CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

250514 Raadsinformatiebrief Beter zicht op aantal daklozen - bijlage 2

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken2.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beschouwing bij: Onderzoeksrapportage aantal dak- en thuisloze inwoners in de regio Alkmaar

Aanleiding De gemeente Alkmaar is centrumgemeente voor de voorzieningen rond Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang in de regio Alkmaar. De regio bestaat uit zes gemeenten: Alkmaar, Bergen (NH), Castricum, Dijk en Waard, Heiloo en Uitgeest. De regio Alkmaar is bezig met het opstellen van een nieuw beleidskader. Hiervoor is het erg belangrijk om in beeld te brengen hoe groot de groep dak- en thuisloze inwoners is en wat hun profielen zijn. Dit was dan ook het doel van dit onderzoek, namelijk om in de regio Alkmaar het aantal dak- en thuisloze inwoners in beeld te brengen en wat het profiel van deze dak- en thuisloze inwoners is. Het onderzoek, dat is uitgevoerd door middel van een telling, heeft plaatsgevonden in de week van 3 tot en met 7 maart 2025. Er hebben 26 organisaties uit de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Dijk en Waard, Heiloo en Uitgeest meegeteld tijdens het onderzoek. Deze organisaties waren o.a. de zes regiogemeenten (incl. Burgerzaken), opvangorganisaties, diverse zorgorganisaties, welzijnsorganisaties, politie, scholen, etc. Deze 26 organisaties hebben in totaal 742 dak- of thuisloze personen geteld. Van deze personen verbleven er 40 buiten de regio en was van 75 personen onbekend in welke gemeente zij verbleven. In totaal zijn er dus 627 dak- en thuisloze personen in kaart gebracht in de regio Alkmaar.

Bij de inwoners met een briefadres via Burgerzaken is gekeken naar het geslacht, de leeftijd en of de inwoner in kwestie ingedeeld kon worden naar een ETHOS Light-categorie. Bij de inwoners met een briefadres via dnoDoen is de vragenlijst zo volledig als mogelijk ingevuld. Deze inwoners zijn waar mogelijk in de analyses meegenomen. Om de diversiteit van de doelgroep in beeld te brengen is aan de deelnemende organisaties gevraagd om de daken thuisloze personen onder te verdelen naar één van onderstaande categorieën: ETHOS Light-categorieën

Totaal

Vrouw

Anders

Kind

1. In de openbare ruimte

24

4%

19

2. In de noodopvang

48

8%

45

5%

5

2%

0

0%

0

0%

11%

3

1%

0

0%

3

3. In een opvang voor thuislozen of tijdelijk verblijf

144

23%

25%

66

16%

77

38%

1

50%

67

Subtotaal

216

46%

34%

130

31%

85

42%

1

50%

70

71%

4. In een instelling 5. In een niet-conventionele ruimte

47

7%

41

10%

6

3%

0

0%

1

4%

129

21%

92

22%

37

18%

0

0%

2

6. Bij familie, vrienden of kennissen

6%

194

31%

132

31%

61

30%

0

0%

22

13%

7. In een woning met dreigende uithuiszetting

23

4%

10

2%

12

6%

1

50%

14

4%

Onbekend

18

3%

16

4%

2

1%

0

0%

0

3%

Totaal

627

100%

2

100%

100%

Man

421

100%

203

109

100%

De uitkomsten van het onderzoek laten zien dat de groep dak- en thuisloze mensen divers is en dat het stereotype beeld van de groep dak- en thuisloze mensen geen recht doet aan de breedte van de groep. Het beeld dat het bovenal gaat om mensen die op straat of in de opvang leven verdient bijstelling. De inzichten die met dit onderzoek zijn verkregen kunnen door de gemeenten worden gebruikt om effectief beleid op te stellen en een aanpak te ontwikkelen om dak- en thuisloosheid aan te pakken. Op basis van het onderzoek is het mogelijk meer gericht subgroepen te identificeren. Het gaat bijvoorbeeld om inwoners die dak- of thuisloos zijn door een ongeschikte/onbewoonbare woning en waar sprake is van een vermoeden van psychische/psychiatrische problemen of inwoners die dak- of thuisloos zijn door financiële redenen HE/25/0620/tdalk | 8 april 2025 | © Bureau HHM | pagina 1

en waarbij sprake is van een vermoeden van verslavingsproblematiek. Vervolgens kan er bij deze subgroepen bijvoorbeeld gekeken worden naar de (voornaamste) oorzaken van dakloosheid of naar groepen waarvoor extra aandacht noodzakelijk is (omdat hier bijvoorbeeld op dit moment nog geen gericht beleid voor is). Ook kan gekeken worden waar versterking van preventie nodig is en hoe deze preventieve maatregelen er uit moeten zien.

Doelgroepgerichte aanpak Verder geldt dat (specifiek, maar dit geldt ook voor de regiogemeenten) de centrumgemeente Alkmaar voor verschillende categorieën een wettelijke verantwoordelijkheid heeft, welke zijn vastgelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het gaat daarbij om inwoners die vallen onder categorie 1 tot en met 3. Deze drie categorieën vallen onder de landelijk geldende definitie van de maatschappelijke opvang. Het gaat daarbij om ‘Onderdak en begeleiding voor mensen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’. Voor categorie 4 geldt dat de centrumgemeente voor een deel van deze groep verantwoordelijk is. Het gaat daarbij om de inwoners die uitstromen vanuit een instelling voor Beschermd Wonen die valt onder de Wmo of vanuit een instelling die valt onder de Jeugdwet op het moment dat deze persoon 18 jaar wordt. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om zorg te dragen voor een passende woonplek op het moment dat desbetreffende persoon uitstroomt. Ook voor de categorieën 5 tot en met 7 ligt er een verantwoordelijkheid bij de gemeenten.

Het is immers aan de gemeenten om vanuit volkshuisvestelijk perspectief zorg te dragen voor voldoende, geschikte en betaalbare woningen voor diverse doelgroepen, waaronder inwoners die verblijven in een niet-conventionele ruimte, verblijven bij familie, vrienden of kennissen of inwoners die als gevolg van een dreigende uithuiszetting dak- of thuisloos raken. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen door de gemeenten worden gebruikt om gericht aan de slag te gaan met passende huisvesting voor alle groepen. Naast passende huisvesting is het belangrijk om ook voldoende aandacht te hebben voor preventie en vroegsignalering. Inzicht in de redenen waarom mensen in de eerste plaats dak- of thuisloos raken kan mogelijk een hoop problemen voorkomen. Zo blijkt dat een deel van deze groep dak- of thuisloos raakt door psychische problemen of verslaving, waarbij de vraag speelt in hoeverre tijdige interventie dit had kunnen voorkomen. Ook zijn er mensen die te maken krijgen met een uithuiszetting door conflicten, overlast of vervuiling, wat reden is voor gebrek aan passende huisvesting. Voor een andere groep is vooral de ontoegankelijke woningmarkt een probleem, waarbij de vraag is of betere begeleiding hen had kunnen helpen een woning te vinden.

Daarnaast zijn er kwetsbare groepen, zoals ouders met kinderen of mensen met complexe zorgbehoeften, waarvoor passende huisvesting vaak moeilijk te vinden is.

Wonen Met dit onderzoek is de ondergrens van het aantal dak- en thuisloze mensen in de regio Alkmaar in beeld gebracht. Daarmee bieden de aantallen nadrukkelijk een vertrekpunt om aan de slag te gaan met het realiseren van voldoende passende woonplekken (woongelegenheid) voor de totale groep. Het bevorderen van voldoende woongelegenheid is immers ‘voorwerp van zorg der overheid’, zoals beschreven in artikel 22. van de grondwet. Vanuit het perspectief van volkshuisvesting is het belangrijk dat de overheid (gemeenten, provincies en het Rijk) zorg HE/25/0620/tdalk | 8 april 2025 | © Bureau HHM | pagina 2

draagt voor: het verschaffen van voldoende woningen (beschikbaarheid), die geschikt zijn voor de te huisvesten doelgroepen (kwaliteit) en die voor die doelgroepen ook bereikbaar zijn (betaalbaarheid). Het is daarom te adviseren dat de gemeenten de aantallen uit dit onderzoek, als zijnde de ondergrens van het aantal dak- een thuisloze mensen in de regio, meenemen in de voorbereiding en de uitwerking van het volkshuisvestingsprogramma, onderdeel van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting, waarvan verwacht wordt dat deze in 2026 in zal gaan. In het volkshuisvestingsprogramma dient specifiek de opgave voor aandachtsgroepen in beeld te worden gebracht. Een van deze aandachtsgroepen is de groep (dreigend) dak- of thuislozen.

Vergelijk met andere onderzoeken op basis van de ETHOS Light-categorisering Op hoofdlijnen zijn we de volgende verschillen met andere onderzoeken: •

Er zit verschil (naar rato) tussen het aantal getelde dak- en thuisloze mensen. In bepaalde regio’s is het aandeel inwoners dat dak- of thuisloos is lager dan in de regio Alkmaar, in sommige regio’s vergelijkbaar en in andere regio’s hoger. Ter vergelijking: in de regio West-Friesland is het aandeel in kaart gebrachte dak- en thuisloze inwoners gelijk aan het aandeel in de regio Alkmaar.

•

In de regio Alkmaar zijn verhoudingsgewijs meer mensen geteld in categorie 5 (in een niet-conventionele ruimte).

•

In de regio Alkmaar zijn verhoudingsgewijs meer kinderen geteld (met name in categorie 3 (In een opvang voor thuislozen of tijdelijk verblijf)).

Op hoofdlijnen zien we daarnaast de volgende overeenkomsten met andere onderzoeken: •

De samenstelling van de groep dak- en thuisloze mensen is divers.

•

Een groot deel van de groepen is jongvolwassen. In de regio Alkmaar gaat het om circa 25% van de getelde mensen.

•

Er bevinden zich veel kinderen (<18 jaar) in dezelfde, directe situatie als de dak- of thuisloze ouder. Van alle getelde personen (0 tot 100 jaar) gaat het om circa 15% die jonger is dan 18 jaar.

•

Bijna 1 op de 3 getelde mensen is vrouw.

•

De redenen voor het verlies van woonzekerheid zijn divers. Hetzelfde geldt voor de problematiek waar mensen mee te maken hebben.

Hieronder geven we mogelijke verklaringen waardoor verschillen zich hebben voorgedaan in vergelijking met andere onderzoeken op basis van de ETHOS Light-categorisering.

In Nederland is er nog maar beperkt onderzoek gedaan naar dak- en thuisloze mensen, waarbij de ETHOS Lightcategorisering breed is toegepast. Het Kansfonds en de Hogeschool Utrecht hebben enkele jaren terug het initiatief genomen om ETHOS Light ook in Nederland toe te passen. Dit heeft er toe geleid dat in 2023 en 2024 in verschillende regio’s onderzoek is gedaan naar dak- en thuisloze mensen, waarbij genoemde categorisering is toegepast. De onderzoeksmethode van het Kansfonds en de Hogeschool Utrecht en de aanpak in de regio Alkmaar zijn op onderdelen gelijk maar ook zijn er enkele noemenswaardige verschillen. De belangrijkste verschillen zitten in de doorlooptijd, het werken met een projectcoördinator, extra aandacht op de benodigde randvoorwaarden voor wetenschappelijk onderzoek en de duur van de telperiode. In de regio Alkmaar is er gewerkt met een kortere doorlooptijd (circa 3 maanden van start tot beschikbaarheid resultaten, in plaats van één jaar), projectcoördinatie lag bij het onderzoeksbureau, niet bij een aparte coördinator en er is gekozen voor een telperiode van een week, in plaats van een dag.

HE/25/0620/tdalk | 8 april 2025 | © Bureau HHM | pagina 3

Daar staat tegenover dat ook in regio Alkmaar vergelijkbare vragenlijsten zijn gebruikt om de doelgroep in kaart te brengen en dat de resultaten zijn toegespitst op de ETHOS Light-categorisering. Samengevat betekent dit dat, omdat beide methoden niet 1 op 1 vergelijkbaar zijn, dit ook van invloed kan zijn op de resultaten van de verschillende onderzoeken. Het gaat daarbij niet zozeer om de validiteit (meten we wat we beogen te meten) of de betrouwbaarheid (zijn de resultaten hetzelfde als we het onderzoek op dezelfde manier herhalen) van het onderzoek, maar met name om de omvang van de respons: hoeveel partijen hebben meegeteld en hoeveel mensen zijn in totaal geteld. Daarnaast zijn er nog andere verklaringen denkbaar waardoor onderzoeksresultaten uit verschillende regio’s kunnen verschillen. Het kan daarbij gaan om: •

Geografische samenstelling van de regio. De verhouding plattelandsgemeenten versus stedelijke gemeenten, al dan niet in combinatie met het oppervlakte van de gemeente kan van invloed zijn.

•

De demografische samenstelling van de regio. Het gaat hierbij enerzijds om het absolute aantal inwoners in een regio, maar ook om de (sociaaleconomische)samenstelling van de bevolking.

•

De aanwezigheid van (vrouwen)opvangvoorzieningen in de regio. In de regio Alkmaar zijn veel opvangvoorzieningen gevestigd. Dit kan voor een hoger aantal dak- en thuisloze personen (en kinderen) zorgen (met name in categorie 3) ten opzichte van regio’s waar minder opvangvoorzieningen gevestigd zijn.

•

De periode waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het moment in het jaar waarop het onderzoek plaatsvindt kan invloed hebben op de resultaten van het onderzoek. Daarnaast kan de telperiode (een week) ervoor zorgen dat er bijvoorbeeld meer mensen in de noodopvang geteld worden dan dat er plekken beschikbaar zijn.

•

De betrokkenheid van partijen. In de regio Alkmaar zien we dat met name het aantal mensen dat specifiek door gemeenten zelf is geteld in absolute en relatieve zin hoger ligt dan in andere regio’s. Daarnaast heeft het ook geholpen dat een deel van de organisaties ook al heeft meegedaan aan een ETHOS Light-telling in de regio West-Friesland.

•

Het meenemen van statushouders. In de regio Alkmaar zijn statushouders die nog in een opvangvoorziening verblijven, maar wel recht hebben op een passende woning niet meegeteld. Het is aan gemeenten om te zorgen voor een woning. Het kan gaan om een zelfstandige (huur)woning zijn, een flexwoning of een gedeelde. Vaak doen gemeenten een beroep op sociale huurwoningen van woningcorporaties. Een statushouder mag ook zelf naar woonruimte zoeken.

Hoe nu verder Gelet op de diversiteit van de doelgroep, de variatie in aanleidingen waarom inwoners dak- of thuisloos geraken en de verantwoordelijkheid die gemeenten hebben om deze inwoners te ondersteunen in de zoektocht naar passende huisvesting, is het belangrijk om zorgvuldig om te gaan met de onderzoeksresultaten. Desalniettemin gaat het om een feitelijk telling en kunnen de uitkomsten niet worden genegeerd. Vanuit dat oogpunt is het belangrijk dat de gemeenten in hun aanpak om te komen tot toekomstbestendige huisvesting voor dak- en thuisloze mensen nadrukkelijk aandacht hebben voor de verschillende categorieën van dak- en thuisloosheid. Daarbij kunnen de gemeenten overwegen om onderscheid te maken tussen een tweetal hoofdgroepen. Ten aanzien van de eerste groep (categorie 1 tot en met 4) kunnen gemeenten besluiten om samen met de regiogemeenten en stakeholders de geïnventariseerde aantallen te wegen en als input te gebruiken voor de HE/25/0620/tdalk | 8 april 2025 | © Bureau HHM | pagina 4

planvorming om te komen tot toekomstbestendige huisvesting voor dak- en thuislozen in de regio Alkmaar. Hierbij is het ook met name belangrijk om te kijken naar de situatie van de 71 direct betrokken minderjarigen die ook binnen deze groep worden meegeteld en hierbij actief naar passende oplossingen te zoeken. Ten aanzien van de tweede groep (categorie 5 tot en met 7) kan worden overwogen om verdiepend onderzoek te doen naar aard en oorzaak van de ontstane situatie en daar in overleg met de regiogemeenten passend beleid op te ontwikkelen. Hierbij is het belangrijk om goed in beeld te brengen of er naast de woonbehoefte van deze mensen ook sprake is van een zorg- of ondersteuningsbehoefte en zo ja, hoe deze eruit ziet. Dit is namelijk niet altijd het geval, zo blijkt uit een eerste verdieping van de onderzoeksresultaten. Daarbij kan worden overwogen om nader te kijken naar de groep inwoners die niet is meegeteld, maar wel bij gemeenten in beeld zijn omdat ze een briefadres hebben of om mensen die een uitkering ontvangen, maar waarvan bekend is dat zijn geen vaste woon- of verblijfplaats hebben.

Tot slot moet ten aanzien van de spreiding van de verschillende groepen over de regio worden opgemerkt dat in het onderzoek wel in kaart is gebracht in welke gemeente desbetreffende mensen in de week van de telling verbleven, maar voor een beperkt deel in kaart is gebracht wat de herkomstgemeente van deze mensen is. Vanuit dat oogpunt wordt geadviseerd om terughoudend te zijn in het verbinden van conclusies over de spreiding van de populatie over de regio en wat dit betekent voor de bijdrage die individuele gemeenten hieraan moeten leveren. De cijfers kunnen wel helpend zijn om het gesprek hierover op gang te brengen en om te verkennen hoe de gemeenten, al dan niet in gezamenlijkheid en vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid, met de geconstateerde opgave aan de slag gaan.

Gezamenlijke verantwoordelijkheid Er ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de centrumgemeente Alkmaar en de regiogemeenten om te zorgen voor passende huisvesting en ondersteunen voor dak- en thuisloze inwoners. Daarbij is het goed om te benoemen dat de Wmo 2015 formeel gezien geen onderscheid kent tussen centrumgemeenten en regiogemeenten. Alle gemeenten zijn op grond van artikel 1.2.1 verantwoordelijk voor opvang en beschermd wonen. Artikel 2.6.1 verplicht colleges echter met elkaar samen te werken, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Het Rijk en de VNG hebben afgesproken om voorlopig nog te blijven werken met de centrumgemeenteconstructie voor opvang. De centrumgemeenten hebben hierbij een regierol en ontvangen ook financiële middelen van het Rijk. Dit gaat via een decentralisatieuitkering in het gemeentefonds: de decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang (DUMO). De DUMO heeft betrekking op de ETHOS Light-categorieën 1 tot en met 3. Ook voor een deel van ETHOS Light-categorie 4 ontvangt de centrumgemeente Alkmaar een decentralisatie-uitkering. Het gaat daarbij om de groep die uitstroomt vanuit een intramurale instelling voor Beschermd Wonen naar zelfstandig wonen. Voor de ETHOS Light-categorieën 5 tot en met 7 geldt dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben.

De gemeente is lokaal verantwoordelijkheid voor het huisvestingsbeleid en daarmee ook voor verantwoordelijk voor het huisvesten van dak- en thuisloze inwoners. Anders dan voor ETHOS Light-categorieën 1 tot en met 4 geldt dat de centrumgemeente hier geen regierol heeft en ook geen financiële middelen ontvangt van het Rijk. Elke gemeente ontvangt afzonderlijk hiervoor middelen die onderdeel uitmaken van de Rijksuitkering die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds. De gemeente bepaalt in principe lokaal op welke wijze deze middelen worden ingezet.

HE/25/0620/tdalk | 8 april 2025 | © Bureau HHM | pagina 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15539495/1