Memo stedenbouw tav voorstel Oud Rhoonsedijk 33 d.d. 13 januari 2022.pdf
Tekst van het document
Memo: Aan: Van: Datum: Onderwerp:
Marco de Brabander Christian Quist 13 januari 2022 Oud Rhoonsedijk 33
Plan Slopen van 1 woning en bijgebouwen en het bouwen van 2 woningen.
Figuur 1. Schets van het plan met de 2 nieuwe woningen aan de linkerkant
Locatie Waar ligt het? Wat zijn de kaders? De kavels liggen aan de Oud Rhoonsedijk. Dit is een dijklint tegen Rhoon Noord aan. De woningen hebben hun adres wel in Poortugaal want de dorpsgrens ligt van oudsher op de dijksloot aan de oostzijde van de dijk. Voor dit bouwplan is het beeldkwaliteitsplan Albrandswaard Noord van toepassing.
Beeldkwaliteitsplan Albrandswaard Noord Kernwaarden (p. 29)
Landelijke karakter (karakteristiek landschap en bebouwing) van het gebied behouden en versterken Bebouwing heeft een bescheiden uitstraling, en is onderdeel van het landschap De korrelgrootte van de bebouwing is overwegend kleinschalig. Daar waar ruimte en het karakter van de plek het toelaten, kunnen incidenteel grotere bouwvolumes/schuren
(landschappelijk) worden ingepast. Grootschalige (bedrijfs)bebouwing doet te veel afbreuk aan het landschap en is dan ook niet passend in dit gebied. Veel aandacht voor de (erf)beplanting, deze is beeldbepalend en zorgt voor een landschappelijke inpassing Aansluiten bij de karakteristiek en sfeer van de dijklinten (melodielijnen) en deelgebieden (bostypen) Beleefbaarheid van het landschap en cultuurhistorie vergroten en verbeteren Ruimte laten om te leven en werken op het erf, rondom het huis. Het erf hoeft er niet ‘aangeharkt’ uit te zien, maar moet wel bescheiden zijn in maat, schaal en uitstraling en landschappelijk zijn ingepast.
Melodielijn Oud Rhoonsedijk wordt bepaald door dijkwoningen aan de dijk die afwisselende dakrichtingen heeft. Soms is deze haaks op de dijkrichting soms parallel aan de dijkrichting. De kavels liggen midden in de melodielijn en de afwisseling is ook in dit plan mogelijk.
Algemene spelregels (p. 50-51) Verschijningsvorm
De bebouwing is ondergeschikt aan het landschap, de erfbeplanting is beeldbepalend Ondanks sterke onderlinge overeenkomsten is elk gebouw uniek, er wordt niet seriematig gebouwd Gebouwen zijn vormgegeven als heldere eenvoudige volumes Er is een duidelijk verschil tussen het hoofdgebouw (woning) en de bijgebouwen (garage, schuur) De korrelgrootte (schaal) van de bebouwing past bij de sfeer, maat en schaal van het landschap
Positie en oriëntatie
De positie van de bebouwing op de kavel is zorgvuldig gekozen, met aandacht voor de omgeving en de beleving en zicht op en over het landschap Het hoofdgebouw is georiënteerd op de weg, bijgebouwen staan achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw De bebouwing volgt de richting van het landschap
Bouwhoogte en kapvorm
De bebouwing bestaat uit een bouwlaag met een kap De kap is beeldbepalend Het type kap is streekeigen (zadeldak, mansardekap, knikdak) De grootte en hoogte van de kap passen bij de sfeer, maat en schaal van het landschap
Materiaal- en kleurgebruik
Materiaal- en kleurgebruik zijn terughoudend en in onderlinge overeenstemming Er worden streekeigen materialen toegepast, in natuurlijke en gedekte (Oud Hollandse) kleuren
Organisatie erf
In het buitengebied spreken we over het algemeen van erven, niet over kavels Er wordt op eigen terrein geparkeerd Geparkeerde auto’s staan achter de voorgevellijn, zoveel mogelijk uit het zicht Opslag en vuilcontainers hebben een plek op eigen terrein, zoveel mogelijk uit het zicht
Beplanting en erfinrichting
Het traditionele erf heeft een hiërarchische indeling, zowel voor bebouwing als voor beplanting. Het woon- en het werkgedeelte hebben een ander type beplanting: de beplanting van het woongedeelte is meer gecultiveerd en tuinachtig, de beplanting van het werkgedeelte is meer natuurlijk en landschappelijk. Maak op de erfgrenzen gebruik van streekeigen beplanting zoals hagen, houtwallen en windsingels, passend bij de sfeer van het deelgebied. De voortuin kan op de plek van de entree met een bescheiden sierhekwerk worden verbijzonderd
Aanvullende spelregels (p. 52-53) Verschijningsvorm
Kleinschalige individuele bebouwing, boven of onderaan de dijk, afgewisseld met doorzichten naar het achtergelegen open landschap Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en ogen kleiner De architectuur van de aan- en bijgebouwen is afgestemd op de stijl van het hoofdgebouw
Positie en oriëntatie
De positie van de bebouwing op de kavel (bijvoorbeeld boven- of onderaan de dijk) is zorgvuldig gekozen en afgestemd op de situatie (dijklint/dubbellint, een-/ tweezijdig, doorzichten) De richting van de hoofd- en bijgebouwen is evenwijdig aan de dijk
Kap en bouwhoogte
De bebouwing bestaat uit een bouwlaag met een kap (nok en goothoogte) De woning bovenaan de dijk heeft een bouwlaag, ten opzichte van het dijkniveau. Dit kan betekenen dat er aan de achterzijde, onderaan de dijk, sprake kan zijn van twee bouwlagen, afhankelijk van de hoogte van de dijk Dakkapellen ogen als een toevoeging, de nok en randen van het dak zijn altijd zichtbaar
Materiaal- en kleurgebruik
Dijkwoningen zijn doorgaans van (gepleisterde/gekeimde) baksteen, of (zwart gepotdekselde) houten delen. De kap bestaat uit keramische pannen of riet
Organisatie erf
Wanneer de woning iets verder terug in het talud staat, blijft het dijklichaam herkenbaar. De ruimte tussen dijk en woning wordt niet opgevuld Er wordt op eigen terrein geparkeerd, onderaan de dijk bij voorkeur uit het zicht
Beplanting en erfinrichting
Plaats waar mogelijk een mooie solitaire boom, bijvoorbeeld een paardenkastanje of walnoot (tuinbeplanting) aan de voorzijde van het erf Benadruk de knik bovenaan de dijk met een knie- tot heuphoge haag. Ook daar waar de woning niet pal tegen de weg op de dijk staat, is het mooi nog een haag tussen woning en weg toe te voegen Kavelgrenzen op het talud van de dijk eventueel ook met hagen beplanten. Gebruik geen coniferen of hekwerken Voeg als deze ruimte het toelaat eventueel leilindes toe tussen woning en weg (tuinbeplanting) Beplant dijken eventueel met fruitbomen De onderzijde van de dijk is de informele kant van het dijkerf. Begrens de kavel aan deze zijde (achterzijde) met een sloot. Plant hierlangs, als solitaire bomen of als scherm (in het gelid of nonchalant her en der), inheemse informele soorten als (knot-)wilg, els, es, populier (landschappelijke beplanting).