CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bloemwijk Toelichting

Commissie Ruimte 7 september 2021, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Bloemwijk16.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Verharding en compenserende maatregelen

26 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

Planologisch kan het volledige plangebied al verhard worden op grond van het vigerende bestemmingsplan: het bestemmingsplan staat de verharding reeds toe. In het plangebied neemt als gevolg van de nieuwe bebouwing de feitelijke verharding af. Compensatie is daarom niet aan de orde.

Waterkwaliteit en riolering De ambitie van het Hoogheemraadschap is om 100% van het hemelwater van nieuwe oppervlakken te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het waterschap voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. In de nieuwe situatie is er sprake van een gescheiden stelsel. Voor zover het hemelwater niet tijdig in het gebied kan worden opgenomen is er via het hemelwaterriool afstroming mogelijk naar de sloot bij de Leliestraat (spoorsloot) en - zonodig met opvoerpompen als het niveau hoger ligt - de Steesloot achter de Van der Woudestraat. Dit wordt nader onderzocht door het HHNK. Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Deze adviezen worden in het kader van de omgevingsvergunning meegenomen.

Conclusie Het aspect waterhuishouding staat de voorliggende ontwikkeling niet in de weg. Het HHNK heeft na overleg reeds aangegeven dat zij akkoord is. Er wordt een bergingsberekening gemaakt in overleg met het HHNK. Op basis van deze berekening zal de digitale watertoets worden gedaan.

4.2 Bodemkwaliteit

De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Onderzoek Prommenz Omdat er in het voorliggende geval sprake is van de realisatie van woningen op plekken waar in de bestaande situatie nog geen woning staat, is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Prommenz. De rapportage hiervan is als Bijlage 4 bijgevoegd bij deze toelichting.

Resultaten Uit het onderzoek komen de volgende resultaten naar voren. Grond en grondwater

Toelichting (vastgesteld) 27

bestemmingsplan Bloemwijk

de bovengrond is niet tot ten hoogste licht verontreinigd waarbij de parameters kwik, lood, zink en PAK in licht verhoogde concentraties zijn aangetroffen. Bij toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit wordt geconcludeerd dat de bovengrond overwegend geclassificeerd wordt 'Altijd toepasbaar' tot 'Wonen' en plaatselijk als 'Industrie'; de ondergrond is overwegend niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Enkel plaatselijk is sprake van een lichte verontreiniging met lood en PAK. Bij toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de ondergrond overwegend geclassificeerd als 'Altijd toepasbaar' en plaatselijk als 'Wonen'; het grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters.

Puinfundering in de opgegraven aangetroffen funderingslaag t.p.v. een drietal stegen/ brandgangen, bestaande uit met name baksteen(delen), is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; in de aangetroffen funderingslaag t.h.v. boring 17 is in de fractie <20 mm bovendien analytisch geen asbest aangetroffen.

Onderzoek IDDS Door IDDS is een asbestinventarisatie uitgevoerd voor 10 woningen uit Bloemwijk. De rapportage is bijgevoegd alsBijlage 5. Het betrof: Eikelenbergstraat 16, 22, 58, 62, 70, Hulstraat 8, Boomkampstraat 5, 26, 30 en Asterstraat 16. Uit het onderzoek zijn twee asbestbronnen vastgesteld: 1. Een plantenbak in de tuin van Boomkampstraat 5; 2. een afdichting tussen de betonnen gevelpanelen en tegen de palen/gevelpanelen van de schuur op Boomkampstraat 26. Deze bronnen zijn goed te verwijderen en dat zal voorafgaand aan de sloop moeten gebeuren. Verder zijn er onder andere golfplaten dakbedekking op schuurtjes, betonnen raamkozijnen en bitumen dakbedekking onderzocht. Hierin is geen asbest aangetroffen. Het odnerzoek toont aan dat er geen belemmeringen zijn te verwachten voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Onderzoek Adebo In verband met de mutatie van de woning op Boomkampstraat 5, is door Adebo milieu advies BV een asbestonderzoek uitgevoerd voor de woning en bijbehorend schuurtje. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat de woning geen asbest bevat en ook het dak van het schuurtje niet. Wel waren er twee platen in het schuurtje aanwezig die dienden te worden gesaneerd.

Conclusie Aangezien in de bodem (grond en grondwater) ten hoogste sprake is van een lichte verontreiniging wordt de opgestelde hypothese ‘onverdacht ten aanzien van een noemenswaardige verontreiniging’ bevestigd. De aangetroffen bodemkwaliteit komt overeen met de bodemkwaliteit zoals verwacht mag worden op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Alkmaar. Prommenz komt tot de conclusie dat het onderzoek een goed beeld geeft van de bodemkwaliteit ter plaatse en geen aanleiding vormt voor aanvullend onderzoek. Eventueel in de toekomst vrijkomende overtollige grond valt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit deels in kwaliteitsklasse ‘Altijd toepasbaar’ en ten dele in ‘Wonen’ dan wel ‘Industrie’ en heeft daardoor deels potentiële hergebruiksbeperkingen bij hergebruik buiten de onderzoekslocatie. Met betrekking tot de aangetroffen puinfunderingen kan enkel worden geconcludeerd dat in onderhavig onderzoek visueel dan wel analytisch geen asbest is aangetroffen. Echter gezien de relatief geringe onderzoeksinspanning zoals gehanteerd binnen onderhavig onderzoek dient te worden overwogen om voorafgaand aan de daadwerkelijke herontwikkeling een verkennend asbestonderzoek te verrichten conform de NEN5897. Dit om zodoende te verifiëren dat er daadwerkelijk geen asbest aanwezig is in de

28 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

betreffende funderingslagen. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.3 Geluid

Eén van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen en rond grote bestaande industrieterreinen. Volgens de wet mag de geluidbelasting op de gevel van een nieuwe gevoelige bestemming binnen stedelijk gebied niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Op plaatsen waar door omstandigheden niet aan de hiervoor genoemde grenswaarde kan worden voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld met een maximum van 63 dB voor binnenstedelijke situaties. De voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai bedraagt 55 dB en de maximale ontheffingswaarde 68 dB. Op basis van de Wgh dient bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde het effect van maatregelen te worden beschreven. Door het treffen van maatregelen kunnen de geluidsbelastingen worden gereduceerd.

De systematiek in de Wgh is zodanig dat eerst moet worden beoordeeld of maatregelen aan de geluidsbron mogelijk zijn en daarna in het overdrachtsgebied tussen de bron en de woning. Blijken de maatregelen op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Bij het ontwerpen van geluidreducerende maatregelen dienen achtereenvolgens de volgende aspecten onderzocht te worden: maatregelen aan de bron; maatregelen in de overdrachtsweg; maatregelen bij de ontvanger.

Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Westerweg en binnen de geluidszone van de spoorlijn Alkmaar - Amsterdam. Hierom is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting. In het onderzoek is rekening gehouden met het beleid hogere waarden van de gemeente Alkmaar. Ook zijn de in het plangebied gelegen 30 km/u wegen in het onderzoek betrokken in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Resultaten Westerweg De geluidbelasting Lden ten gevolge van de Westerweg bedraagt ten hoogste 46 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Ter hoogte van alle woningen wordt derhalve voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Met betrekking tot deze weg zijn geluidreducerende maatregelen niet noodzakelijk. Spoorweg Amsterdam – Alkmaar De geluidbelasting Lden ten gevolge van de spoorweg bedraagt ten hoogste 59 dB. Ter hoogte van 8 woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB vanwege railverkeer overschreden. Wel wordt overal voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Met betrekking tot het railverkeer dienen hogere waarden vastgesteld te worden. Alvorens dat gedaan kan worden, dienen eerst geluidreducerende maatregelen te worden beschouwd.

Geluidreducerende maatregelen De Wet geluidhinder schrijft voor dat bij het onderzoeken van geluidreducerende maatregelen de volgende voorkeursvolgorde wordt gehanteerd:

Toelichting (vastgesteld) 29

bestemmingsplan Bloemwijk

maatregelen aan de bron, zoals raildempers; overdrachtsmaatregelen, zoals geluidschermen of het in acht nemen van afstand tussen de geluidbron en de ontvanger van het geluid; maatregelen bij de ontvanger, zoals de realisatie van gevelisolatie of de indeling van de woning.

Het beleid van de gemeente Alkmaar gaat eveneens uit van deze volgorde. Bovendien worden in het beleid nog aanvullende randvoorwaarden gesteld ten behoeve van een goed akoestisch woon- en leefklimaat alvorens hogere waarden worden verleend. Mogelijke bronmaatregelen hebben betrekking op de geluidemissie van de spoorbaan, bijvoorbeeld het toepassen van raildempers. Gezien het aantal woningen (maximaal 8) waarvoor de maatregelen nodig zijn, kan worden gesteld dat de toepassing van raildempers niet realistisch is en op overwegende bezwaren van financiële aard stuit. Voor het toepassen van overdrachtsmaatregelen wordt gedacht aan schermen. Ter hoogte van de spoorlijn zijn thans geen geluidschermen gesitueerd. Echter, zoals hierboven beschreven, treedt een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde op ter hoogte van maximaal 8 woningen. Omdat de overschrijdingen optreden ter hoogte van meerdere woningen verspreid binnen het plan zullen de schermen tevens van aanzienlijke lengte moeten zijn. Dergelijke schermen zullen op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige maar ook met name van financiële aard. Voor wat betreft de maatregelen bij de ontvanger is het volgende beoordeeld: Binnen het plan is geen sprake van woningen zonder geluidluwe gevel.

Om die reden is het niet noodzakelijk om maatregelen bij de ontvanger te adviseren die een gevel geluidluw maken, zoals een vliesgevel. Ten aanzien van het beleid zijn hogere waarden echter pas mogelijk indien aan één van de in het beleid genoemde criteria wordt voldaan. Eén van die criteria is "Vervanging van bestaande geluidgevoelige bebouwing". Het gehele plangebied voorziet in de vervanging van de bestaande woningen, waarmee aldus wordt voldaan aan één van de criteria voor het verlenen van hogere waarden. De in het beleid aangegeven eisen voor een woning gelden alleen indien de geluidsbelasting op de gevel van de woning hoger dan 5 dB ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde is (dit geldt voor zowel wegverkeers-, spoorweg- en industrielawaai). De geluidbelasting is maximaal 4 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde (railverkeer). Dit betekent dat hogere waarden zonder nadere voorwaarden kunnen worden verleend. Goed woon- en leefklimaat De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB. Deze geluidbelasting wordt met name bepaald door het verkeer op de 30 km/uur-weg Eikelenbergstraat. Dit is op basis van een inschatting van de verkeersintensiteit op de Eikelenbergstraat. In de bestaande situatie zijn de woningen niet verder van de weg af gelegen dan in de nieuwe situatie. Thans treden dergelijke geluidniveaus aldus reeds op.

Bovendien treedt deze geluidbelasting veelal op ter hoogte van de voorgevel van de woningen en is de buitenruimte aan de geluidluwe zijde gelegen. Hiermee is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder niet in de weg staat aan voorliggende ontwikkeling. Om ook binnen in de woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen borgen, zal in het kader van de procedure omgevingsvergunning aangetoond worden dat voldaan kan worden aan de eisen zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de geluidwering van de gevel. Dit geldt alleen voor die woningen waar sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB (overeenkomstig bijlage 5 van het akoestisch onderzoek Wet geluidhinder).

30 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

4.4 Luchtkwaliteit

De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 ìg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 ìg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof.

Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 ìg/m3 een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De voorliggende ontwikkeling betreft de bouw van minder woningen dan er in de bestaande situatie aanwezig zijn. Bovendien worden de woningen zeer energiezuinig waardoor de uitstoot wordt gereduceerd ten opzichte van de bestaande situatie. Voorts wordt ingezet op stimulatie van deelauto's en het gebruik van OV. De nabijheid van het station Alkmaar maakt de locatie hiervoor geschikt. Duidelijk is daarom dat het project NIBM is en dat onderzoek naar luchtkwaliteit niet aan de orde is. Bovendien blijkt uit de NSL- monitoringstool dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving laag zijn. Langs de Geestersingel en Bergerweg zijn toetspunten aanwezig die allen de meest gunstige toetsingswaarde weergeven voor de monitoringsronde 2019. De bestaande luchtkwaliteit is daarom als goed te beschouwen voor de te realiseren woningen.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die weergeeft wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. Naast de kans moet echter ook het mogelijk effect van een ongeval worden betrokken in de besluitvorming.

Toelichting (vastgesteld) 31

bestemmingsplan Bloemwijk

Het bevoegd gezag dient het groepsrisico in bepaalde gevallen te verantwoorden bij het ruimtelijk besluit, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden.

Afbeelding: situatie met betrekking tot externe veiligheid, planlocatie met rode cirkel aangegeven

In de directe omgeving zijn geen verkeers-, spoor- en vaarwegen aanwezig waar (relevant) transport van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. De N9 is aangewezen als Basisnet, maar deze is gelegen op meer dan 700 meter waardoor er geen sprake is van een voor de voorliggende ontwikkeling relevante bron. Bovendien neemt het aantal woningen af waardoor er geen sprake is van een toename van het aantal aanwezige personen in het plangebied. Bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opgeslagen, verwerkt of geproduceerd worden en transportleidingen van aardgas zijn gelegen op voldoende afstand van de ruimtelijke ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid is voor deze locatie niet relevant.

32 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

4.6 Milieuzonering

Ten aanzien van de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt hierbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van een milieugevoelige functie, sprake is van een aanvaardbaar leef- en verblijfsklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient milieuzonering te worden toegepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Het doel van de VNG-publicatie is het bieden van een handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk en de publicatie biedt mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit bij het inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving en bij het inpassen van woningen en andere gevoelige functies nabij bedrijven. Met het voorliggende bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt die op een andere positie ten opzichte van omliggende bedrijven worden gesitueerd. Er zijn geen bedrijven aanwezig binnen het plangebied. De aanwezige bedrijven buiten het plangebied hebben reeds woningen om zich heen die op kortere afstand zijn gelegen, waardoor de voorliggende ontwikkeling geen invloed heeft op die bedrijven. Binnen het plangebied wordt een ontmoetingscentrum teruggebracht die er in de bestaande situatie reeds is. Boven het ontmoetingscentrum worden appartementen gerealiseerd.

Deze situatie is in het vigerende bestemmingsplan reeds mogelijk en er is daarom geen sprake van een volledig nieuwe planologische situatie. Het bestaan van de woonfunctie en de functie van ontmoetingscentrum is een reeds geïntegreerde en geaccepteerde situatie. Vanuit het oogpunt van milieuzonerig zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

4.7 Ecologie

Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming.

Ecologische quick scan Door ecologisch adviesbureau Regelink Ecologie & Landschap is een ecologische quick scan uitgevoerd om te inventariseren of er belangrijke ecologische waarden te verwachten zijn en of er een effect op belangrijke soorten te verwachten zijn. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8 bij deze toelichting. Uit deze quick scan blijkt het volgende.

Soortenbescherming Vogelrichtlijn In het plangebied zijn de volgende vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd waargenomen of te verwachten: huismus en gierzwaluw. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Habitatrichtlijn Enkele gebouwbewonende vleermuissoorten hebben mogelijk hun vaste rust- en/of verblijfplaats in de gebouwen. Enkele boombewonende soorten hebben mogelijk hun vaste rust- en/of verblijfplaats in bomen met holtes. Daarom is het noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze vleermuissoorten in het plangebied te verrichten.

Toelichting (vastgesteld) 33

bestemmingsplan Bloemwijk

Andere soorten Mogelijk komt de steenmarter voor in het plangebied en gaan door de voorgenomen werkzaamheden verblijfplaatsen verloren. Door te werken met een goedgekeurde gedragscode is ontheffing van de Wet natuurbescherming niet vereist.

Gebiedsbescherming De ingreep leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De ingreep vindt niet plaats binnen het NNN. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing. Voor wat betreft de stikstofdepositie zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. De berekeningen zijn bijgevoegd als Bijlage 9. Voor wat betreft de gebruiksfase is het helder dat er een vermindering van de stikstofdepositie optreedt aangezien het aantal woningen ten opzichte van de bestaande situatie afneemt en de woningen met een hoge duurzaamheidsstandaard worden uitgevoerd. Ook is de stikstofdepositie berekend tijdens de aanlegfase. De stikstofdepositie blijft zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase onder de kritische depositiewaarde.

Soortgericht onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Naar aanleiding van de hiervoor beschreven ecologische quick scan is een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10 bij deze toelichting.

Resultaten Gedurende het onderzoek werden er geen huismussen aangetroffen. In een woning in het plangebied is een nestlocatie van gierzwaluw aangetroffen. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Door de ligging van het plangebied in een groter gelijksoortige omgeving is het geen essentieel foerageergebied. Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes waargenomen. In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig. Er is een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. In het plangebied zijn diverse paarverblijfplaatsen aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen voor winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren.

Effecten Door de voorgenomen werkzaamheden verdwijnt mogelijk een nestlocatie van gierzwaluw Door de voorgenomen werkzaamheden verdwijnen mogelijk een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.

Toets Wet natuurbescherming Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden lid 2 en 4 van artikel 3.1 en lid 1, 2 en 4 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden.

Conclusie Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een mitigatieplan opgesteld te worden waarmee overtreding van de Wet natuurbescherming zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Het mitigatieplan is

34 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

uitgevoerd en bijgevoegd als Bijlage 11. Om voor de ingreep een ontheffing Wet natuurbescherming te krijgen dienen voor vleermuizen alternatieve verblijfplaatsen en voor gierzwaluw vervangende nestplaatsen gerealiseerd te worden. Voor deze maatregelen gelden gewenningsperioden. Voor paar- en zomerverblijfplaatsen voor gewone en ruige dwergvleermuis is dit drie maanden vallend in de periode april – oktober, voor nestplaatsen van gierzwaluw een vol broedseizoen (mei – juli). Daarom wordt aangeraden op zo kort mogelijke termijn vervangende verblijf- en nestplaatsen voor deze dieren binnen het plangebied te realiseren. Met het mitigatieplan zal invulling kunnen worden gegeven aan het realiseren van vervangende verblijf- en nestplaatsen en kan een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden verkregen. De aanvraag is ingediend en in behandeling.

4.8 Cultuurhistorie en archeologie

4.8.1 Cultuurhistorie

Aan de planopzet heeft een historische beschrijving ten grondslag gelegen welke is opgenomen in het stedenbouwkundige plan. In het stedenbouwkundige plan is ook een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen waarin de continuïteit is beschreven. Hierover is het volgende opgenomen: "Continuïteit in beeld en sfeer van de oorspronkelijke architectuur en omgeving is uitgangspunt voor de vernieuwing van de twee complexen. De cultuurhistorische waarden van de oude Bloemwijk zijn daarbij een belangrijke referentie. Deze benadering sluit aan bij het welstandsbeleid. De nieuwe bebouwing moet verschijnen als een samenhangend ensemble met een eigen ritme en sfeer. Tuindorp Bloemwijk revisited: eenheid in verscheidenheid, uitgewerkt in een verzorgde architectuur, met accenten en ornamenten op de juiste plek en oog voor detail. Een traditionele baksteenarchitectuur met pannen daken en een ambachtelijke uitstraling. Conventioneel, zonder opsmuk. Trefzeker." Uit het voorgaande blijkt dat er in de planvorming rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de wijk. Uit het advies van de Welstands- en Monumentencommissie Alkmaar over het al dan niet aanwijzen van Bloemwijk als beschermd stadsgezicht blijkt dat de cultuurhitorische waarden niet hoog genoeg zijn om de wijk aan te wijzen.

Redenen hiervoor zijn dat de groenvoorzieningen schaars zijn, het architectuurbeeld verschraald is door onderhoudsbeurten en dat de stedenbouwkundige opzet te onsamenhangend is. De wijk heeft te weinig kenmerken van een echt 'tuindorp'. In de nieuwe opzet van de wijk wordt meer ruimte gegeven aan de aspecten die bij een tuindorp horen, zoals het meer toepassen van groen en pleintjes in de wijk. Binnen de wijk is een gemeentelijk monument aanwezig: Hulststraat 1. Voor dit pand is in juni 2020 een aanvraag ingediend om de monumentenstatus te laten vervallen, omdat het niet passend is binnen het nieuwe stedenbouwkundige plan. Ook zijn er op vier plekken in het plangebied beeldbepalende panden (dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie) aangewezen in het vigerende bestemmingsplan. De bouwkundige staat van deze panden is te slecht om deze op te knappen. Dit wordt bevestigd door de rapportage van Steenhuis Meurs (waarin voorts is aangegeven dat Hulststraat 1 onder meer is aangewezen vanwege de stedenbouwkundige betekenis door de beeldbepalende ligging). De bestaande situering staat de nieuwe stedenbouwkundige opzet in de weg. Het behoud van het monument weegt niet op tegen het belang van de algehele herontwikkeling. De nieuwe stedenbouwkundige opzet komt juist tegemoet aan de gewenste ruimere opzet met verwijzingen naar het typische tuindorp.

Bovendien zijn voor de beeldbepalende panden juist de vorm en omvang van belang en in mindere mate het individuele pand op zich. In de nieuwe opzet komt een soortgelijke omvang terug met dezelfde hoogtematen en dakhellingen. De historische verwijzing blijft daardoor bestaan.

Onderzoek TPAHG Vooruitlopend op de behandeling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad, heeft de raad middels een motie op 29 april 2021 een onderzoek gevraagd en vragen gesteld, met het verzoek het

Toelichting (vastgesteld) 35

bestemmingsplan Bloemwijk

onderzoek en de beantwoording van de vragen bij de bestemmingsplanstukken te voegen. Het onderzoeksrapport van TPAHG is als Bijlage 15 toegevoegd. De beantwoording van de tweede vraag van de raadsmotie als Bijlage 16 en de beantwoording van de derde vraag van de raadsmotie als Bijlage 17. Bij het onderzoek van TPAHG zijn tevens onderzoeken naar de contructies van de complexen betrokken. Dit in het kader van zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheden om (delen van) het plangebied te behouden door middel van renovatie. Gebleken is dat het economisch niet uitvoerbaar is om tot gedeeltelijke of volledige renovatie over te gaan.

4.8.2 Archeologie

Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij als uitgangspunt geldt: ‘de verstoorder betaalt’. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke) omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. Zoals in paragraaf 3.4.4 reeds is aangegeven heeft al bij de ontwikkeling van het vigerende bestemmingsplan onderzoek plaatsgevonden naar de te verwachten waarden in de grond. Omdat de verwachtingswaarde zeer laag bleek te zijn, heeft dit ertoe geleid dat er geen archeologische dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen. Op basis van een geactualiseerde verwachtingskaart uit 2016 is de verwachtingswaarde bijgesteld. Op dit moment is de planlocatie beoordeeld als archeologiewaarde D, wat inhoudt dat er onderzoek nodig is bij verstoringen die een omvang hebben van meer dan 5.000 m2.

Met de vakafdeling van de gemeente Alkmaar is afgestemd dat op basis van de hoogteligging van dit specifieke deel en de waarnemingen uit de directe omgeving er archeologische verplichting zal worden gekoppeld aan de omgevingsvergunning. Voorliggende ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot een verstoring van archeologische waarden.

4.9 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om te beoordelen of er belangrijke wijzigingen optreden in de verkeersafwikkeling op de omgeving en of er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.

4.9.1 Verkeer

De voorliggende ontwikkeling heeft een afname van het aantal woningen tot gevolg. Dit heeft een positieve invloed op de hoeveelheid verkeersbewegingen. De planopzet sluit aan bij de bestaande verkeersstructuur met voornamelijk éénrichtingsverkeer voor auto’s, welke in stand blijft. Alleen de Boomkampstraat wordt ingericht voor verkeer in twee richtingen. De Hulsthof en Asterhof zijn autovrij. De eventuele benodigde toegankelijkheid voor nood- en hulpdiensten kan worden ingepast. De conclusie is dat er op het gebied van verkeer geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.9.2 Parkeren

Het Parapluplan Parkeren 2018 (zie 1.3) vereist dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw moet worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Deze regel is overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan zodat bij de uiteindelijke vergunning voor het bouwen van de nieuwe woningen wordt voldaan aan deze eis. In het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan wordt alvast getoetst of het aantal parkeerplaatsen voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

36 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

Het geldende parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027. De parkeernorm is afhankelijk van de locatie in de stad. Onderscheiden worden: binnenstad, schil en overig. Voorliggend plangebied moet op grond van het geldende parkeerbeleid worden aangemerkt als 'overig'. In Bijlage 14 is de actuele parkeerbalans opgenomen. Uit deze parkeerbalans volgt dat er in totaal 204 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. 203 daarvan bevinden zich in de openbare ruimte. Eén parkeerplaats wordt op eigen terrein gerealiseerd. Het aantal vereiste parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd binnen het plangebied in de openbare ruimte. De parkeerbehoefte vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bovendien is in de regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen dat bij verlening van een omgevingsvergunning moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

4.10 Besluit milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage. In het besluit wordt onderscheid gemaakt in m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en m.e.r.-plichtige activiteiten. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het voorliggende plan zou kunnen worden geschaard onder D11.2: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. In kolom 2 wordt onder andere genoemd dat het moet gaan om 2000 woningen of meer. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project.

Niet iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Hieruit volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het karakter van de omgeving is eveneens van invloed op het oordeel of een ontwikkeling moet worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r. wordt het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ook geduid. Hier wordt over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, k antoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt k an van regio tot regio verschillen.

Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Gelet op de nota van toelichting en de jurisprudentie kan het volgende worden geconcludeerd: De sloop en nieuwbouw van de bestaande woonwijk waarbij een afname van het aantal woningen plaatsvindt, afgezet tegen de ruimtelijke context c.q. het gebied waarin woningen reeds in grote hoeveelheden aanwezig zijn, leidt tot de beoordeling dat geen sprake is van de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarom ook geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

Toelichting (vastgesteld) 37

bestemmingsplan Bloemwijk

4.11 Trillingshinder spoor

Door te bouwen in de nabijheid van een spoortraject bestaat er de mogelijkheid van hinderoverlast vanwege trillingen door treinverkeer. In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Het bestaande wet- en regelgevende kader biedt verschillende handvatten voor de omgang met trillingshinder bij nieuwbouw. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. Ondanks dat er geen sprake is wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen dient dit aspect wel te worden beoordeeld vanuit het wettelijke criterium van een 'goede ruimtelijke ordening'. Gezien de afstand tussen de woningen en het spoor en de beoordeling van andere ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving wordt niet verwacht dat het aspect trillingshinder van het spoor belemmeringen oplevert voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Om juridisch te borgen dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Dit betekent dat de woningen alleen mogen worden gebouwd wanneer een bepaald trillingsniveau niet wordt overschreden, al dan niet na het nemen van trillingsreducerende maatregelen. De geadviseerde voorwaardelijke verplichting (die qua formulering in meerdere plannen wordt toegepast) is opgenomen in de regels.

38 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planmethodiek

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels. Het nieuwe bestemmingsplan is zoveel mogelijk gebaseerd op de systematiek van het vigerende bestemmingsplan 'Alkmaar Zuid-West'.

Bij de opzet van het bestemmingsplan is uitgegaan van een redelijk gedetailleerde planopzet. Het plangebied bestaat uit twee bestemmingen, in lijn met de indeling van het plangebied in het vigerende bestemmingsplan. De grondgebonden woningen en bijbehorende binnenhoven hebben een woonbestemming. De openbare gebieden zoals de straten en binnenhoven hebben een verkeer - verblijfsbestemming gekregen. Ook de Asterhof en Hulsthof (binnenhoven bij de appartementen) hebben een verkeer - verblijfsbestemming gekregen. De woonblokken kunnen worden gebouwd binnen bouwvlakken waarin de maximale bouwhoogte is geregeld ook is per bouwvlak aangegeven hoeveel woningen er maximaal kunnen worden gerealiseerd. De gezamenlijke stegen ter ontsluiting zijn mogelijk binnen de woonbestemming.

5.2 Toelichting op de planregels

Inleidende regels In het hoofdstuk 'Inleidende regels' is een aantal begrippen verklaard welke gebruikt wordt in de planregels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is in het artikel "Wijze van meten" bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan geïnterpreteerd dient te worden.

Bestemmingsregels In het hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan opgenomen bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn, waar dat wenselijk is, flexibiliteitbepalingen opgenomen. Enkelbestemming Wonen De woongebieden zijn voorzien van de bestemming Wonen. Het beleid is erop gericht de kwaliteit van de woonomgeving te behouden en te verhogen. De bestemming is in de basis overgenomen uit het bestemmingsplan Alkmaar Zuid-West. Het bestemmingsplan is afgestemd op het bouwplan dat is ontwikkeld voor deze locatie. Op de

Toelichting (vastgesteld) 39

bestemmingsplan Bloemwijk

verbeelding behorende bij het bestemmingsplan zijn bouwvlakken opgenomen waarmee de plaats van hoofdgebouwen juridisch is vastgelegd. Per woonblok is de maximale hoogte afgestemd op het ontwerp van de woningen. De gestapelde woningen hebben de aanduiding 'gestapeld'. De gronden behorende tot de woonbestemming, buiten de bouwvlak zijn te gebruiken voor uitbreiding van het hoofdgebouw of voor de bouw van bijbehorende bouwwerken. Aan-huis-gebonden beroepen zijn, bij direct recht, als ondergeschikte functie bij de hoofdfunctie wonen toegestaan. Wat een aan-huis-gebonden beroep is, is gedefinieerd in de begrippen en is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Deze mogen alleen uitgevoerd worden zolang de omvang niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing bedraagt. Dit geldt tot een maximum van 60 m² per woning. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 2' zijn tevens maatschappelijke voorzieningen op de begane grondlaag toegestaan. Verkeer - Verblijfsgebied Het openbaar gebied in het woongebied heeft een verblijfs- en verplaatsingsfunctie. Deze gronden zijn bestemd als Verkeer - Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen en speeltoestellen.

De bestemming is flexibel in de zin dat er zowel parkeervoorzieningen als groenvoorzieningen en waterberging mogelijk is. Waarde - Archeologie D Deze dubbelbestemming geldt primair en beschermt eventueel aanwezige archeologische waarden in de grond. De vormgeving van het artikel is afgestemd op de wijze waarop het in andere recente bestemmingsplannen is gedaan in de gemeente Alkmaar.

Algemene regels In het hoofdstuk 'Algemene Regels' worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, aanvullende regels gesteld. Het gaat hier om de volgende regels: Anti-dubbeltelregel: Met de anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning of een mededeling op een meldingsplichtig bouwwerk is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning of het doen van een mededeling mag worden meegenomen. Algemene gebruiksregels: Hoewel in de Wet ruimtelijke ordening al is bepaald dat strijdig gebruik verboden is, is in het bestemmingsplan toch een artikel 'Algemene gebruiksregels' opgenomen. Hierin wordt een aantal voorbeelden gegeven van gevallen die worden aangemerkt als strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels: In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsmogelijkheden uit de bestemming een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken alsmede een regeling die de bouw van openbare nutsgebouwtjes en antennemasten mogelijk maakt.

Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk 'Overgangs- en slotregels' is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik die al bestond bij het opstellen van het plan, maar die strijdig is met de in dit bestemmingsplan opgenomen planregels. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotbepaling is de officiële naam van de planregels bepaald. Onder

40 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

deze naam kunnen de planregels van het bestemmingsplan aangehaald worden.

5.3 Plansystematiek

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Toelichting (vastgesteld) 41

bestemmingsplan Bloemwijk

Hoofdstuk 6 M aatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Vooroverleg

In het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan op 9 juli 2020 aan verschillende overleginstanties toegestuurd. Van de volgende overleginstanties is een reactie ontvangen: Rijkswaterstaat N.V. Nederlandse Gasunie Provincie Noord-Holland Veiligheidsregio Noord-Holland Noord Gemeente Heerhugowaard Gemeente Uitgeest Historische Vereniging Alkmaar De gemeente Alkmaar heeft de vooroverlegreacties beoordeeld en van een beantwoording voorzien. Dit document is onderdeel van de bestuurlijke besluitvorming omtrent het ontwerpbestemmingsplan geweest en is bijgevoegd als Bijlage 13 bij de toelichting. De vooroverlegreacties hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

6.2 Inspraak

Vanaf het begin zijn bewoners en omwonenden op allerlei manieren intensief en actief betrokken bij de planvorming voor Bloemwijk. Voor de ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan zijn inspiratiesessies en themabijeenkomsten gehouden. Op 19 december 2019 is door middel van een inloopmiddag en -avond de planopzet voor de nieuwe Bloemwijk aan alle betrokkenen en geïnteresseerden voorgelegd. Tijdens deze avond zijn veel positieve reacties binnen gekomen. Op 9 maart 2020 zijn het definitieve stedenbouwkundig plan en het Masterplan aan de wijk gepresenteerd. Hierin was de inspraak van 19 december 2019 verwerkt. Eerder is een Sociaal plan voor de vernieuwing van Bloemwijk overeengekomen.

6.3 Terinzagelegging

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, ook in de Staatscourant te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft met ingang van 14 januari 2021 tot en met 24 februari 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn 29 zienswijzen ingediend, waarvan er één tijdens de zienswijzentermijn is ingetrokken. De samenvatting en beantwoording van de zienswijzen is opgenomen in de 'Nota van beantwoording zienswijzen, bestemmingsplan Bloemwijk'. Tevens is hierbij aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan. De wijzigingen die in het vastgestelde bestemmingsplan zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat ter inzage heeft gelegen, zijn weergegeven in de 'Nota van wijzigingen, bestemmingsplan Bloemwijk'.

42 Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Bloemwijk

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De kosten die de gemeente maakt voor de procedure van het voorliggende bestemmingsplan, worden verhaald op de grondeigenaar via een anterieure exploitatieovereenkomst. Ook afspraken over de overige kosten die te maken hebben met de ontwikkeling, zoals de inrichting van de openbare ruimte zijn in de overeenkomst vastgelegd. Het plangebied bestaat naast 164 woningen van Van Alckmaer ook uit 15 woningen die destijds door de rechtsvoorganger van Van Alckmaer zijn verkocht. Met alle betreffende woningeigenaren is in de afgelopen jaren intensief gesproken over aankoop en/of compensatie zodat het beoogde plan zonder onderbreking kan worden uitgevoerd. Ten tijde van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan zijn niet met alle woningeigenaren afspraken gemaakt.

Vanuit de gemeente is er bereidheid om met de eigenaren afspraken tot zelfrealisatie te maken. In het uiterste geval kan ervoor worden gekozen om tot onteigening over te gaan.

Conclusie Gezien hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze toelichting wordt het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht.

Toelichting (vastgesteld) 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10446093/1