CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

totaal deel 2 A bijlagen BP BVRhoon 2021.pdf

Gemeenteraad AW 7 februari 2022, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ontwerp Bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 20218.669 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 M.e.r. beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

20191908

AANMELDNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING BUIJTENLAND VAN RHOON 2021 Gemeente Albrandswaard 05-11-2021

1/25

2/25

DATUM KENMERK

5 november 2021 20191908

PROJECTLEIDER

D.J. Verhaak

AUTEUR STATUS

Twan Giesen Concept

INHOUD 1.

2.

3.

4.

3/25

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3

5 6 6

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer

Plaats en kenmerken van het project

7

2.1 2.2 2.3

7 8 10

Plaats van het project Ligging ten opzichte van gevoelige/beschermde gebieden Kenmerken van het project

Kenmerken van de milieueffecten

13

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

13 17 17 19 19 20 20 22 24

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Geur Bodem en water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Mitigerende maatregelen

Conclusie

25

4/25

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Bij de ontwikkeling van de tweede Maasvlakte is in de Planologisch Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) vastgelegd dat de leefbaarheid van de regio verbeterd zou worden. In het Bestuursakkoord inzake uitvoering van het PMR is afgesproken dat de provincie Zuid-Holland in opdracht van het Rijk uitvoering geeft aan de realisatie van 750 ha natuur- en recreatiegebied. Een van de gebieden waar dit plaats zou moeten vinden, is het Buijtenland van Rhoon. In 2006 is voor dit gebied aangegeven dat een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied wordt gerealiseerd met een oppervlak van circa 600 hectare. Het gebied ten noorden van de Essendijk zou de hoofdfunctie openlucht- recreatie met natuurwaarden krijgen. Het gebied ten zuiden van de Essendijk zou de hoofdfunctie Hoogwaardige natuur met recreatief medegebruik krijgen. Later is hiervoor het vigerende Bestemmingsplan Buytenland vastgesteld waarin hoofdzakelijk de bestemming tgelegd. Dat bestemmingsplan kwam echter niet overeen met wat bewoners en gebruikers van het gebied voor ogen hadden. Vanwege dit gebrek aan draagvlak wordt nu het nieuwe Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021 opgesteld waarin de realisatie van Hoogwaardige akkernatuur mogelijk wordt gemaakt.

Het betreft een vorm van natuur die hand in hand gaat met recreatie en landbouw, die past bij het cultuurhistorisch polderlandschap en de wensen van haar bewoners. Het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon sluit aan bij de doelen die worden nagestreefd en is voldoende flexibel om nieuwe ontwikkelingen die bijdragen aan die doelen te kunnen accommoderen. Om die reden is gekozen een bestemmingsplan met Verbrede reikwijdte op te stellen. In een dergelijk bestemmingsplan is het mogelijk om op onderdelen vooruit te lopen op de Omgevingswet en kunnen kan flexibiliteit worden geboden waar dat gewenst is. Tegelijkertijd biedt een dergelijk bestemmingsplan voldoende handvatten om kwaliteiten van natuur, landschap en cultureel erfgoed te borgen. . Het plangebied is echter feitelijk in gebruik als intensief agrarisch gebied zoals dat is toegestaan op basis van het overgangsrecht. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D9 van de bijlage opgenomen dat de wijziging of uitbreiding van een landinrichtingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer.

Het onderhavige bestemmingsplan maakt de wijziging van intensief agrarisch gebruik naar 600 hectare Hoogwaardige akkernatuur mogelijk. Gezien het huidige feitelijke gebruik en de beoogde wijziging naar Hoogwaardige akkernatuur is daarmee sprake van overschrijding van de drempelwaarden waarmee een formele m.e.r.-beoordeling verplicht is. In dit document zijn de milieugevolgen van het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon onderzocht in de vorm van een m.e.r.-beoordeling.

5/25

1.2

Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient voorafgaand aan het besluit op het verlenen van het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r-beoordelingsbesluit te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

1.3

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

6/25

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

Het plangebied Buijtenland van Rhoon is aan weerszijden ingesloten door de dorpen Rhoon en de VINEX locaties Portland en Carnisselande (Barendrecht). De zuidoostzijde van het plangebied loopt gelijk aan de gemeentegrens met de gemeente Barendrecht. In de zuidzijde van het plangebied ligt een golfbaan die grenst aan de Oude Maas. Net ten noorden van het plangebied ligt de snelweg A15. Het plangebied wordt van noord naar zuid doorkruist door een leidingstrook. Het gebied zelf is één van de dichtstbij gelegen open landschappen voor de bewoners van het stedelijk gebied van Rotterdam en omstreken. Bovendien is dit gebied het grootste resterende open groengebied van het eiland IJsselmonde. De Rand van Rhoon en het Binnenland van Rhoon zijn niet meegenomen in het plangebied, ondanks dat in het vigerende bestemmingsplan 'Buytenland van Rhoon' deze gebieden wel waren meegenomen. Voor het gebied dat bekend staat als 'Rand van Rhoon' bestaat geen duidelijkheid over de gewenste invulling van het gebied. Voor het Binnenland van Rhoon is een bestuursovereenkomst gesloten tussen gemeente en provincie waar de gewenste ontwikkelingen staan omschreven, maar over de verdere gewenste invulling van dit gebied bestaat nog onvoldoende duidelijkheid.

Wel heeft dit gebied (ten noorden van het plangebied) een belangrijke toekomstige functie voor het Buijtenland van Rhoon, in de vorm van een entreepoort. In deze entreepoort moet ruimte geboden worden aan bijvoorbeeld intensievere vormen van recreatie, een bezoekerscentrum, bijbehorende horeca en een recreatief transferium. Er is één gebied dat niet in het Streefbeeld is omschreven, maar wel wordt meegenomen in het plangebied. Dat is de golfbaan aan de Oude Maas en de directe omgeving ervan. Er zijn in dit gebied geen ontwikkelingen bekend die vragen om een nadere afweging.

Figuur 2.1 Plangebied Buijtenland van Rhoon Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buytenland'. Dit bestemmingsplan is op 19 juni 2013 vastgesteld door de gemeente Albrandswaard.

7/25

2.2 Ligging ten opzichte van gevoelige/beschermde gebieden Overeenkomstig de provinciale omgevingsverordening is het plangebied niet gelegen binnen Natura 2000-gebied. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het niet stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oude Maas (figuur 2.2).

Figuur 2.2 Ligging Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator) Het grootste deel van het plangebied betreft NNN-gebied (figuur 2.3) uitgezonderd het Rhoon golfcenter. Het deel van het plangebied gelegen in de Oude Maas betreft NNN-Grote wateren.

Figuur 2.3 - Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartviewer provincie Zuid-Holland) Het plangebied is ook gelegen in een stiltegebied (figuur 2.4). In deze gebieden mogen geen ontwikkelingen worden toegelaten die het natuurlijk heersende geluidniveau van 40 dB(A) structureel aantasten. Het plangebied is niet gelegen in belangrijk weidevogelleefgebied of grondwaterbeschermingsgebied (figuur 2.5).

8/25

Figuur 2.4: Stiltegebied binnen en nabij het plangebied, bron: kaartviewer provincie Zuid-Holland

Figuur 2.5: Grondwaterbeschermingsgebieden nabij plangebied (roze cirkel), bron: kaartviewer provincie Zuid-Holland

9/25

2.3

Kenmerken van het project

Huidige situatie Het Buijtenland van Rhoon kent een planologisch regime in de vorm van een bestemmingsplan dat sterk afwijkt van de huidige situatie. Dit bestemmingsplan Buytenland 2013 is onderverdeeld in een gebied met de bestemmingen natuur, recreatie en agrarisch. In werkelijkheid wordt nagenoeg het gehele gebied nog gebruikt als agrarische grond. Het huidige agrarisch gebruik valt onder het overgangsrecht. In 2006 is het gebied Buijtenland van Rhoon opgenomen in de Planologisch Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) als locatie voor Hoogwaardige natuur en recreatie met agrarisch medegebruik en in 2011 is dit in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) benoemd als openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde. Vervolgens is in 2013 het Bestemmingsplan Buytenland vastgesteld waarin het gebied voornamelijk is bestemd voor natuur en recreatie (figuur 2.6). Dit zou een gebied worden met voornamelijk zoetklei-oermoerasnatuur. Dit plan had echter weinig draagvlak. Uit onvrede met de voorgestelde ontwikkeling is een nieuw plan ontstaan, wat is vertaald in het Streefbeeld voor het Buijtenland van Rhoon.

Figuur 2.6 Huidige planologische situatie Buijtenland van Rhoon (bestemmingsplan Buytenland 2013) Toekomstige situatie Het beoogde plan betreft geen concreet afgebakend project. Het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021 maakt de realisatie van het Streefbeeld in juridisch-planologische zin mogelijk. Na de beschrijving van het Streefbeeld wordt ingegaan op de systematiek van dit bestemmingsplan en de mogelijkheden die hierin worden geboden. Streefbeeld In het Streefbeeld is een toekomstvisie geschetst van het Buijtenland van Rhoon en zijn de maatregelen omschreven die voor eind 2026 (verwerving en inrichting) moeten zijn genomen en die bijdragen aan de doelen van het Streefbeeld. Het Streefbeeld is er op gericht om binnen het raamwerk van het cultuurhistorisch waardevolle polderlandschap 'Hoogwaardige akkernatuur' te realiseren. Hiermee wordt de biodiversiteit versterkt, die door de intensivering van de landbouw in het geding is gekomen. Het Streefbeeld zet met genoemde maatregelen daarom vol in op het herstellen van kenmerkende akkerflora en akkervogels. Doordat agrariërs in het gebied hier samen met de gebiedscoöperatie aan werken, biedt het Streefbeeld een unieke kans op het herstellen van deze kenmerkende natuurwaarden.

Binnen de randvoorwaarden van het herstel van akkerflora en akkervogels is er niet alleen ruimte voor natuurinclusieve landbouw, maar ook voor passende vormen van recreatief medegebruik. Door middel van monitoring en lerend beheren, gaan de agrarische ondernemers die lid zijn van de gebiedscoöperatie in de komende jaren ontdekken hoe de natuurdoelstellingen behaald gaan worden met aangepast agrarisch 10/25

gebruik. De bedoeling is dat natuur en landbouw elkaar zullen versterken wat ook een positief effect zal hebben op het recreatief medegebruik door het herkenbare polderlandschap en de (akker)natuur. De ligging van het Buijtenland van Rhoon in de zuidrand van de stadsregio Rotterdam, zorgt ervoor dat de recreatiemogelijkheden in dit deel van de stadsregio sterk verbeteren. In die zin is het Streefbeeld voor het Buijtenland van Rhoon meer dan een visie op de toekomstige inrichting en beheer van enkele polders in het IJsselmondegebied. Het is eveneens een experiment voor circulaire- en natuurinclusieve landbouw in Nederland en Europa. Gezien de verduurzamingsdoelen en de rol die de landbouw daarin speelt, wordt dit plan door velen gezien als een voorbeeld van circulaire- en natuurinclusieve landbouw zoals de minister dat bedoelt. Het moge duidelijk zijn dat dit perspectief niet van de ene op de andere dag gerealiseerd is. De minister streeft ernaar circulaire landbouw in 2030 in Nederland is geïntroduceerd. Tot die tijd wordt er volop geëxperimenteerd in diverse pilots om van nieuwe ervaringen te leren. Zo zal het streven naar circulaire landbouw organisch kunnen groeien. Het Streefbeeld is door Gedeputeerde Staten van Zuid Holland op 3 juli 2018 vastgesteld. De gemeenteraad van Albrandswaard heeft het Streefbeeld op 14 december 2020 vastgesteld.

Daarmee is geborgd dat het Streefbeeld als visiedocument dient voor het Buijtenland van Rhoon, voor zowel gemeente, provincie als gebiedscoöperatie. De basis van deze toekomstvisie wordt gevormd door natuur-inclusieve landbouw waarbij natuur- en landbouwmaatregelen in verwevenheid met elkaar worden ontwikkeld met een verhoging van de biodiversiteit en natuurwaarde enerzijds en het ontstaan van een meer robuuste landbouwproductie anderzijds als doel. Natuur-inclusieve landbouw is een extensieve vorm van landbouw, die tegelijkertijd natuurwaarden genereert. Tegelijkertijd wordt in dit gebied passende recreatie in brede zin mogelijk gemaakt. Recreatie die in harmonie staat met de natuur en landbouwmogelijkheden. Kortom, dit is een voor Nederland uniek project. Binnen het gebied is de gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon verantwoordelijk voor het behalen van de doelen uit het Streefbeeld. In het Streefbeeld ligt de nadruk op twee zichtbare delen van de akkernatuur: akkerflora en akkervogels. Beiden zijn indicatief voor een breder herstel aan biodiversiteit in het gebied. Door te meten hoeveel doelsoorten flora en doelsoorten akkervogels zich weer vestigen in het gebied kan gepeild worden hoe het staat met het herstel van de biodiversiteit. Diverse landbouwen natuurmaatregelen moet bij gaan dragen aan het herstel van deze doelsoorten.

De natuurinclusieve landbouw helpt mee de natuurdoelen te halen en de natuurmaatregelen helpen weer mee de natuurinclusieve landbouw duurzamer en robuuster te maken. De ambitie met betrekking tot recreatie is om jaarlijks in het Buijtenland van Rhoon zo'n 500.000 tot 600.000 unieke bezoekers te ontvangen. Het Buijtenland van Rhoon speelt bij de opvang van recreanten een belangrijke rol. Hier is met name plaats voor recreatief medegebruik en kleinschalige recreatieve ontwikkelingen. Concentratie van recreanten vindt vooral in de randen buiten het Buijtenland van Rhoon plaats, waar entreepunten worden gevestigd, die goed per auto en openbaar vervoer te bereiken zijn. Een verdere uitwerking van de ambitie op het vlak van recreatie is beschreven in de Recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon. Om tot Hoogwaardige akkernatuur te komen is synergie nodig tussen natuurmaatregelen en de natuurinclusieve landbouw. De natuurinclusieve landbouw helpt mee de natuurdoelen te halen en de natuurmaatregelen helpen weer mee de natuurinclusieve landbouw duurzamer en robuuster te maken. Binnen dit plan zijn vier pijlers waarop de integratie van natuur en landbouw kunnen worden nagestreefd: 1. Functionele agrobiodiversiteit: goed bodembeheer en een gezonde vruchtwisseling zorgen voor een goede productie en zorgen voor het overige leven (insecten, planten en vogels). 2.

Landschappelijke diversiteit: in de ondersteuning van de agrarische productie kan het ruimtelijk juist indelen van gewassen en landschapselementen zorgen voor meer plaagbeheersende insecten, zodat er een natuurlijke plaagonderdrukking ontstaat. Dit leidt uiteindelijk weer tot verminderd/geen gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen. 3. Specifieke soorten: voorgaande en aanvullende maatregelen moeten zorgen voor het behalen van de beoogde natuurdoelen. 4. Brongebieden verbindingszones: maatregelen moeten zijn afgestemd op het hele plangebied, ook maatregelen die door individuele bedrijven worden genomen. De gebiedscoöperatie borgt dit.

11/25

Ook bestaat de wens dat er op kleine schaal gebruik wordt gemaakt van vee voor het begrazen van stukken grond. Daarnaast zijn er concrete natuurmaatregelen te treffen, zoals de aanleg van bijvoorbeeld hoogstamboomgaarden, vochtige hooilanden en florarijke akkers. Het Chw bestemmingsplan Het bestemmingsplan speelt een belangrijke rol bij realisatie van het Streefbeeld. In het bestemmingsplan wordt enerzijds de bestaande situatie vastgelegd met de daaraan gekoppelde bouw- en gebruiksmogelijkheden. Anderzijds biedt het bestemmingsplan flexibiliteitsbepalingen om toekomstige ontwikkelingen, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Om het Streefbeeld te realiseren is de hoofdbestemming voor het grootste deel van het plangebied akkernatuur, waarbij ook extensieve recreatie mogelijk is. Als het plan eenmaal is vastgesteld, kunnen zich nog steeds ontwikkelingen voordoen die nodig zijn om het Streefbeeld te realiseren. Die ontwikkelingen kunnen mogelijk worden gemaakt door het hanteren van de zogenaamde bestemmingsplanactiviteit. Met dit instrument kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen voor een activiteit met een ander gebruik, maar wel bijdraagt aan één of meerdere doelen uit het. Het toetsen van nieuwe ontwikkelingen aan doelen van het Streefbeeld, wordt ook wel het toetsen aan open normen genoemd.

Uit de toets blijkt niet rechtstreeks of iets is toegestaan of niet, maar de ontwikkeling moet bijdragen aan de doelen van het Streefbeeld. Dat kan lastig zijn in de toetsing en leiden tot subjectiviteit. Om nieuwe ontwikkelingen beter toetsbaar te maken , is het Streefbeeld uitgewerkt in beleidsregels. Hiermee wordt meer en duidelijker richting gegeven aan de afweging die moet worden gemaakt. Daarnaast wordt het beeldkwaliteitsplan als kwalitatief toetsingskader gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Ook het beeldkwaliteitsplan wordt vormgegeven in de vorm van een beleidsregel. Bij het maken van een afweging met een bestemmingsplanactiviteit aan de hand van beleidsregels, treedt de gebiedscoöperatie als adviseur op. Voor bestaande bestemmingen geldt dat de ontwikkelingsmogelijkheden blijken uit de onderliggende bestemmingsomschrijving, de bouwregels en regels over werken en werkzaamheden (het aanlegvergunningenstelsel). Wil men ontwikkelingen doorvoeren waar de huidige bestemming niet in voorziet, dan kan gebruik gemaakt worden van de bestemmingsplanactiviteit en wordt getoetst aan beleidsregels. Een beleidsregels is een uitwerking van beleid, waardoor dit beter als toetsingskader voor onder meer de flexibiliteitsbepalingen in het bestemmingsplan kan dienen.

De beleidsregels zijn geen onderdeel van het bestemmingsplan en kunnen gewijzigd worden, zonder daarvoor ook het bestemmingsplan te wijzigen. De basis voor de beleidsregels die we in dit bestemmingsplan hanteren, zijn het Streefbeeld en het Beeldkwaliteitsplan. Het Streefbeeld is de visie, de stip op de horizon, waar we naar toe willen en het bestemmingsplan is een van de instrumenten om daar aan bij te dragen. Nieuwe ontwikkelingen moeten dus bijdragen aan de realisatie van het Streefbeeld. Omdat het Streefbeeld zelf te abstract en te algemeen is om als toetsingskader te dienen, wordt dit uitgewerkt. Deze uitwerking wordt als beleidsregel afzonderlijk vastgesteld. Een aantal ontwikkelingen zijn dermate concreet, dat we ze in het bestemmingsplan hebben opgenomen. Zo is er sprake van een Horecagelegenheid, de Graaf van Portland, die past binnen de doelen van het Streefbeeld en waar een ruimtelijke onderbouwing voor is opgesteld. Deze is in de regels en verbeelding opgenomen.

12/25

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN Zoals hiervoor beschreven is het beoogde plan gericht op het realiseren van het Streefbeeld. Het is gebruikelijk om de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. Conform de m.e.r.-systematiek is voor wat betreft de referentiesituatie uitgegaan van het feitelijke legale agrarische gebruik zoals dat nu is toegestaan op basis van het overgangsrecht. Aangezien het bestemmingsplan slechts zeer beperkt nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zijn in deze m.e.r.-beoordeling de milieugevolgen op hoofdlijnen afgewogen. Vanuit de m.e.r.-beoordeling worden randvoorwaarden aangegeven die in de regels van het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen en waarmee negatieve milieueffecten kunnen worden voorkomen.

3.1

Verkeer en parkeren

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. De ambitie met betrekking tot recreatie is om jaarlijks in het Buijtenland van Rhoon zo'n 500.000 tot 600.000 unieke bezoekers te ontvangen. Het Buijtenland van Rhoon speelt bij de opvang van recreanten een belangrijke rol. Hier is met name plaats voor recreatief medegebruik en kleinschalige recreatieve ontwikkelingen. Concentratie van recreanten vindt vooral in de randen buiten het Buijtenland van Rhoon plaats, waar entreepunten worden gevestigd, die goed per auto en openbaar vervoer te bereiken zijn. In opdracht van de Gebiedscoörperatie Buijtenland van Rhoon UA heeft Goudappel Coffeng een verkeersstudie uitgevoerd (26 september 2020). Daarin wordt onderzocht wat het effect van de ontwikkeling Buijtenland van Rhoon tot recreatiegebied is op de aspecten verkeer en parkeren. Het doel van de studie is om verkeersbewegingen, middels tellingen, in beeld te krijgen. Daarnaast werden er interviews gehouden met verschillende ondernemers in het gebied en is er een parkeerbalans opgesteld. Het eindrapport biedt een overzicht van kansen en knelpunten van het gebied. Ook worden enkele verkeersmaatregelen geadviseerd. De belangrijkste bevindingen, conclusies en aanbevelingen uit deze verkeersstudie staan hieronder beschreven.

De volledige verkeersstudie is opgenomen in de bijlagen van het Chw bestemmingsplan. Ontsluiting en bezoekers In het noorden wordt het plangebied afgebakend door de Rhoonse Baan en de A15. In het zuiden wordt het gebied afgebakend door de Oude Maas. De belangrijkste ontsluitingswegen van het gebied zijn de Essendijk en de Rijsdijk. De Essendijk verbindt Rhoon met Barendrecht en de Rijsdijk verbindt het Buijtenland met de N492 richting Rotterdam en de A15. Om de maximale effecten te bepalen zijn twee varianten onderzocht: een toekomstig bezoekersaantal van 1,25 miljoen bezoekers per jaar en 3,3 miljoen bezoekers per jaar. Aangezien in het Buijtenland van Rhoon gerecreëerd wordt (wandelen, paardrijden en fietsen) zijn grote hoeveelheden autoverkeer niet wenselijk. Het gebied dient echter wel per auto bereikbaar te blijven. Om toch genoeg bezoekers aan te trekken zijn drie locaties aangewezen waar reizigers hun auto kunnen parkeren, zoals weergegeven in figuur 3.1. Het betreft de parkeerlocaties: de Johannapolder (parkeren zuid), parkeerplaats Zevenmeet (parkeren noord) en de parkeerplaats langs de Koedood (parkeren oost). Verder huisvest het gebied verschillende ondernemers die recreatieve activiteiten aanbieden en ook parkeergelegenheid hebben op eigen terrein.

13/25

Figuur 3.1 - Ontsluiting en parkeerlocaties Verkeersgeneratie De aantallen bezoekers en auto's naar het Buijtenland van Rhoon zijn hieronder samengevat voor variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar) en variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar: Er worden 1,25 3,3 miljoen bezoekers per jaar verwacht. Dit komt overeen met 371.775 tot 1.017.720 auto's per jaar. In de drukste maand worden tot 35.319 tot 96.683 auto's verwacht. Op de drukste dag worden 2.561 tot 7.010 auto's verwacht. Dat levert een dagelijkse verkeersgeneratie op tussen de 5.122 tot 14.020 motorvoertuigbewegingen. Verkeerstellingen Om de huidige verkeerscirculatie en intensiteiten op het wegennet in beeld te brengen zijn gedurende de volgende maanden verkeerstellingen uitgevoerd: maart 2018 (van 10 maart tot en met 23 maart); september en oktober 2019 (van 25 september tot en met 08 oktober). De resultaten uit de tellingen zijn naast elkaar gelegd en schematisch weergegeven in een visualisatie. In figuur 3.2 is onderscheidt gemaakt in wegen met hoge intensiteit (1.000 2.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal), gemiddelde intensiteit (100 tot 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal) en lage intensiteit (tot 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal).

Figuur 3.2 - Schematische weergaven van de verkeerstellingen en de hoofdstructuur

14/25

Analyse infrastructuur Onderdeel van de verkeersstudie is een analyse van de huidige infrastructuur. Door de verkeersintensiteiten uit de tellingen te vergelijken met de huidige infrastructuur is bepaald of er sprake is van te hoge verkeersdruk in het gebied. Ook worden de gemeten snelheden vergeleken met de wettelijke snelheden en de daarbij horende breedtes van de verschillende wegen. Er heeft een analyse plaatsgevonden op basis van algemene cijfers uit het 'CROW Handboek Verkeersveiligheid' en de door Goudappel Coffeng uitgevoerde Wegenscan, waarin alle relevante ontwerpcriteria van CROW zijn opgenomen. Hiermee wordt bepaald hoeveel verkeer de huidige infrastructuur daadwerkelijk op een verkeersveilige wijze kan verwerken. Een groot deel van de wegen in het Buijtenland van Rhoon heeft geen of beperkte restcapaciteit op basis van de huidige vormgeving. De wegvakken zijn weergegeven in tabel 3.1 en figuur 3.3. Met verstevigde bermen op de Omloopseweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 500 naar 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan het huidige knelpunt opgelost worden. Er lopen inmiddels gesprekken tussen het waterschap, de gebiedscoöperatie en gemeente of dit wenselijk is. Met verstevigde bermen op de Oudeweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 700 naar 1.800 motorvoertuigen per etmaal.

Daarmee kan de restcapaciteit vergroot worden. Bij de overige wegvakken is alleen een wegvakverbreding mogelijk om de restcapaciteit te vergroten. Dit is echter zeer lastig te realiseren.

Tabel 3.1 - Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit huidige situatie

Figuur 3.3 - Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit huidige situatie Toekomstige verkeersdruk De opgave van de provincie Zuid-Holland is om gedurende een jaar 1,25 tot 3,3 miljoen bezoekers aan te trekken naar het Buijtenland van Rhoon. Om het gebied toch bereikbaar en leefbaar te houden heeft de provincie Zuid-Holland in totaal drie

15/25

locaties aangewezen waar bezoekers hun auto dienen te parkeren (de Johannapolder, parkeerterrein Zevenmeet en parkeerterrein langs de Koedood). Om te bepalen of het gebied genoeg parkeergelegenheid bezit om 1,25 tot 3,3 miljoen bezoekers per jaar aan te kunnen zijn de drie parkeerlocaties geanalyseerd. Ten eerste is het huidige parkeeraanbod op de drie locaties in beeld gebracht. Door het in kaart brengen van de huidige parkeervraag is met behulp van schouwen op locaties bepaald wat de parkeerlocaties zijn met een parkeeroverschot of -tekort. Uiteindelijk is berekend wat de parkeervraag zal zijn in de toekomst. Daarbij is tevens rekening gehouden met de deelontwikkelingen Buytenhof (70.000 bezoekers per jaar) en Horeca Graaf van Portland (1.200 bezoekers extra op een zondag) die binnen het plangebied plaats zullen vinden. Met deze informatie kan de conclusie getrokken worden of meer parkeergelegenheid benodigd is en wat de locatie is waar het parkeeraanbod uitgebreid dient te worden. In figuur 3.4 is weergegeven waar, zonder maatregelen, problemen ontstaan in het Buijtenland van Rhoon. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de problematiek toe op de Essendijk, Korteweg en Oudeweg.

Figuur 3.4 - Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit (plansituatie) Parkeren Sommige recreatieve voorzieningen bieden parkeergelegenheid aan op eigen grond. Uit de opgemaakte parkeerbalans wordt geconcludeerd dat Golfcenter Rhoon, de Graaf van Poortland, de Buytenhof en de Vossenburg genoeg parkeerplaatsen bevatten om aan de parkeervraag te voldoen op drukke dagen in variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar). Voor variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar) is de uitbreiding van parkeerplaatsen nodig. Daarbij is wel als uitgangspunt aangenomen dat alle parkeerplaatsen worden gebruikt. In de praktijk hebben de parkeerplaatsen aan de Johannapolder een hogere bezettingsgraad dan op de Zevenmeet. Dit kan wellicht voor problemen zorgen in de toekomst. De recreatieve voorzieningen en belevingspunten worden wel gelijkmatig over het gebied verspreid. Dat kan er voor zorgen dat de Zevenmeet in de toekomst meer aantrekkingskracht krijgt. Duidelijke routeaanduiding en bewegwijzering zijn noodzakelijk om de Zevenmeet bekender te maken bij het bezoekende publiek. Tenslotte zijn de openbare parkeerplaatsen allemaal aan de randen van het gebied gevestigd waardoor ze nauwelijks verkeersgeneratie zullen opleveren in het Buijtenland van Rhoon. De nieuwe recreatieve voorzieningen zullen meer verkeersgeneratie opleveren.

De Essendijk biedt als hoofdweg door het gebied onvoldoende restcapaciteit om dit verkeer in goede banen te leiden. Het is wenselijk het parkeerterrein bij het golfcenter uitsluitend te gebruiken door de bezoekers van de golfbaan. Het is niet wenselijk om grote stromen bezoekers van het Buijtenland van Rhoon dwars door het gebied te laten rijden. Maatregelen Afhankelijk van de toekomstvariant (1,25 miljoen of 3,3 miljoen bezoekers per jaar) zijn binnen het plangebied maatregelen nodig om een goede parkeer- en verkeerssituatie te kunnen waarborgen. Voor variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar)

16/25

zijn er voldoende parkeerplaatsen voorzien, voor variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar) is de uitbreiding van parkeerplaatsen nodig. Verder blijkt uit de verkeersstudie dat maatregelen noodzakelijk zijn om een goede en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer te kunnen garanderen. Dit betreffen algemene en wegvak specifieke maatregelen: het parkeerterrein bij het golfterrein niet laten gebruiken door de nieuwe recreanten. Dit leidt tot ongewenste verkeersbewegingen op de Essendijk en Kortweg. Met verstevigde bermen op de Omloopseweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 500 naar 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan het huidige knelpunt opgelost en het toekomstige knelpunt sterk verminderd worden. Met verstevigde bermen op de Oudeweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 700 naar 1.800 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan de restcapaciteit vergroot worden en kan de toekomstige verkeersdruk op een veilige wijze opgelost worden. Deze maatregel is echter niet mogelijk zonder verlegging van watergangen. Een algemene aanbeveling is om de recreant via bebording en overige (online) bezoekersinformatie duidelijk te maken, dat zij parkeren bij de drie parkeerlocaties aan de randen van het gebied en vervolgens te voet, met de step of met de fiets het gebied in trekken.

Dit past ook in de vastgestelde Recreatievisie 2030 voor het Buijtenland van Rhoon (augustus 2020). Aanbevolen wordt ook de recreant te wijzen op de nabije ligging van metrostation Rhoon. De combinatie 'openbaar vervoer + (deel-) fiets' kan een interessant alternatief zijn voor de auto. Het verdient ook aanbeveling wandelroutes door het Buijtenland van Rhoon te laten starten en eindigen bij het metrostation.

In de regels van het bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon worden geen concrete maatregelen vastgelegd, maar is als voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen opgenomen dat de capaciteit van de omliggende wegen voldoende moet zijn voor een veilige afwikkeling van een eventuele verkeerstoename en dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet dit worden aangetoond. Hiermee worden negatieve effecten ten gevolge van dit bestemmingsplan voorkomen.

3.2

Geluid

Op enkele kleine wegen wordt een verkeerstoename verwacht. Aan deze wegen zijn echter zeer beperkt woningen gelegen. Op de grote doorgaande wegen is sprake van een relatief beperkte verkeerstoename ten opzichte van het huidige verkeersbeeld. De totale toename van de totale verkeersintensiteit is beperkt waardoor ook de geluidstoename op omliggende woningen beperkt is. Daarnaast kunnen geluidhinderlijke activiteiten mogelijk worden gemaakt middels de bestemmingsplanactiviteit. Hierbij gaat het om natuurinclusieve landbouw (extensieve akkerbouw en natuur). Daarnaast maakt het bestemmingsplan ook verdere verbreding van de landbouw mogelijk, zoals verkoop aan huis van streekproducten, kleinschalige recreatie en- horecagelegenheden. In de directe nabijheid van de horecalocatie Graaf van Portland zijn geen woningen gelegen. Gezien het kleinschalige karakter is geen sprake van oprichting van relevante geluidbronnen. Deze ontwikkeling is daarmee inpasbaar in stiltegebied. Gezien het kleinschalige karakter wordt geen overschrijding van de grenswaarden verwacht.

3.3

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde)

17/25

en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 3.2 weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Tabel 3.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op basis van de verkeersstudie bedraagt de maximale plantoename van de verkeersgeneratie op een wegvak (Korteweg) 3.169 mvt/etmaal. Middels de NIBM-tool is de bijdrage van extra verkeer aan de luchtkwaliteit berekend.

Tabel 3.3 NIBM-tool

In tabel 3.4 zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van de Essendijk weergegeven en is getoetst of in 2020 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Er is uitgegaan worst-case uitgegaan van de achtergrondconcentraties in 2020 aangezien door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks afnemen. De hoogste achtergrondconcentraties ter plaatse van de Essendijk zijn in tabel 3.4 weergegeven. Stofcategorie Maximale planbijdrage 2023 (µg/m3) volgens NIBM rekentool

Hoogste achtergrond Maximaal optre- Grenswaarde Wm concentratie (µg/m3) dende (µg/m3) 2020 (Essendijk) concentratie 2020 (µg/m3)

NO2

2,01

20,2

22,21

40

PM10

0,49

18,1

18,59

40

PM2,5 0,49 11 11,49 Tabel 3.4 - Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer

18/25

25

Uit tabel 3.4 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020 alsnog ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Essendijk. Daarnaast zullen gezien het Streefbeeld, de kleinschaligheid van mogelijke nieuw te vestigen bedrijven en de huidige lage achtergrondconcentraties, de grenswaarden voor luchtkwaliteit in geen geval worden overschreden. Negatieve effecten kunnen hiermee worden uitgesloten.

3.4

Externe veiligheid

In het kader van het bestemmingsplan heeft onderzoek plaatsgevonden naar externe veiligheidsrisico's. De resultaten daarvan worden hieronder weergegeven. Ten oosten van het plangebied bevinden zich de inrichtingen Vitesse Warehouse en distribution en Evides. Uit nader onderzoek is gebleken dat het invloedsgebied van deze inrichtingen niet reikt tot het plangebied. In het plangebied zelf liggen geen risicovolle inrichtingen. Plaatsgebonden risico Op de verbeelding is rondom de leidingen een veiligheidszone opgenomen. Binnen deze zone is het niet mogelijk om (beperkt) kwetsbare objecten op te richten. Negatieve effecten ten aanzien van het plaatsgebonden risico kunnen worden uitgesloten Groepsrisico Een deel van het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van een leidingenstraat, enkele andere buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het gaat hier om de wegen A15, A29, N492, het spoortraject Barendrecht vork Rotterdam Waalhaven Zuid en de rivier de Oude Maas. In het bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien in het invloedsgebied van de hierboven genoemde risicobronnen. Gezien de lage personendichtheid in het gebied zal het groepsrisico niet worden overschreden. Daarnaast zullen nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de geldende regelgeving op het gebied van externe veiligheid.

Hiermee kunnen ook mogelijke toekomstige nadelige milieugevolgen worden uitgesloten.

3.5

Geur

Het plangebied kent een historie van akkerbouw, er komt komen . In de regels is voorzien in een flexibiliteitsbepaling om nieuwe agrarische bedrijven mogelijk te maken. Deze bedrijven zullen op natuurinclusieve landbouw gericht zijn. Voor (intensieve) veeteelt is op basis van het voorliggende plan geen plaats. De bestaande agrarische bedrijven waren in het vigerende bestemmingsplan allemaal bestemd als 'Wonen'. In het bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon wordt de bestaande situatie bestemd om realisatie van het Streefbeeld mogelijk te maken. Deze bestaande situatie valt onder het overgangsrecht. Aanwezige bouwvlakken van agrarische ondernemers worden omgezet naar een bouwvlak ten behoeve van de realisatie van Hoogwaardige akkernatuur. Bestaande agrarische bedrijven krijgen dus een bouwvlak binnen de bestemming Hoogwaardige Akkernatuur, tenzij er met een partij schriftelijke afspraken zijn gemaakt over de bedrijfsbeëindiging en landschappelijk inpassing, dan wel dat een bouwvlak ter plaatse vanuit ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Voor nieuw op te richten agrarische bebouwing geldt dat dit alleen kan indien dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven.

Het gaat in het plangebied om volwaardige agrarische bedrijven, maar wel met een extensieve agrarische bedrijfsvoering, in de vorm van natuurinclusieve landbouw om de realisatie van Hoogwaardige akkernatuur mogelijk te maken. De agrariërs zullen hoofdzakelijk gefocust zijn op het voeren van extensieve agrarische akkerbouw in het plangebied ten behoeve van de doelstellingen uit het Streefbeeld. Agrarische bedrijven voor geitenhouderij, kassen en bomen-/sierteelt kunnen niet worden gerealiseerd in het gebied. Binnen het gebied zal geen intensieve veehouderij plaats gaan vinden. Het houden van enkele dieren voor begrazing kan wel onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. Op basis van het voorgenomen plan kunnen negatieve effecten op het gebied van geur worden uitgesloten.

19/25

3.6

Bodem en water

Bodem Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk. In het geval van nieuwe ontwikkelingen zal ten tijde van vergunningsaanvraag nader bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Mocht er sprake zijn van bodemverontreiniging dan zal deze vervuilde grond worden gesaneerd. In dat geval is sprake van een positief effect op de bodem. Significant negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen daarmee worden uitgesloten. Water Binnen het plangebied is geen sprake van concrete ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt (uitgezonderd Graaf van Portland). Voor dit initiatief is de watercompensatie afzonderlijk geregeld (zie ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland in de bijlagen van het bestemmingsplan). Er vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats binnen de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering (uitgezonderd Graaf van Portland). Ten behoeve van die ontwikkeling is een watervergunning noodzakelijk voor de werkzaamheden gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

In de regels van het bestemmingsplan moet worden geborgd dat het watersysteem van aangrenzende gebieden niet wordt aangetast en dat toekomstige toename van verharding moet worden gecompenseerd Ook is voor bouwwerkzaamheden in beschermingszones van watergangen en waterkeringen een watervergunning vereist op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap. Tot slot gelden de algemene regels op basis van de keur. Op basis van de eisen die worden gesteld door het Hoogheemraadschap en de regels uit het Chw bestemmingsplan kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten.

3.7

Ecologie

Ten aanzien van de beschermde natuurgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming Aannemelijk is dat uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van Hoogwaardige akkernatuur, waarvan vele beschermde en/of rode lijstsoorten zullen profiteren. Echter; het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt, hetgeen incidenteel ook een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend. Er is geen ontheffing nodig voor de soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wnb. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden op grond van de Wnb. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien

20/25

de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming). Het plangebied herbergt jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels en mogelijk ook vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. Bij ingrepen aan potentieel geschikte bomen en gebouwen is nader (veld)onderzoek daarom noodzakelijk om te bepalen of het plan uitvoerbaar is in het kader van de Wnb. Indien jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels of rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door de beoogde ontwikkeling, dan dient overtreding van de Wnb voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Wnb de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Gebiedsbescherming Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het Natura 2000-gebied Oude Maas (zie figuur 3.9).

Figuur 3.9 Ligging Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator) De aangewezen habitats en soorten zijn niet stikstofgevoelig en weinig tot niet verstoringsgevoelig. Het bestemmingsplan zal ook niet leiden tot veranderingen in de waterhuishouding binnen het Natura 2000-gebied. Significante aantasting van de Natura 2000-doelen van het gebied Oude Maas als gevolg van het bestemmingsplan kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Op veel grotere afstand (ca 16 km) ligt het Natura 2000-gebied Biesbosch dat deels wel stikstofgevoelig is. Omdat de uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van de verkeersbewegingen in het gebied is bepaald of deze toename kan leiden tot extra stikstofdepositie op de Biesbosch. In opdracht van de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon UA heeft Goudappel Coffeng een verkeersstudie uitgevoerd (26 september 2020). Daarin is onderzocht wat het effect van de ontwikkeling Buijtenland van Rhoon tot recreatiegebied is op de aspecten verkeer en parkeren (zie ook paragraaf 4.7 Verkeer). Op basis van dit onderzoek is voor de verschillende wegvakken in het plangebied de verkeerstoename op een gemiddelde weekdag op jaarbasis berekend. Deze verkeerstoename is ingevoerd in AERIUS Calculator 2020 met als rekenjaar 2021. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

De AERIUS-berekening is toegevoegd in de bijlagen van het bestemmingsplan. Uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot significante effecten op Natura 2000.

21/25

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het zuidelijk deel van het plangebied maakt geheel deel uit van dit NNN (zie figuur 3.10).

Figuur 3.10 Ligging Natuurnetwerk Nederland Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in ZuidHolland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van de het Natuurnetwerk Nederland, meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. Een groot deel van het plangebied is met dit doel aangewezen als onderdeel van het NNN. Middels dit bestemmingsplan wordt op experimentele wijze de balans tussen natuur, recreatie en landbouw gezocht om tot behoud en vooral een vergroting van de biodiversiteit te komen. Het bestemmingsplan geeft daarmee invulling aan het provinciale beleid ten aanzien van het NNN in het plangebied. Negatieve ten aanzien van NNN zijn niet te verwachten gezien de doelen zoals verwoord in het Streefbeeld.

3.8

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Het Buijtenland van Rhoon is een ouderwets polderlandschap en bestaat uit verschillende polders. Het type polder is een jonge zeekleipolder. Het gebied is in verschillende fases ingepolderd en daardoor lopen er verschillende karakteristieke dijken door het landschap. Deze dijken en polders zijn beeldbepalend voor het weidse landschap. In figuur 3.11 staan de verschillende dijken vermeld. Omstreeks 1850 werden de meeste dijken extra gemarkeerd door het aanbrengen van beplanting (bomen) en sommige door bebouwing aan de dijk.

22/25

Figuur 3.11 - de verschillende dijken die door het gebied lopen zijn cultuurhistorisch van waarde (bron: Cultuurhistorische kaart Provincie Zuid-Holland) In het gebied komen drie Rijksmonumenten voor. Dit zijn alleen karakteristieke oude boerderijen. Veerweg 3 - Portlandhoeve: Boerderij "portland". Mooie hove XVIII. Middenlangsdeeltype. Fraaie monumentale puntgevel; Hoeve Johanna. Hoeve (ca. 1800?) met IJsselstenen puntgevel, waarin vlechtingen en boven de vensters rode strekken. 9- ruits en 25-ruitsschuiframen. Deur met koperen knop en bovenlicht uit de bouwtijd. Stal XIXc. Pannen daken. Aan de weg een gietijzeren inrijhek, gedateerd 1877. (Vlaamse schuurgroep). Voorhuis met entree in symmetrische (tuitgevel) voorgevel. Erf toegankelijk via gemetselde brug. Ook kleine kas en de aangrenzende siertuin is aangewezen als rijksmonument. In het kader van het monumenteninventarisatieproject uit 1999 zijn alle gemeentelijke monumenten in het plangebied beschreven. Het betreft de volgende objecten: Essendijk 4, boerderij uit 1891 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Essendijk 24, boerderij uit circa 1930 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Korteweg 4, boerderij uit 1912-1933 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Oudeweg 1, boerderij uit ca.

1925 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Veerweg 4 (= 6), boerderij uit circa 1800 (bijzondere boerderij door ruimtelijke organisatie. Grote afmetingen, fraai woonhuis); Veerweg 7, voormalig veerhuis, thans woonhuis uit circa 1900 (oorspronkelijke functie (veerhuis) herkenbaar, markant object); Het Weegje 3, boerderij uit 1893 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); brug bij Veerweg nr. 2, bouwjaar onbekend, brug/hekwerk circa 1875-1900 (geschiedkundige en waterstaatkundige waarde). Daarnaast bevindt zich naast het plangebied een eendenkooi (ten zuiden van de golfbaan). Het bijbehorende stiltegebied dat als een cirkel om het gebied heen ligt heeft een cultuurhistorische waarde en dient beschermd te worden. Met het voorgenomen plan wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande (rijks-) monumenten in het plangebied. Ook blijft het eeuwenoude polderlandschap gerespecteerd. Dit uit zich onder andere in het beschermen van de bomendijken op de 23/25

Essendijk middels een aanduiding, het opnemen van het afpalingsrecht voor de eendenkooi en het in standhouden van de vergezichten die een polderlandschap als het Buijtenland van Rhoon biedt. De bestaande landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken worden daarmee zoveel mogelijk behouden. Conform de bestemmingsplanregels moet nieuwe bebouwing voldoen aan de vereisten uit het beeldkwaliteitsplan. Negatieve milieueffecten kunnen hiermee worden uitgesloten.

3.9

Mitigerende maatregelen

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de voorwaarden in het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon (waaronder) toetsing aan het streefbeeld, landschap/natuur en verkeer negatieve milieueffecten voorkomen. Daarnaast borgt separate milieuwetgeving o.a. op het gebied van natuur, water en externe veiligheid dat negatieve effecten worden voorkomen. Er zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk.

24/25

4. CONCLUSIE Uit informatie in deze notitie blijkt dat de voorwaarden in het Chw bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021 (waaronder) toetsing aan het streefbeeld, landschap, natuur en verkeer negatieve milieueffecten voorkomen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is daarom niet noodzakelijk.

25/25

Bijlage 2 Toelichting gebruik mogelijkheden Chw

Rho adviseurs voor leefruimte

20191908

Bijlage 2 Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte; toepassing Chw De wettelijke grondslag voor het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is gelegen in artikel 7c lid 17, onder iiiii, en bijlage PM van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw). In onderstaande tabel is aangegeven van welke wettelijke bepalingen met het voorliggende plan worden afgeweken: Besluit uitvoering Chw Artikel 7c, lid 1

Artikel 7c, lid 2 Artikel 7c, lid 3

Artikel 7c, lid 4

Artikel 7c, lid 5

Artikel 7c, leden 6 en 7

Wettelijke bepaling In aanvulling op artikel 3.1, lid 1, Wro kunnen regels gesteld worden voor: het bereiken en in stand houden van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.

In afwijking van artikel 3.1, lid 2, Wro is sprake van een plantermijn van 20 jaar. In afwijking van artikel 3.2 Wro geldt voor een voorlopige bestemming een termijn van ten hoogste 10 jaar. Het bestemmingsplan kan door het gemeentebestuur gestelde regels als bedoeld in artikel 108 van de Gemeentewet bevatten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De regels van het bestemmingsplan kunnen een verbod inhouden om zonder voorafgaande melding een activiteit te verrichten. In een bestemmingsplan kunnen tevens regels worden gesteld waarvan de uitleg van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.

Buijtenland van Rhoon 2021 Hiervan wordt in het plan gebruik gemaakt door in het plan regels op te nemen gericht op de doelen voor de fysieke leefomgeving (vertaling van de doelen uit het streefbeeld Buijtenland van Rhoon). Daarnaast biedt het plan op planniveau ontwikkelingsmogelijkheden (bouwen en gebruik), waarbij vervolgens op aanvraagniveau (mede) aan de hand van de (specifieke) doelstellingen een afweging wordt gemaakt over de kwaliteit en inpasbaarheid. Hiervan wordt gebruik gemaakt; de planhorizon is 20 jaar. Hiervan wordt geen gebruik gemaakt; in het plan zijn geen voorlopige bestemmingen opgenomen. Hiervan wordt in het plan geen gebruik gemaakt.

Hiervan is geen gebruik gemaakt. In het plan is geen meldingsplicht opgenomen. In de plan wordt voor de uitleg van verschillende regels verwezen naar beleidsregels. Het betreft beleidsregels ten aanzien van het behalen van (specifieke) doelstellingen uit

Artikel 7c, lid 8

Artikel 7c, lid 9

Als de regels, bedoeld in het lid 6, betrekking hebben op het uiterlijk van bouwwerken en bij de toepassing een interpretatie behoeven, stelt de raad hiervoor de criteria vast. Deze criteria zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden bouwwerken. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester slechts op die criteria gebaseerd. In dit lid is een specifieke regeling opgenomen ten aanzien van planschade bij het wegbestemmen van onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden. Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van het plan kan worden afgeweken van bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder.

het streefbeeld Buijtenland van Rhoon. Tevens betreft het beleidsregels in de vorm van een Beeldkwaliteitplan. Omdat deze beleidsregels betrekking hebben op het uiterlijk van bouwwerken stelt de gemeenteraad het beeldkwaliteitsplan vast.

Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De vormgeving van het plan wijkt in principe niet af van een regulier bestemmingsplan. Het plan is opgesteld conform IMRO2012 en SVBP. Hierbij is om invulling te geven aan artikel 7c, wel een extra hoofdstuk voor de (specifieke) doelstellingen opgenomen. Dit is Hoofdstuk 2 doelstellingen. Daarnaast kennen enkele enkelbestemmingen in hoofdstuk 3 een afwijkende naamgeving t.o.v. het SVBP 2012. Voorts wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het Bro door onderzoek te faseren door het stellen van randvoorwaarden bij de ontwikkelingsmogelijkheden die via een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit die in het plan worden geboden.

Artikel 7c, leden 10 en 11

Artikel 7c, lid 12

Artikel 7c, lid 13

Artikel 7c, lid 14

Artikel 7c, lid 15

In afwijking van artikel 6.12, lid 1 en 3, van de Wro kan de raad bij vaststelling besluiten dat een exploitatieplan wordt vastgesteld bij een omgevingsvergunning voor het bouwen. Op het bestemmingsplan is artikel 8.42b van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, zodat in het bestemmingsplan gebiedsgerichte maatwerkvoorschriften kunnen worden opgenomen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan de raad de bevoegdheid tot het wijzigen van onderdelen van het bestemmingsplan delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. In aanvulling op artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat het met het oog op de regels bedoeld in het eerste lid verboden is zonder omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gronden of bouwwerken te gebruiken. De vergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de daartoe in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.

Hier is geen gebruik van gemaakt.

In afwijking van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 3.2, aanhef en onderdeel b, van de Regeling omgevingsrecht verstrekt de aanvrager in of bij de

Na vaststelling van de plannen zal bij de bedoelde vergunningaanvragen op deze wijze worden gehandeld.

Hier is geen gebruik van gemaakt.

Hiervan wordt geen gebruik gemaakt.

In het plan wordt hiervan gebruik gemaakt. Activiteiten die geen belemmeringen vormen voor de (specifieke) doelstellingen en voldoen aan diezelfde (specifieke) doelstellingen kunnen via een omgevingsvergunning mogelijk gemaakt worden. Voor deze activiteiten (anders dan de bestaande activiteiten die op basis van een enkelbestemming zijn toegestaan) gelden voorwaarden. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan wordt een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor de betreffende activiteit verleend.

Artikel 7c, lid 16

Artikel 7c, lid 17 Artikel 7c, lid 18

aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving. In afwijking van artikel 2.12, lid 1, van de Wabo kan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo worden verleend als deze niet in strijd is met de verbrede reikwijdte van deze regels. Hiertoe dienen door de aanvrager gegevens en bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt wat de gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving. Overzicht van de plangebieden in Nederland waarvoor de pilot-status is verleend. Bevat de termijn waarbinnen het plan onder de pilot-status kan worden vastgesteld.

Na vaststelling van de plannen zal bij de bedoelde vergunningaanvragen op deze wijze worden gehandeld.

De pilot status is momenteel nog niet verleend. Het ontwerpbestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 2021 wordt overeenkomstig de pilot-status voor 7c vastgesteld voor 2024 en ter visie gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Bijlage 3 Verkeersonderzoek Goudappel Coffeng

Rho adviseurs voor leefruimte

20191908

Bijlage 4 Ruimtelijke Onderbouwing Graaf van Portland

Rho adviseurs voor leefruimte

20191908

GRAAF VAN PORTLAND Ruimtelijke onderbouwing 4 november 2021

1/2

Ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland

Albrandswaard

ruimtelijke onderbouwing

identificatie

planstatus

projectnummer:

datum:

status:

44002474.20191908.004

19 05 2021 04 11 2021

concept definitief

opdrachtleider:

D.J. Verhaak

Weena 505 Postbus 150 T: 010-20 18 555

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/

3

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging projectgebied

9

1.3

Huidige planologische regeling

9

1.4

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Beoogde ontwikkeling

12

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

17

3.1

Rijksbeleid

17

3.2

Provinciaal beleid

19

3.3

Gemeentelijk beleid

32

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

37

4.1

Verkeer en parkeren

37

4.2

Luchtkwaliteit

40

4.3

Ecologie

41

4.4

Externe veiligheid

44

4.5

Kabels en leidingen

49

4.6

Archeologie

49

4.7

Cultuurhistorie

50

4.8

Bodemkwaliteit

50

4.9

Explosievenonderzoek

51

4.10

Bedrijven en milieuzonering

53

4.11

Water

54

4.12

M.e.r. beoordeling

58

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

59

5.1

Economische uitvoerbaarheid

59

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

Rho adviseurs voor leefruimte

44002474.20191908

4

Bijlagen ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1

Stikstofonderzoek

Bijlage 2

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 3

QRA

Bijlage 4

Historisch vooronderzoek conventionele explosieven

Bijlage 5

Verkennend milieukundig bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

44002474.20191908

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3397/documents/26653