3d BP Achterweg 26B - Bijlagen bij de toelichting - geanonimiseerd
Tekst van het document
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 12
-Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, ondiep en snel opwarmend water zonder predatoren zoals vis, dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. In het plangebied is ook geen geschikt vorstvrij, droog en vergraafbaar zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort. Tevens zijn de aanwezige oevers te steil en te zwaar en dicht begroeid. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het niet te verwachten dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. Het plangebied is teveel geïsoleerd door dichte bebouwing, bos, wegen en watergangen. De soort moet daarom teveel ongunstig biotoop passeren om het plangebied te bereiken.
3.2.4 Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Merel, Ekster (cat. 5), Houtduif, Wilde eend, Fuut en Heggenmus. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Houtduif, Winterkoning of Heggemus. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet, Fuut en Wilde eend. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond bescherm- de nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding aan het gebied (NDFF 2009-2019). In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Gierzwaluw (cat. 2), Huismus (cat. 2), Buizerd (cat. 4), Havik (cat. 4) en Sperwer (cat. 4) vastgesteld.
Deze soorten hebben echter geen binding met het plangebied en hebben gebroed in andere biotopen zoals bebouwing en bos in de omgeving (NDFF 2009-2019).
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 13
Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen (geschikte) bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus, Sperwer of Buizerd.
Meidoornhaag Westelijk in het plangebied. Geschikt voor diverse soorten vogels zoals Houtduif, Merel of Heggenmus om in te broeden.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 14
3.2.5 Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werd een bosmuis waargenomen. Deze soort is in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Rond het plangebied zijn in het verleden Noordse woelmuis, Hermelijn en Wezel waargenomen (NDFF 2009-2019). Hermelijn en Wezel zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Noordse woelmuis is beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Woelrat, en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig. Het terrein is te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt. Het plangebied biedt slechts beperkt schuilmogelijkheden zoals dichte begroeiing en dekking waar soorten als Hermelijn en Wezel gebruik van kunnen maken.
Takkenhopen, steen- en houtstapels en andere voor verblijven geschikte structuren ontbreken. Tevens zijn rond de nabijgelegen bebouwing vaak mensen (en huisdieren) aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt. Verblijven van Hermelijn en Wezel worden derhalve niet verwacht. Ook is gezien de ligging van het plangebied geen sprake van een belangrijke verbindingsroute tussen verschillende delen van het leefgebied. Het is wel mogelijk dat incidenteel kleine marterachtigen die elders verblijven, in het plangebied voorkomen. Gezien de grootte, de ligging en geschiktheid van het plangebied betreft het geen essentieel deel van hun leefgebied.
3.2.6 Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 15
gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in de omgeving van het plangebied 7 soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2009-2019). Het betreft Gewone Dwergvleermuis, Ruige Dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse Vleermuis, Watervleermuis en Tweekleurige Vleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat ter plaatse geen geschikte bebouwing en bomen met gaten aanwezig zijn. Potentie foerageergebied Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Vanwege het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen of brede rietkragen kan binnen het open plangebied geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen. De direct aan het plangebied grenzende vaart met omliggende begroeiing zal mogelijk wel gebruikt worden als vliegroute voor vleermuizen.
Het gaat dan om potentie voor vooral terrestrische soorten maar ook watervolgende vleermuizen als de Watervleermuis zou gebruik kunnen maken van het water direct langs de bloementuin. Naast de watergang ligt direct oostelijk ervan een nog breder water tussen het groengebied van het Achtergeestpad en de Beverkoog die in dezelfde richting loopt en als (nog betere) alternatieve vliegroute kan worden gebruikt.
3.2.7 Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied. Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 16
3.3 Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soort- groepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soort- groepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.
Aangetroffen Potentieel aanwezig nabij het binnen het plangebied plangebied Beschermde, niet vrijgestelde soorten (literatuur en veldbezoek) Planten nee nee Vissen nee nee Amfibieën ja nee Vogelsoorten met niet-jaarrond ja ja beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde ja nee* nesten Grondgebonden zoogdieren ja nee Vleermuizen verblijfplaats nee nee foerageergebied ja ja vliegroute ? nee Overige beschermde fauna nee nee
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 17
4 Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1 Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie- toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 augustus. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Ekster en Zwarte kraai) kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen.
Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 18
vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.2 Grondgebonden zoogdieren Kleine marterachtigen Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Open gedeelte in het plangebied.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 19
4.3 Vleermuizen Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. Vliegroutes Om mogelijk langstrekkende vleermuizen zo min mogelijk te verstoren dient te worden afgezien van sterke verlichting tijdens de bouwfase in de vliegtijd van vleermuizen (april-oktober) tussen zonsondergang en zonsopgang of dient deze te worden afgewend van de watergang. Ook sterke lichtuitstraling vanaf het nieuwe huis moet worden voorkomen. Omdat op meer plaatsen bebouwing aanwezig is langs de mogelijke vliegroute, wordt geen belangrijk negatief effect verwacht.
Mogelijke vliegroute van vleermuizen met water en bomen, langs het plangebied.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 20
4.4 Conclusie effectbeoordeling Als gewerkt wordt conform de hierboven gestelde beperkingen en restricties, worden geen belangrijk negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 21
5 Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan tien kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van beschermde Natura2000 gebieden en het NNN-netwerk.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 22
De beperkte werkzaamheden op grote afstand van het plangebied leiden naar verwachting niet tot een zodanige toename van stikstof- emissie tijdens de bouw, dat vergunningverlening aan de orde is. Het is mogelijk, indien gewenst, om het precieze stikstofeffect nader te onderzoeken in een apart uit te voeren ‘Aerius-berekening’.
5.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
5.3 Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weide- vogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.
Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van beschermde weidevogelgebieden.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 23
5.4 Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
5.5 Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
5.6 Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Indien gewenst is het mogelijk een aparte berekening op te stellen t.a.v. stikstofeffecten tijdens de bouw en het gebruik van de woning.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 24
6 Conclusies 6.1 Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond be- schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
♣ Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. ♣ Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk- baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. ♣ Voor eventueel langstrekkende vleermuizen die de nabij het plangebied gelegen watergang als vliegroute gebruiken worden geen negatieve effecten verwacht. Daarnaast zijn er in de omgeving verschillende beschutte landschapslijnen aanwezig die in dezelfde richting lopen en als (alternatieve) vliegroute kunnen worden gebruikt
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 25
6.2 Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hierboven beschreven in §6.1.
6.3 Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. ♣ Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. Het lichtplan moet zodanig worden afgestemd met de omgeving dat geen grote lichtuitstraling op de naastgelegen watergang en bosschages mogelijk is.
6.4 Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:
♣ Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; ♣ Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; ♣ Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 26
7 Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kennis- centrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhol- landse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem.
LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155
Achterweg te Alkmaar 27
8 Bijlagen Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2019-155