Bijlage 13 Nader onderzoek vleermuizen.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek soorten Datum: mei - oktober 2025 Project: NOV 53225 NADER ONDERZOEK VLEERMUIS Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021 (+ actualisatie 2025) Locatie: De Omloop (Sportpark) Rhoon NADER ONDERZOEK GEBOUWBEWONENDE VLEERMUIZEN– DE OMLOOP RHO ON WONINGBOUW Colofon Onderzoek | Nader onderzoek vleermuis Document | NOV53225 Datum | 10 november 2025 Locatie | De omloop ; Rhoon | (Sportpark) Opdrachtgever | BJZ.nu B.V. Opdrachtnemer | Ecofect | B.V. Ecoloog | Dhr. A. van de Streek Collegiale beoordeling | Dhr. P. Smits Adres | Laan 21, 8071 JG Nunspeet Telefoon | 06-41737676 Email | info@ecofect.nl Internet | www.ecofect.nl KvK-nummer | 87036487 Btw-identificatienr. | Nl864184311B01 Rekeningnummer | NL39 RABO 0198 8908 69 2 3 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W INHOUD Colofon 2 1. Inleiding 4 1.1 Aanleiding en doelstelling 4 1.2 Planlocatie (huidige situatie) 4 1.3 Voorgenomen ontwikkelingen 6 2. Wettelijk kader 7 3. Methode 8 3.1 Functiegebruik vleermuissoorten 8 3.2 Toelichting meervleermuis 9 3.2 Methodiek 10 3.3 Veldbezoeken 11 4.Resultaten 12 4.1 Effectbeoordeling 13 5. Conclusie 14 6. Verantwoording 15 Bijlage 16 Disclaimer 27 4 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Initiatiefnemer heeft het voornemen om de huidige opstallen te slopen en daar nieuwbouw voor terug te realiseren aan de Omloopseweg te Rhoon en heeft Ecofect gevraagd hen te begeleiden. In het kader van de ruimtelijke ontwikkeling is een Natuurwaardenonderzoek (voorheen QuickScan Flora en Fauna) uitgevoerd. Uit dit door Ecofect B.V. uitgevoerde natuurwaardenonderzoek (NWO 53053 De Omloop (Sportpark) Rhoon) is gebleken dat voor gebouwbewonende vleermuizen aanvullend nader onderzoek uitgevoerd dient te worden om aan te tonen dan wel uit te sluiten of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een effect heeft op deze soorten. BJZ.nu B.V. heeft Ecofect B.V. gevraagd dit nader onderzoek uit te voeren. Doel van dit nader onderzoek is om te onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op gebouwbewonende vleermuizen en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggend rapport geeft inzicht in de gebruikte methodiek, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en eventuele vervolgstappen. 1.2 Planlocatie (huidige situatie) De planlocatie is gelegen aan de Omloopseweg/ Essendijk te Rhoon. Het betreffen meerdere agrarische percelen die functioneren als gras - en akkerbouwland. De percelen zijn omringd door intensief beheerde sloten met enkele rietkragen aan de zuidzijde.
Aan de noordwestzijde van de planlocatie is een verouderde kas aanwezig. De verouderde kas bestaat uit glazen wanden met betonnen afwerking en een zadeldak. Aan de zuidzijde van de planlocatie grenst een verhard erf met een paardenstal, paardenbak, en enkele weides. Gezien de mogelijke verstoring die de voorgenomen ontwikkeling op kan leveren, is de paardenstal ook betrokken in het onderzoek (blauwe kader, figuur 1) . De stal heeft stenen muren, houten (kierende) gevelbekleding en is voorzien van een dak bedekt met golfplaten en dakbeschot. Deze opstal bevat eveneens een uilenkast. De sloot nabij het erf betreft een extensief beheerde sloot met begroeide oevers. De omgeving heeft een landelijk karakter. Rhoon is een dorp in de gemeente Albrandswaard, in de provincie Zuid-Holland. 5 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Figuur 1 Plan- en onderzoeksgebied
6 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 1.3 Voorgenomen ontwikkelingen Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied (gele kader) te herontwikkelen. De opstal (kas) zal gesloopt worden, om vervolgens diverse sportvelden, een opstal, en bijbehorende infrastructuur aan te leggen . De watergangen blijven deels behouden, en worden deels aangepast/verbreed . De functie van de planlocatie zal veranderen naar recreatie (figuur 2). Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever. Figuur 2 – Inrichting planlocatie. De volgende activiteiten hebben mogelijk effect en worden getoetst op relevantie in het kader van de Omgevingswet: • Sloop- en Bouwwerkzaamheden • Afvoer sloopmateriaal en verwijderen van vegetatie, verleggen/verbreden watergangen • Grondwerkzaamheden • Aanleg infrastructuur • Herinrichting perceel bij hetwelk functie recreatie verwacht kan worden
7 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 2. Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming gebouwbewonende vleermuissoorten. Opdrachtgever heeft voornemens een flora - en fauna-activiteit uit te voeren, daarom dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 1 1.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Om aan de voorgenoemde regels te voldoen is een Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuissoorten noodzakelijk werd geacht. Alle inheemse vleermuissoorten worden landelijk beschermd onder het beschermingsregime van ‘ Europees beschermde soorten’ (art. 11. 46 Bal). Het is verboden deze soorten te doden, te verwonden , te verstoren en hun vaste rust - of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Voor een verdiepende uitwerking van het wettelijk kader wordt verwezen naar de bijlage.
8 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 3. Methode 3.1 Functiegebruik vleermuissoorten Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren: in verschillende perioden van het jaar maken ze gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. We spreken dan ook wel van een netwerk aan verblijfplaatsen. In tabel 1 zijn deze verschillende functies nader toegelicht . Daarnaast gebruiken ze landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen als vliegroute. Het meest recente vleermuisprotocol (2021) dat door onder andere de Zoogdiervereniging en de gegevensautoriteit NGB is opgesteld, stelt daarom dat tenminste vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de verschillende functies, die de aanwezige bebouwing mogelijk voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Tabel 1: toelichting functies vleermuissoorten Vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s wint ers, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is.
Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen . (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten d ie jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als ge wone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen vice versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
9 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 3.2 Toelichting meervleermuis Op basis van voortschrijdend inzicht heeft NGB het vleermuisprotocol 2021 geactualiseerd ( geactualiseerd voor de meervleermuis 2025 -03-24), zodat deze beter aansluit bij de vereisten om meervleermuis aan te kunnen tonen dan wel uit te sluiten op de planlocatie. Dit geactualiseerde protocol vraagt een extra inspanning wanneer de planlocatie zich binnen de radius van een bekende mannenverblij fplaats of kraamverblijfplaats van meervleermuizen bevindt. Aangezien de planlocatie b innen de radius van bekende verbl ijven van meervleermuizen valt (zie figuur 2), zullen zeven veldbezoeken moeten worden uitgevoerd. Figuur 2: ligging planlocatie in relatie tot koloniekaart meervleermuis
NADER ONDERZOEK GEBOUWBEWONENDE VLEERMUIZEN– DE OMLOOP RHO ON WONINGBOUW 3.2 Methodiek Het onderzoek is uitgevoerd conform vleermuisprotocol 2021 | (geactualiseerd voor meervleermuis) (NGB, 2025). In het voorliggende onderzoek zijn de volgende functies onderzocht: • | Paarverblijfplaatsen • | Kraamverblijfplaatsen • | Zomerverblijfplaatsen De inventarisatie bes | tond uit zeven veldbezoeken. In het voorjaar (15 mei | – 15 juli) dienen | zeven veldbezoeken uitgevoerd te worden. Twee avondbezoeken | , met minimaal 20 dagen tussentijd, | van zonsondergang tot 2,5 uur daarna. Twee ochtendbezoeken, met minimaal 15 dagen tussentijd, van drie uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst in de periode 15 mei-25 juni. En een ochtendbezoek van drie uur voor zonsopkomst tot een uur voor zonsopkomst in de maand juli. In het najaar | zijn twee veldbezoeken uitgevoerd. Eén veldbezoek van zonsondergang tot 3 uur daarna, en één van zonsondergang tot 01:00. | Deze bezoeken zijn in tabel 2 schematisch weergegeven.
Tabel 2: schematische weergave veldbezoeken Soort onderzoek | Periode | Starttijd | Lengte | Tussentijd Kraambezoek avond | 15-05 – 15-07 | zonsondergang | 2.5 uur | 20 dagen Kraambezoek avond | 15-05 – 15-07 | zonsondergang | 2.5 uur | 20 dagen Kraambezoek | 15-05 – 25-06 | 3 | uur | voor 3 uur | 15 dagen ochtend | zonsondergang Kraambezoek | 15-05 – 25-06 | 3 | uur | voor 3 uur | 15 dagen ochtend | zonsopkomst Meervleermuis | juli | 3 | uur | voor 2 uur | 0 dagen satelliet | zonsopkomst Paarbezoek | 15-08 – 01-10 | zonsondergang | 3 uur | 20 dagen Paarbezoek | 15-08 – 01-10 | zonsondergang | Tot 1:00 ‘s nachts | 20 dagen middernacht Voor alle bezoeken gelden de volgende eisen: - | Minimaal 20 dagen tussen avondbezoeken in de periode 15 mei - 15 juli en tenminste 15 dagen tussen de twee ochtendbezoeken in de periode 15 mei- 25 juni, ochtendbezoek mag wel direct volgen op een avondbezoek - | Maximale windkracht 3 Bft. - | Temperatuur boven 10ºC - | Geen regen 10 NADER ONDERZOEK GEBOUWBEWONENDE VLEERMUIZEN– DE OMLOOP RHO ON WONINGBOUW 3.3 Veldbezoeken De vaste waarnemers hebben op post gestaan en vaste looproutes aangehouden tijdens de veldbezoeken gedurende zeven verschillende momenten (zie tabel 3). Tabel 32: veldbezoeken Datum | Zon | Start | Eind | Temp.
| Weer | Bft 26-05-2025 | 21:44 | 21:35 | 00.25 | 19 | Droog | 3 02-06-2025 | 05:28 | 02:25 | 05:30 | 18 | Droog | 3 25-06- 2025 | 05:23 | 02:20 | 05:30 | 18 | Droog | 0 08-07-2025 | 22:01 | 21:40 | 01.10 | 14 | Droog | 2 18-07-2025 | 05:44 | 02:40 | 05.45 | 17 | Droog | 1 09-09-2025 | 20:13 | 20:10 | 23:25 | 14 | Bewolkt | 2 30-09-2025 | 19:20 | 19:15 | 01:00 | 12 | Bewolkt | 3 11 NADER ONDERZOEK GEBOUWBEWONENDE VLEERMUIZEN– DE OMLOOP RHO ON WONINGBOUW 4.Resultaten Gedurende | het | vleermuisonderzoek | is | de | planlocatie | specifiek | beoordeeld | op | vaste | rust- | en/of voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten, waaronder gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en | meervleermuis. | De | resultaten van het vleermuisonderzoek zijn in tabel 4 schematisch weergegeven en worden onder de tabel verder toegelicht. Tabel 43: Resultaten nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen Datum | Resultaten 26-05-2025 | Foerageer 02-06-2025 | Foerageer 25-06- 2025 | Foerageer 08-07-2025 | Foerageer 18-07-2025 | Foerageer 09-09-2025 | Foerageer 30-09-2025 | Foerageer Kraamperiode Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar zijn bij de paardenstal geen waarnemingen gedaan van invliegende of uitvliegende vleermuizen. Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn er wel diverse foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen verspreid over de hele planlocatie.
Naast de aanwezige gewone dwergvleermuizen kwam er ook met enige regelmaat een rosse vleermuis foerageren boven het plangebied. Tevens is een aantal keer een laatvlieger over komen vliegen. Hiervan zijn echter geen waarnemingen gedaan van in- of uitvliegers. Paarperiode Zowel | voor | als | na | zonsondergang | waren | de | vleermuizen | aanwezig | op | de | planlocatie. | Tijdens | de veldbezoeken zijn geen invliegende, uitvliegende vleermuizen of baltsgedrag waargenomen. Wel zijn er tijdens de paarbezoeken diverse foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen verspreid over de hele planlocatie. 12 13 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 4.1 Effectbeoordeling Tijdens de veldbezoeken zijn geen vaste rust - en/of voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aangetroffen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het leefgebied wordt als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet aangetast. Negatieve effecten op (de vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van) gebouwbewonende vleermuizen als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Maatregelen en een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna zijn niet nodig. 14 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 5.
Conclusie In het voorjaar, zomer en najaar van 2025 is de planlocatie door middel van zeven inventarisaties onderzocht op de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van gebouwbewonende vleermuissoorten conform het geactualiseerde vleermuisprotocol (NGB, 2025) onder gunstige weersomstandigheden. Er zijn geen vast rust - en/of voortplantingsplaatsen waargenomen op de planlocatie. De mogelijkheid dat gebouwbewonende vleermuizen zullen worden verwond of gedood tijdens de werkzaamheden is daarmee uitgesloten. Verdere actie in de vorm van maatregelen of een vergunningsaanvraag wordt niet noodzakelijk geacht. 15 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W 6. Verantwoording Literatuurlijst: Netwerk Groene Bureaus. (2025). Vleermuisprotocol 2021 (geactualiseerd voor meervleermuis. BIJ12. (2024a). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 2.0 BIJ12. (2024b). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 2.0 BIJ12. (2025). Kennisdocument Laatvlieger, versie 2.0 Websites: www.bij12.nl www.rvo.nl www.ndff.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl 16 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Bijlage Verdiepende uitwerking wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming.
In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000 -activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora - en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten he t natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora - en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen).
Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora - en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl. • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl.
• nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal) • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die 17 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten.
Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moe ten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgest eld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.
Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaarden onderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven.
De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: § 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de 18 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen: Verspreidingskaarten: Baardvleermuis Bechsteins vleermuis
19 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Bosvleermuis Brandt's vleermuis
20 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Bruine of gewone grootoorvleermuis Franjestaart
21 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Gewone dwergvleermuis Grijze grootoorvleermuis
22 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Ingekorven vleermuis Laatvlieger
23 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Meervleermuis Mopsvleermuis
24 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
25 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis
26 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Watervleermuis
27 N ADE R ON DE RZOE K G E BOU WBE WON E N DE V LEE RMU IZE N – DE OM LOOP RH O ON WON IN G BOU W Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortv loeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezighe id van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fau na, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2025 Ecofect B.V.; Nunspeet