7 20210805 Nota van beantwoording zienswijzen Bloemwijk
Tekst van het document
Nr. R17 Zienswijzen en beantwoording Reclamanten 17
17.1 Uitzicht, verminderde lichtinval en privacy Reclamanten hebben op dit moment deels vrij uitzicht op de Asterstraat. In de nieuwe situatie ver- andert dit, doordat de Asterstraat komt te vervallen en een rij woningen wordt gerealiseerd. Hierdoor vrezen reclamanten schending van hun privacy en vermindering van woongenot door inkijk vanuit andere woningen.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente erkent dat in de nieuwe opzet van het plangebied sprake is van een gewijzigd uitzicht. De gemeente stelt zich niettemin op het standpunt dat er sprake van een evenwichtige belangenaf- weging. Daarbij is van belang dat de nieuw te bouwen woningen op een grotere afstand van de woning van reclamanten worden gepositioneerd: waar nu sprake is van een afstand van ongeveer 15 meter, wordt in de nieuwe situatie de afstand iets minder dan 20 meter. Dat is een zeer aan- vaardbare afstand in een (hoog)stedelijke omgeving. Die afstand maakt bovendien dat er geen zor- gen om privacy hoeven te zijn.
Op basis hiervan meent de gemeente dat er weliswaar sprake is van een feitelijke verandering in de situatie van reclamanten, maar dat deze verandering niet leidt tot onevenredig nadeel of tot on- aanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van reclamanten.
17.2 Parkeerterrein Leliestraat Reclamanten maken bezwaar tegen het realiseren van (extra) parkeerplaatsen aan de Leliestraat. Dit leidt tot extra verkeersbewegingen op de C.W. Bruinvisstraat.
Gemeentelijke beantwoording Op basis van de Parkeernormennota 2020-2027 zoals in juni 2020 is vastgesteld door de gemeen- teraad, moet het plangebied als “overig” worden aangemerkt. Weliswaar is in de wijk op dit moment sprake van vergunninghoudersparkeren, maar daarbij moet worden opgemerkt dat dit een tijdelijke situatie is als gevolg van de zogenoemde “Goede buren-regeling” vanwege de verbouw van het Noordwest Ziekenhuis. Raad en college spraken daar destijds over af dat gebieden waar tijdelijk vergunninghoudersparkeren is, niet als “schil” worden aangemerkt.
Toepassing van de norm “overig” leidt ertoe dat in het plangebied in totaal 203 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. 202 daarvan bevinden zich in de openbare ruimte, 1 wordt op eigen terrein gerealiseerd. De gemeente stelt dat het voor een zo optimaal mogelijke inrichting van de openbare ruimte, beter is om de toe te voegen parkeerplaatsen in clusters te concentreren. Hierdoor blijft er in het plangebied voldoende ruimte voor groene clusters. Een versnippering van de parkeer- plaatsen, zou leiden tot eenzelfde versnippering van het groen. Dat is in het totaalbeeld voor het plangebied niet gewenst.
Bij de inrichting van het parkeerterrein wordt aandacht besteed aan het voorkomen van mogelijke overlast. Ook is er veel sociale controle door de ligging tussen woningen. Er zijn geen omstandig- heden aan te wijzen die maken dat op voorhand moet worden gevreesd voor ernstige overlast. 17.3 Waardevermindering Reclamanten stellen dat de herontwikkeling van het plangebied leidt tot een waardevermindering van hun woning.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente gaat ervan uit dat de herontwikkelde, groenere en duurzamere Bloemwijk tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit leidt. Het is niet aannemelijk dat dit zich vertaalt in een waar- devermindering voor de omliggende woonblokken. Voor zover reclamanten menen dat sprake is van een waardevermindering waarvoor zij compensatie zouden moeten ontvangen, kunnen zij ge- bruik maken van de planschadeprocedure, die na het onherroepelijk worden van het bestemmings- plan, kan worden gestart. 17.4 Overlast bouwverkeer en schade aan woning Reclamanten vrezen last te ondervinden van bouwverkeer en vrezen schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden.
Gemeentelijke beantwoording Dat enige overlast kan optreden tijdens bouwwerkzaamheden, is niet uit te sluiten. Voordat de werk- zaamheden starten, moet Van Alckmaer inzichtelijk maken op welke wijze de overlast kan worden beperkt. Voor wat betreft eventuele schade, geldt dat Van Alckmaer en haar aannemer wettelijke verplichtingen hebben ten aanzien van het beperken van risico’s, ten aanzien van aansprakelijkheid en ten aanzien van het beschikken over een voldoende dekkende CAR-verzekering. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestem- mingsplan. Wel is naar aanleiding van een nadere bestuurlijke afweging en een aantal andere zienswijzen, hoofdstuk 4.9.2 van de toelichting op het bestemmingsplan gewijzigd.
Nr. R18 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 18
18.1 Schade aan woning en riool door trillinghinder Reclamant vreest dat trillinghinder door bouwverkeer en het gebruik van een te goedkope funde- ringsmethodiek leidt tot schade aan zijn woning en aan het riool. Reclamant verzoekt een kopie van een gemotiveerde risicoanalyse/veiligheidsplan/monitoringsplan te mogen ontvangen.
Gemeentelijke beantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan ligt uitsluitend de vraag voor of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt beoordeeld of de voorgestelde situatie, te weten een woonwijk met verkeerswegen en groen, passend is. Verder wordt onderzocht of er op voorhand al situaties zijn te benoemen die maken dat het bestemmingsplan niet in deze vorm kan worden vast- gesteld. De gemeente is van oordeel dat in dit geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening:
er is sprake van een woonfunctie op de plek waar deze al (grotendeels) aanwezig is. Ook de ver- keersfunctie, waarbinnen ook groen mogelijk is, voldoet aan de eisen die hieraan redelijkerwijs kun- nen worden gesteld.
In een bestemmingsplan wordt niet beoordeeld of bijvoorbeeld de funderingsmethodiek voldoet of dat sprake is van een kans op schade aan het riool. Die beoordeling vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning, wanneer aan het Bouwbesluit 2012 wordt getoetst. Er mag, zoals hiervoor al aangegeven, uitsluitend worden gekeken of de situatie ter plaatse op voorhand aanleiding geeft om dit bestemmingsplan niet toe te staan. Het enkele feit dat de woning van reclamant op staal is gefundeerd, is niet voldoende aanleiding hiervoor. Zoals reclamant zelf al opmerkt, hangt het van onder meer de funderingsmethodiek af of er daadwerkelijk onaanvaardbare gevolgen optreden. An- ders gezegd, er is mogelijk een probleem bij het funderen, maar daarvoor bestaan ook oplossen. Dat betekent dat dit aspect nu niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
De riolering in de gehele Bloemwijk wordt tijdens de herontwikkeling vernieuwd. Dit is al in de plan- ning en de begroting van Van Alckmaer en Stadswerk072 meegenomen als gepland groot onder- houd. Daaraan zijn voor de overige bewoners in de wijk geen extra kosten verbonden.
Op dit moment zijn er nog geen documenten ter zake van de te kiezen funderingsmethodiek be- schikbaar. Wel heeft Van Alckmaer, gelet op de omgeving, al de keuze gemaakt om trillingvrij te funderen. Dit is echter niet iets dat in het bestemmingsplan kan worden vastgelegd. 18.2 Afvalcontainer Reclamant verzoekt de afvalcontainer op het plaatsje naast zijn woning niet dichter bij zijn woning te situeren dan in de huidige situatie, zodat schade wordt voorkomen.
Gemeentelijke beantwoording De precieze locatie van de afvalcontainer is nog niet bekend. Bij het opstellen van het inrichtingsplan wordt hierover meer duidelijk. Naast het belang van reclamant, speelt ook het algemene belang van een goede bereikbaarheid van de afvalcontainer voor de overige omwonenden en voor de vuilnis- wagen een rol. Al deze belangen worden in het inrichtingsplan meegenomen. De gemeente brengt de door reclamant geuite zorgen over bij Van Alckmaer, zodat zij daarmee rekening kan houden bij de opstelling van het inrichtingsplan.
Voor het voorliggende bestemmingsplan heeft de bovengenoemde belangenafweging geen gevol- gen: de afvalcontainer wordt binnen de geprojecteerde verkeersbestemming geplaatst. 18.3 Parkeren en laadpalen Reclamant ervaart na werktijd en in het weekend de nodige parkeeroverlast. Hij verzoekt om niet met een lagere parkeernorm te werken dan in het ontwerpbestemmingsplan is meegenomen. Daar- naast verzoekt reclamant op de hoogte te worden gehouden over het plaatsen van laadpalen. In dat verband vraagt reclamant om uitleg over de procedure om deze laadpalen te plaatsen.
Gemeentelijke beantwoording Op basis van de Parkeernormennota 2020-2027 zoals in juni 2020 is vastgesteld door de gemeen- teraad, moet het plangebied als “overig” worden aangemerkt. Weliswaar is in de wijk op dit moment sprake van vergunninghoudersparkeren, maar daarbij moet worden opgemerkt dat dit een tijdelijke situatie is als gevolg van de zogenoemde “Goede buren-regeling” vanwege de verbouw van het Noordwest Ziekenhuis. Raad en college spraken daar destijds over af dat gebieden waar tijdelijk vergunninghoudersparkeren is, niet als “schil” worden aangemerkt. Dit betekent dat in het plange- bied in totaal 203 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. 202 hiervan komen in de openbare ruimte en 1 wordt op eigen terrein gerealiseerd.
Wat betreft de procedure voor de laadpalen, hiervoor wordt een losse procedure doorlopen. Op https://www.alkmaar.nl/direct-regelen/verkeer-vervoer-parkeren/elektrische-laadpalen/ is de actu- ele informatie hierover opgenomen. Aanvragen voor een laadpaal worden in de officiële bekendma- kingen gepubliceerd. 18.4 Uitzicht, verminderde lichtinval en privacy Reclamanten heeft op dit moment deels vrij uitzicht op de Dahliastraat. In de nieuwe situatie veran- dert dit, doordat het blok op de hoek Boomkampstraat/Dahliastraat enkele meters in westelijke rich- ting opschuift. Hierdoor vreest reclamant ook een verminderde lichtinval in hun woning en schending van zijn privacy. Tevens wijst hij erop dat de bewoners van de nieuwe woning op de hoek Boom- kampstraat/Dahliastraat kunnen klagen over de ramen in zijn (hoek)woning.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente erkent dat in de nieuwe opzet van het plangebied sprake is van een gewijzigd uitzicht. De gemeente stelt zich niettemin op het standpunt dat er sprake van een evenwichtige belangenaf- weging. Daarbij wordt ten eerste in aanmerking genomen dat reclamant in de huidige situatie al deels uitkijkt op een woning. Ten tweede is van belang dat de nieuw te bouwen woningen op grofweg
dezelfde afstand van de woning van reclamanten worden gepositioneerd: in dat opzicht is dus geen sprake van een verslechtering. Die afstand maakt bovendien dat er geen zorgen om privacy hoeven te zijn. In dat verband merkt de gemeente op dat de ramen in de woning van reclamant niet in strijd zijn met artikel 5:50 Burgerlijk Wetboek en dat er dus geen aanleiding is om te veronderstellen dat in de nieuwe situatie klachten van nieuwe bewoners kunnen worden verwacht.
Op basis hiervan meent de gemeente dat er weliswaar sprake is van een feitelijke verandering in de situatie van reclamant, maar dat deze verandering niet leidt tot onevenredig nadeel of tot onaan- vaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van reclamant. 18.5 Verkeershinder Reclamant vreest een toename van de verkeershinder door de gewijzigde rijrichting in de Dahlia- straat.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor is een verkeersbesluit nodig. Voor het bestemmingsplan is de rijrichting minder van belang: het gaat er voor nu uitsluitend om dat de wegen in het gebied een verkeersbestemming krijgen. Het achter- liggende stedenbouwkundig plan gaat wel uit van een gewijzigde rijrichting, bijvoorbeeld door de positionering van groen en de benodigde parkeerplaatsen. Zo zijn er plaatsen voor schuin parkeren ingetekend die overeenstemmen met de rijrichting ter plaatse.
Gelet op het aantal zienswijzen waarin is verzocht de rijrichting op de Van der Woudestraat niet te wijzigen en de bereidheid van de gemeente tegemoet te komen aan deze bezwaren, kiest de ge- meente ervoor de huidige rijrichting in stand te laten. Dit betekent concreet dat ook de rijrichting in het noordelijk deel van de Dahliastraat in stand blijft. Het bestemmingsplan hoeft hiervoor niet te worden aangepast. Om dit beleidsvoornemen toch kenbaar en inzichtelijk te maken, is het steden- bouwkundig plan hierop aangepast.
Wat betreft de mogelijke verkeershinder is in de toelichting op het bestemmingsplan opgemerkt dat door de afname van het aantal woningen in het plangebied, geen grote toename van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht, mogelijk zelfs een kleine afname. Het is daarom niet de ver- wachting dat rondom de woning een onaanvaardbare verkeersdruk of -hinder optreedt. 18.6 Planschade Reclamant wil weten welk bedrag aan planschade wordt vergoed.
Gemeente beantwoording Op voorhand is niet te bepalen welk bedrag aan planschade wordt uitgekeerd, in het geval er een recht op het vergoeden van planschade bestaat. De bepaling van dit bedrag vindt plaats door het maken van een planologische vergelijking tussen het oude en nieuwe bestemmingsplan. De even- tuele verschillen worden in een taxatie op geld gewaardeerd.
Een aanvraag om vergoeding van planschade kan worden ingediend nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. De gemeente laat elke aanvraag door een onafhankelijke adviseur be- oordelen. Daarna wordt op basis van dit advies een beslissing genomen.
Op voorhand is het niet aannemelijk dat een mogelijke kans op planschade de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Ten eerste is er sprake van de herontwikkeling van een be- staand woongebied, waarbij de huidige opzet en de nieuwe opzet niet in grote mate van elkaar verschillen. Daardoor is de kans op planschade op voorhand beperkt te achten. Daarnaast is met Van Alckmaer overeengekomen dat de eventueel te vergoeden planschade door Van Alckmaer aan de gemeente wordt terugbetaald. In de toelichting is dit in hoofdstuk 7 onderbouwd. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.2 en bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan.
Nr. R19 Zienswijzen en beantwoording Reclamanten 19
19.1 Reactie wettelijk vooroverleg Reclamanten wijzen erop dat hun reactie tijdens het wettelijk vooroverleg niet volledig is weergege- ven. Zij geven aan dat nu onvoldoende blijkt dat zij zich niet in de plannen kunnen vinden.
Gemeentelijke beantwoording De reactie van reclamanten is inderdaad niet volledig weergegeven. Dit wordt aangepast in bijlage 13 van de toelichting op het bestemmingsplan (vooroverlegreacties).
19.2 Behoud cultuurhistorische waarden Reclamanten stellen dat de cultuurhistorische waarden zullen verdwijnen wanneer alle bouwblokken in het plangebied worden gesloopt. Er ontstaat dan een nieuwbouwwijk in een historische context van de Westerweg en de bouwblokken die geen eigendom zijn van Van Alckmaer. Alleen door een deel van de originele bebouwing aanwezig te laten, wordt recht gedaan aan de hoge stedenbouw- kundige en architectonische kwaliteit van het oorspronkelijke plan.
Gemeentelijke beantwoording De aanleiding om het plangebied te herontwikkelen, komt voort uit de weging van enerzijds de am- bitie van de gemeente en Van Alckmaer om de Bloemwijk te verduurzamen en groener te maken en anderzijds de mogelijkheden die de bestaande woningvoorraad en de bestaande opzet van de wijk daartoe bieden. De staat van de woningen van Van Alckmaer is in die weging een van de meegewogen omstandigheden. Een andere omstandigheid die is meegewogen, is het belang van de cultuurhistorie.
Voorafgaand aan de planvorming is zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om (delen van) het plangebied te behouden door middel van renovatie. Uit dit onderzoek, waarop op verzoek van de bewoners van het plangebied een second opinion heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de keuze voor volledige sloop en nieuwbouw de beste is. Om die reden heeft Van Alckmaer verzocht het onderhavige bestemmingsplan vast te stellen. De gemeente heeft geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van deze onderzoeken en hanteert daarom als uitgangspunt dat sloop van alle woningen in het plangebied de enige aangewezen optie is.
Omdat de Bloemwijk een wijk is die rijk is aan cultuurhistorie, was en is één van de belangrijkste vragen die moet worden beantwoord, de vraag hoe enerzijds het (meer algemene) belang van een goede, duurzame woningvoorraad in de sociale huur en in een groene, klimaatadaptieve omgeving en anderzijds het belang van de cultuurhistorie kunnen worden verenigd. Om dit laatste belang goed inzichtelijk te krijgen, is in 2019 het rapport van Steenhuis Meurs tot stand gekomen. In dit rapport is beschreven wat de precieze waarden van de Bloemwijk zijn. Ook is inzichtelijk gemaakt dat de Bloemwijk al niet meer “in oorspronkelijke staat” verkeert, door eerdere ingrepen uit het verleden:
• in het totale spectrum van de landelijke ontwikkeling van tuindorpen, behoort Bloemwijk niet tot de top, maar tot de categorie tuindorpen waarbij de ambachtelijke architectuur het gebrek aan groen moest compenseren en het straatbeeld relatief stads aandoet; • voor het gebruik van de Bloemwijk door de bewoners is het te betreuren dat het oorspronkelijk stedenbouwkundig ontwerp met open speelveld aan het spoor niet tot uitdrukking is gekomen en is versteend.
Juist deze aspecten, groen, spelen en ontmoeten, komen in de nieuwe Bloemwijk beter tot zijn recht. Voor wat betreft de stedenbouwkundige- en ensemble waarde stelt het cultuur-historisch onderzoek van Steenhuis Meurs:
In vergelijking met andere tuinwijken is in Bloemwijk de buitenruimte vrij sober, wat zich uit in het gebrek aan voortuinen, plantsoenen en royale (boom) beplanting. De groene buitenruimte (zowel pleinen als straten) is onder druk komen te staan door geparkeerde auto’s. De beplanting biedt in maat te weinig evenwicht.
Het nieuw te realiseren Hulsthof, Asterhof en binnengebied Leliestraat zal in de nieuwe Bloemwijk juist een meer groene, duurzame uitstraling geven; meer in lijn met de oorspronkelijke tuindorpfilo- sofie. De nieuwe Bloemwijk wordt aldus meer het tuindorp dat destijds is beoogd.
De gemeente meent, gelet op het vorengaande, dat het aspect cultuurhistorie, bezien vanuit het uitgangspunt dat sloop/nieuwbouw onontkoombaar is, op de juiste wijze is meegewogen. Er is nu sprake van een tuindorp-setting, daarvan wordt straks wederom sprake. De huidige bouwstijl wordt zoveel mogelijk teruggebouwd. Bepaalde kenmerkende elementen, zoals hogere hoekwoningen, komen terug in de nieuwe Bloemwijk. De nu kenmerkende cultuurhistorische aspecten, gaan dus niet verloren. Dat dit in de vorm van nieuwbouw in plaats van een combinatie van nieuwbouw en behoud van een bestaand complex plaatsvindt, maakt dit niet anders. In de geheel te maken belan- genafweging is dit een voor de gemeente aanvaardbare uitkomst, die blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening. 19.3 Kwadrant Boomkampstraat-Hulststraat-Eikelenbergstraat-Dahliastraat Reclamanten verzoeken het kwadrant Boomkampstraat-Hulststraat-Eikelenbergstraat-Dahliastraat niet te slopen, maar te behouden, vanwege de zeer hoge sociaaleconomische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectuurhistorische waarden. Reclamanten doen hiertoe in hun ziens- wijze een voorstel.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet moet worden beoor- deeld of er ook andere plannen denkbaar zijn, maar of in redelijkheid het voorliggende plan kan worden vastgesteld, waarbij tevens de alternatieven worden gewogen (zie ook ABRvS 25 november 2020, zaaknr. 202001525). Het in stand laten van voornoemd kwadrant is een alternatief in de hier- voor bedoelde zin.
Bij de weging van dit alternatief ziet de gemeente de nodige nadelen. Ten eerste is het aannemelijk dat dit alternatief gevolgen heeft voor de economische uitvoerbaarheid van het gehele bestem- mingsplan. De gemeente wijst in dit verband op het onderzoek naar sloop/nieuwbouw dat in op- dracht van Van Alckmaer is uitgevoerd en op de second opinion die in opdracht van de omwonenden is uitgevoerd. Deze beide onderzoeken komen tot de conclusie dat sloop/nieuwbouw van alle wo- ningen in het plangebied de enige optie is.
Ten tweede betekent het volgen van het alternatief dat het stedenbouwkundig plan, inclusief de daarmee samenhangende participatie en de nodige onderzoeken, opnieuw moeten worden uitge- voerd. Dit leidt tot de nodige inspanningen qua tijd en middelen, hetgeen de uitvoerbaarheid van de plannen verder onder druk zet. Ook betekent dit dat er voor langere tijd geen nieuwe sociale huur- woningen worden gebouwd, wat gelet op de lange wachtlijsten niet gewenst is.
Ten derde komt het alternatief in strijd met andere ambities die de gemeente en Van Alckmaer voor het plangebied hebben. De gemeente wijst in dit verband op het bieden van een meer divers wo- ningaanbod: in de plannen van reclamanten zou bijvoorbeeld het appartementengebouw Hulsthof vervallen, terwijl dit juist de mogelijkheid om een leven lang in de Bloemwijk te wonen, faciliteert. Ook beperkt het behoud van het kwadrant de mogelijkheden om het plangebied klimaatadaptiever en groener te maken.
Het alternatief wegende, komt de gemeente tot de conclusie dat in redelijkheid kan worden gekozen voor het voorliggende plan. Er is geen dwingende noodzaak voor het alternatief te kiezen. 19.4 Gemeentelijk monument Reclamanten willen dat het kwadrant Boomkampstraat-Hulststraat-Eikelenbergstraat-Dahliastraat de status van gemeentelijk monument krijgt.
Gemeentelijke beantwoording Voor het aanwijzen van de monumentstatus geldt een eigen procedure. Het bestemmingsplan kan geen monumentstatus aan een gebouw of een gebied geven. Overigens is de formele aanvraag van reclamanten om dit kwadrant een monumentstatus te geven, bij het college van B&W in behan- deling. Reclamanten worden geïnformeerd over de voortgang in die procedure. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van bijlage 13 van de toelichting op het bestemmingsplan.
Nr. R20 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 20
20.1 Verzoek om op de hoogte te worden gehouden Reclamant verzoekt om op de hoogte te worden gehouden van alle veranderingen, zowel per post, als per e-mail.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente houdt reclamant op de hoogte van de voortgang van de bestemmingsplanprocedure. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestem- mingsplan.
Nr. R21 Zienswijzen en beantwoording Reclamanten 21
21.1 Sloop van de woningen in het plangebied Reclamant stelt zich op het standpunt dat het aantoonbaar onjuist is dat de woningen binnen het plangebied moeten worden gesloopt. Reclamant wijst in dit verband op het Bouwbesluit, de uitge- voerde second opinion en de daadwerkelijk geldende eisen op het gebied van duurzaamheid.
Gemeentelijke beantwoording De aanleiding om het plangebied te herontwikkelen, komt voort uit de weging van enerzijds de am- bitie van de gemeente en Van Alckmaer om de Bloemwijk te verduurzamen en groener te maken en anderzijds de mogelijkheden die de bestaande woningvoorraad en de bestaande opzet van de wijk daartoe bieden. De staat van de woningen van Van Alckmaer is in die weging een van de meegewogen omstandigheden. Een andere omstandigheid die is meegewogen, is het belang van de cultuurhistorie.
Voorafgaand aan de planvorming is zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om (delen van) het plangebied te behouden door middel van renovatie. Uit dit onderzoek, waarop op verzoek van de bewoners van het plangebied een second opinion heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de keuze voor volledige sloop en nieuwbouw de beste is. Om die reden heeft Van Alckmaer verzocht het onderhavige bestemmingsplan vast te stellen. De gemeente heeft geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van deze onderzoeken en hanteert daarom als uitgangspunt dat sloop van alle woningen in het plangebied de enige aangewezen optie is.
De gemeente wijst er voorts op dat de door reclamant gewekte suggestie dat de BENG-eisen de concrete aanleiding zouden vormen om nu tot sloop/nieuwbouw over te gaan, niet juist is. Een ver- onderstelde precedentwerking voor andere woonbuurten is dan ook niet aan de orde. Deze sugges- tie van reclamant leidt dus niet tot het oordeel dat de gekozen richting van sloop/nieuwbouw onjuist is of niet had mogen worden gekozen.
Voor wat betreft het onderwerp duurzaamheid, verwijst de gemeente tenslotte naar het in 2020 vastgestelde Programma Duurzaam Alkmaar 2020-2024, waarin onder meer is aangegeven welke ambities er liggen voor de Bloemwijk. 21.2 Behoud erfgoed- en omgevingswaarden Reclamant stelt dat de sloop van geheel Bloemwijk in strijd is met belangrijke onvervangbare deels beschermde erfgoed- en omgevingswaarden, waaronder een gemeentelijk monument en be- schermde gevelaanzichten. Reclamanten wijzen in dit verband op bestuurlijke vooringenomenheid en op niet-onbevooroordeelde advisering door de Welstands- en Monumentencommissie.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat er geen sprake is van sloop van de gehele Bloemwijk. De randen van de Bloemwijk maken geen deel uit van het plangebied.
Voorafgaand aan de planvorming is zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om (delen van) het plangebied te behouden door middel van renovatie. Uit dit onderzoek, waarop op verzoek van de bewoners van het plangebied een second opinion heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de keuze voor volledige sloop en nieuwbouw de beste is. Om die reden heeft Van Alckmaer verzocht het onderhavige bestemmingsplan vast te stellen. De gemeente heeft geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van deze onderzoeken en hanteert daarom als uitgangspunt dat sloop van alle woningen in het plangebied de enige aangewezen optie is.
Omdat de Bloemwijk een wijk is die rijk is aan cultuurhistorie, was en is één van de belangrijkste vragen die moet worden beantwoord, de vraag hoe enerzijds het (meer algemene) belang van een goede, duurzame woningvoorraad in de sociale huur en in een groene, klimaatadaptieve omgeving en anderzijds het belang van de cultuurhistorie kunnen worden verenigd. Om dit laatste belang goed inzichtelijk te krijgen, is in 2019 het rapport van Steenhuis Meurs tot stand gekomen. In dit rapport is beschreven wat de precieze waarden van de Bloemwijk zijn. Ook is inzichtelijk gemaakt dat de Bloemwijk al niet meer “in oorspronkelijke staat” verkeert, door eerdere ingrepen uit het verleden:
• in het totale spectrum van de landelijke ontwikkeling van tuindorpen, behoort Bloemwijk niet tot de top, maar tot de categorie tuindorpen waarbij de ambachtelijke architectuur het gebrek aan groen moest compenseren en het straatbeeld relatief stads aandoet; • voor het gebruik van de Bloemwijk door de bewoners is het te betreuren dat het oorspronkelijk stedenbouwkundig ontwerp met open speelveld aan het spoor niet tot uitdrukking is gekomen en is versteend.
Juist deze aspecten, groen, spelen en ontmoeten, komen in de nieuwe Bloemwijk beter tot zijn recht. Voor wat betreft de stedenbouwkundige- en ensemble waarde stelt het cultuur-historisch onderzoek van Steenhuis Meurs:
In vergelijking met andere tuinwijken is in Bloemwijk de buitenruimte vrij sober, wat zich uit in het gebrek aan voortuinen, plantsoenen en royale (boom) beplanting. De groene buitenruimte (zowel pleinen als straten) is onder druk komen te staan door geparkeerde auto’s. De beplanting biedt in maat te weinig evenwicht.
Het nieuw te realiseren Hulsthof, Asterhof en binnengebied Leliestraat zal in de nieuwe Bloemwijk juist een meer groene, duurzame uitstraling geven; meer in lijn met de oorspronkelijke tuindorpfilo- sofie. De nieuwe Bloemwijk wordt aldus meer het tuindorp dat destijds is beoogd.
De gemeente meent, gelet op het vorengaande, dat het aspect cultuurhistorie, bezien vanuit het uitgangspunt dat sloop/nieuwbouw onontkoombaar is, op de juiste wijze is meegewogen. Er is nu sprake van een tuindorp-setting, daarvan wordt straks wederom sprake. De huidige bouwstijl wordt zoveel mogelijk teruggebouwd. Bepaalde kenmerkende elementen, zoals hogere hoekwoningen, komen terug in de nieuwe Bloemwijk. De nu kenmerkende cultuurhistorische aspecten, gaan dus niet verloren. Dat dit in de vorm van nieuwbouw in plaats van een combinatie van nieuwbouw en behoud van een bestaand complex plaatsvindt, maakt dit niet anders. In de geheel te maken belan- genafweging is dit een voor de gemeente aanvaardbare uitkomst, die blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening.
Van enige vooringenomenheid van de kant van de gemeente is geen sprake. De gemeente toetst de plannen van Van Alckmaer aan de hand van de diverse beleidskaders en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Daarin behandelt de gemeente Alkmaar Van Alckmaer als iedere andere verzoeker die een nieuw bestemmingsplan wil laten vaststellen.
Tot slot stelt de gemeente zich op het standpunt dat zij redelijkerwijs mocht uitgaan van de juistheid van de inhoud van het advies van de Welstands- en Monumentencommissie. Op grond van vaste jurisprudentie mag de gemeente uitgaan van de inhoud van een dergelijk advies, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om de twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat ad- vies (ABRvS 16 september 2020, zaaknr. 201908700). Van de kant van reclamant is uitsluitend opgemerkt dat het advies “onder strakke ambtelijke regie” zou zijn tot stand gekomen. Dit standpunt is echter niet met concrete feiten onderbouwd. De gemeente kan deze stelling dan ook niet volgen. De gemeente wijst er in dit verband bovendien op dat de Welstands- en Monumentencommissie geen interne commissie is, maar een externe commissie. De commissieleden zijn alle experts in hun eigen vakgebied en hebben geen afhankelijkheidsrelatie met de gemeente. Er is in de ogen van de gemeente dus geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het gegeven advies. 21.3 Belang van goede volkshuisvesting Reclamant stelt dat het bestemmingsplan ten koste gaat van een betaalbare woningvoorraad, omdat er enerzijds minder woningen worden teruggebouwd en anderzijds meer investeringen moeten wor- den gedaan. Dat is in strijd met nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
Gemeentelijke beantwoording Voor wat betreft de genoemde beleidskaders, die reclamant overigens niet preciseert in haar ziens- wijze, verwijst de gemeente naar hetgeen hierover in hoofdstuk 3 van de toelichting op het bestem- mingsplan is opgenomen.
In het Masterplan (bijlage 1 bij de toelichting van het bestemmingsplan) is gepreciseerd welke types woningen worden gebouwd en welke daarvan in de sociale huur, vrije sector huur en koop vallen. De gemeente geeft deze precisering hieronder nogmaals weer: • 15 startersappartementen; • 62 3-kamer appartementen; • 59 3-kamer eengezinswoningen; • 34 4-kamer eengezinswoningen.
De verdeling huur/koop is als volgt: • 135 woningen sociale huur; • 19 woningen vrije sector huur; • 16 woningen koop.
Aan de hand van deze gegevens concludeert de gemeente dat het overgrote deel van het plan uit sociale huur bestaat. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat het plan ten koste gaat van een betaalbare woningvoorraad. 21.4 Goede ruimtelijke ordening Reclamant meent dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, nu er meer ruimte komt voor groen en parkeren, minder privébuitenruimte en er qua milieuaspecten niets noemens- waardig lijkt te veranderen.
Gemeentelijke beantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan ligt uitsluitend de vraag voor of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt beoordeeld of de voorgestelde situatie, te weten een woonwijk met verkeerswegen en groen, passend is. Verder wordt onderzocht of er op voorhand al situaties zijn te benoemen die maken dat het bestemmingsplan niet in deze vorm kan worden vast- gesteld. De gemeente is van oordeel dat in dit geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening:
er is sprake van een woonfunctie op de plek waar deze al (grotendeels) aanwezig is. Ook de ver- keersfunctie, waarbinnen ook groen mogelijk is, voldoet aan de eisen die hieraan redelijkerwijs kun- nen worden gesteld. 21.5 Participatie Reclamant herkent zich niet in het geschetste beeld dat ter zake van participatie is geschetst. Re- clamant wijst daarbij op klachten vanuit de Klankbordgroep Bloemwijk 2017 en op interne tegenstel- lingen tussen bewoners/vertegenwoordigers. Verder geeft reclamant aan te twijfelen over de uit- komsten van de gedane draagvlakpeilingen. Ook zou Van Alckmaer negatief-sturend hebben ge- handeld en geen aandacht hebben besteed aan de sociaal-maatschappelijke schade van gedwon- gen verhuizingen.
Gemeentelijke beantwoording Aan de hand van de informatie die Van Alckmaer heeft aangeleverd en de informatie die de ge- meente ter ore is gekomen, meent de gemeente dat wel degelijk sprake is van een langdurig en intensief participatietraject. De gemeente wijst in dit verband op de gang van zaken rond het onder- zoek naar sloop en nieuwbouw en naar de diverse overleggen tussen Van Alckmaer en de klank- bordgroep. Reclamant heeft niet onderbouwd om welke redenen de gemeente niet op de ontvangen informatie heeft mogen afgaan.
De gemeente stelt vast dat reclamant en Van Alckmaer verschillende verwachtingen en belevingen van het gelopen proces hadden en hebben. De gemeente heeft Van Alckmaer verzocht de klank- bordgroep in het verdere proces van uitwerking en planning te betrekken.
De gedane constateringen hebben geen invloed op de inhoud van het bestemmingsplan. De ge- meente meent dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de principes van een goede ruimtelijke ordening. Ook is er sprake van een realistisch draagvlak in de omgeving. 21.6 Economische uitvoerbaarheid Reclamant vreest dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is geborgd en vreest grote financiële risico’s voor Van Alckmaer en de gemeente.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente heeft op dit moment geen aanleiding om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Met Van Alckmaer zijn in de anterieure overeenkomst diverse afspraken ge- maakt. Er zijn geen omstandigheden bekend, noch door reclamant aangevoerd, die maken dat de gemeente niet mag uitgaan van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 21.7 Betere alternatieven Reclamant stelt dat er betere alternatieven mogelijkheid, in ieder geval voor de complexen 204 en 201. Daaraan mag de gemeente niet voorbijgaan.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet moet worden beoor- deeld of er ook andere plannen denkbaar zijn, maar of in redelijkheid het voorliggende plan kan worden vastgesteld, waarbij tevens de alternatieven worden gewogen (zie ook ABRvS 25 november 2020, zaaknr. 202001525). Het in stand laten van voornoemde complexen is een alternatief in de hiervoor bedoelde zin.
Bij de weging van dit alternatief ziet de gemeente de nodige nadelen. Ten eerste is het aannemelijk dat dit alternatief gevolgen heeft voor de economische uitvoerbaarheid van het gehele bestem- mingsplan. De gemeente wijst in dit verband op het onderzoek naar sloop/nieuwbouw dat in op- dracht van Van Alckmaer is uitgevoerd en op de second opinion die in opdracht van de omwonenden is uitgevoerd. Deze beide onderzoeken komen tot de conclusie dat sloop/nieuwbouw van alle wo- ningen in het plangebied de enige optie is.
Ten tweede betekent het volgen van het alternatief dat het stedenbouwkundig plan, inclusief de daarmee samenhangende participatie en de nodige onderzoeken, opnieuw moeten worden uitge- voerd. Dit leidt tot de nodige inspanningen qua tijd en middelen, hetgeen de uitvoerbaarheid van de plannen verder onder druk zet. Ook betekent dit dat er voor langere tijd geen nieuwe sociale huur- woningen worden gebouwd, wat gelet op de lange wachtlijsten niet gewenst is.
Ten derde komt het alternatief in strijd met andere ambities die de gemeente en Van Alckmaer voor het plangebied hebben. De gemeente wijst in dit verband op het bieden van een meer divers wo- ningaanbod: behoud van delen van de wijk betekent bijvoorbeeld dat het appartementengebouw Hulsthof komt te vervallen, terwijl dit juist de mogelijkheid om een leven lang in de Bloemwijk te wonen, faciliteert. Ook beperkt het behoud van delen van de wijk de mogelijkheden om het plange- bied klimaatadaptiever en groener te maken.
Het alternatief wegende, komt de gemeente tot de conclusie dat in redelijkheid kan worden gekozen voor het voorliggende plan. Er is geen dwingende noodzaak voor het alternatief te kiezen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestem- mingsplan.
Nr. R22 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 22
22.1 Rijrichting Van der Woudestraat Reclamant is het niet eens met het omdraaien van de rijrichting van het eenrichtingsverkeer op de Van der Woudestraat. Reclamanten vreest dat het verkeer te hard gaat rijden en aldus de veiligheid van de bewoners/kinderen in het geding komt.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor is een verkeersbesluit nodig. Voor het bestemmingsplan is de rijrichting minder van belang: het bestemmingsplan regelt op het punt van verkeer dat de wegen in het gebied een verkeersbestem- ming krijgen.
Het achterliggende stedenbouwkundig plan gaat wel uit van een gewijzigde rijrichting. De overwe- gingen om de rijrichting na de herontwikkeling in een aantal straten om te draaien, zijn de volgende: in tegenstelling tot de huidige situatie krijgt de Boomkampstraat tweerichtingsverkeer. Dat komt voort uit de keuze om in de Boomkampstraat een flink deel van het buurtparkeren te situeren. Op het einde van de Boomkampstraat kan het autoverkeer niet doorrijden naar de Leliestraat (eenrichtings- verkeer). Het autoverkeer wordt afgeleid via de Tulpstraat en komt dan in de Eikelenbergstraat te- recht. Met de huidige rijrichtingen moet dit verkeer de Grensstraat en de Van der Woudestraat ne- men om de wijk uit te gaan. Om de Van der Woudestraat te ontlasten van dit ‘uitgaande’ verkeer, is in het stedenbouwkundig plan de rijrichting omgedraaid. Verkeer dat inrijdt via de Boomkampstraat kan dan de buurt uitrijden via de Eikelenbergstraat.
Gelet op het aantal zienswijzen waarin is verzocht de rijrichting niet te wijzigen, constateert de ge- meente dat in de inhoudelijke afweging een keuze moet worden gemaakt tussen enerzijds het be- perken van uitrijdend verkeer op de Van der Woudestraat en anderzijds de verwachte lichthinder voor een aantal omwonenden.
Gelet op de belangen van deze omwonenden, die de verwachte hinder nu niet ervaren en het ge- geven dat ook bewoners vanuit de Van der Woudestraat zelf hebben aangegeven de huidige rijrich- ting te willen houden en gelet op het feit dat het voortzetten van de huidige situatie niet tot grote nadelen leidt, kiest de gemeente ervoor de huidige rijrichting in stand te laten. Dit betekent concreet dat ook de rijrichting in de Grensstraat, de Eikelenbergstraat, de Schagenstraat en het noordelijk deel van de Dahliastraat in stand blijft. Het bestemmingsplan hoeft hiervoor niet te worden aange- past. Om dit beleidsvoornemen toch kenbaar en inzichtelijk te maken, is het stedenbouwkundig plan hierop aangepast. 22.2 Steeg tussen Van der Woudestraat en Eikelenbergstraat Reclamant constateert dat de bestaande steeg tussen de Van der Woudestraat en de Eikelenberg- straat smaller lijkt te worden dan deze nu is. Reclamant wil dat de breedte van de steeg gelijk blijft.
Gemeentelijke beantwoording Met betrekking tot deze steeg zijn meerdere zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft Van Alckmaer aangegeven via een kadastrale aanwijs de precieze eigendomssituatie in de steeg te analyseren. Nadat deze zijn uitgevoerd, wordt de nieuwe steeg definitief uitgewerkt. Het uitgangs- punt daarbij is dat de nieuwe steeg ten minste de bestaande breedte krijgt. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.1 van de toelichting op het bestemmingsplan en van bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan (het ste- denbouwkundig plan).
Nr. R23 Zienswijzen en beantwoording Reclamanten 23
23.1 Parkeernorm Reclamanten verzoeken om de in het ontwerpbestemmingsplan gehanteerde parkeernorm voor het gebied “schil” te wijzigen in de parkeernorm die hoort bij het gebied “overig”. Hiermee wordt een evenwicht bereikt tussen parkeren en groen.
Gemeentelijke beantwoording Op basis van de Parkeernormennota 2020-2027 zoals in juni 2020 is vastgesteld door de gemeen- teraad, moet het plangebied als “overig” worden aangemerkt. Weliswaar is in de wijk op dit moment sprake van vergunninghoudersparkeren, maar daarbij moet worden opgemerkt dat dit een tijdelijke situatie is als gevolg van de zogenoemde “Goede buren-regeling” vanwege de verbouw van het Noordwest Ziekenhuis. Raad en college spraken daar destijds over af dat gebieden waar tijdelijk vergunninghoudersparkeren is, niet als “schil” worden aangemerkt.
Dit betekent dat in het plangebied in totaal 203 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. 202 hiervan komen in de openbare ruimte en 1 wordt op eigen terrein gerealiseerd. Dit kan binnen de bestaande bestemming “Verkeer-verblijfsgebied”, waar zowel verkeer/parkeren, als groen/speel- voorzieningen mogelijk zijn. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.2 van de toelichting op het bestemmingsplan van bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan (het steden- bouwkundig plan).
Nr. R24 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 24
24.1 Parkeernorm Reclamant meent dat de nieuwe Bloemwijk een mooie wijk gaat worden. Niettemin heeft zij enkele aandachtspunten/verzoeken. Ten eerste meent zij dat er te weinig parkeerplaatsen zijn ingetekend.
Gemeentelijke beantwoording Op basis van de Parkeernormennota 2020-2027 zoals in juni 2020 is vastgesteld door de gemeen- teraad, moet het plangebied als “overig” worden aangemerkt. Weliswaar is in de wijk op dit moment sprake van vergunninghoudersparkeren, maar daarbij moet worden opgemerkt dat dit een tijdelijke situatie is als gevolg van de zogenoemde “Goede buren-regeling” vanwege de verbouw van het Noordwest Ziekenhuis. Raad en college spraken daar destijds over af dat gebieden waar tijdelijk vergunninghoudersparkeren is, niet als “schil” worden aangemerkt.
Dit betekent dat in het plangebied in totaal 203 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. 202 hiervan komen in de openbare ruimte en 1 wordt op eigen terrein gerealiseerd. Dit kan binnen de bestaande bestemming “Verkeer-verblijfsgebied”, waar zowel verkeer/parkeren, als groen/speel- voorzieningen mogelijk zijn. 24.2 Groen/bomen Reclamant verzoekt bij het plaatsen van het groen rekening te houden met bovenwoningen, zodat het uitzicht vanuit deze woning niet wordt geblokkeerd.
Gemeentelijke beantwoording Dit aspect komt aan de orde bij de verdere uitwerking van de inrichting. Daarvoor is geen aanpassing van het voorliggende bestemmingsplan nodig. Dit verzoek is overgebracht aan de betrokken partijen die het inrichtingsplan opstellen. 24.3 Achterblijvende bewoners Reclamant verzoekt haar en andere bewoners die tijdens de bouwwerkzaamheden in en om het plangebied blijven, actief te betrekken ter zake van onder meer tijdelijke voorzieningen.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente kan zich vinden in dit verzoek. De gemeente gaat met Van Alckmaer hierover in ge- sprek en komt hierop terug bij reclamant. Voor het bestemmingsplan heeft dit verzoek geen verdere gevolgen. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.2 van de toelichting op het bestemmingsplan van bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan (het steden- bouwkundig plan).
Nr. R25 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 25
25.1 Steeg tussen Van der Woudestraat en Eikelenbergstraat Reclamant constateert dat de bestaande steeg tussen de Van der Woudestraat en de Eikelenberg- straat smaller lijkt te worden dan deze nu is. Reclamant wil dat de breedte van de steeg gelijk blijft.
Gemeentelijke beantwoording Met betrekking tot deze steeg zijn meerdere zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft Van Alckmaer aangegeven via een kadastrale aanwijs de precieze eigendomssituatie in de steeg te analyseren. Nadat deze zijn uitgevoerd, wordt de nieuwe steeg definitief uitgewerkt. Het uitgangs- punt daarbij is dat de nieuwe steeg ten minste de bestaande breedte krijgt. 25.2 Rijrichting Van der Woudestraat Reclamant meent dat de wijziging van de rijrichting op de Van der Woudestraat leidt tot een onhan- dige situatie ter plaatse en tot overlast voor de bewoners aan de Grensstraat. Zij verzoekt de rijrich- ting niet te wijzigen.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor is een verkeersbesluit nodig. Voor het bestemmingsplan is de rijrichting minder van belang: het bestemmingsplan regelt op het punt van verkeer dat de wegen in het gebied een verkeersbestem- ming krijgen.
Het achterliggende stedenbouwkundig plan gaat wel uit van een gewijzigde rijrichting. De overwe- gingen om de rijrichting na de herontwikkeling in een aantal straten om te draaien, zijn de volgende: in tegenstelling tot de huidige situatie krijgt de Boomkampstraat tweerichtingsverkeer. Dat komt voort uit de keuze om in de Boomkampstraat een flink deel van het buurtparkeren te situeren. Op het einde van de Boomkampstraat kan het autoverkeer niet doorrijden naar de Leliestraat (eenrichtings- verkeer). Het autoverkeer wordt afgeleid via de Tulpstraat en komt dan in de Eikelenbergstraat te- recht. Met de huidige rijrichtingen moet dit verkeer de Grensstraat en de Van der Woudestraat ne- men om de wijk uit te gaan. Om de Van der Woudestraat te ontlasten van dit ‘uitgaande’ verkeer, is in het stedenbouwkundig plan de rijrichting omgedraaid. Verkeer dat inrijdt via de Boomkampstraat kan dan de buurt uitrijden via de Eikelenbergstraat.
Gelet op het aantal zienswijzen waarin is verzocht de rijrichting niet te wijzigen, constateert de ge- meente dat in de inhoudelijke afweging een keuze moet worden gemaakt tussen enerzijds het be- perken van uitrijdend verkeer op de Van der Woudestraat en anderzijds de verwachte lichthinder voor een aantal omwonenden.
Gelet op de belangen van deze omwonenden, die de verwachte hinder nu niet ervaren en het ge- geven dat ook bewoners vanuit de Van der Woudestraat zelf hebben aangegeven de huidige rijrich- ting te willen houden en gelet op het feit dat het voortzetten van de huidige situatie niet tot grote nadelen leidt, kiest de gemeente ervoor de huidige rijrichting in stand te laten. Dit betekent concreet dat ook de rijrichting in de Grensstraat, de Eikelenbergstraat, de Schagenstraat en het noordelijk deel van de Dahliastraat in stand blijft. Het bestemmingsplan hoeft hiervoor niet te worden aange- past. Om dit beleidsvoornemen toch kenbaar en inzichtelijk te maken, is het stedenbouwkundig plan hierop aangepast. 25.3 Afscheiding parkeerterrein Dahliastraat Reclamant verzoekt de afscheidingsmuur voor het parkeerterrein lager uit te voeren, zodat er geen hangplek ontstaat. Ook verzoekt zij de in-/uitrit niet tegenover de woningen langs de Dahliastraat te plaatsen.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt vast dat reclamant vanuit haar woning geen zicht heeft op bedoeld parkeerterrein. Het toepassen, dan wel terugbrengen van tuinmuren is onderdeel van het stedenbouwkundig plan en van de integratie van de cultuurhistorie van de wijk, zoals aangegeven in het rapport van Steen- huisMeurs. De hoogte van de afscheidingsmuur zorgt er daarnaast voor dat de bewoners van de Dahliastraat 1-7 niet of nauwelijks overlast van het parkeerterrein ervaren. Gelet op een evenwich- tige belangenafweging, meent de gemeente dat het belang van deze omwonenden zwaarder weegt dan dat van reclamant.
Bij de inrichting van het parkeerterrein wordt aandacht besteed aan het voorkomen van mogelijke overlast, door het gebruik van onder meer verlichting en door toegankelijkheid vanuit meerdere zij- den. Ook is er veel sociale controle door de ligging tussen woningen. Er zijn geen omstandigheden aan te wijzen die maken dat op voorhand moet worden gevreesd voor ernstige overlast als gevolg van rondhangende personen.
De precieze inrichting van het parkeerterrein aan de Dahliastraat is nog niet bepaald. Bij de verdere uitwerking hiervan wordt rekening gehouden met de opmerkingen van reclamanten. Voor de be- stemming als zodanig heeft dit geen gevolgen: de verkeersbestemming ter plaatse blijft dezelfde. Om reclamanten voldoende rechtszekerheid te bieden over de ligging van de inrit, wordt op de plan- kaart een nadere aanduiding “Inrit” ingetekend. De regels die voor de nadere aanduiding gaan gel- den, worden via artikel 3.4.2 van de voorschriften geborgd. 25.4 Hoogte Hulsthof Reclamant kan zich niet vinden in de voorgenomen hoogte van de Hulsthof. Zij meent dat een hoogte van 10 meter volstaat.
Gemeentelijke beantwoording Bij de Hulsthof is sprake van een gebouw van drie bouwlagen met daarop een mansardekap. Deze kap met de bijbehorende hoogte is vanuit stedenbouwkundig en welstandelijk oogpunt gewenst om de afwijkende typologie van de appartementen goed in te passen in het beeld van de wijk.
Bij het toekennen van bestemmingen en de daarbij behorende gebruiks- en bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan gaat het er niet om of er ook andere keuzes denkbaar zijn, maar of in rede- lijkheid de voorliggende keuze mag worden gemaakt. De gemeente meent dat, gelet op het hiervoor genoemde, zij in redelijkheid ervoor kan kiezen de Hulsthof een maximale bouwhoogte van 13 meter te geven en niet een lagere bouwhoogte. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot opne- men van de nadere aanduiding “uitrit” op de plankaart en tot het toevoegen van artikel 3.4.2 aan de voorschrif- ten behorend bij het bestemmingsplan, waarmee de uitrit juridisch wordt geborgd. De zienswijze heeft verder aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.1 van de toelichting op het bestemmingsplan en van bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan (het stedenbouwkundig plan).
Nr. R26 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 26
26.1 Rijrichting Van der Woudestraat Reclamant is het niet eens met het omdraaien van de rijrichting van het eenrichtingsverkeer op de Van der Woudestraat. Reclamant krijgt hierdoor het licht van de koplampen van auto’s in zijn woon- kamer, terwijl dit in de huidige situatie niet het geval is. Ook vreest hij een slechtere bereikbaarheid.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor is een verkeersbesluit nodig. Voor het bestemmingsplan is de rijrichting minder van belang: het bestemmingsplan regelt op het punt van verkeer dat de wegen in het gebied een verkeersbestem- ming krijgen.
Het achterliggende stedenbouwkundig plan gaat wel uit van een gewijzigde rijrichting. De overwe- gingen om de rijrichting na de herontwikkeling in een aantal straten om te draaien, zijn de volgende: in tegenstelling tot de huidige situatie krijgt de Boomkampstraat tweerichtingsverkeer. Dat komt voort uit de keuze om in de Boomkampstraat een flink deel van het buurtparkeren te situeren. Op het einde van de Boomkampstraat kan het autoverkeer niet doorrijden naar de Leliestraat (eenrichtings- verkeer). Het autoverkeer wordt afgeleid via de Tulpstraat en komt dan in de Eikelenbergstraat te- recht. Met de huidige rijrichtingen moet dit verkeer de Grensstraat en de Van der Woudestraat ne- men om de wijk uit te gaan. Om de Van der Woudestraat te ontlasten van dit ‘uitgaande’ verkeer, is in het stedenbouwkundig plan de rijrichting omgedraaid. Verkeer dat inrijdt via de Boomkampstraat kan dan de buurt uitrijden via de Eikelenbergstraat.
Gelet op het aantal zienswijzen waarin is verzocht de rijrichting niet te wijzigen, constateert de ge- meente dat in de inhoudelijke afweging een keuze moet worden gemaakt tussen enerzijds het be- perken van uitrijdend verkeer op de Van der Woudestraat en anderzijds de verwachte lichthinder voor een aantal omwonenden.
Gelet op de belangen van deze omwonenden, die de verwachte hinder nu niet ervaren en het ge- geven dat ook bewoners vanuit de Van der Woudestraat zelf hebben aangegeven de huidige rijrich- ting te willen houden en gelet op het feit dat het voortzetten van de huidige situatie niet tot grote nadelen leidt, kiest de gemeente ervoor de huidige rijrichting in stand te laten. Dit betekent concreet dat ook de rijrichting in de Grensstraat, de Eikelenbergstraat, de Schagenstraat en het noordelijk deel van de Dahliastraat in stand blijft. Het bestemmingsplan hoeft hiervoor niet te worden aange- past. Om dit beleidsvoornemen toch kenbaar en inzichtelijk te maken, is het stedenbouwkundig plan hierop aangepast.
Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van hoofdstuk 4.9.1 van de toelichting op het bestemmingsplan en van bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan (het ste- denbouwkundig plan).
Nr. R27 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 27
27.1 Steeg tussen Van der Woudestraat en Eikelenbergstraat Reclamant is blij met de inhoud van het bestemmingsplan. Wel constateert hij dat de bestaande steeg tussen de Van der Woudestraat en de Eikelenbergstraat smaller lijkt te worden dan deze nu is. Reclamant wil dat de breedte van de steeg gelijk blijft, zodat hij geen recht van overpad hoeft te verlenen aan de bewoners van de Eikelenbergstraat.
Gemeentelijke beantwoording Met betrekking tot deze steeg zijn meerdere zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft Van Alckmaer aangegeven via een kadastrale aanwijs de precieze eigendomssituatie in de steeg te analyseren. Nadat deze zijn uitgevoerd, wordt de nieuwe steeg definitief uitgewerkt. Het uitgangs- punt daarbij is dat de nieuwe steeg ten minste de bestaande breedte krijgt. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestem- mingsplan.
Nr. R28 Zienswijzen en beantwoording Reclamanten 28
28.1 Hoogte woningen langs de Eikelenbergstraat Reclamanten maken bezwaar tegen het bouwen van enkele hogere woningen in de geplande blok- ken langs de Eikelenbergstraat, grenzend aan een aantal woningen aan de Van der Woudestraat. De nieuwe woningen worden 1,90 meter hoger dan in de huidige situatie. Hierdoor verandert het uitzicht van reclamanten, vrezen zij schending van hun privacy en verliezen zij daglichttoetreding en zicht op vrije lucht. Zij zien graag dat de hogere woningen dezelfde hoogte krijgen als de rest van de woningen in de rij.
Gemeentelijke beantwoording In het stedenbouwkundig plan heeft de bebouwing aan de Eikelenbergstraat een nieuwe opzet ge- kregen. Dit is onder meer ingegeven door de wens tot differentiatie in verschillende woningtypen. Aan het begin en einde van de straat zijn lagere delen met kleinere woningen gesitueerd. Het hogere deel daartussen heeft grotere woningen. Om de lange wanden te (onder)breken, zijn accenten in het hogere deel geplaatst: op de overgang van het lage naar het hoge deel, op de hoeken met de Schagenstraat en halverwege. Deze accenten zorgen voor een gevarieerd straatbeeld en geven de lange wand schaal, zodat deze zich voegt in het geheel. Gezien de samenhang van het steden- bouwkundig beeld kunnen de accenten niet naar de ‘oude’ plekken worden teruggeplaatst.
De inkijk is zeer beperkt. In de topgevels (ter plaatse van de dakverdieping) wordt een enkel klein raam geplaatst. Desgewenst kan dit raam vervallen of vervangen voor een gesloten sierelement. De uitkijk op de woningen van reclamanten is daardoor beperkt.
De gemeente erkent voorts dat in de nieuwe opzet van het plangebied sprake is van een gewijzigd uitzicht. De gemeente stelt zich niettemin op het standpunt dat er sprake van een evenwichtige belangenafweging. Daarbij wordt ten eerste in aanmerking genomen dat reclamanten in de huidige situatie al een woning achter zich hebben. Ten tweede is van belang dat de nieuw te bouwen wo- ningen op ongeveer dezelfde afstand van de woning van reclamanten worden gepositioneerd.
Op basis hiervan meent de gemeente dat er weliswaar sprake is van een feitelijke verandering in de situatie van reclamanten, maar dat deze verandering niet leidt tot onevenredig nadeel of tot on- aanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van reclamanten. Conclusie De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestem- mingsplan.
Nr. R29 Zienswijzen en beantwoording Reclamant 29
29.1 Rijrichting Van der Woudestraat Reclamant is het niet eens met het omdraaien van de rijrichting van het eenrichtingsverkeer op de Van der Woudestraat. Reclamant krijgt hierdoor het licht van de koplampen van auto’s in haar woon- kamer, terwijl dit in de huidige situatie niet het geval is.
Gemeentelijke beantwoording De gemeente stelt voorop dat de rijrichting niet wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Hiervoor is een verkeersbesluit nodig. Voor het bestemmingsplan is de rijrichting minder van belang: het bestemmingsplan regelt op het punt van verkeer dat de wegen in het gebied een verkeersbestem- ming krijgen.
Het achterliggende stedenbouwkundig plan gaat wel uit van een gewijzigde rijrichting. De overwe- gingen om de rijrichting na de herontwikkeling in een aantal straten om te draaien, zijn de volgende: in tegenstelling tot de huidige situatie krijgt de Boomkampstraat tweerichtingsverkeer. Dat komt voort uit de keuze om in de Boomkampstraat een flink deel van het buurtparkeren te situeren. Op het einde van de Boomkampstraat kan het autoverkeer niet doorrijden naar de Leliestraat (eenrichtings- verkeer). Het autoverkeer wordt afgeleid via de Tulpstraat en komt dan in de Eikelenbergstraat te- recht. Met de huidige rijrichtingen moet dit verkeer de Grensstraat en de Van der Woudestraat ne- men om de wijk uit te gaan. Om de Van der Woudestraat te ontlasten van dit ‘uitgaande’ verkeer, is in het stedenbouwkundig plan de rijrichting omgedraaid. Verkeer dat inrijdt via de Boomkampstraat kan dan de buurt uitrijden via de Eikelenbergstraat.
Gelet op het aantal zienswijzen waarin is verzocht de rijrichting niet te wijzigen, constateert de ge- meente dat in de inhoudelijke afweging een keuze moet worden gemaakt tussen enerzijds het be- perken van uitrijdend verkeer op de Van der Woudestraat en anderzijds de verwachte lichthinder voor een aantal omwonenden.
Gelet op de belangen van deze omwonenden, die de verwachte hinder nu niet ervaren en het ge- geven dat ook bewoners vanuit de Van der Woudestraat zelf hebben aangegeven de huidige rijrich- ting te willen houden en gelet op het feit dat het voortzetten van de huidige situatie niet tot grote nadelen leidt, kiest de gemeente ervoor de huidige rijrichting in stand te laten. Dit betekent concreet dat ook de rijrichting in de Grensstraat, de Eikelenbergstraat, de Schagenstraat en het noordelijk deel van de Dahliastraat in stand blijft. Het bestemmingsplan hoeft hiervoor niet te worden aange- past. Om dit beleidsvoornemen toch kenbaar en inzichtelijk te maken, is het stedenbouwkundig plan hierop aangepast. 29.2 Veiligheid parkeerterrein en steeg Reclamant vreest dat de groene omzoming van het parkeerterrein aan het einde van de Eikelen- bergstraat leidt tot verminderde lichtinval in haar woning en tot een gewijzigd uitzicht. Ook vreest zij licht- en geluidoverlast van het parkeerterrein.
Gemeentelijke beantwoording Bij de inrichting van het parkeerterrein wordt aandacht besteed aan het voorkomen van mogelijke overlast. Er zijn geen omstandigheden aan te wijzen die maken dat op voorhand moet worden ge- vreesd voor ernstige overlast. Het verzoek om rekening te houden met de lichtinval wordt meege- nomen in de uitwerking van het inrichtingsplan. 29.3 Nieuwe koopwoning Reclamant verzoekt om in aanmerking te mogen komen voor een koopwoning in het plangebied, wanneer er geen mogelijkheid bestaat de plannen dusdanig aan te passen dat zij geen overlast gaat ervaren.