1j Bijlage 6 Quickscan natuur
Tekst van het document
Quickscan Wet Natuurbescherming Herinrichting Voltastraat 2 te Alkmaar 10 oktober 2017, Hippolytushoef Concept
Opdrachtgever: Opdrachtnemer: HBB Groep Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 Postbus 499 1777AG Hippolytushoef 2100 AL Heemstede Tel: 0227-595576 Tel: 023-5296363 Mob: 06-24818383 Fax: 023-5290393 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.hbbgroep.nl www.aandachtnatuur.nl
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave
1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 3
2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7
3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 8 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 8 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 9 3.3 Zoogdieren...…………………………………………….…………………...... blz. 10 3.4 Vissen en amfibieën……..………………………………….……………….... blz. 10 3.5 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 11
4. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 12 4.1 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 12 4.2 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 12 4.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 15
Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 16
Bijlage 1: Wet Natuurbescherming
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding
In opdracht van HBB Groep heeft een verkennend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden met betrekking tot de herinrichting van het terrein aan de Voltastraat 2 te Alkmaar. Voltastraat 2 betreft een markant kantorencomplex met waterpartijen en groenelementen, welke opnieuw wordt ingericht ten behoeve van nieuwbouw. Het verkennend veldonderzoek heeft op 12 september 2017 plaatsgevonden. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken.
Figuur 1. Ligging van het kantorencomplex aan de Voltastraat 2 te Alkmaar
1.1 Aanleiding en doel
Met de voorgenomen plannen zal het betreffende terrein opnieuw worden ingericht ten behoeve van woningbouw. Specifieke inrichtingsmaatregelen zijn nog niet beschreven of benoemd. Met het verkennende onderzoek wordt er dan ook vanuit gegaan dat de aanwezige terreintypen geheel of gedeeltelijk zullen verdwijnen. Het verkennend onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of het beoogde gebied een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. De uitkomsten van dit verkennend onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de herstructurering en mede bepalend zijn voor het verdere plan van aanpak en de beoogde functies.
1.2 Wet Natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtop- standen. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder
2
Bureau Aandacht Natuur
ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1.
Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuur- bescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het programma heeft tot doel, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden te verminderen. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria en vallen niet onder de PAS-richtlijnen. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding.
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.
Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het
3
Bureau Aandacht Natuur
treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbods- bepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.
Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk.
Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
“Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud.
Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten.
1 De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
4
Bureau Aandacht Natuur
Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechts- document, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/ initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is.
Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.
5
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode
2.1 Gebieds- en planbeschrijving
Het projectgebied is gelegen aan de rand van Alkmaar, ten noorden van het centrum, op het bedrijventerrein Viaanse Molen. De locatie ligt ingeklemd tussen de N9 en de Helderseweg / Noord Hollands Kanaal. Het betreft een kantorencomplex te midden van een relatief groene omgeving en omringd door een brede watergang. Binnen het kantorencomplex is een eigen, hoger gelegen, watersysteem aanwezig en wordt middels windmolentjes op peil gehouden. In het centrum van het complex is een binnentuin met verschillende waterpartijen aanwezig, de verschillende delen van het complex zijn met elkaar verbonden door steigers en vlonders. De binnentuin bestaat zowel uit oevervegetaties als aangeplante plantsoenen en bomen. De bebouwing bestaat grotendeels uit een aaneenschakeling van hoog- en laagbouw voorzien van zowel een pannendak als een plat dak. Het betreft betonbouw met gemetselde muren, voorzien van een spouw en relatief veel ramen. Aan de zuid en oostzijde van het complex staan enkele losse gebouwen met 1 of 2 bouwlagen in dezelfde bouwstijl. Rondom het kantorencomplex is parkeergelegenheid gecreëerd omzoomd door heggen, plantsoenen. bomen en windsingels. Het totale terrein is rondom voorzien van groenstructuren aangeplant met windsingels, bosplantsoen en/of boomgroepjes.
Het noordwestelijk deel van het terrein betreft een verruigd groengebiedje, afgescheiden van het terrein door kronkelende slootjes voorzien van natuurvriendelijke oevers. Het terreintje wordt ontsloten middels wandelbruggetjes en bevat een structuur van gemaaide paden.
Figuur 2. Foto’s van het plangebied aan de Voltastraat 2 te Alkmaar
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen
De planlocatie is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied en maakt geen onderdeel uit van een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding (figuur 3). De dichtstbijzijnde Natura
6
Bureau Aandacht Natuur
2000 gebieden betreft het Noordhollands Duinreservaat en de Schoorlse Duinen en liggen op een minimale afstand van respectievelijk 3 en 4,2 kilometer van de projectlocatie. Het projectgebied ligt aan de noordzijde van Alkmaar en bevat geen elementen die de specifieke waarden van genoemde Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten.
Figuur 3. Ligging van de projectlocatie t.o.v. NNN (groen) en Weidevogelleefgebied (lichtgroen); bron: maps.noord-holland.nl
2.3 Houtopstanden
De betreffende bomen vallen binnen de bebouwde kom (Boswet), waardoor van beschermde houtopstanden binnen de Wet Natuurbescherming geen sprake is.
2.4 Methode
Op 12 september 2017 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven locatie. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. Verder is op ook basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
7
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten
Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Tevens is een jaarrond beschermd roofvogelnest aangetroffen en vormen de gebouwen door een aanwezigheid van toegankelijke spouwmuren en dakpannen, geschikte rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen en jaarrond beschermde vogelsoorten als huismus en gierzwaluw. Tevens is het mogelijk dat rugstreeppad en kleine marterachtigen zoals wezel, hermelijn of bunzing op het terrein voorkomen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie.
3.1 Flora
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat uit verschillende terreintypen, zoals bebouwing, parkeerplaatsen, wegen en gazon, maar ook een parkachtig landschap met een opgaande beplanting, natuurvriendelijke oevers en ruigte-kruidenvegetaties. Op het bebouwde terreindeel is een ruime binnentuin aanwezig met solitaire bomen, plantsoenen en waterpartijen. Naast veel gecultiveerde planten en bomen (in de tuinen) is rondom het terrein een beplanting aanwezig van inheemse soorten. De bosjes bestaan veelal uit gemengde loofhoutsoorten zoals zomereik, iep, vlier, liguster, kornoelje, zwarte populier, grauwe abeel, éénstijlige meidoorn, hondsroos, zwarte els en lijsterbes. Op het onbebouwde/onverharde terreindeel aan de noordwestzijde van het complex staat een ruigtekruiden vegetatie van grote brandnetel, braam, gewone berenklauw, reuzenberenklauw, hondsdraf, riet, schietwilg, harig wilgenroosje en fluitenkruid. De aanwezige oevervegetaties bevatten soorten als riet,
Figuur 3. Ruigte kruidenvegetatie op het terrein
8
Bureau Aandacht Natuur
grote kattenstaart, harig wilgenroosje, moerasspirea, kleine lisdodde, grote lisdodde, groot hoefblad, liesgras en pitrus. Gezien de aanwezige terreintypen worden beschermde soorten niet verwacht. Tevens zijn aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) binnen het betreffende uurhok (5x5 kilometer) met uitzondering van Groot Spiegelklokje (niet wild) geen waarnemingen bekend van beschermde flora. Groot spiegelklokje komt voor op zonnige plaatsen op kalkrijke grond en is een plant van akkers en braakliggende grond of (spoor)bermen en dijken. Gezien de aanwezige terrein- en vegetatietypen wordt de soort niet verwacht binnen het projectgebied. Tevens is voor de betreffende vindplaats in (de omgeving van) Alkmaar aangegeven dat deze hier “niet wild” voorkomt, wat inhoudt dat de plant in een (heem)tuin is aangeplant.
3.2 Vogels
Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek verschillende vogelsoorten aangetroffen. In en aan de waterelementen zijn soorten als wilde eend, blauwe reiger, meerkoet, krakeend, kuifeend, waterhoen en ijsvogel aangetroffen. Verder zijn in en rondom het terrein soorten als halsbandparkiet, gaai, groene specht, houtduif, merel, pimpelmees, koolmees, en spreeuw waargenomen. Met uitzondering van blauwe reiger (welke in kolonies broed) kan worden verwacht dat genoemde soorten op en rond het terrein een broedlocatie hebben.
Met betrekking tot mogelijke jaarrond beschermde nestlocaties is aan de westzijde van het terrein een (vermoedelijk) horst van sperwer aangetroffen (figuur 4). Betreffende vogel is niet waargenomen, maar gezien de grootte en vorm van de nestlocatie en de aanwezige prooiresten onder het nest, wordt er vanuit gegaan dat het een nest van sperwer betreft. Andere sporen die wijzen op de aanwezigheid van nesten van roofvogels of uilen zijn op het terrein niet waargenomen.
Figuur 4. Situering jaarrond beschermde nestlocatie van (vermoedelijk) sperwer
Met betrekking tot andere jaarronde beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen zijn verder vele pannendaken aanwezig binnen het plangebied, welke het broedgebied kunnen vormen voor huismus en gierzwaluw. Andere gebouw bewonende jaarrond beschermde
9
Bureau Aandacht Natuur
soorten zoals kerkuil of steenuil worden niet verwacht binnen de projectlocatie, aangezien geschikte broedlocaties zoals boerenschuren of toegankelijk zolderingen ontbreken.
3.3 Zoogdieren
Op of rond de projectlocatie zijn met uitzondering van molshopen, geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat het plangebied het leefgebied vormt voor een aantal algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (bijlage 2). Daarbij kunnen de beschermde soorten wezel, hermelijn of bunzing voorkomen op het terrein. Met name het onverharde en onbebouwde terreindeel binnen het plangebied is geschikt als leefgebied voor betreffende soorten Voor deze soorten geldt de bovengenoemde vrijstelling niet. Nesten of verblijfplaatsen van deze soorten bevinden zich o.a. in ruigtekruidenvegetaties, bosschages, erfbeplanting, rietkragen of overhoekjes. Afhankelijk van de aard van de herinrichting kunnen beoogde inrichtingen of werkzaamheden leiden tot verstoring of verwijderen van verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van deze marterachtigen. Een andere beschermde grondgebonden zoogdiersoorten komen worden aan de hand van habitatvoorkeur en de huidige verspreidingsgegevens niet verwacht op of in de omgeving van de projectlocatie.
Verder kan worden verwacht dat het betreffende plangebied van belang is voor vleermuizen. Gezien de aanwezige groenstructuren en waterelementen kan worden verwacht dat het gebied van belang is als foerageergebied voor een aantal soorten vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone dwergvleermuis, watervleermuis en evt. grootoorvleermuis. Aangezien het gebied ligt ingesloten tussen de N99 en de Heldersweg en duidelijke lijnvormige structuren ontbreken, wordt niet verwacht dat de locatie een belangrijke functie zal hebben als vliegroute voor vleermuizen. Wel zal het Noord-Hollands Kanaal een (mogelijke) vliegroute vormen voor o.a. meervleermuis. Op het terrein zijn geen bomen met geschikte holten waargenomen die van belang kunnen zijn als verblijfplaats van vleermuizen. Met uitzondering van wat grote wilgen en populieren, bestaan de bomen uit een relatief jonge aanplant, welke zich in de stakenfase bevinden. Geschikte boomholten zijn hierin niet aangetroffen. Wel is het mogelijk dat de bebouwing binnen het plangebied vleermuisverblijfplaatsen bevat. Alle muren binnen het complex bevatten open stootvoegen en pannendaken, waardoor vleermuizen op verschillende hoogtes en windrichtingen een verblijfplaatsen kunnen vinden.
De voorgenomen sloop van het aanwezige complex en de herinrichting van het gebied kan dan ook leiden tot verstoring of verwijdering van verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van vleermuizen.
Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied.
3.4 Amfibieën
Met betrekking tot amfibieën is het mogelijk dat een aantal algemeen voorkomende beschermde amfibieën voorkomen, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander voorkomen op en rond de projectlocatie. Binnen de Wet
10
Bureau Aandacht Natuur
Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Binnen het projectgebied zijn verschillende waterelementen aanwezig. De aanwezige groenstructuren kunnen dan ook een functie hebben als land- en overwinteringshabitat van genoemde amfibieën. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de omgeving van Alkmaar (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor rugstreeppad ontbreekt grotendeels binnen de projectlocatie, echter is het mogelijk dat door de verschillende watertrappen en vijvers binnen het terrein, zich rugstreeppad heeft weten te handhaven. Door de insluiting van het gebied tussen de N9 en het Noord- Hollands Kanaal en de aanwezigheid van moestuinen aan de noordzijde van het plangebied, is de aanwezige van rugstreeppad op het terrein niet geheel uit te sluiten.
Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland.
3.5 Overige beschermde soorten
Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie tijdens eerdere onderzoeken. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
11
Bureau Aandacht Natuur
4. Conclusies en advies
Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de Wet Natuurbescherming verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
4.1 Gebiedsbescherming
Gezien de ligging te Alkmaar en de minimale afstand van circa 3 kilometer, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zijn te verwachten op de Natura 2000 gebieden Noordhollands Duinreservaat en de Schoorlse Duinen. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende vogelsoorten, habitattypen en habitatsoorten.
Tevens vinden de werkzaamheden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde.
4.2 Soortbescherming
Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied aan de voltastraat te Alkmaar. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuur- bescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde.
Vogels Op en aan het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen dan wel te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Vogelsoorten met een vaste rust- en verblijfplaats zijn niet aangetroffen. Echter is in het terreindeel aan de noordwestzijde van het complex een vermoedelijk nest
2 In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
12
Bureau Aandacht Natuur
van sperwer aangetroffen. Met de voorgenomen herinrichting is het dan ook mogelijk dat deze jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats wordt verstoord of verwijderd. Indien de boomgroep met het betreffende nest worden verwijderd ten behoeve van de plannen, zal nader onderzoek moeten vaststellen dat het hierbij inderdaad gaat om een sperwernest en is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. Indien met de herinrichting de landschappelijke elementen grotendeels worden gehandhaafd, kan wellicht worden volstaan met een nadere inspectie van betreffende elementen en het nemen van mitigerende maatregelen. Andere (mogelijke) jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn, met uitzondering van pannendaken, niet aangetroffen op het terrein. De pannendaken op het complex aan de Voltastraat zijn geschikt als nestgelegenheid voor soorten als huismus en gierzwaluw. Met betrekking tot de sloop van de gebouwen is dan ook een nader onderzoek naar het voorkomen van huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Aan de hand van het nader onderzoek zal worden bepaald of en welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn en of een ontheffing in het kader van de soortbescherming noodzakelijk is.
Zoogdieren Op de projectlocatie zijn een aantal beschermde zoogdieren te verwachten en betreft het voorkomen van marterachtigen (wezel, hermelijn of bunzing) en vleermuizen. Verder worden hoofdzakelijk algemeen voorkomende beschermde soorten verwacht, waarvoor een vrijstelling geldt met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Aan de hand van de (huidige) literatuurgegevens en habitatvoorkeuren, kan het voorkomen van andere beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. Met betrekking tot de kleine marterachtigen is het mogelijk dat met name het verruigde terrein ten noordwesten van het complex functioneel leefgebied vormt voor (één van) genoemde soorten. Gezien de omvangrijkheid en de aanwezige groenstructuren binnen dit deel van de planlocatie, kan er vanuit worden gegaan dat van (één van de) genoemde soorten een verblijfplaats heeft binnen het plangebied. Indien rigoureus zal worden ingegrepen in het betreffende terreindeel, is het noodzakelijk nader onderzoek te verrichten naar het voorkomen van kleine marterachtigen. Het nader onderzoek zal moeten uitwijzen of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is.
Binnen het projectgebied kunnen tevens een aantal soorten vleermuizen worden verwacht. Potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen zijn echter niet aangetroffen. De aanwezige bebouwing bevat mogelijke wel vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Tevens kan worden verwacht dat aanwezige groenstructuren en waterelementen onderdeel uitmaken van het leefgebied. Gezien de ligging aan de rand van Alkmaar kan worden verwacht dat het gebied belangrijk is als foerageergebied. Aangezien de projectlocatie ligt ingeklemd tussen de N9 en de Helderse- weg / Noord-Hollands Kanaal en duidelijke lijnvormige structuren ontbreken, wordt niet verwacht dat (onderdelen van) de planlocatie een functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Met de herinrichting van het plangebied en voor de sloop van de bebouwing is het dan ook noodzakelijk een nader onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van (verblijfplaatsen van) vleermuizen. Een vleermuisonderzoek dient plaats te vinden conform het protocol voor vleermuisinventarisaties (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdier- vereniging, maart 2017). Aan de hand van de uitkomsten van het vleermuisonderzoek en de beoogde herinrichting van het totale plangebied, zal worden beoordeeld of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming aan de orde is.
13
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 3. Potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen zoals open stootvoegen en dakpannen aan de gevels van het complex.
Amfibieën Met betrekking tot de herinrichting kunnen een aantal algemeen voorkomende amfibieën worden verwacht. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Wel is te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in Wet Natuurbescherming van toepassing. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de projectlocatie. Door de aanwezigheid van verschillende waterelementen, natuurvriendelijke oevers en verschillende watertrappen, is het mogelijk dat op het terrein een (rest)populatie van rugstreeppad aanwezig is. Een nader onderzoek naar het voorkomen van rugstreeppad zal moeten uitwijzen of de soort daadwerkelijk voorkomt binnen de projectlocatie en of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is.
Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en).
14
Bureau Aandacht Natuur
4.3 Houtopstanden
Met de herinrichting is het mogelijk dat bomen en bosschages worden gekapt. De houtopstanden liggen echter binnen de bebouwde kom en vallen niet onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming. Een kapmelding bij het bevoegd gezag (provincie / RUD) is dan ook niet noodzakelijk. Uiteraard blijft wel de boomverordening van de gemeente Alkmaar van kracht.
15
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst
• Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden • Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie Noord- Holland, Haarlem • Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017 • Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden • Herder J., Kranenbarg J., Hoogeboom D., Hamers J., Dekker K., 2012, Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012, Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen • Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de Noord- Hollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk • Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden • Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002,
De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden
• Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuur- bescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 • Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden • Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com • Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van Noord- Holland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten Noord- Holland, Haarlem • Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen.
• www.ravon.nl • www.floron.nl • www.wilde-planten.nl • www.telmee.nl • www.noord-holland.nl • www.rijksoverheid.nl • www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/
16
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Wet Natuurbescherming
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de wet- en regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.
34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.
Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000- gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000- gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding.
• Programmatische aanpak stikstof
Het programma aanpak stikstof (PAS) beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie afkomstig van in Nederland aanwezig bronnen. Het programma heeft tot doel, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren. Hiermee dienen ook nieuwe activiteiten of -ontwikkelingen die een hoge stikstof-uitstoot tot gevolg hebben buiten Natura 2000-gebieden, te worden beoordeeld in het kader van de Wet Natuurbescherming. De resultaten van de ecologische beoordeling van de PAS omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied. Andere aangewezen gebieden in de NNN of als natuurverbinding vallen niet onder de PAS-richtlijnen.
• Natura 2000-beheerplannen
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.
Bureau Aandacht Natuur
• Cumulatieve effecten
Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken.
• Beschermd Natuurmonument
Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.
Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6)
Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht.
• Beschermingsregime Vogels
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten.
Bureau Aandacht Natuur
Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1
Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.
• Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten
Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
1 Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.
2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.
Bureau Aandacht Natuur
Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
• Beschermingsregime “andere” beschermde soorten
Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen,
spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
Bureau Aandacht Natuur
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort.
• Mitigatie en compensatie
Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd
Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt.
• Vrijstelling
Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.
Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11).
Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
Bureau Aandacht Natuur
Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.
Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling.
Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.
De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is.
Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.
Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: Geen andere bevredigende oplossing voor handen is; Sprake is van een in de wet genoemd belang (zie soortbescherming); Geen sprake is van verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal de provincie een toetsing van de belangen en de alternatieven uitvoeren en een ecologische toetsing doen. De termijn voor het
3 De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000- doel.
Bureau Aandacht Natuur
behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken.
Indien door een handeling of activiteit verbodsbepalingen overtreden worden, moet door de initiatiefnemer worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing(en) is, waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Bij andere oplossingen kan gedacht worden aan alternatieve locaties, een ander ontwerp of inrichting van het plan, of een andere uitvoering van de handelingen.