Was-wordt-lijst Verordening maatschappelijke ondersteuning AW 2610.pdf
Tekst van het document
Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 3. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. 4. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen tarief voor formele en informele hulp: 5. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding en dagbesteding: a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 6. Het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden:
Toelichting
a.
Het oude artikel 19 is onderverdeeld in het nieuwe artikel 19, 20 en 21. Het oude lid 4, 5, 6, 7 en 8 zijn in het nieuwe artikel 21 opgenomen.
In lijn met de inkoop van Hulp bij het Huishouden, Begeleiding en Dagbesteding zijn de productnamen in het nieuwe lid 5, 6 en 7 aangepast.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
a.
7. 8. 9.
20
21a
Artikel 20. Nadere verplichtingen budgethouder 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. 2. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. 3. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. HOOFDSTUK 4. Algemene voorzieningen Artikel 21. Algemene voorziening opvang Het college verstrekt de algemene voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bijdrage in de kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente.
voor formele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura; b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.
Artikel 22. Nadere verplichtingen budgethouder 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. 2. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. 3. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. HOOFDSTUK 4. Hoofdstuk 4. Algemene voorzieningen Artikel 23. Voorziening opvang 1. Het college verstrekt de voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bijdrage in de kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente. 2. Artikel 11 lid 2 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.
Zelfde gebleven
Maatschappelijke opvang is niet meer aangeduid als algemene voorziening. De voorziening maatschappelijke opvang is in het beleid van de gemeente Rotterdam gedefinieerd als maatwerkvoorziening. Toegevoegd artikel 2 om duidelijk te maken welke artikelen uit de verordening van de centrumgemeente van toepassing zijn.
Nr. 21b
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
Artikel 24. OGGZ Het college biedt vanuit de Wmo de volgende vorm van ondersteuning: Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ): bemoeizorg, met als doel het toeleiden naar ondersteuning (of behandeling) van bewoners die niet (in staat zijn om) uit eigen beweging ondersteuning te vragen waar dit medisch- en/of maatschappelijk gezien wel nodig is.
Toegevoegd artikel 24. OGGZ “In de memorie van toelichting Wmo staat vermeld dat dat activiteiten op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg vallen onder de omschrijving van maatschappelijke ondersteuning. Uit de parlementaire stukken blijkt verder dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort om burgers, inclusief zorgmijders, zo nodig toe te leiden naar zorg en ondersteuning en daarbij mee laten wegen dat burgers soms onvoorspelbaar zijn in de mate waarin zij hulp willen aanvaarden. De verantwoordelijkheid voor toeleiding naar zorg en ondersteuning eindigt daarbij niet bij een intake of een eenmalig contact met de beoogde hulpverlening/ondersteuning, maar loopt door tot de burger daadwerkelijk in zorg komt.” (brief aan college van B&W over Bemoeizorg, Ministerie van VWS, 2018). Situaties waarin bemoeizorg door de gemeente moet worden ingezet zullen zich naar verwachting steeds vaker voordoen door veranderingen in wetgeving (onder andere de invoering van de Wvggz) en door de ontwikkelingen op het gebied van beschermd wonen (plannen doordecentralisatie). Activiteiten op het gebied van OGGZ vallen onder de ondersteuning die de gemeente moet bieden, daarom is dit nu expliciet vastgelegd n de verordening.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
22
HOOFDSTUK 5. Bijdrage in de kosten Artikel 22. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget , zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bij verordening aangewezen voorziening is: a. Algemene Voorziening Schoonmaakondersteuning.
HOOFDSTUK 5. Bijdrage in de kosten Artikel 25. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget , zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.
4.
3.
5.
6.
7.
8.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste: a. € 17.50 per vier weken in de periode 1-1-2019 tot 1-1-2020; b. In afwijking van het vorige sub geldt voor gebruikers van de algemene voorziening schoonmaakondersteuning met een verzamelinkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm: € 0 in de periode 11-2019 tot 25-3-2019. c. € 19,00 per maand vanaf 1-1-2020. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.
4.
5.
6.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Toelichting
In lijn met de inkoop van Hulp bij het Huishouden is het oude lid 3 verwijderd (per 2022 bieden we de Algemene Schoonmaakvoorziening niet meer aan).
De in verband met overgangsrecht opgenomen oude lid 4 sub a. en b. zijn verwijderd.
Het oude lid 8 is verwijderd i.v.m. overlap nieuwe lid 6 en oude lid 7.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
23
Artikel 23. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptarief van € 0,94 per rit. 2. In afwijking van het eerste lid geld buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadres een tarief van: € 1,46 per kilometer. 3. In afwijking van het eerste lid geld tijdens de daluren, van 12.00 – 15.00 uur, een opstaptarief van € 0,42 per rit. 4. In afwijking van het eerste lid geld bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 5,85 per rit. HOOFDSTUK 6. Kwaliteit en veiligheid Artikel 24. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;
Artikel 26. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer
24
c.
25
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact hebben met kwetsbare cliënten; e. het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht en doelmatig is. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van personeel.
1.
In afwijking van artikel 24 derde lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptarief van € 0,98 per rit. 2. In afwijking van het eerste lid geld buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadres een tarief van: € 1,55 per kilometer. 3. In afwijking van het eerste lid geld tijdens de daluren, van 12.00 – 15.00 uur, een opstaptarief van € 0,44 per rit. 4. In afwijking van het eerste lid geld bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 6,21 per rit. HOOFDSTUK 6. Kwaliteit en veiligheid Artikel 27. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; e. het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact hebben met kwetsbare cliënten; f.
het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is. 2. Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in het besluit maatschappelijk ondersteuning; 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
Toelichting
De titel van het nieuwe artikel is gewijzigd. Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening, geen algemene voorziening.
In lijn met het IBSD is aan het nieuwe lid 1, sub c toegevoegd.
Naar aanleiding van jurisprudentie is het nieuwe 2e lid herschreven. Het college kan in het besluit geen nieuwe kwaliteitseisen stellen maar wel verder uitwerken.
In aanvulling op het oude artikel en in lijn met de wet, het AMVB reële tarief en het IBSD is het nieuwe lid 1 en 2 toegevoegd en is het nieuwe lid 3 herschreven.
Nr.
Verordening 2018 2.
26
27
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: - aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; - instructie over het gebruik van de voorziening; - onderhoud van de voorziening, en - verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).
Artikel 26. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. HOOFDSTUK 7. Toezicht en handhaving Artikel 27. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet.
Verordening 2022 conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii.
instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. HOOFDSTUK 7. Toezicht en handhaving Artikel 30. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet.
Toelichting
a.
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Nr.
28 29
30
31
32
Verordening 2018
Verordening 2022
2.
De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 5. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel 28. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet. HOOFDSTUK 8. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.
2.
Artikel 30. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. HOOFDSTUK 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 31. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling. Artikel 32. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 33. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. HOOFDSTUK 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 34. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling. Artikel 35. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 5. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel 31. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet. HOOFDSTUK 8. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 32. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.
Toelichting
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
33
Artikel 33. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK 10. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 34. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Artikel 35. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel 36.
Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 37. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015. 4. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen. 6. Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 7. Cliënten met een geldige indicatie voor hulp bij het huishouden middels Schoonmaak of Persoonlijke Dienstverlening die is afgegeven voor 1 januari 2015 houden tot aan de einddatum van de toekenning het budget zoals vastgesteld per 1 juli 2014.
Artikel 36. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK 10. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 37. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Artikel 38. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel 39.
Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 40. Overgangsrecht 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022. 4. Van het in het eerste, tweede, derde en vierde lid gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.
Zelfde gebleven
34
35
36
37
Zelfde gebleven Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Intrekking van de verordening is opgenomen onder het nieuwe artikel 41 1e lid. Overgangsrecht met verwijzing naar oude verordening is in het nieuwe derde lid opgenomen.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
38
Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018.
Artikel 41. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2022, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022.
In lijn met inwerkingtreding nieuwe verordening zijn naam en data aangepast, aan het nieuwe eerste lid is de intrekking van de oude verordening toegevoegd.