totaal deel 3 regels BP BvRhoon 2021.pdf
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
154
Artikel 20
Leiding Leidingstrook
20.1 Bestemmingsomschrijving 1. De voor 'Leiding Leidingstrook' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor: a. instandhouding en bescherming van de aanwezige buisleidingenstraat; b. voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en beheer van de aanwezige buisleidingenstraat; c. (voorzieningen ten behoeve van) kruisende wegen en paden; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende: e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. toegangswegen en paden; en g. beheers en nutsvoorzieningen. 2.
Gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde mogen mede ten behoeve van de functies bedoeld in 20.1 onder 1 worden gebruikt. Bouwen ten behoeve van de in 20.1 onder 1 genoemde functies is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan 20.3.
20.2 Specifieke gebruiksregels Voor de gronden met de aanwijzing 'Leiding Leidingstrook' zijn al dan niet in afwijking op de aldaar geldende bestemmingen de volgende activiteiten niet toegestaan; a. plaatsgebonden recreatieve activiteiten; en b. andere activiteiten met een verhoogd risico. 20.3 Bouwregels 1. De bestaande bebouwing is toegestaan. 2. Ten behoeve van de bestemming 'Leiding Leidingstrook' zijn nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 m. 3. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag met inachtneming van de ter plaatse geldende bouwregels uitsluitend worden gebouwd, indien: a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en b. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
155
20.4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde 1. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding Leidingstrook' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 2. Het verbod zoals bedoeld in 20.4 onder 1 is niet van toepassing op het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt; c. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning. 3. De vergunning zoals bedoeld in 20.4 onder 1 wordt slechts verleend indien: a.
het groepsrisico externe veiligheid de oriënterende waarde niet overschrijdt; en b. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. 4. Alvorens een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 20.4 onder 1 wordt verleend vraagt het bevoegde gezag advies aan de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
156
Artikel 21
Leiding Olie
21.1 Bestemmingsomschrijving 1. De als 'Leiding Olie' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a. de aanleg, het gebruik en het onderhoud van een olieleiding; b. veiligheidszone externe veiligheid. 21.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming begrepen gronden zijn geen bouwwerken toegestaan, anders dan ten behoeve van het bepaalde in 21.1, onder 1a, behoudens bestaande bouwwerken. 21.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 21.2 voor het toestaan van bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen; 2. De bouwwerken als bedoeld in 21.3 onder 1 zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de in 21.1, onder 1 genoemde doeleinden ontstaat; 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de olieleiding. 21.4 Specifieke gebruiksregels 1. Binnen de bestemming zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan, behoudens bestaande objecten; 2. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; 3.
De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming. 21.5 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 21.4, onder 1 voor het toestaan van een beperkt kwetsbaar object, mits de noodzaak van de aanwezigheid van een beperkt kwetsbaar object binnen de contour van PR 10 6 gemotiveerd kan worden, alsmede een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
157
21.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden op of in de in deze bestemming begrepen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van een drainage, ontginnen en het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; b. het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport , energie of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; c. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand; d. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting; 2. Het in sub 1 bedoelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt; c. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning. 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de olieleiding.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
158
Artikel 22
Leiding Water
22.1 Bestemmingsomschrijving 1. De als 'Leiding Water' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a. de aanleg, het gebruik en het onderhoud van een hoofdwaterleiding. 22.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden zijn bouwwerken niet toegestaan, anders dan ten behoeve van het bepaalde in 22.1, onder 1, behoudens bestaande bouwwerken. 22.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 22.2 voor het toestaan van bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen; 2. De bouwwerken als bedoeld in 22.3 onder 1 zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de in 22.1 onder 1 genoemde doeleinden ontstaat; 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de hoofdwaterleiding. 22.4 Specifieke gebruiksregels 1. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt 2.
De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
159
22.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden op of in de in deze bestemming bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van een drainage, ontginnen en het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; b. het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport , energie of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; c. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand. 2. Het in 22.5 onder 1 bedoelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt; c. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning. 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de hoofdwaterleiding.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
160
Artikel 23
Leiding Waterstof
23.1 Bestemmingsomschrijving 1. De als 'Leiding Waterstof' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a. de aanleg, het gebruik en het onderhoud van een waterstofleiding; b. veiligheidszone externe veiligheid. 23.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming begrepen gronden zijn geen bouwwerken toegestaan, anders dan ten behoeve van het bepaalde in 23.1, onder 1a, behoudens bestaande bouwwerken. 23.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 23.2, voor het toestaan van bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen; 2. De bouwwerken als bedoeld in 23.3 onder 1 zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de in 23.1 genoemde doeleinden ontstaat; 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de waterstofleiding. 23.4 Specifieke gebruiksregels 1. Binnen de bestemming zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan, behoudens bestaande objecten; 2.
De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; 3. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming. 23.5 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 23.4, onder 1, voor het toestaan van een beperkt kwetsbaar object, mits de noodzaak van de aanwezigheid van een beperkt kwetsbaar object binnen de contour van PR 10 6 gemotiveerd kan worden, alsmede een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
161
23.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden op of in deze bestemming begrepen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van een drainage, ontginnen en het ophogen van gronden; b. het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport , energie of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; c. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand; d. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het aanbrengen van gesloten verhardingen; g. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; h. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; i. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 2. Het in 23.6 onder 1 bedoelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud en beheer betreffen; 2.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt; 3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning; 3. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de waterstofleiding.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
162
Artikel 24
Waarde Archeologie 1
24.1 Bestemmingsomschrijving 1. De voor 'Waarde Archeologie 1' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 24.2 Bouwregels 24.2.1 Rapport deskundige 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een deskundige, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte en dieptematen die genoemd zijn in 24.3 lid 1. 24.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen 1. Burgemeester en wethouders kunnen in ht belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b.
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
163
24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 2. Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg en leidingcunetten. 3.
Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overlegd van een deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 4. Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
164
Artikel 25
Waarde Archeologie 2
25.1 Bestemmingsomschrijving 1. De voor 'Waarde Archeologie 2' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 25.2 Bouwregels 25.2.1 Rapport deskundige 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een deskundige, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte en dieptematen die genoemd zijn in 25.3 lid 1. 25.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen 1. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b.
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
165
25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 2. Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg en leidingcunetten. 3.
Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overlegd van een deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 4. Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
166
Artikel 26
Waterstaat Waterkering
26.1 Bestemmingsomschrijving 1. De als 'Waterstaat Waterkering' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a. de in keur en legger van het waterschap opgenomen beschermingszones van waterkeringen. 26.2 Bouwregels 1. Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels: a. uitsluitend toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van waterkeringen; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen. 26.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels in 26.2 met inachtneming van de volgende regels: a. de afwijking kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; b. alvorens een besluit over ontheffing te nemen vragen burgemeester en wethouders advies bij het waterschap, hoogheemraadschap of derde, welke verantwoordelijk is voor het waterkering. 26.4 Specifieke gebruiksregels 1. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt. 2.
De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming. 26.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. a. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; b. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport , energie of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen of verhardingen ten behoeve van de watersport. 2. Het in 26.5 lid 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan. 3. Alvorens een besluit over ontheffing te nemen horen burgemeester en wethouders het waterschap of derde, welke verantwoordelijk is voor (het beheer van) de waterkering.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
167
Artikel 27
Waterstaat Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie
27.1 Bestemmingsomschrijving 1. De als 'Waterstaat Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a. de in keur en legger van het waterschap opgenomen beschermingszones van hoofdwatergangen. 27.2 Bouwregels 1. Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels: a. uitsluitend toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de waterhuishouding; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 meter bedragen. 27.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels in 27.2 met inachtneming van de volgende regels: a. de afwijking kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; b. alvorens een besluit over ontheffing te nemen vragen burgemeester en wethouders advies bij het waterschap, hoogheemraadschap of derde, welke verantwoordelijk is voor het waterbeheer. 27.4 Specifieke gebruiksregels 1. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt. 2.
De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming. 27.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; b. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport , energie of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen of verhardingen ten behoeve van de watersport. 2. Het in 27.5 lid 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan. 3. Alvorens een besluit over de omgevingsvergunning te nemen horen burgemeester en wethouders het waterschap of derde, welke verantwoordelijk is voor (het beheer van) de waterkering.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
168
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
169
Hoofdstuk 4
Artikel 28
Algemene regels
Anti dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
170
Artikel 29 1.
2.
Parkeren
Bij het realiseren van nieuwe activiteiten moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dat houdt in dat wordt voldaan aan de CROW publicatie 381 (december 2018) of diens rechtsopvolger(s) met dien verstande dat in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien op eigen terrein. Bij het voorzien van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt aan verhardingen de voorwaarde gesteld dat deze waterdoorlatend moet zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
171
Artikel 30 1.
2.
3.
Algemene bouwregels
Afwijken van de ter plaatse geldende bouwregels, zoals hierna onder 2 en 3 bedoeld, is uitsluitend toegestaan indien door de afwijking de doelstellingen zoals bedoeld in hoofdstuk 2 niet onevenredig worden geschaad. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maximale bouw en goothoogte. De omgevingsvergunning kan onder de volgende voorwaarden worden verleend: a. de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10%; b. de hoek van het dak op de nok niet minder bedraagt dan 20°; en c. wordt voldaan aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan. Bouwwerken ten behoeve van beheers of nutsvoorzieningen kunnen, in afwijking van de bouwregels zoals bedoeld in het eerste lid, met een omgevingsvergunning buiten het bouwvlak worden gebouwd. De omgevingsvergunning kan onder de volgende voorwaarden worden verleend: a. de inhoud van het bouwwerk niet meer bedraagt dan 100 m³; b. de hoogte van het bouwwerk maximaal 5 m bedraagt; c. het bouwwerk zo veel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken door middel van; landschappelijke inpassing; of groenvoorzieningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
172
Artikel 31 1.
2.
Activiteiten in strijd met dit bestemmingsplan
Voor de gronden in het plan wordt onder strijdig gebruik in ieder geval begrepen: a. het gebruiken van gronden of bouwwerken zodanig dat er sprake is van een significant effect op een Natura 2000 gebied door een toename van stikstofdepositie. Er is sprake van een toename wanneer de stikstofdepositie als gevolg van de stikstofemissie van een of meerdere projecten meer bedraagt dan de stikstofdepositie ten gevolge van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige legale gebruik van de gronden en bouwwerken; b. het gebruiken van gronden of bouwwerken voor of ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruiken van gronden of bouwwerken voor of ten behoeve van een Bevi inrichting; Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid sub b in die zin dat gronden en bouwwerken zodanig worden gebruikt dat een significant effect op een Natura 2000 gebied ontstaat door stikstofdepositie, mits hiervoor een vergunning of verklaring van geen bedenkingen is verleend op basis van de Wet natuurbescherming of diens rechtsopvolger, door het daartoe bevoegde gezag.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
173
Artikel 32
Bestemmingsplanactiviteit
32.1 Akkerbouw en natuur ter plaatse van gronden met de bestemming Hoogwaardige akkernatuur 1. Ter plaatse van de gronden bestemd voor Hoogwaardige akkernatuur zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan indien het college een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit verleent: a. extensieve akkerbouw, waarbij andere gewassen of in een andere samenstelling worden geteeld dan genoemd in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur; b. natuurinclusieve landbouw, waarbij sprake is van het inzetten van vee ten behoeve van natuurmaatregelen; c. natuurinclusieve landbouw, waarbij het percentage natuurmaatregelen afwijkt van het percentage genoemd in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur; d. natuurinclusieve landbouw, waarbij afgeweken wordt van de in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur onder 7.1 onder a, natuur genoemde SNL natuurdoeltypen en ANLb beheerpakketten; 2. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de activiteiten geen afbreuk doen aan de doelen zoals die in artikelen 3 en 4 zijn benoemd; 3. Bij het bepalen of voldaan wordt aan lid 2, wordt getoetst aan de uitwerking Streefbeeld. 4. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.1 lid 2.
32.2 Kamperen bij de boer ter plaatse van gronden met de bestemming Hoogwaardige akkernatuur 1. Ter plaatse van, of aansluitend aan een bouwvlak van de gronden bestemd voor Hoogwaardige akkernatuur verleent het college een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor kamperen bij de boer indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het aantal standplaatsen bedraagt maximaal 15; b. voorzieningen voor kamperen bij de boer zijn binnen bestaande bebouwing gesitueerd; c. de landschappelijke openheid mag niet onevenredig worden aangetast; d. er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; e. er is geen sprake van overlast en lichthinder voor de directe omgeving; f. de verkeersaantrekkende werking neemt niet onevenredig toe; g. parkeren vindt plaats op eigen terrein; h. ter plaatse van waar kampeermiddelen gesitueerd worden, is geen verharding toegestaan. 2. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de activiteiten geen afbreuk doen aan de doelen zoals die in artikelen 3 en 4 zijn benoemd; 3. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.2 lid 1 onder c tot en met e.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
174
32.3 Overige gebruiksactiviteiten 1. Ter plaatse van gronden waarop het Streefbeeld betrekking heeft, verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor gebruiksactiviteiten die niet specifiek zijn benoemd in de bestemmingsomschrijvingen in Hoofdstuk 3, maar waarmee wel wordt bijgedragen aan het behalen van de doelen zoals benoemd in artikelen 3 en 4, mits: a. de activiteiten in overeenstemming zijn met de Uitwerking Streefbeeld; b. het bevoegd gezag voldoende zekerheid heeft verkregen dat met het initiatief wordt voldaan aan andere regelgeving; c. indien ter plaatse van de beoogde locatie een dubbelbestemming of waarde geldt waarvoor in dit plan een of meer doelen zijn beschreven, het initiatief geen belemmering vormt voor het behalen van die doelen. 2. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.3 lid 1 onder a.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
175
Artikel 33
Algemene aanduidingsregels
33.1 Eendenkooi 1. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone afpalingsrecht eendenkooi' is het verboden handelingen te verrichten waardoor eenden binnen de afpalingkring kunnen worden verontrust zoals bedoeld in artikel 3.30 lid 5 van de Wet natuurbescherming. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de kooiker of degene die handelt met toestemming van die kooiker. 33.2 Veiligheidszone Leiding 33.2.1 Algemeen Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone Leiding' is het verboden om binnen een zone van 55 meter, gemeten vanaf de rand van de onder artikel 20 bedoelde bestemming, een beperkt kwetsbaar en/of een kwetsbaar object te bouwen. 33.2.2 Belang Bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van hetgeen bepaald is in 33.2.1 mits het afwijken niet in strijd is met de belangen van de leidingen binnen de naastgelegen dubbelbestemming 'Leiding Leidingstrook', alsmede de veiligheid van personen en goederen is afgewogen en het groepsrisico is verantwoord. 33.2.3 Advies Alvorens omgevingsvergunning te verlenen wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de Buisleidingenstraat omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.
33.3 Overige zone beschermingsgebied molen Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone beschermingsgebied molen' is het verboden om: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde te bouwen; en b. opgaande beplanting aan te leggen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
176
Artikel 34 1. 1.
Beleidsregels
De beleidsregels uitwerking Streefbeeld en beeldkwaliteitsplan kunnen na vaststelling van dit plan door het college worden gewijzigd, ingetrokken of herzien. Bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 32 worden de beleidsregels betrokken zoals die op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning luiden, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, rekening wordt gehouden met die wijziging(en).
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
177
Hoofdstuk 5
Artikel 35
Overgangs en slotregels
Overgangsrecht
35.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder 1a met maximaal 10%; c. dit lid onder 1a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 35.2 Overgangsrecht gebruik 1. Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder 1a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder 1a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908
178
Artikel 36
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021'.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191908