CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

231123 RIB Ontwerpbestemmingsplan bedrijventerrein Oudorp - Bijlage 3 Toelichting De Staalmeester Schermerweg 33

Gemeenteraad 18 december 2023, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken20.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Met het plan zijn geen wijzigingen aan de Schermerweg voorzien. De historische structuur van de dijk en de weg blijft daarom behouden. Ook zal het nieuwe verkeer via een andere route het plangebied bereiken en verlaten. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de Westfriese Omringdijk.

4.11.3 Conclusie

Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-proce- dure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er be- langrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschre- den. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4 50

4.13 Windhinder

Er is door Actiflow een quickscan naar windhinder uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijla- gen (12). Hierna wordt de conclusie beschreven.

De resultaten van de quickscan betreffende het windklimaat nabij de nieuwbouw aan de Schermerweg 33 te Alkmaar leiden tot de volgende conclusies:  In een groot deel van het plangebied is een laag risico op windhinder. Echter, er zijn twee gebieden, rondom de westelijke en noordelijke hoeken van gebouw A, waar een gemiddeld of hoog risico op windhinder aanwezig is.  Om de windhinder rond gebouw A te verminderen wordt aangeraden om maatregelen te nemen. Dit kan op verschillende manieren, waaronder een luifel, doortrekken van de teruglegging van de gevel of de plaatsing van vegetatie.

Op basis van de resultaten van deze quickscan, i.c.m. de norm, adviseert Actiflow een uitgebreide studie te laten uitvoeren in een latere ontwerpfase. Hierbij dienen de bouwvolumes in meer detail gemodelleerd te worden en dient ook vegetatie beschouwd te worden.

Inmiddels is het bouwplan / de verkaveling iets gewijzigd. Echter het hoge gebouw aan de Schermerweg (gebouw A), die de meeste effecten heeft op de windhinder is gelijk gebleven. Het advies van Actiflow een uitgebreide studie te laten uitvoeren in een latere ontwerpfase blijft staan. Dan kunnen de bouwvo- lumes in meer detail gemodelleerd worden.

Hoofdstuk 4 51

5. JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

Op 1 juli 2012 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in wer- king getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro. Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in:  een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden wor- den aangegeven;  bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;  regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;  voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels.

Ook moet op grond van artikel 3.1.6 van het Bro een bestemmingsplan samengaan met een toelich- ting waarin ten minste zijn opgenomen: 1. een onderbouwing van de in het bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen; 2. de resultaten van de (noodzakelijke) voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken; 3. de resultaten van het overleg en de inspraak op grond van artikel 3.1.1 van het Bro.

Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro (in werking getreden op 1 januari 2010) moet het bestemmings- plan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan wor- den uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart, regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt. Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden op- gesteld overeenkomstig de RO-standaarden:  Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).  Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012).  Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012).

Dit bestemmingsplan is zo opgesteld dat het digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat:  alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012-code hebben;  de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML;  de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld;  de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevings- recht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opge- nomen in de Wabo. Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning ingevoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningtrajecten (zoals bouwvergunning, milieuver- gunning etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een om- gevingsvergunning noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 52

Door de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor is een aantal begrippen op grond van de Wro ver- vallen. Deze begrippen worden ook in de SVBP2012 gebruikt. In september 2010 zijn er door Geono- vum, als beheerder van de RO-standaarden, werkafspraken voor de SVBP2012 uitgegeven. Op basis van deze afspraken is er in bestemmingsplannen geen sprake meer van ontheffingen, maar van afwij- kingen. De, in het overgangsrecht opgenomen, bouwvergunning is vervangen door een omgevings- vergunning voor het bouwen.

5.2 Toelichting op de planregels

Hierna volgt een korte omschrijving van de op de verbeelding voorkomende bestemmingen.

Gemengd De voor ‘Gemengd – ’ aangegeven gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep/ bedrijf. Het maximumaantal woningen mag niet meer bedragen dan 300 woningen. Naast de realisatie van woningen voorziet het plan ook in ver- schillende (commerciële) voorzieningen zoals dienstverlening, kantoren, horeca en maatschappelijke voorzieningen. Elke voorziening is in de regels gemaximaliseerd in oppervlakte bruto vloeroppervlak. De maximale omvang van de niet-woonvoorzieningen mogen niet meer dan 5.000 m2 bedragen.

Op de verbeelding en in de regels is bepaald, dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van gemengd - niet wonen begane grond', geen woningen mogen komen. Hier zijn wel bij wonen beho- rende voorzieningen, zoals entrees en bergingen, mogelijk. Het is nu nog niet bekend waar de gebou- wen en daarmee ook de plinten zullen komen te liggen. Als een voorgevel van een gebouw in de aan- duiding komt te liggen is minimaal 4 m vanaf die voorgevel bestemd voor niet-woonfuncties (artikel 3.1. sub g onder 1). Als uiteindelijk de voorgevel achter de betreffende aanduiding komt te liggen (ten opzichte van de nieuwe straat) bedraagt de plint voor niet-woonfuncties ook minimaal 4 m vanaf de voorgevel (artikel 3.1 sub g onder 2)

Naast deze functies zijn voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, ontsluitingswegen, groenvoorzie- ningen toegestaan.

Gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. De maximum bouwhoogte varieert van 12 tot 50 meter. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 meter en tussen terrassen en tuinen 2 meter. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van duurzame energieopwekking mag ten hoogste 5 meter bedragen. Overige bouwwerken, geen ge- bouwen zijnde hebben een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Groen en Water De geldende bestemmingen ‘Groen’ en ‘Water’ binnen het plangebied zijn overgenomen op verbeel- ding en in de regels. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn ook balkons van aangrenzende bebouwing binnen bestemming ‘Gemengd’ toegestaan.

Dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ Een deel van het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Hier mag alleen gebouwd worden, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verande- ring van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering (zie artikel 6.2 onder b van de

Hoofdstuk 5 53

regels). Hier wordt aan voldaan als het gaat om de nieuwbouw in de zuidwestelijke hoek van het plan- gebied.

Voor de mogelijkheden van nieuwbouw in het zuidoostelijke deel van het plangebied kan gebruik ge- maakt worden van een afwijkingsbevoegdheid als het waterkering belang door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad.

Hoofdstuk 5 54

6. UITVOERBAARHEID

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan verge- zeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neerge- legd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumu- latieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met enkele com- merciële functies en kantoren. Er is derhalve sprake van een bouwplan als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde.

Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (an- terieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmings- plan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het nood- zakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven.

Hoofdstuk 6 55

Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Participatie;  Vaststellingsprocedure.

6.2.1 Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voor- bereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimte- lijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Er zijn meerdere overlegreacties binnen gekomen. Deze zijn samengevat en van een antwoord voor- zien in het verslag vooroverleg, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

6.2.2 Participatie

Voor het plan heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Op 24 mei 2022 is een informatiebij- eenkomst georganiseerd. De reacties waren overwegend positief. Een verslag hiervan is opgenomen als bijlage bij onderhavige toelichting. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar deze bijlage.

Verder is er een ‘Plan van aanpak’ opgesteld ‘hoe’ en ‘wanneer’ belanghebbenden in de toekomst be- naderd en geraadpleegd worden over de Staalmeester. Dit ‘Plan van aanpak’ is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

6.2.3 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het ontwerp bestemmingsplan gedu- rende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Hoofdstuk 6 56

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Omgevingsbeeld Alkmaars Kanaal Bijlage 2: Ontwikkelbeeld Oudorp Bijlage 3: Ladder en behoefteonderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: Verkeersonderzoek Bijlage 8: Parkeerberekening Bijlage 9: Vooronderzoek bodem Bijlage 10: Aanmeldingsnotitie Bijlage 11: Stikstofonderzoek Bijlage 12: Quickscan windklimaat Bijlage 13: Participatieverslag Bijlage 14: Advies veiligheidsregio Bijlage 15: Verslag vooroverleg Bijlage 16: Plan van aanpak

Regels

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13521145/1