Beleidsregels Bijzondere Bijstand Albrandswaard 2025 .pdf
Tekst van het document
inkomenswijziging kan worden voorzien, wordt deze zoveel mogelijk meegenomen. Het ligt voor de hand dat het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode dan twaalf maanden vaststelt. 5.1.6 Drempelbedrag artikel 35 lid 2 van de wet Het college kan gebruik maken van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet tot een maximum van 134 euro per 12 maanden. De gemeente maakt hier geen gebruik van.
5.2 Regels rondom inkomen Behoudens de genoemde afwijkingen in deze beleidsregels zijn de volgende bepaling van toepassing; Het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm voor alleenstaande, alleenstaande ouders en gehuwden geldt als draagkrachtloos inkomen. Het meerdere van het inkomen wordt volledig als draagkracht in aanmerking gekomen. 5.2.1 Verhoging kindgebonden budget De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders, de zogeheten alo-kop wordt niet in aanmerking genomen. 5.2.2 Beschikken en redelijkerwijs beschikken Voor de draagkracht moet het college uitgaan van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over inkomen (of vermogen). Personen die zich in een WSNP-traject bevinden kunnen, volgens vaste rechtspraak, niet beschikken over hun inkomen. Voor belanghebbenden die zich in het minnelijke traject bevinden op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ligt dat anders. Zij kunnen redelijkerwijs beschikken over hun inkomen boven het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB). Dat betekent echter wel dat het schuldhulpverlening traject zal worden stopgezet, met alle gevolgen van dien. Het college stelt zich in principe op het standpunt dat deze belanghebbenden, zolang wordt voldaan aan de voorwaarden van het schuldhulpverleningstraject, redelijkerwijs niet over hun inkomen kunnen beschikken.
5.3 Regels rondom vermogen Het vermogen tot de toepasselijke vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet wordt niet in aanmerking genomen voor de draagkracht. Het meerdere wordt volledig als draagkracht in aanmerking gekomen. Voor de bijzondere bijstand blijft het vermogen van de door belanghebbende bewoonde eigen woning buiten beschouwing.
5.4 Buitengewone uitgaven Uit de berekening op basis van het inkomen kan blijken dat de draagkracht hoger is dan de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. De aanvraag wordt dan in principe afgewezen. Het college kan in zulke gevallen rekening houden met buitengewone uitgaven van de belanghebbende. Deze uitgaven worden in mindering gebracht op de berekende draagkracht. Als buitengewone uitgaven worden in ieder geval aangemerkt: •
de gemiste huurtoeslag of zorgtoeslag op basis van de hoogte van het inkomen;
•
de te betalen eigen bijdrage in de kosten van formele kinderopvang in verband met werk;
•
de te betalen alimentatie, tenzij de belanghebbende een succesvol verzoek om vermindering van de alimentatie kan indienen.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen 6.1 Situaties met een niet-rechthebbende partner Bijstandsgerechtigden met een niet-rechthebbende partner hebben op grond van artikel 24 van de wet recht op 50% van de voor hen geldende gehuwdennorm. Daarbij heeft de wetgever geen verschil willen maken naar de reden van het niet-rechthebbend zijn. In veel gevallen zal dit niet tot problemen leiden. Denk bijvoorbeeld aan de belanghebbende met een niet-rechthebbende partner die een studie volgt waarvoor een tegemoetkoming op grond van de WSF-2000 wordt verkregen. Er zijn echter situaties waarin dat wel tot problemen kan leiden. Het gaat om twee groepen. De eerste groep betreft belanghebbenden met kinderen die voor de Belastingdienst geen alleenstaande ouder zijn en daarom geen verhoging krijgen van het kindgebonden budget: de zogeheten alo-kop. Zij missen een bedrag van € 3.066,- per jaar (bedrag 2016). De tweede groep zijn belanghebbenden zonder kinderen. Zij missen het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een (echte) alleenstaande. Het gaat om belanghebbenden met een niet-rechthebbende partner omdat deze partner: •
niet gelijkgesteld wordt met een Nederlander (de illegale vreemdeling); of
•
in detentie verblijft.
6.1.1 Algemene kosten van het bestaan Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de situaties bedoeld in het onderdeel 6.1 van deze beleidsregels. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de hoogte van de zogeheten alo-kop (met ten laste komen kinderen) of het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een (echte) alleenstaande. Nadere verplichtingen; Het college kan aan de bijzondere bijstand die onder toepassing van art. 16 van de wet wordt verleend nadere verplichtingen verbinden dat de belanghebbende tegen afwijzing of herziening van de Awir-toeslagen in bezwaar gaat. Het gaat dan om het aanvechten van het standpunt van de Belastingdienst-Toeslagen dat toekenning van deze toeslagen een onaanvaardbare doorkruising is van het zogeheten koppelingsbeginsel. 6.2 Vrijstellingen bij inkomens- en vermogenstoets 6.2.1 Vrijstelling Participatiewet De inkomens- en vermogensbestanddelen uit artikel 31 lid 2 Participatiewet worden voor de bijzondere bijstand niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.
6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden van de toeslagenaffaire Alleen de eenmalige hardheidstegemoetkoming die gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van artikel 49 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt niet gerekend tot het inkomen en vermogen van de aanvrager bij de uitvoering van de bijzondere bijstand (inclusief de Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag) in het jaar waarin deze
tegemoetkoming is ontvangen. De vrijstelling voor vermogen geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2025 voor zover de “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” nog niet is besteed door de gedupeerde c.q. aanvrager van de bijzondere bijstand. Het aankopen van beleggingsproducten en crypto’s wordt ook als een besteding aangemerkt. Alle inkomsten verkregen uit deze “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” worden wel beschouwd als middelen bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen 7.1 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere Bijstand Albrandswaard 2025
7.2 Inwerkingtreding en intrekking 1. Deze Beleidsregels Bijzondere Bijstand Albrandswaard 2025 treden in werking de dag na publicatie. 2. De Beleidsregels Bijzondere Bijstand Albrandswaard 2021 worden ingetrokken. Aldus besloten door het college van Burgemeester en wethouders d.d. 2 september 2025, de secretaris,
de burgemeester,
mr. drs. F.P. van der Linden
drs. C. Pille
Toelichting bij Artikel 6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden toeslagenaffaire Dit artikel geldt alleen voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van
maximaal 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze hardheidstegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2025 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag. De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijstelling past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag. Eventuele andere tegemoetkomingen of correctiebetalingen een gedupeerde heeft ontvangen van de Belastingdienst worden wel aangemerkt als inkomens- en vermogensbestanddelen.