CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-622.101.00 Vaststelling bestemmingsplan Kruisdijkpark [26-3-24].pdf

Gemeenteraad AW 3 juni 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Kruisdijkpark Poortugaal35.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 7. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze aanmeldnotitie besloten dat voor het bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

27

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.2.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau Tritium is een verkennend bodem- en asbestonderzoek en een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 5 en 6 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. In de grond zijn sporen tot zwakke bijmengingen waargenomen met puin. Er bestaat geen eenduidige samenhang tussen de waargenomen bijmengingen en de aangetroffen gehaltes.

Bij het op de locatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is ter plaatse van boring A26 een sterke verontreiniging met PCB in de grond aangetoond. Uit de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de aard en omvang van de verontreiniging met PCB afdoende zijn vastgesteld. De verontreiniging is ingekaderd tot het niveau van de achtergrondwaarde. De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend. Aangenomen wordt dat de verontreiniging is ontstaan voor 1987.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

28

De totale omvang van de verontreiniging (> interventiewaarde) wordt geraamd op 7 m 3. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de locatie dient rekening te worden gehouden met de sterke (spot) verontreiniging met PCB. Omdat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat geen saneringsverplichting vanuit de Wet Bodembescherming. Door ATKB is in 2023 een aanvullend verkennend onderzoek uitgevoerd. Hierbij is voortgebouwd op de conclusies van de onderzoeken van Tritium en zijn verschillende deellocaties binnen het plangebied verder onderzocht. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. Hieronder worden de resultaten kort uiteengezet. Deellocatie 1: gedempte Sloot Verder bodemonderzoek naar de gedempte sloot is niet noodzakelijk. De sterke verontreiniging met minerale olie heeft een beperkte omvang (<10m3). Deellocatie 2: actualisatie geval van ernstige bodemverontreiniging Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de onderzoekslocatie de contouren van het geval van ernstige bodemverontreiniging in de grond en het grondwater zoals in 2013 zijn bepaald, niet overeenkomen met de werkelijke verontreinigingssituatie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is daarom (aanvullend) nader bodemonderzoek noodzakelijk.

Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Deellocatie 3: toekomstige riolering De zwak asfalthoudende grondlaag ter plaatse van boring 307 is matig verontreinigd met PAK. Op basis van de plaatselijke bijmenging is de verwachting dat sprake is van een plaatselijke matige verontreiniging. Afperkend onderzoek is daarom niet uitgevoerd. Deellocatie 4: te graven watergang In de kleiige grondlaag tot 1,0 m-mv is licht verontreinigd met de parameters uit het standaard NEN5740pakket en bestrijdingsmiddelen. In het grondwatermonster afkomstig uit peilbuis 403 is voor barium een concentratie boven de streefwaarde vastgesteld. Aangenomen kan worden dat het een natuurlijke achtergrondconcentratie betreft. Nader onderzoek wordt in het kader van de doelstelling van het onderzoek voor deellocatie 4 niet noodzakelijk geacht. Deellocatie 5: te dempen watergang In het onderzoeksgebied is circa 32 m3 slib aanwezig, dat geclassificeerd kan worden als klasse A. De vaste waterbodem onder de sliblaag is altijd toepasbaar. In het projectgebied is de aanwezigheid van PFAS niet vastgesteld in gehalten boven de bepalingsgrens. Aanvullend (waterbodem)onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op grond van de afwezigheid van PFAS is er geen sprake van een beperking ten aanzien van afvoer/hergebruik. Deellocatie 6: repacverharding kavelpad In de repac is geen asbest aangetoond.

Op basis van de resultaten van de indicatieve partijkeuring is de repac ter plaatse van deellocatie toepasbaar zowel als niet vormgegeven bouwstof als IBC-bouwstof. Zintuiglijk zijn lokaal vuurwerk- en verbrandingsresten op het maaiveld aangetroffen. Geadviseerd wordt om dit te verwijderen c.q. als afval af te voeren. Deellocatie 7: indicatieve partijkeuringen Het samengestelde mengmonster uit depot 1 (kleine depot) is licht verontreinigd met zink en PCB. In

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

29

depot 1 is geen gehalte PFAS boven de rapportagegrens vastgesteld. Depot 1 (kleine depot) voldoet indicatief aan de maximale waarden voor klasse Industrie voor toepassing op landbodem. Voor toepassing in oppervlaktewater is de grond geschikt voor waterbodems met kwaliteit klasse A of slechter. Het samengestelde mengmonster uit depot 2 (grote depot) is niet verontreinigd met de parameters uit het standaard NEN5740-pakket. In depot 2 is het gehalte PFOS boven de achtergrondwaarde vastgesteld. In depot 2 (grote depot) voor toepassing op landbodem indicatief voldoet aan de maximale waarden voor klasse Wonen. De grond in depot 2 is indicatief niet toepasbaar in oppervlaktewater. Memo Lood Daarnaast is door Stepforward B.V. een memo lood geschreven. Deze memo is bijgevoegd als bijlage 13. In dit memo is onderzocht of de gehalten ten aanzien van lood in de bodem op de planlocatie voldoen aan de toekomstige strengere eisen die de Gemeente Albrandswaard hanteert. Uit de toetsing blijkt dat alle analyses van de bovengrond voldoen aan de strengst mogelijke doelstelling uit het ambitiedocument van de Provincie. Aangezien de gehalten aan lood in de bovengrond in de huidige situatie al onder die strengste norm liggen, zijn geen aanvullende maatregelen benodigd.

7.2.3 Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning zijn nog een aantal aanvullende stappen benodigd. Deze zullen te zijner tijd worden uitgevoerd. 7.3

Akoestische aspecten

7.3.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Onderzoekszone wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kun-nen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt vol-daan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; - buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Op grond van het bovenstaande heeft de Groene Kruisweg een zone van 350 m (2*2 rijstroken buitenstedelijk gebied). De Hofhoek en de route Zwaardijk/J. van Almondestraat/Hoogvlietsekerk-weg hebben een zone van 200 m (2x1 rijstroken, stedelijk gebied). Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.

Ten zuiden van de planlocatie is de Kruisdijk (30 km weg) gelegen. In het plangebied zelf wordt een nieuwe 30 km/uur weg aangelegd. Alhoewel deze weg

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

30

vanuit de Wgh geen onderzoeksverplichting kent, is deze weg onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Onderzoekszone railverkeerslawaai Voor de metrolijn Rotterdam - Spijkenisse zijn de aantallen bakken per uur in de dag-, avond- en nachtperiode gebaseerd op informatie uit mei 2017 op de website van de RET (www.RET.nl). Voor de overige gegevens (snelheid, bovenbouwconstructie en stopfractie) is gebruik gemaakt van de gegevens uit het onderzoek geluidbelastingkaarten Tweede tranche van de gemeente Albrandswaard. Onderzoekszone industrielawaai Het plangebied is gelegen in de zone van het industrieterrein ‘Waal-/Eemhaven’. Voor dit industrieterrein geldt de zogenoemde ‘T+-contour’ het zogenaamde planologisch aandachtsgebied rondom het industrieterrein. Deze zone is bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1993 vastgesteld aan de hand van een inventarisatie van de geluidsbepalende bedrijven, de zogenaamde zonerelevante bedrijven. Nestgeluid binnenvaart- en zeeschepen Op deze locatie is op grond van informatie van de DCMR sprake van zogenaamd ‘nestgeluid’ van afgemeerde binnenvaart- en zeeschepen. Het ‘nestgeluid’, afkomstig van installaties op deze schepen, is niet als geluidsbron opgenomen in het zonebewakingsmodel van het gezoneerde industrieterrein en is om deze reden niet meegenomen in de beoordeling van het geluid afkomstig van het industrieterrein.

In juridische zin dient het ‘nestgeluid’ te worden ingepast binnen de bestaande geluidszone en vastgestelde hogere waarden voor het industrieterrein, danwel dient (waar nodig) de geluidszone te worden uitgebreid en hogere waarden te worden verhoogd, voordat hiermee voor het industrieterrein rekening kan worden gehouden. Normstelling De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.

Gemeentelijk geluidbeleid Het college van Albrandswaard werkt mee aan het verlenen van hogere waarden als aan één van de volgende criteria wordt voldaan: - de woningen buiten de bebouwde kom verspreid worden gesitueerd; - de woningen noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid; - de woningen een open plaats opvullen tussen aanwezige bebouwing; - de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing; - de woningen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie vervullen voor geluidgevoelige objecten; - er sprake is van een nog niet geprojecteerde of te reconstrueren (spoor)weg, die noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie vervullen; - het referentieniveau ter plaatse van de uitwendige scheidingsconstructie van de woningen waarvoor de hogere waarde is verzocht, hoger is dan of gelijk is aan het equivalente geluidniveau vanwege het betrokken industrieterrein;

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

31

-

de ligging van de geluidbronnen op het betrokken industrieterrein zodanig is dat de geluidbelasting, vanwege dat industrieterrein en vanwege andere geluidbronnen, van ten minste één uitwendige scheidingsconstructie van elk van de woningen lager is of gelijk is aan 50 dB(A); - de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een metrostation en/of metrohalte. Deze criteria zijn vastgelegd in de ‘Beleidsregel vaststellen hogere waarde gemeente Albrandswaard’. Deze beleidsregel is op 1 mei 2007 door het college van Albrandswaard vastgesteld. 7.3.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. De locatie is gelegen in de onderzoekszone van de Groene Kruisweg, de Hofhoek, de route Zwaardijk/J. van Almondestraat/Hoogvlietsekerkweg, de metrolijn Rotterdam- Spijkenisse en het industrieterrein ‘Waal-/Eemhaven’, zodat akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het verkeer op de Kruisdijk (30 km-weg) beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door de Groene Kruisweg tot een maximale waarde van 54 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De overige wegen leiden niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

De metrolijn Rotterdam-Spijkenisse leidt tot een geluidbelasting van maximaal 62 dB, waardoor de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De activiteiten op het industrieterrein Waal-/Eemhaven leidt ter plaatse van de nieuwe woningen tot een geluidsbelasting van maximaal 55 dB(A), zodat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat het nestgeluid een geluidsbelasting veroorzaakt ter plaatse van de woningen. Inclusief het nestgeluid is de geluidsbelasting maximaal 57 dB(A). Deze geluidsbelasting moet als uitgangspunt worden aangehouden bij het beoordelen van de karakteristieke geluidwering van de gevels. Het verkeer op de nieuw aan te leggen weg veroorzaakt bij de nieuwe en de bestaande woningen langs deze weg geen geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Het verkeer op deze weg leidt vanuit akoestisch oogpunt daarom niet tot belemmeringen. Zonder geluidsreducerende maatregelen, is het noodzakelijk om hogere waarden vast te stellen.

Voor de nieuwe woningen zijn de volgende ontheffingscriteria van toepassing waardoor de hogere waarde past binnen het gemeentelijke geluidbeleid: - de woningen vullen een open plaats op tussen de bestaande bebouwing langs de Kruisdijk; - de woningen worden gesitueerd ter vervanging van bestaande bebouwing; - de woningen vervullen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie voor geluidgevoelige objecten; - de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een metrostation en/of metrohalte Een deel van de woningen beschikt niet over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Indien buitenruimten aan de noordzijde van de bouwblokken gerealiseerd worden zouden maatregelen kunnen worden overwogen om de geluidsbelasting te reduceren. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

32

Omdat hogere waarden noodzakelijk zijn, is de wens van de gemeente naast het geluidbeleid aandacht te besteden aan het woon- en leefklimaat van deze appartementen door een gesloten borstwering toe te passen ter plaatse van de balkons van de woningen. Door KuiperCompagnons is hier onderzoek naar verricht (zie bijlage 10). Hieronder worden de bevindingen op een rij gezet. Een gesloten borstwering van 1,2 m rond het balkon voldoet op de noord-, oost- en westgevels van alle 5 de blokken. Vanwege wegverkeer is op zuidgevel van de derde verdieping van blok 3 en de tweede verdieping van blok 4 eveneens een gesloten borstwering nodig van 1,2 m. Een uitzondering is de noordgevel van blok 5 waar op de eerste verdieping een gesloten borstwering nodig is van 1,5 m en op de tweede verdieping 1,4 m. In het geval hier ook een gesloten borstwering van 1,2 m wordt gerealiseerd, is sprake van cumulatieve geluidsbelasting van respectievelijk 57 en 56 dB. Met het toepassen van deze borstweringen kan voldaan worden aan de norm van 55 dB cumulatief voor wat betreft een geluidsluwe geveldeel achter deze borstwering ter hoogte van de aldaar aanwezige buitenruimte. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

De twee twee-onder-één kapwoningen hebben beide een geluidsluwe noordgevel waaraan de tuin is gelegen zodat deze woning voldoen aan de aanvullende wensen van de gemeente zonder bouwkundige maatregelen. Omdat de geluidsbelasting op de begane grond lager is en de noordgevel van de gebouwen 1, 3 en 5 worden benut voor bergingen voldoen ook alle appartementen op de begane grond aan de aanvullende wensen van de gemeente. 7.3.3 Conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling moet een hogere waarde procedure worden doorlopen. Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden is opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting en wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 7.4

Luchtkwaliteit

7.4.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

33

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.4.2 Onderzoek In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling met maximaal 105 woningen valt ruim binnen de NIBM-regeling, en is daarom aan te merken als een ontwikkeling die ‘NIBM’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is hierdoor niet benodigd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven, voor de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-, en bepaald voor het peiljaar 2023. Uit de CIMLK-monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 21,1 µg/m3, 16,4 µg/m3 en 8,8 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. In de tabel bij afbeelding 7.1 zijn de 15 meetpunten met de hoogste waarden weergegeven.

De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

34

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 202

7.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

35

7.5

Milieuzonering

7.5.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Gezien de ligging van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende functies in de omgeving kan het plangebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. 7.5.2 Onderzoek Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een garagebedrijf. Vanuit het garagebedrijf moet een richtafstand van 10 meter worden aangehouden. De dichtstbijzijnde twee-onder-een-kapwoning bevindt zich net buiten deze richtafstand, waardoor onderzoek niet benodigd is. Voor de overige functies in de omgeving (restaurant, politiebureau en kantoren) wordt ook voldaan aan de richtafstand. Daarnaast bevinden zich direct aangrenzend aan het plangebied al bestaande woningen.

Deze woningen zijn maatgevend voor een goed woon- en leefklimaat. 7.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 7.6

Externe veiligheid

7.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

36

als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.6.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • Hogedruk aardgastransportleiding W-504-01; • DPO leiding; • Rail Service Center Rotterdam B.V; • Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Barendrecht – Maasvlakte; • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A4 en de Groene Kruisweg. Leidingen Ten zuiden het plangebied bevinden zich twee leidingen waardoor gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het plangebied is buiten het invloedsgebied van de DPO leiding gelegen. De aardgastransportleiding heeft een druk van 12 bar waardoor deze niet nader onderzocht dient te worden. De belemmeringenstroken van beide leidingen bevinden zich buiten het plangebied. Rail Service Center Rotterdam B.V. Het plangebied is gelegen aan de rand van de PR 10-8 contour van het Rail Service Center Rotterdam B.V. Deze inrichting bevindt zich circa 2 km ten noorden van het plangebied.

Het invloedsgebied van de inrichting ligt volgens de EV signaleringskaart niet over het plangebied waardoor dit bedrijf geen belemmering vormt. Transportroutes gevaarlijke stoffen Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van LPG is 355 meter voor wegen en het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter voor (spoor)wegen. De transportroute Groene Kruisweg ligt op circa 40 meter ten zuiden van het plangebied. De locatie is daarom gelegen binnen het verantwoordingsgebied en binnen het invloedsgebied voor GF3 van deze provinciale weg. Voor de Groene Kruisweg dient daarom m.b.v. de HART-methode te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering vormt. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen de rijkswegen en de spoorlijn. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Ten zuiden van de Groene Kruisweg is een woonwijk gelegen met een dichtheid van circa 55 personen per hectare (CBS). De zone ten noorden van de Groene Kruisweg, waar ook het plangebied is gelegen, bestaat uit een gemengd gebied. De dichtheid zal hier niet hoger zijn dan in de woonwijk ten zuiden van de Groene Kruisweg.

De Groene Kruisweg is niet opgenomen in het Basisnet weg en de gemeente Albrandswaard heeft geen route gevaarlijke stoffen aangewezen. Dit heeft tot gevolg dat de Groene Kruisweg als provinciale weg ‘vrij’ is voor het transport met gevaarlijke stoffen. Om de transportaantallen per stofcategorie te bepalen moet in dit geval uitgegaan worden van de meest recente tellingen van het transport van gevaarlijke stoffen. De meest recente telling van de Groene Kruisweg is echter uit 2007. De gemeente Albrandswaard verwacht niet dat de huidige cijfers erg afwijken van de telling uit 2007, daarom is in dit onderzoek uitgegaan van deze cijfers. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die over de Groene Kruisweg vervoerd worden. Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

37

Stofcategorie LF1 LF2 GF2 GF3

Invloedsgebied 45 45 880 355

Transporten Groene Kruisweg 427 328 33 263

Tabel 7.1: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Groene Kruisweg.

PR contour en PAG De Groene Kruisweg heeft geen PR 10-6 contour en ook geen PAG. Berekeningsmethode groepsrisico De hoogte van het groepsrisico is inzichtelijk gemaakt op basis van de vuistregels uit de HART, routetype weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur). Aangezien de Groene Kruisweg deels 80 km/uur en deels 50 km/uur als wettelijke maximumsnelheid heeft is in dit geval gekozen om te toetsen aan de 80 km/uur waarden aangezien dit worst-case is. Groepsrisico: - Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. - Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Vuistregel 1 Er worden geen stoffen vervoerd uit de stofcategorieën LT3, GT4 of GT5, waardoor vuistregel 2 kan worden toegepast voor het bepalen van het groepsrisico. Vuistregel 2 In tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) is af te lezen dat bij een dichtheid van 60 aanwezigen per hectare en een afstand van 50 meter tussen het plangebied en de as van de weg de drempelwaarde GF3-vervoer wordt overschreden bij 2580 vervoerseenheden per jaar.

Aangezien het werkelijke aantal transporten aanzienlijk lager is betekent dit de Groene Kruisweg geen belemmering oplevert voor het groepsrisico. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de Groene Kruisweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe.

Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

38

vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario toxische gassen (vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg en spoorlijn) Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden In het geval van een incident met een tankwagen op de Groene Kruisweg kan men vluchten via de nieuw aan te leggen weg door het plangebied richting het oosten. Vandaaruit kan men verder vluchten.

Ook kan men via de voetpaden in het plangebied langs de noordkant van het noordwestelijke bouwblok het plangebied verlaten om vervolgens via de weg Hofhoek richting het noorden te vluchten. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen.

Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand” en de website www.rijnmondveilig.nl.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

39

7.6.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 7.7

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Ook van andere belemmeringen in of rondom het plangebied is geen sprake.

7.8

Duurzaamheid

7.8.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.

Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

40

BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). 7.8.2 Onderzoek en conclusie Bij de voorgenomen ontwikkelingen wordt zo duurzaam mogelijk gebouwd. Dit houdt in dat gebruik wordt gemaakt van duurzame materialen. Op het gebied van duurzaamheid wordt in ieder geval voldaan aan de huidige wettelijke eisen. Daarnaast wordt er gedacht aan een wko-installatie. Er wordt een verder inrichtingsplan voor de openbare ruimte opgesteld waarin biodiversiteit nadrukkelijk de aandacht krijgt. Het parkje draagt bovendien ook bij aan sociale duurzaamheid. Hier kunnen toekomstige bewoners en omwonenden elkaar ontmoeten in een groene omgeving.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

41

8

Juridische planbeschrijving

8.1

Planvorm

8.1.1 Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels die daarop betrekking hebben, de in het bestemmingsplan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVPB 2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: - een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, in dit geval NL.IMRO.0613.BPKruisdijkpark-ONT1 - regels: deze regels zijn in de SVBP 2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (onder andere de volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven, met bijbehorende verklaringen. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. Ook is er een toelichting opgesteld.

Dat betreft onderhavig document. Hier in wordt het plan toegelicht en vindt de inhoudelijke beoordeling plaats voor de relevante beleids- en milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld 8.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. 8.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.

Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

42

burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. 8.2

Artikelsgewijze toelichting

8.2.1 Inleidende regels Begripsbepaling In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 8.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de groenzone die rondom de gebouwen wordt gerealiseerd. De hiervoor aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en enkele andere bij deze bestemming horende voorzieningen. Er mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en parkeren.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

43

Verkeer – Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, en bij deze bestemming horende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, kunst- en reclame-uitingen, water en groen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan (anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting) de bouwhoogte ten hoogste 4 m bedraagt. Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterberging en waterhuishouding, extensief recreatief medegebruik, duikers, groenvoorzieningen en bruggen Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nuts-, speel- en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de gebouwen mogen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is per bouwvlak bepaald. Waarde – Archeologie – 1 De voor ‘Waarde – Archeologie - 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. De belangen van de dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de ander daar voorkomende bestemmingen.

8.2.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn enkele aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels zijn enkele vormen van gebruik opgenomen die strijdig zijn met alle bestemmingen, waaronder een gebruik van gronden als stort-, stallings- en/of opslagplaats. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

44

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan een in dit plan opgenomen afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheid. 8.2.4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

45

9.

Uitvoerbaarheid

9.1

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

9.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.2.1 Voorbereidingsfase bestemmingsplan Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is een concept van het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. De aanpassingen die volgen uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Participatie Samen met verschillende omwonenden heeft een participatietraject plaatsgevonden. Onder leiding van een onafhankelijk procesbegeleider (Newman in town) is in 2019 het participatietraject van start gegaan. Hiervoor is een Plangroep opgericht, waarvoor omwonenden zijn uitgenodigd. Ook de corporatie is uitgenodigd. Zij hebben een aantal woningen naast het plangebied liggen in portefeuille. Daarnaast waren de projectleider en de stedenbouwkundige van de gemeente vertegenwoordigd in de Plangroep.

Tot slot was de architect van het plan ook betrokken. De bijeenkomsten werden waar mogelijk fysiek gehouden op locatie. De eerste fase van de participatie bestond uit kennismaken met elkaar en met de locatie. In een latere fase kon de Plangroep reageren op voorstellen vanuit de architect, waarna de architect steeds als Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

46

huiswerk meekreeg om de aandachtspunten van de Plangroep te verwerken in het plan. In een iteratief proces, waarbij de Plangroep steeds geïnformeerd werd wat met de input was gedaan, is op die manier in goed overleg een plan ontstaan wat op draagvlak kon rekenen en met akkoord van de Plangroep naar de gemeenteraad gebracht kon worden. In de commissievergadering van de gemeenteraad is waardering uitgesproken over het plan en het proces dat met de belanghebbenden is doorlopen. Wel is er vanuit de vergadering een oproep gedaan richting de wethouder om een vergroting van het aandeel betaalbare woningen te onderzoeken. Dat hebben wij vervolgens ook gedaan, opnieuw in nauw overleg met de Plangroep. Specifieke maatregelen die vanuit de Plangroep genoemd werden, bijvoorbeeld over privacy en voldoende parkeergelegenheid, zijn daarbij verwerkt in het plan. De Plangroep wordt blijvend betrokken bij de voortgang van het proces. 9.2.2 Ontwerpfase bestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden.

Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 15 december 2023 tot en met donderdag 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn in totaal 3 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen’, die als bijlage 17 bij deze toelichting is opgenomen. 9.2.3 Vaststellingsfase bestemmingsplan Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 9.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Bestemmingsplan ‘Kruisdijkpark’ Toelichting – Vaststelling

47

Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig.

Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3657/documents/32130