CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsinformatiebrief 2025-073478 BOPA procedure realiseren flexwoningen.pdf

Gemeenteraad AW 13 oktober 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 19: Buitenplanse Omgevingsactiviteit (BOPA) realisatie flexwoningen.26.603 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raadsinformatiebrief

De gemeenteraad van Albrandswaard Uw brief van:

Ons kenmerk:

Uw kenmerk: Bijlage(n):

2025-073478

Contact: 3

Doorkiesnummer: E-mailadres:

secretaresses@albrandswaard.nl

Datum:

7 oktober 2025

Betreft: Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) realisatie flexwoningen

Geachte raadsleden, INLEIDING In Beraad en Advies van 30 september 2025 heeft u het raadsvoorstel met betrekking tot het bindend advies voor het realiseren van flexwoningen op de locatie Achterdijk/Kleidijk behandeld. Tijdens de behandeling heeft de portefeuillehouder u toegezegd nog voor de raadsvergadering van 13 oktober 2025 antwoord te geven op meerdere vragen. KERNBOODSCHAP

Met deze raadsinformatiebrief sturen wij u de reactie op de toezeggingen die in B&A zijn gedaan en de antwoorden op de vragen die zijn gesteld. De reactie aan omwonenden is als bijlage toegevoegd. Ook lichten wij de rolverdeling tussen raad en college toe. TOELICHTING Procedure flexwoningen Albrandswaard De reguliere procedure gaat uit van formele momenten. Het college heeft ervoor gekozen om op basis van de onderzoeken die nodig zijn voor de formele aanvraag omwille van de snelheid de raad in een eerder stadium te vragen om een bindend advies. Dit is op basis van onderzoeken die formeel nog getoetst moeten worden. Ze volstaan echter voor de planologische onderbouwing op basis waarvan de raad een bindend advies kan uitbrengen. De onderzoeken zijn namelijk zodanig compleet dat er geen grote aanpassingen verwacht worden bij de formele aanvraag. In het uitzonderlijke geval, dat er wijzigingen noodzakelijk zijn die de door u gestelde kaders raken, komen wij bij de gemeenteraad terug. Dit geldt voor de volgende situaties:   

Als het door u op 1 juli 2024 beschikbaar gestelde investeringskrediet niet toereikend blijkt te zijn voor het realiseren van de flexwoningen op de locatie Achterdijk/Kleidijk. Als de ontwikkeling niet mogelijk blijkt te zijn binnen door u vastgestelde beleidskaders. Als de provincie geen toestemming blijkt te geven voor de ontwikkeling op basis van alle in de procedure overlegde informatie over de ruimtelijke invulling van de locatie en de technische uitwerking van de flexwoningen.

Zolang de procedure loopt, informeren wij u op regelmatige basis over de stand van zaken.

Stationsstraat 4 – 3161 KP Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl

Toegezegde antwoorden op gestelde vragen Hieronder treft u de antwoorden die de portefeuillehouder tijdens Beraad en Advies van 30 september heeft toegezegd. Aan wie worden de flexwoningen toegewezen? Met Wooncompas is afgesproken dat de flexwoningen bij eerste verhuur voor 50% worden toegewezen aan statushouders en voor 50% aan jongeren met een binding in Albrandswaard. Voor de jongeren geldt een leeftijd tussen de 18 en 27 jaar. Zijn er al gemeenten in Zuid-Holland die op een hogere trede staan van de interventieladder? Zijn er gemeenten waar de provincie in het kader van een indeplaatsstelling de regie heeft overgenomen? Ja, er zijn gemeenten in Zuid-Holland die al in januari 2025 van de provincie een brief hebben gekregen met een voornemen tot indeplaatsstelling. Het betrof de gemeenten Den Haag, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Dit heeft voor zover wij weten nog niet geleid tot concrete vervolgstappen van de provincie. Vergelijkbare vooraankondigingen zijn in 2023 en 2024 ook gedaan bij de gemeenten Barendrecht en Goeree-Overflakkee. Bij de gemeente Het Hogeland in Groningen is sprake van een indeplaatsstellingsbesluit, maar daar is nog geen directe uitvoering door de provincie Groningen aan gegeven.

Er is een uitgestelde deadline (1 april 2026), waarna de provincie mogelijk wél gaat uitvoeren als Het Hogeland niet zelf voldoende huisvesting regelt. Albrandswaard bevindt zich op een kritisch punt: de provincie Zuid-Holland kan begin 2026 overgaan tot een formeel besluit tot indeplaatsstelling. Wij hebben u hierover geïnformeerd met de raadsinformatiebrief van 30 september 2025 met betrekking tot het Huisvestingsplan voor Vergunninghouders (HvV). Albrandswaard staat op dezelfde trede van de interventieladder als o.a. Den Haag en Leiden begin 2025: we staan onder druk, maar hebben nog nét tijd om zelf te handelen. Is een planschadeclaim mogelijk bij waardedaling van de omliggende woningen? Ja. Iedere belanghebbende die nadeel ondervindt van een planologische maatregel (nieuw bestemmingsplan, omgevingsplan of omgevingsvergunning) kan een verzoek tot planschadevergoeding indienen bij de gemeente. Is er onderzoek verricht naar het geluid op de omliggende woningen? De gemeente heeft de vraag gesteld aan het onderzoeksbureau over geluid in het omliggende gebied. De komst van de statushouders en jongeren leidt niet tot een relevante toename van geluidhinder voor de omgeving. Normaal woongebruik verandert de geluidscontouren niet. Dat geluid valt weg in het al hoge achtergrondniveau dat door industrie en verkeer wordt bepaald.

Dit is toegevoegd in het akoestisch onderzoek (bijlage 7).

Zijn de onderzoeken voor het uitbrengen van een bindend advies volledig? Ja, De twee ontbrekende onderzoeken (Waterbodem en MER) treft u als bijlage aan. Naar aanleiding van de bezichtiging van de kavel en in overleg met Archeologie Rotterdam (BOOR) is afgestemd dat wordt afgezien van veldwerk. Dat betekent dat het archeologisch onderzoek is afgerond met het document dat als bijlage 1 bij het raadsvoorstel is gevoegd. Hoe verhoudt de BOPA procedure zich tot het nieuwe Ruimtelijk beleid van de Provincie ZuidHolland De Ruimtelijke Koers voor Zuid-Holland is vastgesteld door Provinciale Staten op 6 maart 2024. De provincie is bezig met de Herziening Omgevingsbeleid 2025 (kortweg “Herziening 2025”). De terinzagelegging van het ontwerp van de herziening is voorzien vanaf 28 oktober 2025. Toetsing aan deze “Herziening 2025” is afhankelijk van de formele indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en het moment van de vaststelling van het nieuwe provinciale beleid. De aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van de flexwoningen wordt aan dit nieuwe beleid getoetst. Beantwoording vragen uit de reactie van omwonenden Tijdens Beraad en Advies heeft de portefeuillehouder toegezegd de vragen van omwonenden te beantwoorden. Hiervoor verwijzen wij u naar de bijlage bij deze raadsinformatiebrief. De omwonenden worden tegelijk met deze raadsinformatiebrief per mail ingelicht.

Met vriendelijke groet, het college van de gemeente Albrandswaard, de secretaris de burgemeester,

mr. drs. Florus van der Linden drs. Cees Pille

Bijlage 1 RIB: Beantwoording vragen uit de reactie van omwonenden Tijdens Beraad en Advies heeft de portefeuillehouder toegezegd de vragen van omwonenden te beantwoorden. Hieronder treft u de reactie van het college op de gestelde vragen. Wat is het beleid hierin van de gemeenteraad? Gemeente en Wooncompas kiezen voor toewijzing aan 50% statushouders en 50% jongeren tussen 18 en 27 jaar met binding in Albrandswaard bij eerste verhuur. Brief provincie Zuid-Holland De gemeente moet de ruimtelijke onderbouwing nog aanvullen, dat klopt. Dat wordt tegelijk gedaan met de technische uitwerking van de flexwoningen ter onderbouwing van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Alle stukken worden dan aan de provincie Zuid-Holland worden voorgelegd. De provincie moet instemmen, anders kan er geen omgevingsvergunning worden afgegeven. Termijn 15 jaar De termijn van maximaal 15 jaar is vastgelegd in de overeenkomsten met de grondeigenaar en Wooncompas. Verkeersonderzoek Hiervoor verwijzen wij u naar paragraaf 5.7 van de Go-Flow, behorend bij het raadsvoorstel. Op grond van de gemeentelijke parkeernormen zullen er 48 parkeerplaatsen op het terrein worden gerealiseerd om te voldoen aan de norm. Een aantal van 123 motorvoertuigen per dag is goed af te wikkelen op de bestaande Kleidijk en Achterdijk. De capaciteit van de wegen biedt voldoende ruimte.

Door het project komen er geen nieuwe knelpunten en het realiseren van flexwoningen doet geen afbreuk aan de leefbaarheid in de omgeving van het plangebied. Wel is de vormgeving en positionering van de uitrit belangrijk zodat er voldoende zicht is op de beide richtingen van de Kleidijk, mede vanwege het fietsverkeer dat hierlangs komt. Participatie Hiervoor verwijzen wij u naar paragraaf 6.2 van de Go-Flow, behorend bij het raadsvoorstel. Hierin is beschreven hoe het participatieproces is verlopen. Het ging zowel om persoonlijke gesprekken als informatiebijeenkomsten. Als uitkomst daarvan is de verkaveling nog duidelijker gemaakt en bij een bewonersbrief opgenomen geweest. Verder zijn de onderzoeken die zijn verricht openbaar gemaakt met het raadsvoorstel. Postbezorging brief van 9 september 2025 Tijdens Beraad en Advies heeft de portefeuillehouder excuses aangeboden voor de late bezorging van de brief van 9 september. Hieronder geven wij aan hoe het bezorgproces is verlopen: • 9 september is brief vastgesteld door college. • 11 september is brief aangeboden aan griffie voor gemeenteraad. • 12 september is de brief door bestuursecretariaat aangeboden aan bedrijfsvoeringspartner. • 12/15 September door NB-post opgehaald. Dit is afhankelijk van hoe laat de brief op de 12e is aangeboden en of de interne koerier al was geweest.

• Uiterlijk 16 september zou de brief bezorgd moeten zijn door NB post. Omdat het niet om aangetekende stukken gaat, kunnen we niet vaststellen of dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Onderzoek naar jongeren Het aantal actief woningzoekende jongeren in de leeftijdscategorie 18-27 jaar in Albrandswaard wordt uitgezocht.

Procedure flexwoningen Albrandswaard De reguliere procedure gaat uit van formele momenten. Het college heeft ervoor gekozen om op basis van de onderzoeken die nodig zijn voor de formele aanvraag omwille van de snelheid de raad in een eerder stadium te vragen om een bindend advies. Dit is op basis van onderzoeken die formeel nog getoetst moeten worden. Ze volstaan echter voor de planologische onderbouwing op basis waarvan de raad een bindend advies kan uitbrengen. De onderzoeken zijn namelijk zodanig compleet dat er geen grote aanpassingen verwacht worden bij de formele aanvraag In het uitzonderlijke geval, dat er wijzigingen noodzakelijk zijn die de door u gestelde kaders raken, komen wij bij de gemeenteraad terug. Na het advies van de gemeenteraad zal het college de vervolgstappen oppakken conform de procedure zoals hieronder beschreven. Stappen van de reguliere BOPA-procedure 1. Aanvraag indienen: De initiatiefnemer dient de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor een BOPA in. 2. Publicatie aanvraag: Het bevoegd gezag (college van B&W) plaatst een kennisgeving van de aanvraag in het Gemeenteblad, zodat belanghebbenden hiervan op de hoogte zijn. 3. Controle op volledigheid: De aanvraag wordt gecontroleerd op de juistheid en volledigheid van de ingediende gegevens. 4.

Behandeling en beoordeling: De behandeling van de aanvraag start, waarbij deze wordt getoetst aan de relevante wet- en regelgeving. 5. Besluitvorming: Binnen de reguliere beslistermijn van 8 weken (mogelijk verlengd met 6 weken) neemt het bevoegd gezag (college van B&W) een beslissing op de aanvraag. 6. Publicatie, bezwaar en beroep: Na het besluit worden de beslissing en de redenen hiervoor gepubliceerd, waarna belanghebbenden de mogelijkheid hebben om bezwaar te maken en, indien nodig, in beroep te gaan. Kosten Het financiële kader dat de gemeenteraad heeft besloten op 1 juli 2024 is het financiële kader waarbinnen de realisatie van de flexwoningen wordt uitgewerkt. Mocht blijken dat binnen dit financiële kader niet tot realisatie van de flexwoningen gekomen kan worden en een aanvullend krediet benodigd is, is dit een raadsbevoegdheid. Wij verwijzen u hiervoor ook naar de informatie die in de raadsinformatiebrief is opgenomen. Geluidonderzoek De gemeente heeft de vraag gesteld aan het onderzoeksbureau over geluid in het omliggende gebied. De komst van de statushouders en jongeren leidt niet tot een relevante toename van geluidhinder voor de omgeving. Normaal woongebruik verandert de geluidscontouren niet. Dat geluid valt weg in het al hoge achtergrondniveau dat door industrie en verkeer wordt bepaald. Dit is toegevoegd in het akoestisch onderzoek (bijlage 7).

Buisleidingenstraat De stukken ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning worden ook voorgelegd aan de beheerder van de leidingenstraat LS ned. De beheerder toetst of de juiste contouren zijn aangehouden. VRR De stukken ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning worden ook voorgelegd aan de VRR. De VRR toetst of voldaan wordt aan hun wet- en regelgeving. Archeologie Naar aanleiding van de bezichtiging van de kavel en in overleg met Archeologie Rotterdam (BOOR) is afgestemd dat wordt afgezien van veldwerk. Dat betekent dat het archeologisch onderzoek is afgerond met het document dat als bijlage 1 bij het raadsvoorstel is gevoegd. Water De stukken ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning worden ook voorgelegd aan het Hoogheemraadschap. Die toetst of voldaan wordt aan hun wet- en regelgeving.

Ecologie De stukken ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning worden ook voorgelegd aan DCMR. DCMR toetst of voldaan wordt aan wet- en regelgeving.

BOPA Flexwoningen Kleidijk te Rhoon Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r- beoordeling

datum projectnummer

23 september 2025 252032

Rapport

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

Mer-beoordeling Flexwoningen Kleidijk te Rhoon project projectnummer projectleider

opdrachtgever adres

contactpersoon

status auteur gecontroleerd

Flexwoningen Kleidijk te Rhoon 252032 Wouter Lammers DNS Planvorming B.V. Klaprozenweg 75 C 1 1033 NN AMSTERDAM Renee Nijdam Definitief Daniël Dezaire Jeroen Hendriks

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2

Inleiding Aanleiding Leeswijzer

1 1 1

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling Wet- en regelgeving Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Procedure en betrokken partijen Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling

2 2 2 3 3

3 Planbeschrijving en effectenbeoordeling 3.1 Kenmerken van het project 3.2 Plaats van het project 3.3 Kenmerken van de potentiële effecten 3.3.1 Archeologie en cultuurhistorie 3.3.2 Bodemkwaliteit 3.3.3 Geluid 3.3.4 Geur 3.3.5 Gezondheid 3.3.6 Luchtkwaliteit 3.3.7 Omgevingsveiligheid 3.3.8 Stikstof 3.3.9 Flora en fauna 3.3.10 Verkeer en parkeren 3.3.11 Water

4 4 6 7 7 8 8 9 9 9 10 10 11 11 11

4

13

Conclusies en advies

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Op 1 juli 2024 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard besloten een krediet beschikbaar te stellen voor de realisatie van flexwoningen aan de locatie Achterdijk/Kleidijk. Het gaat hierbij om 70 tijdelijke woningen die een aanvulling vormen op de aanwezige sociale huurwoningen in Albrandswaard. De woningen worden geplaatst voor een periode van 15 jaar. Het plangebied is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 1: Weergave plangebied.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal een ruimtelijke procedure worden doorlopen voor de planologische inpassing van de ontwikkeling. Bij de voorbereiding van dit besluit moet beoordeeld worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. In deze aanmeldnotitie staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken en welke milieueffectrapportage procedure (mer) van toepassing is. 1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. In hoofdstuk 3 wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving en worden de effecten van het plan beschreven. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de mer-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 1/13

2

Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling

2.1 Wet- en regelgeving De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). 2.2 Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Is er sprake van een project of van plannen en programma’s? Er is in de wet onderscheid tussen milieueffectrapportages voor een project of voor plannen en programma’s. Het verschil zit in het kaderstellend karakter. Als het besluit rechtstreeks activiteiten toestaat die op de grond van het Omgevingsbesluit mer-beoordelingsplichtig zijn, dan is er sprake van een project mer-beoordeling. Als deze activiteiten indirect worden mogelijk gemaakt, bijvoorbeeld omdat daarvoor eerst een vergunning nodig is, is sprake van een kaderstellend plan. In dat geval geldt de plan-mer-beoordeling. In deze situatie ligt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor. Het besluit over deze omgevingsvergunning staat rechtstreeks activiteiten toe die op grond van het Ob mer-(beoordelings)plichtig zijn.

Er is dus mogelijk sprake van een project-mer(-beoordeling). Is er sprake van een project-mer of van een project-mer-beoordeling? Of een besluit over een project mer-(beoordelings)plichtig is kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob. In deze bijlage is een tabel opgenomen met 4 kolommen: 1. Projecten 2. Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow) 3. Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow) 4. Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit. Behalve de in kolom 4 aangewezen besluiten bepaalt artikel 11.6 lid 3 sub a, b en d van het Ob dat voor alle categorieën projecten ook enkele andere besluiten als mer-(beoordelings-)plichtig besluit hebben te gelden. Hieronder vallen in beginsel de projectbesluiten (als bedoeld in artikel 5.44 van de Ow), de regels in een omgevingsplan die zijn gericht op gemeentelijke projecten van publiek belang als bedoeld in art. 5.55 van de Ow en de besluiten uit artikel 11.8 van het Ob. Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een mer-plicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3).

In deze situatie betreft het project, vanwege de aard van de functiewijziging en de omvang van de bebouwing, een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject komt voor onder categorie J11 van bijlage V bij het Ob. De omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is aangewezen als besluit waarvoor een mer-(beoordelingsplicht) geldt. Bij categorie J11 is kolom 2 niet van toepassing. Kolom 3 wijst ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ aan als gevallen waarin sprake is van de mer-beoordelingsplicht. Hiervan is in deze situatie sprake. Geconcludeerd wordt dus dat sprake is van een project-mer-beoordeling.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 2/13

2.3 Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Bij deze mer-beoordeling is de gemeente Albrandswaard de initiatiefnemer van het project. De gemeente Albrandswaard treedt tevens op als bevoegd gezag. De gemeente moet immers een besluit nemen over de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Burgers en andere belanghebbenden hebben geen formele rol in de mer-beoordelingsprocedure, maar wel in de procedure van het besluit dat nodig is voor het project waar de mer-beoordeling bij hoort. Procedure De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen private initiatiefnemers of een initiatiefnemer binnen dezelfde overheidsorganisatie. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie, onderhavig document). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.

Het bevoegd gezag beslist vervolgens over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Er is niet direct bezwaar of beroep mogelijk tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer niet nodig is. Er is wel inspraak mogelijk op of bezwaar en beroep tegen het besluit waar de mer-beoordelingsbeslissing bij hoort. Op dat latere moment kan de inhoud van de mer-beoordelingsbeslissing door derden worden betwist. De initiatiefnemer kan wel meteen bezwaar maken of beroep instellen tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer wél nodig is. 2.4 Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling De mededeling aan het bevoegd gezag moet een beschrijving bevatten van: • het project: de fysieke kenmerken en de locatie; • de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; • wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Een initiatiefnemer mag in de mededeling ook een beschrijving opnemen van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen.

Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 3/13

3

Planbeschrijving en effectenbeoordeling

3.1 Kenmerken van het project Bij het criterium ‘kenmerken van het project’ moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. de omvang en het ontwerp van het gehele project B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen D. de productie van afvalstoffen E. verontreiniging en hinder F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering G. de risico’s voor de menselijke gezondheid Ad A. de omvang en het ontwerp van het gehele project Het planvoornemen betreft de realisatie van 70 flexwoningen aan de locatie Achterdijk/Kleidijk te Rhoon. Het gaat om kadastraal perceel RHO00- A-4245. Het perceel is ongeveer 38 meter breed en ongeveer 210 meter lang en is ontsloten vanaf de Kleidijk. De flexwoningen zullen maximaal 15 jaar op de locatie blijven staan. Het noordelijk deel van het perceel is gelegen in een veiligheidszone vanwege de nabijgelegen leidingenstrook. Dit betekent dat de woningen meer op het zuidelijke deel van het perceel dienen te komen. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied met geluidbelastingen vanwege weg, metro en industrie. Dat heeft ertoe geleid dat een verkaveling is onderzocht waarbij de bebouwing afschermend werkt, zodat er een meer geluidluwe binnenzijde ontstaat.

Door de woningen te stapelen en in twee L-vormige blokken te plaatsen, is deze afscherming gecreëerd. Er komt een L-blok met twee lagen (6 à 7 meter hoog) en een L-blok met drie lagen (9 à 10 meter hoog). Aan de zuidwestzijde van het perceel zal de weg komen en parkeren zal aan de noordzijde worden gesitueerd. In navolgende twee figuren zijn impressies van de toekomstige situatie weergegeven.

Figuur 2: Schets verkaveling (Bron: gemeente Albrandswaard, 29 augustus 2025).

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 4/13

Figuur 3: 3D impressie ter illustratie en indicatie (Bron: SYNRG)

Ad B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten In de omgeving van het projectgebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Ad C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van het project legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken zijn bouwmaterialen en grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. Behoudens de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. Ad D. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van onderhavig plan en toekomstige huishoudelijke en bedrijfsmatige afvalstoffen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ad E. verontreiniging en hinder In het kader van het bouwrijp maken en bij de bouw kan tijdelijk sprake zijn van verkeers- en/of geluidhinder door bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie.

Deze situatie is tijdelijk en vormt in principe geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage, tenzij deze emissies tot een aanzienlijk effect leiden. In de gebruiksfase worden ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Verder leidt dit project niet tot onevenredige aantasting van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 zijn eventuele milieugevolgen nader in beeld gebracht en worden de effecten in meer detail beoordeeld.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 5/13

Ad F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Het project voorziet niet in de realisatie van risicobronnen waardoor zware ongevallen en/of rampen kunnen ontstaan. In de directe omgeving zijn wel diverse risicobronnen aanwezig, waaronder transport van gevaarlijke stoffen over de A15 en spoorlijnen, een waterstoftankstation, een LPG-/benzinetankstation en een buisleidingenstraat met meerdere hogedrukleidingen. In paragraaf 3.3 wordt dit nader toegelicht als onderdeel van het aspect omgevingsveiligheid. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Gelet op de aard en omvang van de activiteit zijn risico’s van zware ongevallen en/of rampen beperkt en vormen deze geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad G. de risico’s voor menselijke gezondheid Het project leidt niet tot relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.

3.2 Plaats van het project Bij het criterium ‘plaats van het project’ moet de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn in overweging worden genomen: H. het bestaande (en goedgekeurde) grondgebruik; I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en de ondergrond ervan; J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden en het mariene milieu − berg- en bosgebieden − reservaten en natuurparken − gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd − speciale beschermingszones (Natura 2000 gebieden) door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) − gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Ad H.

het bestaande grondgebruik Het plangebied ken volgens het vigerend bestemmingsplan ‘Groene Kruisweg- Metrobaan’ de volgende bestemmingen en aanduidingen: • Enkelbestemming ‘Groen’; • Enkelbestemming ‘Water’; • Dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie - 1’ en ‘Waarde - Archeologie - 2’; • Dubbelbestemming ‘Leiding -Leidingstrook’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone - wijzigingsgebied 8’; • Gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’; • Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone - leiding’. De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie in gebruik als grasland. Rond het perceel loopt een watergang.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 6/13

Ad I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied ligt aan de noordzijde van Rhoon op de rand van het stedelijk gebied. Het gebied is onderdeel van het groene buffergebied tussen Rhoon en Rotterdam. De gronden binnen het plangebied bestaan uit grasland. Doordat het plangebied in het verleden langdurig in gebruik is geweest als akker, zal de bovengrond zijn omgeploegd. Het plangebied heeft dan ook geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, waardoor maar beperkt sprake is van kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen. In paragraaf 3.3 wordt nader ingegaan op de (potentieel) aanwezige natuurwaarden in de omgeving. Ad J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het plangebied is niet gelegen in of direct nabij een gebied dat een kwetsbaar natuurlijk milieu vertegenwoordigd. In het plangebied is wel een archeologische verwachting aanwezig, hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 3.3. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak ligt op ongeveer 15 kilometer afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 800 meter afstand van het plangebied.

Het plangebied en omgeving ligt niet in een gebied waar sprake is van een overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. 3.3 Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn in voorgaande paragrafen (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten • de aard van het effect • het grensoverschrijdend karakter van het effect • de intensiteit en de complexiteit van het effect • de waarschijnlijkheid van het effect • de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect • de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten • de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Het is daarbij niet noodzakelijk dat alle bovengenoemde aspecten aan de orde komen. 3.3.1 Archeologie en cultuurhistorie Potentiële effecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn met name gerelateerd aan verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden en aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied. Huidige situatie Voor de projectlocatie gelden twee archeologische beschermingsregimes.

Vlak bij de Kleidijk geldt op het perceel het beschermingsregime ‘Waarde – Archeologie – 1’ en voor de rest van het perceel geldt het beschermingsregime ‘Waarde – Archeologie – 2’. De bijbehorende beleidsregel is dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstorende ingrepen dieper dan 50 en 100 cm beneden het huidige maaiveld over een oppervlakte groter dan 100 en 200 m2. De projectlocatie ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop. Daarnaast ligt het niet in een beschermd molenbiotoop of een beschermd stads- en dorpsgezicht. Effecten ontwikkeling op archeologie en cultuurhistorie Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door IDDS in september 2025 een bureauonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er in het plangebied een middelgrote kans is op de aanwezigheid van archeologische

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 7/13

resten uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de (Late) Middeleeuwen. IDDS adviseert derhalve om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Uit het vervolgonderzoek moet blijken of er sprake is van archeologisch relevante eenheden. Cultuurhistorie Vanuit landschappelijk oogpunt maakt het perceel onderdeel uit van het grotere groene buffergebied tussen de noordzijde van Rhoon en het stedelijk gebied van Rotterdam. Doordat de woningen hier tijdelijk komen, is er geen permanente invloed op de bufferfunctie. Ook komt de bebouwing zuidelijk op het perceel, dicht bij de bestaande bebouwing aan de Kleidijk en niet los van de bebouwing achter op het terrein. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie geen negatieve effecten ontstaan. Conclusie De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot een negatief effect op eventueel aanwezige archeologische waarden en cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. 3.3.2 Bodemkwaliteit Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn niet te verwachten. Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die een mogelijk bodemrisico met zich meebrengt. Huidige situatie Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door IDDS in september 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek kan worden gesteld dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een significante verontreiniging van het grondwater. Er zijn vanuit de aspecten bodemen grondwaterkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen activiteit. Effecten voornemen De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek geven geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse. Het project voorziet niet in de realisatie van milieubelastende activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van de bodem. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de kwaliteit van de bodem. 3.3.3 Geluid Potentiële effecten ten aanzien van geluid zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen dat het plan met zich mee brengt en geluidhinder door de bedrijvigheid zelf. Huidige situatie In de huidige situatie vormt het plangebied geen bron voor productie van geluid. In de omgeving zijn wel diverse geluidbronnen aanwezig, zoals wegen, spoorwegen en activiteiten door bedrijven. Effecten voornemen Het project voorziet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen.

Vanwege de afstand tot omliggende bedrijven, (spoor)wegen en een metrolijn is er sprake van geluidsbelasting op de locatie. Het industrielawaai vanwege industrieterrein Waal-/Eemhaven is maatgevend voor de locatie. Ten behoeve van meerdere geluidsbronnen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz in augustus 2025. Hieruit blijkt dat de noordwest- en noordoostzijde van de woningen hoog geluidsbelast is door industrielawaai. Beoogd wordt hier een niet-

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 8/13

geluidgevoelige gevel met bouwkundige voorzieningen te realiseren, oftewel een dove gevel met lokale onderbrekingen. De uitwerking van dergelijke opties wordt in een later stadium nader gedetailleerd. Het plan biedt de mogelijkheid om door middel van bouwkundige maatregelen een geluidluwe zijde te realiseren. Conclusie Wanneer er geluidsbeperkende maatregelen worden getroffen bij de realisatie van de woningen kan geconcludeerd worden dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van geluid. 3.3.4 Geur Huidige situatie In en direct rondom het plangebied zijn geen bronnen aanwezig die geurhinder kunnen veroorzaken. Effecten voornemen Het project voorziet in de realisatie van geurgevoelige gebouwen. Gelet op de afwezigheid van geurbronnen in de omgeving leidt dit niet tot nadelige effecten. Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe bronnen die geurhinder kunnen veroorzaken. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van geur. 3.3.5 Gezondheid Huidige situatie Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.

De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Effecten voornemen Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten behandeld. Het project levert een positieve bijdrage door de toevoeging van kwalitatief goede, gezonde woningen en een groene inrichting van het terrein. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten. 3.3.6 Luchtkwaliteit Huidige situatie De luchtkwaliteit in en rondom het plangebied voldoet ruimschoots aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit (met name fijnstof en stikstofdioxiden relevant). Effecten voornemen Het project voorziet niet in de realisatie van installaties die emissie naar de lucht veroorzaken. Wel leiden de woningen tot verkeersbewegingen van en naar het plangebied.

Vanwege de omvang van het plan kan gesteld worden dat het plan voldoet aan de standaardgevallen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving die niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 9/13

Voor het project is de NIBM-tool ingevuld, waaruit blijkt dat er geen luchtkwaliteitsonderzoek benodigd is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de luchtkwaliteit. 3.3.7 Omgevingsveiligheid Potentiële effecten ten aanzien van omgevingsveiligheid zijn met name gerelateerd aan de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het gebied en/of de realisatie van risicovolle inrichtingen binnen het plan. Huidige situatie Het Register Externe Veiligheid (REV) is geraadpleegd om inzicht te krijgen in risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Uit de inventarisatie van risicobronnen blijkt dat diverse risicobronnen in de nabijheid van het plangebied liggen. Gelet op de afstand tot de risicobronnen zijn er geen directe beperkingen voor de ontwikkeling van flexwoningen in het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour (PR10-6) van de risicobronnen overlapt namelijk niet met het plangebied. Dat betekent dat kwetsbare gebouwen binnen het plangebied realiseerbaar zijn. Het meest maatgevend voor het overwegen van maatregelen is de buisleidingenstraat ten noordoosten van het plangebied. Als gevolg van een planologisch vastgestelde veiligheidszone is het realiseren van kwetsbare objecten in het noordoostelijk deel van het plangebied niet mogelijk. Daar is reeds mee rekening gehouden in het plan.

Effecten ontwikkeling op omgevingsveiligheid Het project voorziet in de realisatie van kwetsbare gebouwen. Gelet op de afwezigheid van risicobronnen in de omgeving leidt dit niet tot nadelige effecten. Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe bronnen die een risico vormen voor de omgevingsveiligheid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de omgevingsveiligheid. 3.3.8 Stikstof Potentiële effecten ten aanzien van stikstof zijn met name gerelateerd aan gebiedsbescherming binnen en direct rondom het plangebied van natuurgebieden. Huidige situatie Het plangebied betreft grasland. Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde NNN gebied bevindt zich ten westen van het plangebied op een afstand van circa 800 meter van het plangebied. De provincie Zuid-Holland past geen externe werking toe op NNNgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 15 kilometer afstand van het plangebied (Krammer-Volkerak). Er kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeeld hiervan zijn bijvoorbeeld de gevolgen van stikstofemissies.

Effecten ontwikkeling op gebiedsbeschermng Om de stikstofdepositie te bepalen is een AERIUS- berekening uitgevoerd. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet groter is dan 0,00 mol/ha/j op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura 2000- gebieden. Daarbij is uitgegaan van een maximum aantal verkeersbewegingen. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten met betrekking tot stikstof.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 10/13

3.3.9 Flora en fauna Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Effecten voornemen op soortenbescherming Voor het plangebied is een quickscan en effectenbeoordeling uitgevoerd om in beeld te brengen of er effecten zijn op eventueel aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied. Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied geen beschermde soorten zijn aangetroffen. Wel kunnen er rondom het plangebied mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en/of vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Door het treffen van maatregelen kunnen eventuele negatieve effecten worden gekomen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten voor flora en fauna. 3.3.10 Verkeer en parkeren Potentiële milieueffecten ten aanzien van verkeer en parkeren zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt en de realisatie van voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. Huidige situatie De locatie is momenteel een grasland en kent geen verkeersaantrekkende werking, er is geen sprake van parkeergelegenheid en -behoefte. Het perceel kent in de huidige situatie een aansluiting op de Kleidijk via een dam, vlak bij het bestaande gebouwtje.

Effecten ontwikkeling op verkeer Het plan leidt tot extra verkeer op de bestaande ontsluiting. Door de gemeente is een beoordeling gemaakt van de verkeersintensiteiten die de flexwoningen met zich mee zullen brengen. Op grond van het aantal van 7 woningen van ca. 42 m2 bvo en 63 woningen van ca. 25 m2 bvo en landelijke kencijfers uit de ASVV van CROW, zal het project ongeveer 123 motorvoertuigen per dag toevoegen aan de bestaande situatie. Op grond van de gemeentelijke parkeernormen zullen er 48 parkeerplaatsen op het terrein worden gerealiseerd om te voldoen aan de norm. Een aantal van 123 motorvoertuigen per dag is goed af te wikkelen op de bestaande Kleidijk en Achterdijk. De capaciteit van de wegen biedt voldoende ruimte. Door het project komen er geen nieuwe knelpunten en doet geen afbreuk aan de leefbaarheid in de omgeving van het plangebied. Wel is in de vormgeving van de uitrit belangrijk dat er voldoende zicht is op de beide richtingen op de Kleidijk, mede vanwege het fietsverkeer. Het omliggende wegennetwerk heeft voldoende capaciteit om de toename aan verkeer op te vangen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeer en parkeren geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

3.3.11 Water Potentiële effecten ten aanzien van water betreffen met name de waterkwaliteit, noodzaak tot waterberging, behandeling van regen- en afvalwater, etc. Huidige situatie De locatie is momenteel een grasland. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta. De watergangen rond de projectlocatie en een zone hieromheen kennen een beperkingengebied. Om

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 11/13

schade te voorkomen aan de watergangen gelden voor verschillende activiteiten zoals bouwen, graven, lozen of het planten van bomen gelden aanvullende eisen en een vergunningsplicht. Effecten voornemen Met het project wordt rekening gehouden met de bestaande watergangen. Er zal geen nieuwe bebouwing komen binnen de beschermingszone. Wel zal mogelijk aanpassing van de toegang nodig zijn aan de zijde van de Kleidijk. Op grond van de conceptverkaveling zijn drie opties verkend om voldoende waterberging te creëren, te weten: 1. Verbreden van één watergang; 2. Verbreden beide watergangen; 3. Realiseren waterplas. Alle drie de opties zijn binnen het bestaande bestemmingsplan toegestaan. Er dient enkel rekening gehouden te worden met de regels uit de Waterschapsverordening en er zal een vergunning voor de wateractiviteiten nodig zijn. Op grond van de exacte inrichting van het terrein en de oppervlakte aan bebouwing en verharding, zal de oplossing gekozen worden en de benodigde vergunning worden verkregen. Op die manier kan worden voldaan aan de compensatie voorwaarde. Conclusie Bij het indienen van de omgevingsvergunning bouwen levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult. Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 12/13

4

Conclusies en advies

In tabel 4.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het noodzakelijk is om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Tabel 4.1: Samenvatting milieueffecten (milieu)thema

Conclusie beoordeling potentiële effecten

Opstellen MER noodzakelijk?

Archeologie en cultuurhistorie

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en Nee cultuurhistorie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Bodem

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Flora en fauna

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna geen Nee belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Geluid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Geur

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geur geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Gezondheid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van gezondheid geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Luchtkwaliteit

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen Nee belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Omgevingsveiligheid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van omgevingsveiligheid geen Nee belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Stikstof

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van stikstof geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Verkeer en parkeren

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeer en parkeren geen Nee belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Water

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke Nee nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Op basis van de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Wanneer er geen aanzienlijke milieueffecten zijn is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om milieueffectrapport (MER) op te stellen. Geadviseerd wordt om op basis van deze aanmeldnotitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapport (MER) nodig is.

datum referentie

23 september 2025 252032_AdB_RAP_0001_v1.0

P 13/13

Achterdijk Kleidijkte Rhoon Milieuhygiënisch vooronderzoek Waterbodemonderzoek

Kenmerk Datum

: :

A6424-06/NEV/rap2 10 september 2025

Opdrachtgever

: : : :

Gemeente Albrandswaard Dhr. R. Nijdam 3161 KP, Stationsstraat 4 Rhoon

Goedkeuring

Functie

Datum

Mevrouw N. Evans (Adviseur milieu)

Opsteller, auteur

10-9-2025

De heer C. Manuels (Projectleider)

2e lezerschap en vrijgave

10-9-2025

Handtekening

BRL SIKB 2000 protocol 2003

INHOUDSOPGAVE

INLEIDING ........................................................................................................................................... 4 MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 5 2.1

BASIS MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK ........................................................................ 5

2.2

TERREINVERKENNING ................................................................................................................ 9

2.3

CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING .................................................................................. 10

VERKENNEND WATERBODEMONDERZOEK ................................................................................ 11 3.1

ONDERZOEKSSTRATEGIE ........................................................................................................ 11

3.2

UITVOERING VELDONDERZOEK .............................................................................................. 11

3.3

UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ........................................................................... 12

3.4

TOETSINGSKADER..................................................................................................................... 14

3.5

TOETSING HYPOTHESE ............................................................................................................ 15

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 16 4.1

CONCLUSIES .............................................................................................................................. 16

4.2

AANBEVELINGEN ....................................................................................................................... 16

BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 17

Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 2 van 17

BIJLAGEN

1. 1.1 1.2

Kaarten en tekeningen Topografische kaart Situatietekening

2. 2.1 2.2

Vooronderzoek Rapportage omgevingsdienst Fotoreportage

3. 3.1 3.2

Veldonderzoek Formulieren veldonderzoek Boorstaten en legenda

4. 4.1

Laboratoriumonderzoek Certificaten slib en vaste waterbodem

5. 5.1 5.2

Toetsingstabellen Toetsingstabellen slib en vaste waterbodem Toetsingstabellen PFAS

Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 3 van 17

INLEIDING In opdracht van de Gemeente Albrandswaard is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een milieukundig waterbodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan staat bekend als Kleidijk-Achterdijk (afbeelding 1).

Afbeelding 1: Onderzoeksgebied (bron: QGIS)

Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband de voorgenomen demping van de huidig aanwezige watergangen. Het doel van het onderzoek is meerledig, te weten: 

Het verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit en toepassingsmogelijkheden van de waterbodem en de daaruit vrijkomende baggerspecie; Het vaststellen van de kwaliteit van de toekomstige ontvangende bodem.

Verklaring onafhankelijkheid IDDS verklaart hierbij onafhankelijk te zijn van de opdrachtgever en geen belang te hebben bij de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Leeswijzer De resultaten van het vooronderzoek en de onderzoeksopzet in hoofdstuk 2 beschreven. De keuze van de opzet van het onderzoek is onder meer afhankelijk van de totale lengte / oppervlakte van de watergangen, het (historische) gebruik alsmede de voorgenomen toepassing dan wel verspreiding van het vrijkomende materiaal. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend waterbodemonderzoek stapsgewijs besproken. Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 4 van 17

hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoekresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies ten aanzien van het verrichte onderzoek weergegeven en zijn tevens aanbevelingen gedaan. In hoofdstuk 5 zijn de factoren toegelicht, die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK Voorafgaand aan een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720:2023 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek voor waterbodem te worden uitgevoerd conform de NEN 5717:2023. Het doel van het milieuhygiënisch vooronderzoek waterbodem is een uitspraak te doen over de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem, de daaruit vrijkomende baggerspecie en eventueel overige relevante gegevens zoals de aanwezigheid van kwetsbare objecten en eventuele obstakels op de locatie en in de directe omgeving. Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek. De resultaten van het vooronderzoek worden gebruik ter bepaling van de aanwezigheid van verontreinigingen en opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem, de daaruit vrijkomende baggerspecie en/of de nieuwe waterbodem na ontgraving. 2.1

BASIS MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK

TABEL 2.1.1: Afbakening onderzoeksgebied Opdrachtverstrekking Opdrachtverstrekking Opdrachtgever Kenmerk opdrachtverstrekking

Gemeente Albrandswaard -Off-FlexwoningenAlbrandswaard-02

Afbakening onderzoekslocatie Situering

Globale ligging: zie overzichtskaart 1.1 in bijlage 1. Begrenzing onderzoekslocatie: zie situatietekening 1.2 in bijlage 1.

Adres

Kleidijk-Achterdijk

Postcode / Plaats

3161 EC, Rhoon

Gemeente

Albrandswaard

Provincie

Zuid-Holland

RD-coördinaten

Omschrijving

Globaal middelpunt onderzoekslocatie

X

89.324

Y

431.156

Hoogte maaiveld

Z

Circa 1,06 m -NAP

Kadastraal

Gemeente

Albrandswaard

Gemeentecode

RHO00

Sectie

A

Nummers

4245

Beheerder oppervlaktewater watergang 1 Naam

Provincie Zuid-Holland

Adres

https://www.zuid-holland.nl/

Legger

https://wshd.maps.arcgis.com/

Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 5 van 17

Beheerder oppervlaktewater watergang 2 Naam

Eigenaar perceel A. 4245

Legger

https://wshd.maps.arcgis.com/

TABEL 2.1.2: Overzicht beschikbare relevante gegevens oppervlaktewater Informatie watergang locatie 1 Identificatienummer

T33345

Categorie

Sloot

Kaart watersysteem en omgeving

Afbeelding 2: Watersysteem (bron: Waterschap Hollandse Delta) Gemiddelde breedte op waterlijn

0,40 m

Oppervlakt e / lengte

Gehele watergang

Ca. 210 m

Te onderzoeke n deel

Ca. 210 m

Watertype

Lintvormig water

Sedimentatiepatroon

Sediment omvat het slib en de ondergelegen oorspronkelijke waterbodem. Verwacht wordt dat het sedimentatiepatroon bestaat uit een laag slib met daaronder de vaste waterbodem bestaande uit klei.

Kunstwerken binnen onderzoeksgebied

Onder een kunstwerk wordt onder andere verstaan een dam, sluis, gemaal, stuw, grondduiker/sifon, duiker/inlaatduiker.

Asbest

Er is geen informatie beschikbaar omtrent een eventuele verdenking op de aanwezigheid van asbest in de waterbodem. Opgemerkt wordt dat, indien in de waterbodem sprake is van een puinbijmenging, de locatie, ongeacht de gradatie van het puin, dient te worden aangemerkt als asbestverdacht.

Aanwezige beschoeiing

Ja

Eerder verricht milieuhygiënisch voor- en of waterbodemonderzoek

Er is (voor zover bekend) eerder geen milieuhygiënisch voor- en/of waterbodemonderzoek uitgevoerd.

Aanwijzing voor aanwezigheid overschrijding interventiewaarde

Geen gegevens beschikbaar.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 6 van 17

Informatie watergang locatie 2 Identificatienummer

T30098

Categorie

Sloot

Kaart watersysteem en omgeving

Afbeelding 2: Watersysteem (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland) Gemiddelde breedte op waterlijn

0,40 m

Oppervlakt e / lengte

Gehele watergang

Ca. 232 m

Te onderzoeke n deel

Ca. 232 m

Watertype

Lintvormig water

Sedimentatiepatroon

Sediment omvat het slib en de ondergelegen oorspronkelijke waterbodem. Verwacht wordt dat het sedimentatiepatroon bestaat uit een laag slib met daaronder de vaste waterbodem bestaande uit klei.

Kunstwerken binnen onderzoeksgebied

Onder een kunstwerk wordt onder andere verstaan een dam, sluis, gemaal, stuw, grondduiker/sifon, duiker/inlaatduiker.

Asbest

Er is geen informatie beschikbaar omtrent een eventuele verdenking op de aanwezigheid van asbest in de waterbodem. Opgemerkt wordt dat, indien in de waterbodem sprake is van een puinbijmenging, de locatie, ongeacht de gradatie van het puin, dient te worden aangemerkt als asbestverdacht.

Aanwezige beschoeiing

Nee

Eerder verricht milieuhygiënisch voor- en of waterbodemonderzoek

Er is (voor zover bekend) eerder geen milieuhygiënisch voor- en/of waterbodemonderzoek uitgevoerd.

Aanwijzing voor aanwezigheid overschrijding interventiewaarde

Geen gegevens beschikbaar.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en waterbodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap2

Pagina 7 van 17

Specifieke toetsaspecten basis milieuhygiënisch vooronderzoek De onderzoekslocatie is aan te merken als zijnde klein regionaal oppervlaktewater. Ten behoeve van het milieuhygiënisch vooronderzoek dienen de specifieke toetsaspecten te worden onderzocht om vast te stellen of sprake is van diffuse of specifieke belasting uit het verleden en heden. TABEL 2.1.3: Overzicht toetsaspecten Specifieke toetsaspecten klein regionaal oppervlaktewater Aspect

Uitwerking

Beïnvloeding onderzoekslocatie door puntbronnen

De onderzoekslocatie grenst aan kassen/landbouwgrond. Mogelijk zijn hier bestrijdingsmiddelen (OCB) toegepast.

Bijvoorbeeld (niet gelimiteerd): lozingen vanuit bebouwd gebied, bedrijven, baggerdepots, stortplaatsen, rioolwateroverstorten, kassen‐ en/of industriegebied, op‐ en overslagactiviteiten of aangrenzende landbodemverontreinigingen Beïnvloeding onderzoekslocatie door ongewone voorvallen

-

Beïnvloeding door regelmatige beroeps‐ of pleziermotorvaart

-

Onderzoekslocatie grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 500 voertuigen per dag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3806/documents/34736