Bijlage 4_Keuzemogelijkheden Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.pdf
Tekst van het document
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 Hoofdstuk 1. Algemeen............................................................................................... 4 Paragraaf 1.1. Algemeen ........................................................................................ 4 Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen.................................................................... 4 Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning.................................................................... 7 Paragraaf 2.1. Algemeen ........................................................................................ 7 Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad ........................................ 8 Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden ...................................................... 8 Artikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning ................................ 8 Artikel 2.1.4. Beoordeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning ...... 9 Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning ..................................... 9 Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties .................... 10 Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf ..................................................... 10 Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties ................... 10 Artikel 2.2.3.
Openbaar aanbod en het aanbodinstrument ................................ 10 Artikel 2.2.4. Direct aanbod ............................................................................... 10 Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen................................................................... 11 Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) .............................................................................. 12 Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijk gebondenheid .................................................................................................... 13 Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen ........................................... 13 Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod .......................................................................................................................... 13 Paragraaf 2.3. Te koop aanbieden van nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte [optioneel: gemeente kan deze paragraaf wel of niet overnemen] .... 14 Artikel 2.3.1. Reikwijdte van deze paragraaf ..................................................... 14 Artikel 2.3.2. Bekendmaking van het aanbod van woonruimte .......................... 15 Artikel 2.3.3.
Aanbieden van de woonruimte aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt ........................................................... 15 Artikel 2.3.4. Regels over het verslag over het verloop van de aanbiedingsprocedure ....................................................................................... 15 Artikel 2.3.5. Voorrang van categorieën woningzoekenden ............................... 16 Artikel 2.3.6. Aanvullende bepalingen over de aanvraag om een huisvestingsvergunning ..................................................................................... 16 Paragraaf 2.4. Te huur aanbieden van overige woonruimte [optioneel: gemeente kan deze paragraaf wel of niet overnemen] .......................................................... 16 Artikel 2.4.1. Reikwijdte van deze paragraaf ..................................................... 16 Artikel 2.4.2. Bekendmaking van het aanbod van woonruimte .......................... 16
Artikel 2.4.3. Aanbieden van de woonruimte aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt ........................................................... 17 Artikel 2.4.4. Regels over het verslag over het verloop van de aanbiedingsprocedure ....................................................................................... 17 Artikel 2.4.5. Voorrang op basis van inkomen ................................................... 18 Artikel 2.4.6. Aanvullende bepalingen over de aanvraag om een huisvestingsvergunning ..................................................................................... 18 Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring .......................................................................... 18 Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring ................................................................................................. 18 Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring ................... 18 Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring ....................................... 18 Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden....................................................................... 19 Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden ....................................................................... 21 Artikel 3.1.5.
Wijzigingsgronden ........................................................................ 22 Artikel 3.1.6. Advisering ..................................................................................... 22 Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule ........................................................................ 22 Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring ............................... 22 Artikel 3.2.1. Werking van de urgentieverklaring ............................................... 22 Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring ................................................. 23 Artikel 3.2.3. Het woonruimtetype ...................................................................... 24 Artikel 3.2.4. Slaapkameraantal ......................................................................... 24 Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring ................................................................................................. 25 Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie ....................... 25 Artikel 3.3.2. Zelf zoeken door de houder van de urgentieverklaring ................. 25 Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring .................. 26 Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën .................................................................
26 Artikel 3.4.1. Mantelzorg .................................................................................... 26 Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek ........................... 27 Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen ................................................ 27 Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid ...................................................................... 29 Artikel 3.4.5. Woonlasten ................................................................................... 29 Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging ................................................................... 29 Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering ...................... 30 Artikel 3.4.8. Vergunninghouders ...................................................................... 30 Hoofdstuk 4. Standplaatsen...................................................................................... 31 Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen ................................................................... 31
Artikel 4.1.1. Werkingsgebied ............................................................................ 31 Artikel 4.1.2. Aanvullende begripsomschrijvingen ............................................. 31 Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen ............................ 31 Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad ...................................... 31 Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden .......................................................................................................................... 31 Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden....................................................................................... 31 Artikel 4.2.4. Verlening van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen ..... 32 Artikel 4.2.5. Overgangsbepaling [optioneel: gemeente kan deze bepaling wel of niet overnemen] ................................................................................................. 33 Hoofdstuk 5. Overige bepalingen ............................................................................. 33 Paragraaf 5.1. Experimenten ................................................................................ 33 Artikel 5.1.1. Experimenten ...............................................................................
33 Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst ......................................................... 33 Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming .......................................... 34 Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties ............................................................................ 34 Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring ....................................... 34 Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten ....................... 34 Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling .................................. 34 Paragraaf 5.3. Handhaving ................................................................................... 35 Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete ......................................................................... 35 Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen ............................................................. 35 Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen ................................................................... 35 Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen ............................................. 35 Artikel 6.1.2.
Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep .......................................................................................................................... 35 Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen ......................... 36 Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling voor huisvestingsvergunningen .................... 36 Paragraaf 6.2. Slotbepalingen ............................................................................... 36 Artikel 6.2.1. Intrekking van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 ................................................................................................. 36 Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel ....................................................... 37 Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen ....................................................... 38
Toelichting: In de verordening is het overgrote deel van de tekst voor alle regiogemeenten gelijk. Toch zijn er een aantal keuzemogelijkheden: - Het wel of niet verordenen van bepaalde woningmarktsegmenten (behalve de woningen van de woningcorporaties die onder de liberalisatiegrens vallen, die maken altijd deel uit van deze verordening). De keuze wordt gemaakt in artikel 2.1.1. en heeft invloed op het wel of niet behouden van paragrafen 2.3. en 2.4. en het wel of niet toevoegen van een extra paragraaf (of extra paragrafen) na paragraaf 2.4.; - Het wel of niet opnemen van artikel 4.2.5.; - Het toevoegen van aanvullende voorwaarden voor het verlenen van een huisvestingsvergunning voor standplaatsen (artikel 4.2.4., lid 2); - Het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes (artikel 5.3.1., lid 2 en lid 3). In bijlage 1 van het raadsvoorstel is de verordeningstekst te vinden zoals wordt voorgesteld om vast te stellen. Hierin zijn de voorgestelde keuzes dus al verwerkt. In dit document zijn de verschillende keuzemogelijkheden nog zichtbaar. Op de plaatsen waar keuzes mogelijk zijn is de tekst geel gearceerd. Bovendien is er bij elke keuzemogelijkheid een tekstvak zoals deze toegevoegd, om nadere uitleg te geven en/of de gemaakte keuze(s) toe te lichten.
Intitulé Besluit van de raad van de gemeente Albrandswaard houdende regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte (Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024) De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 april 2025 en het rapport Schaarste in Albrandswaard van 6 september 2024 waaruit blijkt dat sprake is van onevenwichtige effecten van schaarste aan woonruimte; gelet op artikel 4, onder a, van de Huisvestingswet 2014; BESLUIT vast te stellen de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. Hoofdstuk 1. Algemeen Paragraaf 1.1. Algemeen Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
1. aanbodinstrument: via een website toegankelijke elektronische systeem waarmee aanbod en vraag van woonruimte bij elkaar wordt gebracht; 2. bemiddelingsmodel: een systeem waarmee de corporatie bepaalt in welke volgorde woningzoekenden voor huur van aangeboden woonruimte in aanmerking komen; 3. bindingsdoelgroep: de woningzoekenden die behoren tot één of meer van de in artikel 14 van de wet bedoelde groepen woningzoekenden; 4. bruto-vloeroppervlakte: bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; 5. corporatie: een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet of een gemeente die woonruimte te huur aanbiedt; 6. direct aanbod: het door een corporatie rechtstreeks aan een specifieke woningzoekende te huur aanbieden van woonruimte; 7. eerste fase van de urgentie: de fase van de urgentie die aanvangt op het moment dat de urgentieverklaring is verleend en eindigt nadat de zes daaropvolgende maanden zijn verstreken; 8. economisch gebonden: economisch gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a, van de wet; 9. eigen toegang: afsluitbare toegang tot uitsluitend één woonruimte vanuit: a. het openbaar gebied of direct aan het openbaar gebied toegankelijk erf zoals een voortuin; of, b. een door meerdere woonruimten gedeelde verkeersruimte zoals een trappenhuis of portiek; 10. gemeente: gemeente Albrandswaard; 11.
herkomstgemeente: de regiogemeente waar de aanvrager woonachtig was, direct voorafgaand aan huisvesting in een voorziening, instelling of inrichting als bedoeld in artikel 3.4.3; 12. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen; 13. inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Wet op de huurtoeslag; 14. inkomensgrens: de inkomensgrens bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; 15. liberalisatiegrens: het bedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; 16. meerderjarige: een persoon die de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, of, indien de leeftijd van 18 nog niet is bereikt: a. die meerderjarig is verklaard met toepassing van artikel 235ha van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; b. aan wie met handlichting als bedoeld in artikel 235 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid tot het sluiten van huurovereenkomsten of koopovereenkomsten voor woonruimte is toegekend; 17.
maatschappelijk gebonden: maatschappelijk gebonden als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b, van de wet;
18. onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft of niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; 19. openbaar aanbod: het door een corporatie via het aanbodinstrument te huur aanbieden van woonruimte voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte; 20. passende woonruimte: woonruimte die gelegen is in het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype; 21. passendheidsdoelgroep: een overeenkomstig artikel 11 van de wet aangewezen gedeelte van de overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de wet in deze verordening aangewezen categorie woningzoekenden die in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte voorrang hebben bij de verlening van huisvestingsvergunningen; 22. reactie: de reactie waarmee een woningzoekende via het aanbodinstrument aangeeft, dat hij in aanmerking wenst te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangeboden woonruimte; 23. regio: de woningmarktregio bestaande uit de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee; 24. regiogemeente: een gemeente die deel uitmaakt van de regio; 25.
slaapkameraantal: het in het woonruimtetype opgenomen slaapkameraantal; 26. studentenwoning: woonruimte van een corporatie die met toepassing van het bepaalde in artikel 7:274d van het Burgerlijk Wetboek bestemd is voor bewoning door studenten; 27. tweede fase van de urgentie: de fase van de urgentie die start op het moment dat de eerste fase van de urgentie eindigt; 28. uitverhuisperiode: de periode die gelegen is tussen het verlenen van de urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, en de in die urgentieverklaring genoemde datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben; 29. urgentiecategorie: een urgentiecategorie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet; 30. urgentiecriteria: de criteria volgens welke de woningzoekenden ingedeeld worden in de in paragraaf 3.4 bedoelde urgentiecategorieën; 31. urgentieverklaring: de beschikking waarmee een woningzoekende door het college van burgemeester en wethouders worden ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12 van de wet; 32. voorkeursurgentieregio: de urgentieregio waarvan de houder van de urgentieverklaring bij het indienen van de aanvraag heeft aangegeven bij voorkeur te willen wonen; 33. wet: de Huisvestingswet 2014; 34.
woonruimtetype: het woonruimtetype als bedoeld in artikel 3.2.3; 35. zelfstandige woonruimte: woonruimte die geen onzelfstandige woonruimte is; 36. zoekgebied: het als onderdeel van het zoekprofiel in de urgentieverklaring op te nemen deel van de regio waarin een woonruimte gelegen moet zijn; 37. zoekprofiel: de in de urgentieverklaring op te nemen eigenschappen waaraan een woonruimte moet voldoen zodat aan de houder van de urgentieverklaring de in
artikel 12, eerste lid, van de wet bedoelde voorrang kan worden gegeven bij de verlening van een huisvestingsvergunning voor die woonruimte. Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning Paragraaf 2.1. Algemeen Toelichting: Naast het verordenen en daarmee vergunningplichtig stellen van woningen van woningcorporaties onder de liberalisatiegrens, wordt het voor gemeenten als optie gegeven om ook andere woningmarktsegmenten te verordenen (zie artikel 2.1.1. hieronder). Voor het verordenen van niet-corporatiehuur onder de liberalisatiegrens (onder b) en nieuw te bouwen woonruimten die vallen onder de grens van betaalbare koop (onder c) zijn in deze verordening alvast teksten opgenomen. De gemeenten die ervoor kiezen om deze woningmarktsegmenten in hun verordening op te nemen gebruiken vervolgens dus dezelfde verordeningstekst, te weten paragrafen 2.3. en 2.4. Hiervoor is bij het opstellen van de verordening door het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam gekozen, om ervoor te zorgen dat het verordenen op een zo eenduidig mogelijke wijze gebeurt, zodat woningzoekenden in de regio zoveel mogelijk gelijk worden behandeld. Naast het verordenen van deze twee woningmarktsegmenten staat het gemeenten vrij om andere categorieën woonruimte te verordenen (onder d). Hiervoor is geen standaardtekst in de verordening opgenomen.
In de voorgestelde verordeningstekst, bijlage 1 bij het raadsvoorstel, is ervoor gekozen om naast het verplichte deel (onder a) geen andere woningmarktsegmenten te verordenen. Het wel verordenen van deze segmenten kan een voordeel opleveren voor woningzoekenden uit de gemeente of de regio. Maximaal 50% van deze woningen mag dan namelijk met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden met maatschappelijke of economische binding aan de gemeente, een deel van de gemeente, of de regio. Het verordenen brengt echter ook veel werk en daarmee kosten met zich mee. Voor alle woningen die binnen het verordende woningmarktsegment vallen, moet namelijk een huisvestingsvergunning worden verleend. Het opzetten van de uitvoering daarvan en het behandelen van de aanvragen zorgt o.a. voor een hogere werkdruk bij de afdeling vergunningverlening. Ook gaat het verordenen van meerdere woningmarktsegmenten ten koste van een stuk vrije vestiging. Op dit moment valt niet te zeggen of de kosten opwegen tegen de baten. Het voorstel is daarom om het verordenen van andere woningmarktsegmenten dan de onder a bedoelde woningen niet toe te passen binnen onze gemeente, maar eerst nader onderzoek te doen naar de kosten en de baten. Het is mogelijk om er vervolgens toch voor te kiezen om, d.m.v. een wijzigingsbesluit, ook andere woningmarktsegmenten binnen deze verordening vergunningplichtig te stellen.
Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad 1. De volgende categorieën woonruimte zijn aangewezen als bedoeld in artikel 7 van de wet en mogen alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend [KIEZEN:]: a. alle voor verhuur bestemde woonruimten van corporaties met een huurprijs tot de liberalisatiegrens; b. alle voor verhuur bestemde woonruimten met een huurprijs tot de liberalisatiegrens, voor zover het betreft andere woonruimten dan bedoeld a; c. alle nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimten met een koopprijs van ten hoogste € 390.000; d. [optie om andere categorieën woonruimte toe te voegen]. 2. In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op: a. onzelfstandige woonruimte, voor zover deze rechtmatig als onzelfstandige woonruimte gebruikt wordt; b. woonwagens en standplaatsen; c. studentenwoningen; d. woonruimte die met toepassing van de Leegstandwet verhuurd wordt; e. woonschepen; f. woonruimte die in verband met aanstaande sloop of ingrijpende renovatie op basis van een tijdelijke huur- of gebruiksovereenkomst in gebruik wordt genomen voor bewoning. 3.
Indien de in artikel 7, tweede lid, van de wet genoemde koopprijsgrens overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de wet bij ministeriele regeling met ingang van een kalenderjaar is aangepast, geldt met ingang van dat kalenderjaar in plaats van het in het eerste lid, onder c, genoemde bedrag, de voor dat kalenderjaar ingevolge artikel 7, vierde lid, van de wet geldende koopprijsgrens. 4. Onder nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt tevens verstaan voor verkoop bestemde woonruimte die ontstaat door transformatie van een gebouw of deel van een gebouw in tien of meer woonruimten. Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden De volgende categorieën woningzoekenden komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking: a. woningzoekenden die deel uitmaken van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; b. woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring. Artikel 2.1.3. De aanvraag om een huisvestingsvergunning 1. Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning verstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende informatie, gegevens en bescheiden: a. de samenstelling van het huishouden waarmee de aanvrager de woonruimte wil betrekken; b. het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; c.
voor zover dat niet uit de in het tweede lid bedoelde legitimatiebewijzen blijkt: bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager en de leden van diens
huishouden voldoen aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de wet en behoren tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; d. stukken waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat het huishouden van de aanvrager na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; e. de over het afgelopen belastingjaar door de Belastingdienst afgegeven inkomensverklaring. 2. De aanvrager kan door het college van burgemeester en wethouders verzocht worden om diens legitimatiebewijs en dat van de leden van diens huishouden te tonen. 3. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om huisvestingsvergunning binnen veertien dagen na de dag van ontvangst daarvan. 4. De in het vorige lid bedoelde termijn kan éénmaal met ten hoogste veertien dagen verlengd worden. 5. Het college van burgemeester en wethouders kan per in artikel 2.1.1 aangewezen categorie woonruimte nadere regels stellen ten aanzien van de wijze van indienen van een aanvraag om een huisvestingsvergunning. Artikel 2.1.4. Beoordeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning 1. Een huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden niet voldoet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. de aanvrager niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; c.
niet aannemelijk is dat de aanvrager na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen; d. de woonruimte niet overeenkomstig het in of op grond van deze verordening bepaalde te huur of te koop is aangeboden; e. een andere woningzoekende dan de aanvrager gelet op het bepaalde in de wet of in deze verordening ten opzichte van de aanvrager eerder in aanmerking komt voor verlening van de huisvestingsvergunning; of, f. verlening van de huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 procent van de huisvestingsvergunningen met voorrang verleend zouden worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: i. de regio; ii. de gemeente; of, iii. een deel van de gemeente. 2. Een huisvestingsvergunning aangevraagd voor het in gebruik nemen van een in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, aangewezen woonruimte, kan voorts worden geweigerd indien het huishoudinkomen van aanvrager de inkomensgrens overschrijdt. Artikel 2.1.5. De inhoud van de huisvestingsvergunning 1. De huisvestingsvergunning bevat tenminste de volgende informatie: a. het adres van de woonruimte waarop zij betrekking heeft; en b. de naam van de persoon of namen van de personen aan wie de huisvestingsvergunning is verleend.
2. In een huisvestingsvergunning kan een voorschrift worden opgenomen op grond waarvan de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen. Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Corporaties bieden woonruimte te huur aan via openbaar aanbod of via direct aanbod. Artikel 2.2.3. Openbaar aanbod en het aanbodinstrument 1. Corporaties stellen gezamenlijk voor de gehele regio een aanbodinstrument in en houden dit in stand. 2. Bij openbaar aanbod bieden corporaties via het aanbodinstrument hun voor verhuur vrijkomende of beschikbare woonruimte tenminste drie werkdagen te huur aan. Voor zover het bemiddelingsmodel daartoe aanleiding geeft, kunnen zij woonruimte te huur aanbieden door middel van een referentiewoning. 3. Het aanbodinstrument is via een gebruiksvriendelijke en toegankelijke website voor woningzoekenden te gebruiken en voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. woningzoekenden kunnen zich als woningzoekende inschrijven en kunnen via het aanbodinstrument nagaan wat hun inschrijfduur is; b.
woningzoekende kunnen aangeven, dat zij in aanmerking wensen te komen voor de door corporaties via het aanbodinstrument te huur aangeboden woonruimten; c. woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de op grond van deze verordening en het toepasselijke bemiddelingsmodel geldende volgorde, waarin de categorieën woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen; en d. woningzoekenden worden op uniforme en transparante wijze geïnformeerd over de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om in aanmerking te komen voor huur van de aangeboden woonruimten. 4. Een door het aanbodinstrument mogelijk gemaakte inschrijving van woningzoekenden om in aanmerking te komen voor woonruimte, vervalt niet in de gevallen bedoeld in de artikelen 11a, 11b en 11c van de wet. 5. De in het tweede lid genoemde termijn van drie werkdagen is de termijn bedoeld in artikel 17, eerste en derde lid, van de wet. 6. In afwijking van het tweede lid kan een corporatie de woonruimte korter dan drie werkdagen te huur aanbieden, als dat nodig is voor de uitvoering van het toegepaste bemiddelingsmodel. Artikel 2.2.4. Direct aanbod 1. De corporatie kan in de volgende omstandigheden woonruimte te huur aanbieden via een direct aanbod aan een woningzoekende: a. de woningzoekende is een houder van een geldende urgentieverklaring;
b. er is sprake van woonruimte met een bijzonder vorm van bewoning zoals atelierwoningen en woongroepen en de uitdrukkelijke woonwens van de woningzoekende sluit bij die bijzondere vorm van bewoning aan; c. de woningzoekende heeft als gevolg van specifieke persoonlijke omstandigheden welke hem of haar onderscheiden van het overgrote deel van de woningzoekenden, een zeer geringe kans om zelfstandig binnen een redelijke termijn woonruimte te vinden; d. specifieke persoonlijke omstandigheden van de woningzoekende maken het noodzakelijk dat de woningzoekende niet zelf woonruimte vindt; e. het belang van het bevorderen van doorstroming maakt het wenselijk om een woningzoekende een zeer specifiek aanbod aan woonruimte te doen; f. de woningzoekende beschikt als gevolg van een acute en onvoorziene omstandigheid niet meer over zelfstandige woonruimte en zou in verband daarmee in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, maar het is om humanitaire redenen onwenselijk om te wachten totdat hij of zij met die urgentieverklaring woonruimte zou vinden; g. de woningzoekende moet als gevolg van een uitspraak van een burgerlijke rechter of het advies van een klachtencommissie over een geschil inzake woonruimtebemiddeling, door een corporatie gehuisvest worden; h.
de te huur aangeboden woonruimte betreft een flexwoning, waaronder wordt verstaan woonruimte voor tijdelijk gebruik op een tijdelijke locatie; i. de woningzoekende wil de aan te bieden woonruimte in het kader van woningruil woonruimte betrekken. 2. Indien woonruimte door een corporatie via direct aanbod te huur wordt aangeboden, komen de aanvragers voor de huisvestingsvergunning in aanmerking in de volgorde waarin hen door de corporatie een direct aanbod wordt gedaan. Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen 1. De corporaties stellen gezamenlijk de binnen de regio toe te passen bemiddelingsmodellen vast. De corporaties nemen bij de vaststelling en toepassing van de bemiddelingsmodellen gezamenlijk het belang van een rechtmatige, transparante en evenwichtige verdeling van woonruimte binnen de regio in acht. 2. De corporaties gebruiken een bemiddelingsmodel wanneer zij woonruimte via openbaar aanbod aanbieden. 3. De bemiddelingsmodellen: a. zijn transparant en zijn voor een ieder kenbaar en raadpleegbaar op of via de websites van de corporaties; en b. voorzien in bijzondere volgorderegels voor die gevallen waarin meer dan één huishouden op grond van de reguliere volgorderegels voor de huur van de woonruimte in aanmerking zouden komen. 4. De bemiddelingsmodellen en het gebruik daarvan waarborgen dat: a.
het woningzoekenden mogelijk is om op te huur aangeboden woonruimte te reageren; b. de volgorde waarin woningzoekenden voor de verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking kunnen komen, met toepassing van artikel 2.2.9 vastgesteld wordt; en
c. uitsluitend aan de hand van objectieve en rechtmatige criteria de volgorde bepaald wordt waarin woningzoekenden voor de te huur aangeboden woonruimte in aanmerking komen. Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen) 1. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die behoort tot een in onderstaande tabel genoemde categorie woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die behoren tot een in die tabel rechts van de desbetreffende categorie woonruimte genoemde passendheidsdoelgroep. Rijnummer
Kolom 1: Categorie woonruimte (gelabelde woonruimte)
Kolom 2: Passendheidsdoelgroep
1
Woonruimte geschikt voor de huisvesting van senioren
Huishoudens waarvan tenminste één lid de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, nader te bepalen leeftijd, heeft bereikt.
2
Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren
Huishoudens waarvan alle leden niet ouder zijn dan 27 jaar, of een lagere, nader te bepalen, leeftijd hebben.
3
Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van starters
Huishoudens die geen zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.
4
Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van doorstromers
Huishoudens die een zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.
6
Woonruimte in het bijzonder geschikt en nodig voor bewoners met een beperking
Huishoudens in het bezit van een indicatie.
7
Woonruimte in het bijzonder geschikt voor gezinnen
Huishoudens bestaande uit tenminste één volwassene en één kind jonger dan 18 jaar.
8
Woonruimte in het bijzonder
Huishoudens bestaande uit ten minste vijf personen.
5
Huishoudens die binnen de regio een zelfstandige woonruimte onbewoond achterlaten.
geschikt voor grote huishoudens 10
Woonruimte met drie of minder kamers
Huishoudens die zelfstandige woonruimte van een corporatie met vier of meer kamers onbewoond achterlaten.
2. De categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het vorige lid opgenomen tabel zijn aangewezen als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet. 3. In dit artikel wordt onder indicatie verstaan: een advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige, waaruit blijkt of een huishouden als gevolg van een beperking van een lid of meerdere leden van het huishouden aangewezen is op woonruimte die in het bijzonder geschikt en nodig is voor bewoners met die beperking Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijk gebondenheid Bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50 procent van de woonruimten die behoren tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, bedoelde categorieën woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: a. regio; b. de gemeente; of c. een deel van de gemeente. Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen 1. Binnen de groep van woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente kan voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die, blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een omvang van tenminste 24 te werken uren per week, behoren tot tenminste één van de in het tweede lid aangewezen vitale beroepsgroepen. 2.
De in het eerste lid bedoelde vitale beroepsgroepen zijn overeenkomstig de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde beroepenindeling ‘ROA CBS 2014 (BRC 2014)’ de volgende beroepsgroepen: 0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs 0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs 0114 Leerkrachten basisonderwijs 0131 Leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten 0632 Brandweer en politie 1033 Verpleegkundigen 1051 Verzorgenden Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod 1. Indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, wordt de volgorde waarin de aanvragers van de huisvestingsvergunning voor verlening daarvan in aanmerking komen, overeenkomstig dit artikel vastgesteld. 2. Voor de verlening van de huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens in aanmerking:
a. de woningzoekenden die in het bezit zijn van een passende urgentieverklaring en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt; b. woningzoekenden die deel uitmaken van een bindingsdoelgroep of een passendheidsdoelgroep, indien aan hen daarom gelet op artikel 2.2.7 of artikel 2.2.6 voorrang wordt gegeven bij de verlening van huisvestingsvergunningen; c. de resterende woningzoekenden. 3. Indien op grond van het tweede lid niet kan worden vastgesteld in welke volgorde aanvragers in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning, wordt die volgorde vastgesteld op basis van het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel. 4. Het tweede lid, onder a, is alleen van toepassing op een houder van een urgentieverklaring als: a. het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel vermeld is in de urgentieverklaring; b. in de urgentieverklaring niet is bepaald, dat de urgentieverklaring niet van toepassing is op de in artikel 2.2.6 bedoelde categorie woonruimte waartoe de te huur aangeboden woonruimte behoort; en c. de corporatie geen gebruik heeft gemaakt van de in het vijfde lid bedoelde mogelijkheid. 5.
Een corporatie kan bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte per kalenderjaar in maximaal 5 % van de gevallen aangeven, dat een urgentieverklaring niet tot gevolg heeft dat de houder ervan voorrang heeft bij de verlening van de huisvestingsvergunning. 6. Voor houders van een urgentieverklaring waarmee zij zijn ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder a, de eerste fase van de urgentie geacht te verlopen op het moment waarop de helft van de uitverhuisperiode is verstreken. 7. In dit artikel worden onder een passende urgentieverklaring verstaan: een urgentieverklaring die de houder ervan gelet op het bepaalde in artikel 3.2.1, tweede lid, voorrang geeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor de te huur aangeboden woonruimte. 8. Dit artikel is niet van toepassing op houders van een urgentieverklaring indien in de urgentieverklaring is bepaald, dat hij of zij niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken.
Toelichting: Paragraaf 2.3. wordt wel of niet in de verordening opgenomen als gevolg van de keuze die bij artikel 2.1.1., lid 1, is gemaakt. Het advies is om deze woningmarktsector niet te verordenen, zie de toelichting bij artikel 2.1.1.
Paragraaf 2.3. Te koop aanbieden van nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte [optioneel: gemeente kan deze paragraaf wel of niet overnemen] Artikel 2.3.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op het te koop aanbieden van woonruimte behorend tot een in artikel 2.1.1, eerste lid, onder c, genoemde categorie. Artikel 2.3.2. Bekendmaking van het aanbod van woonruimte 1. Woonruimte wordt door de verkoper gedurende tenminste vier weken te koop aangeboden. Gedurende deze termijn gaat de verkoper niet over tot selectie van de beoogde koper van de woonruimte. 2. Het in het vorige lid bedoelde aanbod voldoet tenminste aan de volgende vereisten: a. het aanbod wordt op een openbaar, voor een ieder zonder aanmelding toegankelijke, website gedaan; b. het aanbod vermeldt welke categorieën woningzoekenden op grond van de wet en deze verordening: i. in aanmerking komen voor de voor ingebruikname van de woonruimte vereiste huisvestingsvergunning; en ii. met voorrang in aanmerking komen voor het verlenen van die huisvestingsvergunning; c. het aanbod vermeldt van de woonruimte: i. de koopprijs en de eventuele bijkomende kosten zoals omzetbelasting, overdrachtsbelasting, servicekosten; ii. het adres; iii. de bruto-vloeroppervlakte; iv. het aantal kamers en een omschrijving van die kamers; v. een omschrijving van de staat van onderhoud; vi. of sprake is van een gelijkvloerse of ongelijkvloerse woonruimte; vii. of de woonruimte beschikt over buitenruimte zoals een tuin of een balkon en een inpandige of uitpandige opbergruimte; d.
woningzoekenden hebben op de onder a bedoelde website de mogelijkheid hun belangstelling kenbaar te maken voor de aangeboden woonruimte en kunnen daarbij hun contactgegevens aan de verkoper doorgeven. 3. De in het eerste lid genoemde termijn van vier weken is de termijn bedoeld in artikel 17, eerste en derde lid, van de wet. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen ten aanzien van de website waarop het aanbod wordt gedaan, de kenbaarheid en bereikbaarheid daarvan en de kenbaarheid, vindbaarheid en inhoud van het aanbod. Artikel 2.3.3. Aanbieden van de woonruimte aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt 1. Na afloop van de in artikel 2.3.2, eerste lid, genoemde termijn biedt de verkoper de woonruimte aan, aan de woningzoekenden die gedurende die termijn hun belangstelling voor de aangeboden woonruimte kenbaar hebben gemaakt. De verkoper neemt daarbij het in dit artikel bepaalde in acht. 2. De verkoper biedt de woonruimte eerst aan, aan woningzoekenden die behoren tot de in artikel 2.3.5 aangewezen categorieën. Artikel 2.3.4. Regels over het verslag over het verloop van de aanbiedingsprocedure 1. De verkoper documenteert per aangeboden woonruimte in ieder geval:
a. gedurende welke periode en op welke wijze hij het in artikel 2.3.2 bedoelde aanbod heeft bekendgemaakt; b. het aantal woningzoekenden belangstelling voor de aangeboden woonruimte kenbaar heeft gemaakt en tot welke categorieën woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, onder b, deze woningzoekenden behoorden; en c. de wijze waarop de in artikel 2.3.3 bedoelde aanbiedingen hebben plaatsgevonden en hoe de in dat artikel bedoelde volgorde is bepaald; d. de datum waarop, op basis van welke criteria en op welke wijze hij de beoogde koper van de woonruimte geselecteerd heeft. 2. De verkoper bewaart de gedocumenteerde informatie op een voor de toezichthouder toegankelijke en inzichtelijke wijze tot uiterlijk zes maanden na het onherroepelijk worden van de huisvestingsvergunning die naar aanleiding van het in artikel 2.3.2, eerste lid, bedoelde aanbod van de woonruimte is verleend. Artikel 2.3.5. Voorrang van categorieën woningzoekenden Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan: a. regio; b. de gemeente; of c. een deel van de gemeente. Artikel 2.3.6.
Aanvullende bepalingen over de aanvraag om een huisvestingsvergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1.3 gaat de aanvraag om een huisvestingsvergunning vergezeld van een schriftelijke, naar waarheid ingevulde en ondertekende, verklaring van de verkoper dat hij het te koop aanbieden van de woonruimte en het selecteren van de koper overeenkomstig het in deze paragraaf bepaalde heeft uitgevoerd.
Toelichting: Paragraaf 2.4. wordt wel of niet in de verordening opgenomen als gevolg van de keuze die bij artikel 2.1.1., lid 1, is gemaakt. Het advies is om deze woningmarktsector niet te verordenen, zie de toelichting bij artikel 2.1.1. Paragraaf 2.4. Te huur aanbieden van overige woonruimte [optioneel: gemeente kan deze paragraaf wel of niet overnemen] Artikel 2.4.1. Reikwijdte van deze paragraaf Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op het te huur aanbieden van woonruimte behorend tot een in artikel 2.1.1, eerste lid, onder b, genoemde categorie. Artikel 2.4.2. Bekendmaking van het aanbod van woonruimte 1. Woonruimte wordt door de verhuurder gedurende tenminste vier weken te huur aangeboden. Gedurende deze termijn gaat de verhuurder niet over tot selectie van de beoogde huurder van de woonruimte.
2. Het in het vorige lid bedoelde aanbod voldoet tenminste aan de volgende vereisten: a. het aanbod wordt op een openbaar, voor een ieder zonder aanmelding toegankelijke, website gedaan; b. het aanbod vermeldt welke categorieën woningzoekenden op grond van de wet en deze verordening: i. in aanmerking komen voor de voor ingebruikname van de woonruimte vereiste huisvestingsvergunning; en ii. met voorrang in aanmerking komen voor het verlenen van die huisvestingsvergunning; c. het aanbod vermeldt van de woonruimte: i. de huurprijs en de eventuele bijkomende kosten zoals servicekosten; ii. het adres; iii. de bruto-vloeroppervlakte; iv. het aantal kamers en een omschrijving van die kamers; v. een omschrijving van de staat van onderhoud; vi. of sprake is van een gelijkvloerse of ongelijkvloerse woonruimte; vii. of de woonruimte beschikt over buitenruimte zoals een tuin of een balkon en een inpandige of uitpandige opbergruimte; d. woningzoekenden hebben op de onder a bedoelde website de mogelijkheid hun belangstelling kenbaar te maken voor de aangeboden woonruimte en kunnen daarbij hun contactgegevens aan de verhuurder doorgeven. 3. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen ten aanzien van de website waarop het aanbod wordt gedaan, de kenbaarheid en bereikbaarheid daarvan en de kenbaarheid, vindbaarheid en inhoud van het aanbod. Artikel 2.4.3.
Aanbieden van de woonruimte aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt 1. Na afloop van de in artikel 2.4.2, eerste lid, genoemde termijn biedt de verhuurder de woonruimte aan, aan de woningzoekenden die gedurende die termijn hun belangstelling voor de aangeboden woonruimte kenbaar hebben gemaakt. De verhuurder neemt daarbij het in dit artikel bepaalde in acht. 2. De verhuurder biedt de woonruimte eerst aan, aan woningzoekenden die behoren tot de in artikel 2.4.5 aangewezen categorie. Artikel 2.4.4. Regels over het verslag over het verloop van de aanbiedingsprocedure 1. De verhuurder documenteert per aangeboden woonruimte in ieder geval: a. gedurende welke periode en op welke wijze hij het in artikel 2.4.2 bedoelde aanbod heeft bekendgemaakt; b. het aantal woningzoekenden dat belangstelling voor de aangeboden woonruimte kenbaar heeft gemaakt en tot welke categorieën woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.4.2, tweede lid, onder b, deze woningzoekenden behoorden; en c. de wijze waarop de in artikel 2.4.3 bedoelde aanbiedingen hebben plaatsgevonden en hoe de in dat artikel bedoelde volgorde is bepaald; d. de datum waarop, op basis van welke criteria en op welke wijze hij de beoogde huurder van de woonruimte geselecteerd heeft.
2. De verhuurder bewaart de gedocumenteerde informatie op een voor de toezichthouder toegankelijke en inzichtelijke wijze tot uiterlijk zes maanden na het onherroepelijk worden van de huisvestingsvergunning die naar aanleiding van het in artikel 2.4.2, eerste lid, bedoelde aanbod van de woonruimte is verleend. Artikel 2.4.5. Voorrang op basis van inkomen Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden die behoren tot de volgende categorie: woningzoekenden van wie het huishoudinkomen de inkomensgrens niet overschrijdt. Artikel 2.4.6. Aanvullende bepalingen over de aanvraag om een huisvestingsvergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1.3. gaat de aanvraag om een huisvestingsvergunning vergezeld van een schriftelijke, naar waarheid ingevulde en ondertekende, verklaring van de verhuurder dat hij het te huur aanbieden van de woonruimte en het selecteren van de huurder overeenkomstig het in deze paragraaf bepaalde heeft uitgevoerd. Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring Artikel 3.1.1. Bevoegdheid tot verlening van de urgentieverklaring 1. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om een urgentieverklaring. 2. Bevoegd is het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager woont. 3.
Indien de aanvrager niet in de regiogemeente woont, beslist het college van de regiogemeente waar aanvrager wil gaan wonen op de aanvraag. 4. Indien de urgentieverklaring wordt aangevraagd met een beroep op de in artikel 3.4.3 opgenomen urgentiecriteria, beslist het college van de herkomstgemeente op de aanvraag. Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring 1. De aanvraag om een urgentieverklaring wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat de aanvraag om een urgentieverklaring in bepaalde categorieën van gevallen in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, uitsluitend ingediend kan worden bij het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond of een corporatie. 3. Het college van burgemeester en wethouders dat op de aanvraag beslist, kan de aanvrager een vergoeding voor het behandelen van de aanvraag in rekening brengen. 4. De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt ten hoogste € 50,-. Dit bedrag mag vermeerderd worden met de kosten die gemoeid zijn met het door het college van burgemeester en wethouders inschakelen van externe adviseurs ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.
5. De aanvrager van een urgentieverklaring verstrekt bij de aanvraag in ieder geval elk van de volgende gegevens en bescheiden: a. de omvang en samenstelling van het huishouden waarop de aangevraagde urgentieverklaring betrekking heeft; b. een beschrijving van of gegevens over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; c. gegevens over het inkomen en het vermogen van het huishouden; en d. de voorkeursurgentieregio. 6. De in de aanvraag te vermelden voorkeursurgentieregio is één van de volgende urgentieregio’s: a. de urgentieregio Waterweg, bestaande uit de gemeenten Maassluis, Schiedam, Vlaardingen en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland en Delfshaven; b. de urgentieregio Noord, bestaande uit de gemeente Lansingerland en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Overschie en Hillegersberg-Schiebroek; c. de urgentieregio Hart van Rotterdam bestaat uit de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek en Alexander en die delen van de gemeente Rotterdam die geen onderdeel zijn van een andere urgentieregio; d. de urgentieregio Oost, bestaande uit de gemeenten Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Alexander; e.
de urgentieregio Zuidrand, bestaande uit de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard, Ridderkerk en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Charlois, Feijenoord, Hoogvliet, Pernis en IJsselmonde; f. de urgentieregio Voorne-Putten, bestaande uit de gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee en het gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Rozenburg; g. de urgentieregio Noordoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland, Delfshaven, Overschie, Hillegersberg-Schiebroek, Prins Alexander, Centrum, Noord en Kralingen-Crooswijk; of h. de urgentieregio Zuidoever, bestaande uit de gebieden die samenvallen met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten Rozenburg, Pernis, Charlois, Feijenoord, Hoogvliet en IJsselmonde. Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden 1. Het college van burgemeester en wethouders weigert de aangevraagde urgentieverklaring indien: a. het inkomen van het huishouden boven de inkomensgrens ligt; of b. de aanvrager gelet op deze verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagde urgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. de aanvrager of een lid van diens huishouden voldoet niet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde;
b. de aanvrager maakt geen deel uit van een huishouden waarvan tenminste één lid een meerderjarige is; c. de aanvrager is niet als woningzoekende ingeschreven in het aanbodinstrument; d. de aanvrager heeft geen urgent huisvestingsprobleem of kan dit redelijkerwijs zelf oplossen; e. de aanvrager niet economisch gebonden of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio; f. naar het oordeel van burgemeester en wethouders kan het urgente huisvestingsprobleem sneller of doelmatiger op een andere wijze opgelost worden; g. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het niet aannemelijk een urgentieverklaring bijdraagt aan een snelle oplossing voor het urgente huisvestingsprobleem; h. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het aannemelijk dat een corporatie gelet op de aard of omvang van de schulden van aanvrager, met de aanvrager geen huurovereenkomst zal sluiten; i. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is bewoning van een zelfstandige woonruimte door aanvrager en diens huishouden redelijkerwijs niet mogelijk; j.
naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van diens huishouden, voor zover dit doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van de aanvraag plaatsvond; k. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan omdat aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden geen gebruik heeft gemaakt van een van overheidswege verstrekte voorziening; l. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het gelet op het recente woonverleden of de financiële situatie van aanvrager aannemelijk dat de verlening van de aangevraagde urgentieverklaring niet binnen zes maanden zal leiden tot huur van woonruimte; m. de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de in dat artikel genoemde voorziening of instelling waaruit aanvrager uitstroomt, is niet met toepassing van het bepaalde artikel 3.4.3, vijfde lid, aangewezen door een college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente; n.
de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de aanvrager stemt niet in met een voorwaarde die het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 3.4.3, derde lid, voornemens is op te leggen; o. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van het huishouden van aanvrager verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 3.1.4, eerste lid, onder f, of tweede lid, onder b, c of d. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ook als het inkomen van het huishouden van aanvrager boven de inkomensgrens ligt, de urgentieverklaring toch verlenen
indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders sprake is van een uitzonderlijke medische situatie waardoor het urgente huisvestingsprobleem van aanvrager niet opgelost kan worden binnen een ander deel van de woonruimtevoorraad dan aanwezen in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a. Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring intrekken als: a. de houder van de urgentieverklaring om intrekking daarvan verzoekt; b. het huisvestingsprobleem dat ten tijde van verlening van de urgentieverklaring bestond, niet meer bestaat; c. het inkomen van het huishouden boven de inkomensgrens ligt; d. sprake is van één of meer van de in artikel 3.1.3, tweede lid, genoemde omstandigheden; e. de houder van de urgentieverklaring niet meer voldoet aan de urgentiecriteria; of f. de houder van de urgentieverklaring bij het verzoek om indeling in een urgentiecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring was geweigerd. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan voorts een urgentieverklaring intrekken indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.
tijdens de eerste fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrumenten een reactie te geven op tenminste 24 verschillende, via het aanbodinstrument aangeboden, woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype en die gelegen zijn in de in de urgentieverklaring genoemde voorkeursurgentieregio; b. tijdens de tweede fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrument tenminste eenmaal per week een reactie te geven op woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel en gelegen zijn in de op de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; c. de houder van de urgentieverklaring heeft passende woonruimte geweigerd; d. de houder van de urgentieverklaring een via een eigen reactie aangeboden woonruimte, welke tenminste voldeed aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype, heeft afgewezen; e. de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven, niet is opgelost; f.
de houder van de urgentieverklaring aan hem aangeboden woonruimte misloopt omdat hij de gegevens en bescheiden die hij moet aanleveren voor het sluiten van de huurovereenkomst, niet binnen de door de corporatie aangegeven termijn of voor het door de corporatie aangegeven tijdstip aanlevert; of
g. de houder van de urgentieverklaring komt één of meer van de op grond van artikel 3.3.2 op hem rustende verplichtingen of een aan de urgentieverklaring verbonden voorwaarde of verplichting niet na. 3. Het vorige lid, onder a en b, is niet van toepassing op een urgentieverklaring verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie. Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring wijzigen indien: a. de woningzoekende bij het verzoek om indeling in een urgentiecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en, indien wel juiste of onvolledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, anders op het verzoek zou zijn besloten; of b. de omstandigheden die leidden tot toekenning van de urgentieverklaring zodanig gewijzigd zijn, dat zij nopen tot wijziging van de urgentieverklaring. Artikel 3.1.6. Advisering 1. Het college van burgemeester en wethouders kan zich bij de voorbereiding van een besluit op de aanvraag om een urgentieverklaring of een besluit tot wijziging of intrekking van een urgentieverklaring laten adviseren door een ter zake deskundige persoon. 2. Indien in het eerste lid bedoelde advisering geschiedt door een ter zake deskundige medische of sociaal-medische adviseur, heeft deze geen behandelrelatie heeft met de aanvrager van de urgentieverklaring. Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule 1.
Het college van burgemeester en wethouders is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2. Het college van burgemeester en wethouders registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 4.2.2 van de verordening bedoelde overleg. Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring Artikel 3.2.1. Werking van de urgentieverklaring 1. Bij de verlening van een urgentieverklaring wordt de houder ervan ingedeeld in een urgentiecategorie. 2. De houder van een urgentieverklaring heeft met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 2.2 voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning indien voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden: a.