2 Toelichting Bp Dorpsstraat 60-62 Markenbinnen
Tekst van het document
afbeelding bij dit plan
Bestemmingsplan Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen Gemeente Alkmaar TOELICHTING
Bestemmingsplan Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen Gemeente Alkmaar
TOELICHTING
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37
I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS:
IDN: NL.IMRO.0361.BP00210-0201 Projectnummer: Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen Titel:
Status Datum Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Projectleider: Auteur:
Inhoudsopgave
TOELICHTING 6
Hoofdstuk1 Inleiding 6
1.1 Aanleiding 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 6 1.3 Vigerende planologische situatie 7 1.4 Opzet bestemmingsplan en toelichting 8
Hoofdstuk2 Beschrijving van de situatie 10
2.1 Huidige situatie 10 2.2 Toekomstige situatie 10
Hoofdstuk3 Beleidskader 12
3.1 Rijksbeleid 12 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 12 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 12 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 13 3.2 Provinciaal beleid 14 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 14 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 14 3.2.3 Conclusie provinciaal beleid 15 3.3 Gemeentelijk beleid 15 3.3.1 Omgevingsvisie Alkmaar 2040 15 3.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid 17
Hoofdstuk4 Uitvoeringsaspecten 18
4.1 Flora en fauna 18 4.1.1 Wettelijk kader 18 4.1.2 Effect te vergunnen activiteiten 18 4.1.3 Conclusie 20 4.2 Bodemkwaliteit 20 4.2.1 Wettelijk kader 20 4.2.2 Verkennend bodemonderzoek 20 4.2.3 Conclusie 20 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 21 4.3.1 Wettelijk kader 21 4.3.2 Cultuurhistorie 21 4.3.3 Archeologie 21 4.3.4 Conclusie 21 4.4 Luchtkwaliteit 22 4.4.1 Wettelijk kader 22
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 3
4.4.2 Beoordeling 22 4.4.3 Conclusie 22 4.5 Parkeren en verkeer 22 4.5.1 Parkeren 22 4.5.2 Verkeer 24 4.5.3 Conclusie 24 4.6 Geluidhinder 24 4.6.1 Wettelijk kader 24 4.6.2 Beoordeling 25 4.6.3 Conclusie 25 4.7 Bedrijven en milieuzonering 25 4.7.1 Wettelijk kader 25 4.7.2 Beoordeling 26 4.7.3 Conclusie 26 4.8 Externe veiligheid 26 4.8.1 Wettelijk kader 26 4.8.2 Beoordeling 28 4.8.3 Conclusie 28 4.9 Kabels en leidingen 28 4.10 Water 28 4.10.1 Inleiding 28 4.10.2 Beleidskader 29 4.10.3 Watertoets 30 4.10.4 Conclusie 30 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 30 4.12 M.e.r.-beoordeling 31 4.12.1 Wettelijk kader 31 4.12.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 31 4.12.3 Conclusie 31
Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 32
5.1 Inleiding 32 5.2 Inleidende regels 32 5.2.1 Begrippen 32 5.2.2 Wijze van meten 32 5.3 Bestemmingsregels 33 5.3.1 Opbouw bestemmingen 33 5.3.2 Bestemmingen 33 5.4 Algemene regels 33 5.4.1 Anti-dubbeltelregel 33 5.4.2 Overige algemene regels 34 5.5 Overgangs- en slotregels 34 5.5.1 Overgangsregel 34 5.5.2 Slotregel 34
Hoofdstuk6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 35
6.1 Economische uitvoerbaarheid 35
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 4
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 35 6.2.1 Overleg met omwonenden 35 6.2.2 Overleg met overheidsinstanties 35 6.2.3 Vaststellingsprocedure 35
Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 2 Stikstofdepositieberekening
Bijlage 3 Bijlage stiktofdepositieberekening gebruiksfase
Bijlage 4 Bijlage stiktofdepositieberekening realisatiefase
Bijlage 5 Bijlage stiktofdepositieberekening materieel inzet
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 4 Digitale watertoets
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 5
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemers zijn voornemens de horeca locatie aan de Dorpsstraat 60-62 te Markenbinnen te herontwikkelen. Een deel van de bestaande bebouwing wordt geamoveerd om een ruimere kavel te creëren waarop een vrijstaande woning gerealiseerd wordt. Een deel van de bestaande bebouwing wordt gerenoveerd om plaats te bieden voor de twee appartementen die reeds bestaand zijn binnen het plangebied. De horeca functie komt daarmee te vervallen om plaats te maken voor een woonfunctie op dit perceel.
Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de vigrerende bestemming 'horeca' geen ruimte biedt voor woningbouw. Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Dorpsstraat 60-62 te Markenbinnen, gemeente Alkmaar. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Graft-De Rijp, sectie K, nummer 447. Dit perceel heeft een oppervlak van circa 683 m2. In het onderstaand figuur is de ligging van het plangebied aangegeven.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 6
Figuur 1.1: Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: PDOK viewer)
1.3 Vigerende planologische situatie
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Kleine Kernen'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Graft- De Rijp op 12 juli 2012. In het bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming 'Horeca'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor horecabedrijven categorie 1 met de daarbij behorende paden, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen.
Het plangebied kent tevens de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie III'. De voor 'Waarde - Archeologie III' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Waar een basisbestemming, aangegeven op de verbeelding, samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Er mag zonder het overleggen van een archeologisch rapport gebouwd worden indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 35 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
De planlocatie valt tevens binnen het bestemmingsplan 'Parkeren 2018', vastgesteld op 13 april 2018. Gemeenten moeten nu het beleid omtrent parkeren via het bestemmingsplan regelen. Hiervoor geldt een overgangsregeling tot 1 juli 2018. Dit betekent dat alle bestemmingsplannen na deze datum een parkeerregeling moeten bevatten. De 'Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027' is het kader voor het bepalen van de parkeeropgave bij fysieke ontwikkelingen op alle niveaus.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 7
Figuur 1.3: Uitsnede vigrerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie
Onderhavig initiatief is in strijd met het bestemmingsplan 'Kleine kernen', omdat woningen niet bij recht toegestaan zijn. Het gebruik van het plangebied ten behoeven van wonen is niet toegestaan. Eveneens wordt rekening gehouden met een bodemroering die archeologisch onderzoek verantwoord, om die reden is de dubbelbestemming opgenomen voor de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.
1.4 Opzet bestemmingsplan en toelichting
Het bestemmingsplan 'Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen' bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding, schaal 1:1000 (IDN nummer: NL.IMRO.0361.BP00210-0201; planregels. De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven.
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 8
aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; in Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven; in Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hierin worden de resultaten beschreven van de gevolgde inspraakprocedure en het vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 9
Hoofdstuk 2 Beschrijving van de situatie
2.1 Huidige situatie
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit voormalige horeca panden met daarboven twee appartementen. Het betreft de enige horeca locatie in Markenbinnen conform het geldend bestemmingsplan. De bebouwing is gedateerd en is al enige tijd niet meer in gebruik als horeca locatie.
De huidige bebouwing bestaat uit verschillende met elkaar verbonden bouwdelen van één bouwlaag onder verschillende kapvormen en een los bijgebouw met zadeldak.
In de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk woonpercelen gelegen met de uitzondering van de Hervormde kerk aan de overzijde van de Dorpsstraat.
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens een deel van de bestaande bebouwing te slopen om een ruimere kavel te creëren waarop een vrijstaande woning gerealiseerd wordt. Een deel van de bestaande bebouwing wordt gerenoveerd om plaats te bieden voor de twee appartementen die reeds bestaand zijn binnen het plangebied. De horeca functie komt daarmee te vervallen om plaats te maken voor een woonfunctie op dit perceel.
Van de bestaande bebouwing blijft alleen het L-vormige volume aan de zuidoostzijde behouden. Tussen de L-vormige bebouwing en het naastgelegen perceel aan de Dorpsstraat 58 wordt een vrijstaande woning gerealiseerd met een voorgevelrooilijn gelijk aan de rest van de straat. Het betreft een nieuw gemetseld volume van een bouwlaag onder een mansardekap met de noklijn haaks op de weg. Dit ontwerp is voorgelegd aan de welstandscommissie en in hoofdlijnen akkoord bevonden, bij verdere vergunningtraject zal nadere toetsing plaatsvinden.
Figuur 2.1: Impressie toekomstige situatie. Bron: initiatiefnemer.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 10
Figuur 2.2: Impressie vooraanzicht perceel. Bron: initiatiefnemer.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Conclusie
Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie;
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 12
Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie
Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:
'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'
Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte; 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Stedelijke ontwikkeling
Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de uitbreiding van een bedrijventerrein of de bouw van 12 of meer woningen. Onderhavig initiatief betreft realisatie van 1 woning, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is.
Conclusie
Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 13
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie
De structuurvisie van de provincie Noord-Holland, genaamd 'Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld. Hierin staan de ambities geformuleerd omtrent economische ontwikkeling en leefomgeving. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Omdat het leefbaar houden van onze mooie provincie ook vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding.
Er zijn vijf thema's waaronder de doelstellingen omtrent de hoofdambitie van de gemeente geformuleerd zijn, namelijk: 1. Dynamisch Schiereiland hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. 2. Metropool in ontwikkeling hierin beschrijven we hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem vergroten we de agglomeratiekracht. 3. Sterke kernen, sterke regio's deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. 4. Nieuwe energie in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector. Alle vijf bewegingen hebben een economische drijver.
Van de kansen die de kusten bieden voor toeristisch-recreatieve ontwikkeling in Dynamisch schiereiland tot de economische mogelijkheden die de transitie naar duurzame energie bieden voor de 'draaischijven' Den Helder en NZKG. De bewegingen verbinden deze economische kansen aan het versterken van de leefbaarheid, juist met het oog op duurzame economische groei. Bijvoorbeeld door de ontwikkeling van het metropolitane landschap nadrukkelijk onderdeel te maken van het gehele metropolitane systeem, inclusief de verstedelijking, alsook om de agrifoodsector te ondersteunen als partner om de biodiversiteit te vergroten.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening
De provinciale verordening NH2020 is op 10 juli 2023 geconsolideerd vastgesteld door de provincie Noord-Holland. Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; behoud en herstel van de biologische diversiteit; en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Planspecifiek
De planlocatie valt binnen een aantal themakaarten van de ruimtelijke verordening, waaraan artikelen zijn verbonden omtrent ruimtelijke ontwikkelingen in die omgeving. De planlocatie is gelegen in de gebieden
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 14
van de themakaarten: 6: Cultureel Erfgoed Locatie is gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de themakaart 6 'cultureel erfgoed'. Daarbinnen wordt gesteld dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn indien de kernkwaliteiten van het cultureel erfgoed niet aangetast worden. In het voorliggende initiatief worden de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet aangetast gezien het een binnenstedelijke herontwikkeling betreft. 24: Natura2000 Locatie is gelegen binnen 'terreinen binnen de vastgestelde kritische afstand van Natura 2000' op de themakaart 24 'Natura2000' daarmee zijn regels gemoeid omtrent luchtvaarttuigen en ontsteking van vuurwerk. Het voorliggende initiatief heeft geen betrekking tot luchtvaarttuigen ofwel de ontstekking van vuurwerk, daarmee vormt dit geen belemmering voor de realisatie. 31: Peilbesluit Locatie is gelegen binnen peilbesluit op themakaart 31 'Peilbesluit', daarmee worden regels gesteld omtrent het vaststellen van peilbesluiten door het waterschapsbestuur. Dit heeft geen invloed op het planvoornemen.
3.2.3 Conclusie provinciaal beleid
Vanuit het provinciaal beleid is het thema 'Sterke kernen sterke regio's' werkzaam op het plangebied. Het is wenselijk dat de ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied niet afwijken van de regels uit verordening. Het nieuwe ontwerp zal van positieve invloed zijn op het beeldkwaliteit van de omgeving, doordat het plangebied opgewaardeerd wordt. Door het bouwen van een nieuwe woonhuis, de renovatie van een deel van de bestaande bebouwing en de sloop van een deel van de bestaande bebouwing krijgt het plangebied een verhoogde uitstraling en draagt het bij aan de leefbaarheid van de kern.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Alkmaar 2040
De gemeenteraad van Alkmaar heeft op 5 oktober 2017 de Omgevingsvisie Alkmaar 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie Alkmaar 2040 is een strategisch beleidsdocument dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving van Alkmaar. De visie biedt een handvat om op hoofdlijnen sturing te geven aan de ontwikkeling van stad en land tot 2040. Sturing vindt plaats op omgevingskwaliteit, een begrip dat naast ruimtelijke kwaliteit ook de mate van leefbaarheid van een gebied en zaken als concurrentiekracht en milieukwaliteit meeneemt.
In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de dorpen in het landelijk gebied allemaal beschikken over hun eigen kenmerken. Kleinschalige woonontwikkelingen binnen de dorpen kunnen de bestaande dorpsstructuur bekrachtigen. Het ontwikkelen van generieke woningbouwplannen zonder contextuele inpassing zijn niet het uitgangspunt. Als leidraad geldt het dorpseigen ontwikkelen: de oorspronkelijke dorpsstructuur is leidend als ruimtelijk uitgangspunt voor nieuwe kleinschalige ontwikkelingen. De dorpen blijven compact, met uitzondering van Stompetoren, dat nog kan groeien door woningbouw in het westelijk deel als laatste afsluiting van het dorp.
Het wordt door de gemeente belangrijk gezien om de gemeenschapszin en daarmee de vitaliteit in de dorpen te behouden. De toename van mobiliteit en de technologische vooruitgang maken het mogelijk in relatieve isolatie te kunnen beschikken over veel voorzieningen, zoals zorg of dagelijkse boodschappen. Het menselijke aspect van elkaar ontmoeten moet daar niet onder leiden en blijft centraal staan in de dorpen.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 15
Kaart landelijk gebied Alkmaar, Omgevingsvisie Alkmaar 2040.
Betekenis voor het project
De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling die zich voegt binnen de bestaande structuur van het landelijk gebied. Binnen het landelijk gebied is het plan gelegen in een dorpskern die niet specifiek in de omgevingsvisie benoemd is, hiervoor geldt dat het dorp compact dient te blijven ten behoeve van de gemeenschapszin en vitaliteit van de kernen. Het betreft een inbreidingslocatie ter versterking van het compacte dorp en de vitaliteit van de omgeving. Het plan is passend binnen de
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 16
gemeentelijke Ontwikkelingsvisie.
3.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid
Het planvoornemen vormt geen belemmeringen op de instandhouding van het landelijk gebied en de compacte dorpsstructuren.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 17
Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid.
4.1 Flora en fauna
4.1.1 Wettelijk kader
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten.
Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000- gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.
4.1.2 Effect te vergunnen activiteiten
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is in juni 2023 door Lycens B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder volgt de een samenvatting, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 1.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het NNN, Nationaal landschap, Natuurverbindingen, Bijzonder provinciaal landschap en ganzenfoerageergebied behoren. De bescherming van het NNN, Bijzonder provinciaal landschap en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast is de
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 18
invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natuurverbindingen en ganzenfoerageergebied hebben. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Om dit reden is een stikstofberekening uitgevoerd, daarover volgt nadere toelichting in deze paragraaf.
Wettelijke consequenties m.b.t. soorten bescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier en vleermuis er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter) rustplaats en nestelen er vogels. Ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Als gevolg van de sloop van de bebouwing, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een huismus of gierzwaluw beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om nesten van huismussen en gierzwaluw in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument Huismus, bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 1 april tot en met 15 mei. Een volledig gierzwaluwonderzoek, conform Kennisdocument Gierzwaluw, bestaat uit drie avondbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei tot en met 15 juli.
Van de overige in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats binnen het restaurant. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei - 30 september.
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden
Er worden geen bomen gerooid binnen het onderzoeksgebied. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 19
wettelijke consequenties in het kader van houtopstanden.
Stikstofdepositie
Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS.
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit plan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten.
Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder' op een afstand van circa 1.275 kilometer. Om de effecten van de voorgenomen ontwikkeling te bepalen is in juni 2023 door Kubiek een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, daaruit is onderstaande conclusie gebleken. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 2, Bijlage 3, Bijlage 4 en Bijlage 5.
Uit de berekeningen blijkt dat er door de gewenste ontwikkeling geen strijdigheden ontstaan met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied. Er vindt geen stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
4.1.3 Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief mits nader onderzoek wordt uitgevoerd met eventuele ontheffing of mitigerende maatregelen alvorens werkzaamheden vergund worden.
4.2 Bodemkwaliteit
4.2.1 Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling.
Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
4.2.2 Verkennend bodemonderzoek
Ten behoeve van voorgenomen ontwikeling is door GRS Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, hieronder volgt de conclusie. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar Bijlage 6.
Uit het onderzoek blijkt dat binnen een deel van het plangebied sterke verontreiniging van koper en/of lood is aangetroffen. De ernstige mate van de bodemverontreiniging heeft tot gevolg dat een gedeelte van het perceel gesaneerd dient te worden alvorens bouwwerkzaamheden gestart worden.
4.2.3 Conclusie
Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel mits sanering conform op te stellen PvE uitgevoerd wordt.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 20
4.3 Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1 Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld.
Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
4.3.2 Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
4.3.3 Archeologie
De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet.
Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
De projectlocatie heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. De locatie valt namelijk binnen de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie III'.
Ten behoeven van de realisatie wordt een archeologisch onderzoek benodigd, deze wordt uitgevoerd ten behoeven van de bouwvergunning. Om dit te borgen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie III' opgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
4.3.4 Conclusie
De gewenste ontwikkeling vindt plaats op beschermd archeologisch gebied, onderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. In het kader van de omgevingsvergunning wordt een archeologische verplichting opgenomen. In het voorliggend plan wordt dit geborgen door het opnemen van de dubbelbestemming.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 21
4.4 Luchtkwaliteit
4.4.1 Wettelijk kader
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.
4.4.2 Beoordeling
Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
Luchtkwaliteit ter plaatse
Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid. Stof Jaar 2018 Jaar 2020 Grenswaarde Advieswaarde NO2 12.8 µg/m3 12.5 µg/m3 40 µg/m3 10 µg/m3 PM10 17.6 µg/m3 14.9 /m3 40 µg/m3 15 µg/m3 PM2,5 10.1 µg/m3 7.3 µg/m3 20 µg/m3 5 µg/m3
Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit
Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.
De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Noordschermerdijk liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden en in het geval van PM10 zelfs onder deze advieswaarde. Voor wat betreft PM2,5 geldt dat er net niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
4.4.3 Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
4.5 Parkeren en verkeer
4.5.1 Parkeren
De planlocatie valt binnen het bestemmingsplan Parapluplan Parkeren 2018. Dit bestemmingsplan verwijst naar de parkeernormen die beschreven staan in de parkeernormennota Alkmaar 2017-2027. Deze parkeernormennota is in juni 2020 gewijzigd en vastgesteld voor de periode 2020-2027.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 22
Binnen de parkeernormennota Alkmaar 2020-2027 valt de planlocatie in het gebied 'overige gebieden'. In de beoogde situatie komen er binnen het plan één 'woning' en twee 'kleine woningen'. In de bestaande situatie zijn de twee 'kleine woningen' reeds aanwezig in combinatie met een restaurantfunctie waardoor deze parkeervoorzieningen gesaldeerd mogen worden conform de parkeernormennota. Hieronder de parkeerbalans weergegeven.
Parkeerbalans bestaand versus nieuwe situatie
In de bestaande situatie was er sprake van een piek (zaterdag avond) parkeerbehoefte van circa 25 parkeerplekken en een gemiddelde behoefte circa 15 parkeerplekken.
In de beoogde situatie is er sprake van een piek (avonden werkdagen) parkeerbehoefte van circa 4 parkeerplekken en een gemiddelde behoefte van circa 3 parkeerplekken.
Daarmee kan gesteld worden dat de parkeerbehoefte significant afneemt door de beoogde ontwikkeling. Doormiddel van saldering dienen er geen nieuwe parkeervoorzieningen te worden gerealiseerd. Onderstaande impressie geeft een beeld van de terrein inrichting, daarop is te zien dat er ruimte is om circa 5 parkeerplekken te realiseren. Daarmee wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte conform de parkeernormennota.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 23
Conclusie
Parkeren wordt op eigen terrein opgelost, daarmee vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.2 Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de 30 km/h-weg Dorpsstraat en deze wordt ontsloten op de N246.
De verkeersbewegingen veranderen in zeer beperkte mate, de horeca functie maakt plaats voor een extra woning. Daarmee neemt verkeerskundige piek belasting af terwijl er gemiddeld dagelijks een stabiele toename is.
De geringe verandering vormt geen belemmering voor de verkeerskundige situatie, nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
4.5.3 Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt niet of nauwelijks toe.
4.6 Geluidhinder
4.6.1 Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer
Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 24
geluidsbelasting te worden onderbouwd.
Industrielawaai
Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.
4.6.2 Beoordeling
De locatie is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein of wegverkeer, om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet nodig.
4.6.3 Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.7 Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Noordschermerdijk 7 met de afwisseling van functies 'Tuin', 'Recreatie' en 'Agrarisch met waarden - cultuurhistorie', worden gekarakteriseerd als rustig buitengebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en Richtafstand tot omgevingstype gemengd rustig buitengebied gebied 1 10 m 0m
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 25
2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype
Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
4.7.2 Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
In de directe omgeving zijn geen bedrijvigheiden gelegen die mogelijk nadelig kunnen zijn voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling neemt een mogelijke bedrijfslocatie weg waardoor het woon- en leefklimaat van omliggende woning verbeterd worden.
4.7.3 Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.
4.8 Externe veiligheid
4.8.1 Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 26
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 27
op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
4.8.2 Beoordeling
Op basis van de risicokaart zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen ofwel risicovolle inrichtingen gelegen die mogelijk effect kunnen hebben op het plangebied. Om die reden wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
4.8.3 Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Kleine kernen' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
4.10 Water
4.10.1 Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.
Dorpsstraat 60-62, Markenbinnen 28
4.10.2 Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's.
Europa
Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.
Rijk
De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.