boomsoorten als Grauwe abeel, Zomereik en Spaanse aak. De ondergroei bestaat onder andere uit soorten als Robertskruid en Klimop. In de bosschage is een kleine takkenril aanwezig.
In enkele van de abelen zijn spechtengaten aanwezig en zijn takken afgebroken, vermoedelijk door storm. Er werden geen nesten in en rondom het plangebied waargenomen, doch ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Hierdoor waren de bomen tijdens het veldbezoek niet volledig te inspecteren op de nadere aanwezigheid van grote nesten of holtes en spleten. Wateren en oevers In het westen grenst het plangebied aan een ondiepe watergang met flauwe tot steile oevers. De oevers zijn dichtbegroeid met Riet. In de watergang zijn geen waterplanten aanwezig en de bodem is bedekt met een dikke laag afgevallen bladeren, afkomstig van de omliggende bomen. Overig Een relatief groot deel van het terrein is verhard met betonnen platen (loop- en parkeergedeelte). Verspreid over het terrein zijn rommelhoekjes met opgeslagen materialen aanwezig. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
13
Impressies van het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
14
4
Aanwezige beschermde soorten In dit hoofdstuk worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld-bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
4.1
Planten Aangetroffen soorten In het verleden zijn Knolspirea en Stofzaad waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2014-2024). De soorten zijn niet in het plangebied zelf waargenomen.
→https://www.verspreidings
atlas.nl/vaatplanten
Op 550 meter afstand ten noorden van het plangebied is een waarneming van Knolspirea bekend. Dit betreft een niet wild exemplaar en valt ver buiten het normale verspreidingsgebied van deze soort ←. De waarneming van Stofzaad is afkomstig uit het Heilooërbos op 1,5 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de genoemde soorten. Tevens wordt het plangebied (boomkwekerij) te intensief beheerd en is het te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Ook is de bodem te veel gestoord en gewoeld. Stofzaad groeit op droge tot vrij vochtige, voedselarme, kalkhoudende zand-, leem- en krijtbodems en in schemerdonkere loof- en naaldbossen waar vaak nauwelijks andere ondergroei aanwezig is. Het plangebied voldoet niet aan dit biotoop. De waarnemingen van de soort in de omgeving van het plangebied zijn, naast de waarneming uit het Heilooërbos, voornamelijk afkomstig uit de duinstrook in het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat.
4.2
Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20142024). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissen aanwezig vanwege het ontbreken van wateren.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
4.3
15
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Rugstreeppad, en Alpenwatersalamander waargenomen (NDFF 2014-2024). De Alpenwatersalamander is een beschermde soort die wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Rugstreeppad is beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). De Rugstreeppad werd op 1,2 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied vastgesteld buiten de bebouwde kom van Alkmaar in de Baafjespolder (NDFF 2014-2024). Mogelijk bieden de poldersloten aldaar geschikt voortplantingswater.
→https://www.verspreidings
atlas.nl/amfibieën
In de directe omgeving van het plangebied (op 25 meter afstand) is in het verleden Alpenwatersalamander aangetroffen (NDFF 2014-2024). Het plangebied ligt ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied← van deze soorten en het betreft daarom waarschijnlijk uitgezette of aangevoerde exemplaren. Potentie plangebied De watergang naast het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Kleine watersalamander, Gewone pad, Groene kikker (Bastaardkikker en/of Meerkikker) en Bruine kikker. Al deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën. Het plangebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aangetroffen. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van geschikt voortplantingswater, ligt geïsoleerd door dichte bebouwing, drukke wegen en brede watergangen en er is geen geschikte vorstvrije, droge en vergraafbare zanderige bodem aanwezig die buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort.
Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het niet te verwachten dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. Het plangebied is te veel geïsoleerd door dichte bebouwing, drukke wegen en brede watergangen en de soort moet daarom te veel ongunstig biotoop passeren om het plangebied te bereiken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
16
4.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden enkele/diverse vogelsoorten waargenomen: Kauw, Houtduif, Vink, Boomkruiper (cat. 5),) en Pimpelmees (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Houtduif, Merel, Roodborst, Winterkoning en Heggenmus. In het water en de oevers langs het plangebied kunnen water- en moerasvogels broeden als Wilde eend en Meerkoet. In de rietkragen kunnen Waterhoen, Kleine karekiet en Rietzanger broeden. Het is mogelijk dat in de bomen categorie 5-soorten broeden als Ekster, Zwarte kraai, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper, Grote Bonte specht. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus (cat. 2), Gierzwaluw (cat. 2), Sperwer (cat. 4), Havik (cat. 4), Buizerd (cat. 4), Wespendief (cat. 4), Boomvalk (cat. 4), Slechtvalk (cat. 3), Ransuil (cat.
4), Kerkuil (cat. 3), Steenuil (cat. 1), Oehoe (cat. 3), Roek (cat. 2), Ooievaar (cat. 3) en Grote gele kwikstaart (cat. 3) vastgesteld. De meeste bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels of deze soorten hebben gebroed in andere biotopen zoals bebouwing en bos in de omgeving (NDFF 2014-2024). De Huismus broedt in de nabije woonwijken op ongeveer 20 meter van het plangebied. Van Gierzwaluw zijn uit de directe omgeving van het plangebied geen nestindicatieve waarnemingen gedaan, maar het is aannemelijk dat deze ook in de nabij gelegen woonwijken tot broeden komt. Verder zijn waarschijnlijke broedplaatsen van Sperwer (cat. 4) en Ransuil (cat. 4) nabij het plangebied bekend, in park Westerhout (NDFF 2014-2024). De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
17
Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen geschikte bebouwing aanwezig is wordt uitgesloten dat Huismus en Gierzwaluw tot broeden komen in het plangebied. Het is wel mogelijk dat Huismus, die in de directe omgeving broedt, gebruik maakt van het groene plangebied. Er zijn voldoende open zandplekken, dekking biedende struiken en voedselvoorzieningen in de vorm van kruidenrijke overhoeken aanwezig. Mogelijk vormt het plangebied essentieel leefgebied voor de Huismus. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig, waardoor de bomen tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren waren op de aanwezigheid van grote nesten. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Sperwer en Ransuil. Indien er geen opvallende grote vogelnesten aanwezig zijn, zal het plangebied geen essentieel leefgebied betreffen.
4.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Eekhoorn, Boommarter, Steenmarter en Bunzing, Wezel en Hermelijn (kleine marterachtigen) waargenomen (NDFF 2014-2024). Dit zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Veel waarnemingen van de marterachtigen betroffen verkeersslachtoffers langs de Heilooër Tolweg, een N-weg op 350 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Deze weg vormt de begrenzing tussen de buitenwijk waarbinnen het plangebied ligt en het zuidelijker gelegen landbouwgebied. Een ander aanzienlijk deel van de waarnemingen is afkomstig uit het Heilooërbos, op 1,5 kilometer afstand (NDFF 2014-2024). De dichtstbijzijnde waarneming betrof een levend exemplaar van Bunzing in het park Westerhout binnen de bebouwde kom, op circa 400 meter afstand ten noorden van het plangebied (NDFF 20142024). Van Eekhoorn zijn twee waarnemingen bekend, tevens uit het Heilooërbos (NDFF 2014-2024). In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
18
Potentie plangebied Het plangebied en de directe omgeving bieden enkele schuilmogelijkheden in de vorm van begroeide oeverranden en stronken en een kleine takkenril in de bosschage aan de zuidwestkant waar marterachtigen mogelijk gebruik van kunnen maken. Het plangebied en de bosschages zijn niet dergelijk grootschalig dat verblijf van marterachtigen wordt verwacht. Het is wel mogelijk dat incidenteel marterachtigen (Bunzing, Hermelijn, Wezel, Steenmarter en Boommarter) die elders verblijven, in het plangebied voorkomen. Gezien de grootte, geschiktheid en geïsoleerde ligging maakt het plangebied geen onderdeel uit van essentieel leefgebied. In de omgeving van het plangebied is bovendien veel meer geschikt biotoop aanwezig, zoals het eerder genoemde Heilooëerbos en het park Westerhout. Verder is het mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Vos, Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied is ook niet geschikt voor de Eekhoorn en Boommarter vanwege het ontbreken van omvangrijke dekking biedende vegetatie in de omgeving. De Steenmarter wordt niet verwacht in de bebouwing van het plangebied.
In de bebouwing zijn geen geschikte openingen aanwezig welke leiden naar rustige ruimtes welke kunnen dienen als schuilplaats voor deze soort. Ook zijn rond de bebouwing vaak mensen en huisdieren aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt.
4.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Alle soorten vleermuizen, evenals verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn 7 soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2014-2024). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Watervleermuis,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
19
Meervleermuis, en Gewone Grootoorvleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Er zijn geen relevante waarnemingen (zoals verblijven, kolonies, foerageergebieden of vliegroutes) bekend van vleermuizen in het plangebied of in de directe omgeving ervan (NDFF 2014-2024). Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. In de aangetroffen boomholtes en spleten in de bebouwing in het plangebied kunnen mogelijk boom- en gebouwbewonende vleermuizen zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis verblijven. Andere gebouwbewonende soorten zoals bijvoorbeeld Meervleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Kleine dwergvleermuis en Tweekleurige vleermuis zijn zeldzaam of worden op voorhand niet verwacht in de onderzochte bebouwing. Hetzelfde geldt voor de wat zeldzamere boombewonende soorten zoals Watervleermuis en Gewone grootoorvleermuis.
Deze soorten dienen tijdens vervolgonderzoek (zie §5.4) wel te worden meegenomen. Als tijdens het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van deze soorten, moeten bezoekrondes en bezoektijden worden aangepast conform het geldende onderzoeksprotocol. Indien er indicaties zijn dat een van deze soorten (verblijvend) aanwezig is, kan door het onderzoek hier op af te stemmen, het eventuele voorkomen van deze soorten volledig in beeld worden gebracht. Gezien de aard van de bebouwing is tijdelijk verblijf in de zomer en in de paarperiode het meest waarschijnlijk. Er worden gezien de beperkte buffering van de aanwezige holtes geen (massa)winterverblijven verwacht. Laat in het najaar aanwezige vleermuisverblijven zouden gedurende warme periodes in de winter wél gebruikt kunnen worden door actieve vleermuizen die nog niet in diepe winterrust verkeren. De gaten, kieren en spleten met potentie voor verblijvende gebouwbewonende soorten vleermuizen bevinden zich in de open stootvoegen van de loods. De potentie bevindt zich, afgezien van de westelijke gevel, verspreid over alle gevels van de bebouwing.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
20
Kaart van het plangebied met potentieel voor vleermuizen geschikte onderdelen van de bebouwing (blauwe lijnen) en boomholtes (rode sterren).
De aanwezige holtes in de (te kappen) Grauwe abelen zouden geschikt kunnen zijn als (tijdelijke) verblijfplaats voor in bomen verblijvende soorten zoals Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van holtes en spleten. Mogelijk zijn er nog meer geschikte holtes aanwezig in de bomen in het plangebied. Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.
De openingen in de stootvoegen van de bebouwing en de spechtengaten in de Grauwe abelen (rode pijlen) geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte achterliggende ruimtes.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
21
Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, doorlopende watergangen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
4.7
Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van overige beschermde fauna in of rond het plangebied (NDFF 2014-2024). Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het plangebied is niet geschikt voor overige beschermde fauna in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
22
4.8
Conclusie beschermde soorten Op grond van §4.1 t/m §4.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen mogelijk (incidentele) aanwezigheid en gebruik als essentieel leefgebied (zoals bijvoorbeeld vaste verblijfplaatsen). In hoofdstuk 5 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Indien de potentieel aanwezige beschermde functie wordt genoemd in kolom 4 valt deze automatisch onder essentieel leefgebied voor de mogelijk aanwezige soorten.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)
Mogelijk aanwezig in plangebied
Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied
Planten
NDFF
nee
nee
Vissen
nee
nee
nee
Amfibieën
NDFF
nee
nee
veldbezoek, NDFF
ja
niet-jaarrond beschermde nesten
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
NDFF
ja
essentieel leefgebied (Huismus, roofvogels)
Grondgebonden zoogdieren
NDFF
ja
essentieel leefgebied (kleine marterachtigen)
Vleermuizen
NDFF
ja
Verblijfplaatsen / foerageergebied
Overige beschermde fauna
NDFF
nee
nee
Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
5
23
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
5.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het kappen en rooien van bomen en struiken, sloop van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt. ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Ekster, Zwarte kraai, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper en Grote Bonte specht), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied.
Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
24
van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Bij de sloop van de bebouwing en het herinrichten van het plangebied met nieuwbouw zou essentieel leefgebied van de Huismus beschadigd of vernield kunnen worden. Hierbij gaat het mogelijk om slaapplaatsen in struiken, zandbaden en kwetterplekjes. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid en het terreingebruik van deze soort. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden, niet in het minste omdat er een (kleine) populatie bekend is van Huismus aan de naastgelegen Westerweg (NDFF, 2024). Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet volledig te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten.
Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten uit te voeren om de aanwezigheid van nesten vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Indien uit de nestenscan blijkt dat er geen grote vogelnesten aanwezig zijn, wordt er voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Sperwer en Ransuil), geen negatief effect verwacht van de ingreep. Het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving is veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig. Het plangebied biedt in dit geval geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
5.2
Grondgebonden zoogdieren Voor incidenteel aanwezige marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de geringe grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor deze soorten en de dieren kunnen gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
5.3
25
Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van de bebouwing en het kappen van bomen met holtes of spleten zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van boom- en gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet volledig te inspecteren op de aanwezigheid van holtes en spleten die geschikt zouden kunnen zijn voor vleermuizen. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een bomenscan uit te voeren om de aanwezigheid van holtes of spleten vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Dit kan gecombineerd worden met de eerder genoemde scan naar grote vogelnesten. Indien voor vleermuizen geschikte spleten of holtes aanwezig zijn is een holtescan of vervolgonderzoek naar boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de werkzaamheden omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
26
5.4
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Huismus en algemene gebouw- en boombewonende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet volledig te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten en holtes en spleten uit te voeren om de aanwezigheid daarvan vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Indien nesten, holtes en spleten die geschikt kunnen zijn voor beschermde soorten (bijvoorbeeld roofvogels, uilen en vleermuizen) aanwezig zijn, dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd (zie Tabel 2). Aanbevolen wordt de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg half maart – half juli).
Periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.
Soort/Soortgroep Vogels Nesten-scan roofvogels en uilen* Huismus Vleermuizen
Alle soorten
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Van der Goes en Groot
onderzoeksperiode vaststellen aanwezigheid van nesten november – half april half maart – half juni Gebiedsfunctie (boom)holte-scan, vaststellen aanwezigheid van geschikte boomholtes Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)
Periode
Aantal bezoeken 1 2-3 Aantal bezoeken
november – februari
1
Paarverblijven en zwermgedrag (2 bezoeken)
5
half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober juni – half juli half juni – half juli
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
6
27
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstukken 4 en 5 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Omgevingswet kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3.4). In de bepalingen die staan uitgewerkt in de Ow kunnen gebieden ook beschermd zijn als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
6.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 4 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Noordhollands Duinreservaat (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming door groengebieden, stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.
6.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
6.3
Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
28
zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes, Bufferzones, Aardkundige Monumenten en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig.
6.4
Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Ow genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.
6.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied, BPL, natuurverbindingen en het NNN.
Natura 2000gebied Noord-Hollands Duinreservaat
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
6.6
29
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Ow genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
30
7
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Eventueel in het plangebied verwachte soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden ook besproken in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven maatregelen. Met behulp van passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De te nemen maatregelen worden besproken in relatie tot de werkzaamheden en de in het plangebied aanwezige biotopen (zie §1.4 en hoofdstuk 3). Ook worden maatregelen ter bevordering van in het wild levende soorten en hun leefomgeving geadviseerd.
In het plangebied zijn biotopen aanwezig waar mogelijk soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt voorkomen, namelijk bebouwing, groenstructuren en wateren en oevers. In het plangebied kunnen vanwege de aanwezigheid van deze biotopen kwetsbare en bedreigde soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt voorkomen. Het gaat in dit geval mogelijk om verschillende soorten die op de Rode Lijsten van de volgende soortgroepen staan: amfibieën, bijen, dagvlinders, kokerjuffers, korstmossen, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, vaatplanten, vogels, weekdieren en zoogdieren. In §7.1 en §7.2 worden maatregelen genoemd ten behoeve van de algemene en specifieke zorgplichten. Deze maatregelen zijn bevorderend voor de natuur en zijn in deze situatie ook toepasbaar om mogelijke negatieve effecten op in het plangebied voorkomende Rode Lijst-soorten te voorkomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
7.1
31
Passende preventieve maatregelen Teneinde de (specifieke) zorgplicht na te leven dient men voorafgaand en tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de aanwezige biotopen (zie hoofdstuk 3) de volgende preventieve maatregelen te nemen: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal moet gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving. Groenvoorzieningen moeten tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen zoveel mogelijk worden ontzien. Bij het werk kunnen zo klein mogelijke werkbreedtes gebruikt worden. Tevens kan men steeds dezelfde bouwwegen en paden voor zowel vervoer, aanvoer en afvoer gebruiken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamhedenmoet richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Om negatieve effecten voor grondgebonden fauna te verminderen kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid waarna het perceel een nacht met rust gelaten wordt voordat de vegetatie volledig verwijderd wordt.
Het verwijderen van groenvoorzieningen kan zoveel mogelijk beperkt worden en na de werkzaamheden kan de vegetatie op vergelijkbare wijze met dezelfde soorten aangeplant worden, op dezelfde locaties als waar groenvoorzieningen verwijderd worden. Bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen moet een zo smal mogelijke werkbreedte aangehouden worden. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig gewerkt worden dat de meest gevoelige periodes van te verwachten soorten (vooral voortplantings- en winterrustperiodes) vermeden worden.
7.2
Passende ontwikkelings- en herstelmaatregelen Omdat bij de plannen groen wordt verwijderd en nieuwbouw wordt gerealiseerd waar eerder groen aanwezig was worden hieronder enkele ontwikkelings- en of herstelmaatregelen waarmee de regels omtrent de specifieke zorgplicht na kunnen worden geleefd besproken. Met behulp van de hieronder beschreven maatregelen kan de natuur in het plangebied ontwikkeld- en hersteld worden en krijgen planten
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
32 →https://www.checklist
groenbouwen.nl/
en dieren ook in nieuwe situatie de ruimte. Aanvullend zijn er zijn veel ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van de omgeving. Bij de uitvoer van de plannen dienen vanwege het voorkomen van soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt de volgende maatregelen te worden genomen: Het (aanvullend) plaatsen van speciale nestkasten, inmetselstenen en vogelvides ten behoeve van Huismussen, Gierzwaluwen en Spreeuwen. Het (aanvullend) plaatsen van speciale vleermuiskasten aan bomen en in gevelmuren en het geschikt maken van spouwmuren ten behoeve van verblijvende vleermuizen. Het gebruiken van vleermuisvriendelijke verlichting en inschijnen waar mogelijk te voorkomen door deze enkel naar de grond te richten. Het plaatsen van zogeheten ‘hoektrappen’ in straatkolken waardoor amfibieën uit putten omhoog kunnen klimmen. Het plaatsen van insectenhotels aan gevelmuren of in de omgeving van tuinen en groenstructuren. Beplanten, terugplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals Eenstijlige meidoorn, Wilde liguster, Gewone vlier, Sleedoorn en Klimop, welke vogels en insecten als vlinders, wilde bijen en zweefvliegen kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, (spits)muizen en vleermuizen.
Afschermen van te behouden leefgebied van soorten met takkenrillen, hagen of schermen om mogelijke verstoring te beperken. Het verbreden van watergangen rondom het plangebied en de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten als Muurvaren, Tongvaren en Steenbreekvaren.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
8
33
Conclusies 8.1
Beschermde soorten Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van essentieel leefgebied van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek het terreingebruik van deze vogelsoort noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet volledig te inspecteren op de aanwezigheid van (grote) vogelnesten / holtes en spleten die geschikt kunnen zijn voor roofvogels, uilen en vleermuizen. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de nadere aanwezigheid van nesten, holtes en spleten uit te voeren. Indien er grote vogelnesten, holtes of spleten aanwezig zijn die geschikt kunnen zijn voor vogels met jaarrond beschermde vogelnesten of vleermuizen dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd (zie Tabel 2). Indien uit de nestenscan blijkt dat er geen grote vogelnesten aanwezig zijn, wordt er voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Sperwer en Ransuil), geen negatief effect verwacht van de ingreep. Het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving is veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig. Het plangebied biedt in dit geval geen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2024-221
Kalkovensweg 1 te Alkmaar
34
essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de geringe grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor deze soorten en de dieren kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Indien uit de bomenscan blijkt dat er geen voor vleermuizen geschikte holtes of spleten aanwezig zijn in de te kappen bomen, wordt voor boombewonende vleermuizen geen negatief effect verwacht van de ingreep.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.