CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Raadsvoorstel 2024-079976 Vaststelling belastingverordeningen en –tarieven 2025.pdf

Gemeenteraad AW 16 december 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken44.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 2.3, tweede lid: vijftien of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 2.3, tweede lid: Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een andere milieubelastende activiteit dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt het tarief per maatwerkvoorschrift: Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een andere activiteit dan genoemd in de artikelen 2.24 en 2.25, bedraagt het tarief per maatwerkvoorschrift:

€ 257,60 € 257,60

€ 3.461,20 € 3.461,20

€ 3.461,20

€ 3.461,20

€ 3.461,20

€ 3.461,20

€ 257,60

Paragraaf 2.8 Gelijkwaardigheid 2.27 2.27.1 2.27.1.1 2.27.1.2 2.27.1.3 2.27.1.4

Gelijkwaardige maatregel Als de aanvraag om toestemming voor een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet betrekking heeft op: een bouwactiviteit, bedraagt het tarief: een activiteit met betrekking tot cultureel erfgoed, bedraagt het tarief: een milieubelastende activiteit, bedraagt het tarief: een andere activiteit dan bedoeld in de onderdelen a, b of c, bedraagt het tarief:

€ 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00

Paragraaf 2.9 Overige tarieven 2.28 2.28.1

Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om verlenging van de in een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit gestelde termijn, bedoeld in artikel 10.23, tweede lid, van het

24/32

€ 515,10

2.29 2.29.1 2.30 2.30.1 2.31 2.31.1

2.32 2.32.1

2.33 2.33.1

Omgevingsbesluit: Wijzigen omgevingsvergunning Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning: Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning: Intrekken omgevingsvergunning Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning, tenzij artikel 2.45 van toepassing is: Beoordeling onderzoeksrapporten De in artikel 2.37 opgenomen tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het beoordelen van een onderzoeksrapport, zonder dat sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Niet genoemd besluit op aanvraag Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een ander, in dit hoofdstuk niet benoemd besluit op grond van de Omgevingswet, de op die wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur of het omgevingsplan:

€ 515,10

€ 515,10

€ 97,90

€ 97,90

Paragraaf 2.10 Modaliteiten 2.34 2.35 2.35.1

2.36 2.36.1

2.36.2 2.36.3 2.36.4 2.37 2.37.1

2.37.2 2.37.3

2.37.4 2.37.5 2.37.6 2.37.7 2.37.8

Gereserveerd Achteraf ingediende aanvraag Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de activiteit, worden de op grond van de paragrafen 2.3 tot en met 2.7 verschuldigde leges verhoogd met: Uitgebreide voorbereidingsprocedure Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit: als sprake is van een milieubelastende activiteit: als sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: als sprake is van andere activiteiten dan bedoeld in de onderdelen a en b: Beoordeling onderzoeksrapporten Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als krachtens wettelijk voorschrift voor de betreffende aanvraag een rapport moet worden beoordeeld: voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport: voor het toetsen, opstellen en beoordelen door BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam) voor de volgende werkzaamheden bedragen de tarieven: het toetsen van een aanvraag archeologievergunning: het opstellen van nader archeologisch advies voor bouwplannen, ruimtelijke plannen en aanlegvergunningen: het beoordelen van rapportages van een archeologisch onderzoek: het opstellen van een Programma van Eisen voor archeologisch

onderzoek: het beoordelen/toetsen van een Programma van Eisen:

25/32

10%

€ 0,00 € 0,00 € 0,00

€ 580,70

€ 317,20 € 317,20 € 758,00 € 1.237,90 € 618,80

2.37.9

2.37.10 2.37.11 2.37.12 2.37.13 2.37.14 2.37.15 2.38 2.38.1

2.38.1.1 2.38.1.2

2.38.1.2.1 2.38.1.2.2 2.38.1.2.3 2.38.1.2.4 2.38.1.2.5 2.38.1.3

2.38.1.3.1 2.38.1.3.2 2.38.1.3.3 2.38.1.3.4 2.38.1.4 2.38.2

2.38.2.1

2.39 2.39.1

het beoordelen van offertes, aanbesteding, controle veldwerk (boringen/proefsleuven), rapport en selectieadvies inclusief het toezenden van de beoordeling en voorstel voor een selectiebesluit aan de gemeente: € 618,80 het verzorgen van een archeologieparagraaf in (de ruimtelijke onderbouwing van) een Omgevingsplan of projectbesluit: € 1.979,60 voor de beoordeling van een geluid- of luchtrapport betreffende de geluidof luchtbelasting: € 0,00 voor de beoordeling van een akoestisch rapport betreffende de interne en externe geluidwering of nagalm van een bouwwerk: € 0,00 voor de beoordeling van een ecologisch onderzoeksrapport: € 0,00 voor de beoordeling van een milieueffectrapportage (MER): € 0,00 voor de beoordeling van een niet in de voorgaande onderdelen genoemd rapport: € 0,00 Advies Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een daartoe aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet: voor een advies van de gemeenteraad: € 393,90 voor een advies van de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Albrandswaard 2021 dat betrekking heeft op de redelijke eisen van welstand bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van

het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet: Indien de bouwkosten minder bedragen dan € 50.000: € 100,00 indien de bouwkosten meer dan € 50.000 bedragen: 0,20% over de bouwkosten tot € 2.000.000: over de bouwkosten van € 2.000.000 tot € 6.000.000: € 4.000,00 plus 0,05% over de bouwkosten van € 2.000.000 tot € 6.000.000: indien de bouwkosten meer bedragen dan € 6.000.000: € 6.000,00 De tarieven in dit onderdeel worden naar boven afgerond op € 5,00 voor een advies van de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Albrandswaard 2021 in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel b: Indien de bouwkosten minder bedragen dan € 25.000: € 0,00 indien de bouwkosten € 25.000 tot € 2.000.000 van de bouwkosten bedragen: € 0,00 indien de bouwkosten meer bedragen dan € 2.000.000 € 0,00 De tarieven in dit onderdeel worden naar boven afgerond op € 5,00 voor een advies in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen 2.38.1.1 tot en met 2.38.1.3.3: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.

Als een begroting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Instemming Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk

26/32

2.39.1.1

2.39.2

2.39.2.1

bedraagt het tarief, als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet betrekking heeft op een activiteit waarvoor de beslissing op de aanvraag op grond van artikel 16.16 van de Omgevingswet instemming behoeft van een bestuursorgaan: het bedrag dat dit bestuursorgaan aan rechten zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager meegedeeld. De aanvraag wordt dan in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. het bedrag dat dit bestuursorgaan aan rechten zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn.

Paragraaf 2.11 Vermindering 2.40 2.40.1

2.40.1.1 2.40.1.2 2.40.1.3

Vermindering bij meervoudige aanvraag Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op vijf of meer activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met uitzondering van leges voor de milieubelastende activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.5 en het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.10. De vermindering bedraagt: bij 5 tot 10 activiteiten: 2% van de voor die activiteiten verschuldigde leges; bij 10 tot 15 activiteiten: 3% van de voor die activiteiten verschuldigde leges; bij 15 of meer activiteiten: 5% van de voor die activiteiten verschuldigde leges.

Paragraaf 2.12 Teruggaaf 2.41 2.41.1

2.41.1.1 2.42 2.42.1

2.42.1.1 2.43 2.43.1

Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning oordeelt dat voor de voorgenomen activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 75% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges. Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, bestaat aanspraak op teruggaaf. De teruggaaf bedraagt: 25% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is

27/32

2.43.1.1 2.43.1.1.1 2.43.1.2 2.43.1.2.1 2.43.1.3 2.43.1.3.1 2.44 2.44.1

2.44.1.1 2.44.1.1.1 2.44.1.2 2.44.1.2.1 2.44.1.3 2.44.1.3.1 2.45 2.45.1

2.45.1.1 2.46 2.46.1

2.46.1.1

geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen vier weken na de indiening van de aanvraag: 50% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf vier weken tot zes weken na de indiening van de aanvraag: 40% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf zes weken na de indiening van de aanvraag: 30% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges.

De teruggaaf bedraagt: bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen zes weken na de indiening van de aanvraag: 50% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf zes weken tot achttien weken na de indiening van de aanvraag: 40% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf achttien weken na de indiening van de aanvraag: 30% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een verleende omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 25% van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges.

Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 25% van de voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is geweigerd verschuldigde leges.

28/32

2.46.2

2.47 2.47.1

2.48 2.48.1

Onder een weigering bedoeld in onderdeel a wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak. Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten In afwijking van de voorgaande artikelen van deze paragraaf wordt geen teruggaaf verleend van het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.11. Minimumbedrag voor teruggaaf Een bedrag minder dan 100,00 wordt niet teruggegeven.

29/32

Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Paragraaf 3.1 Horeca 3.1 a.

b.

3.2 a. b.

c.

d.

e. f.

Exploitatie openbare inrichting Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: een aanvraag om een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening: een aanvraag om een ontheffing van de sluitingstijd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:29, van de Algemene plaatselijke verordening: Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet: een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet: Indien dit samengaat met een ontheffing van de sluitingstijd worden hier geen leges voor in rekening gebracht. een melding als bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet.: Indien dit samengaat met een wijziging op de exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening worden geen leges in rekening gebracht. een aanvraag om wijziging van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Alcoholwet: Indien dit samengaat met een bijschrijving van een beheerder op de exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28i en artikel 3:15 van de Algemene plaatselijke verordening worden geen leges in rekening gebracht.

een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet: aanvraag tot het wijzigen van de gegevens in de exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 of 2:79b van de Algemene plaatselijke verordening:

€ 334,60

€ 34,20

€ 332,20 € 34,20

€ 141,00

€ 141,00

€ 33,30 € 141,00

Paragraaf 3.2 Gereserveerd 3.3 3.4

gereserveerd gereserveerd

Paragraaf 3.3 Winkeltijdenwet 3.5

a. b.

Ontheffing winkeltijden Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet: een wijziging van een in onderdeel a bedoelde ontheffing:

Paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt 3.6.

Organiseren evenement

30/32

€ 81,70 € 81,70

a. b. c. 3.7

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (evenementenvergunning), als het betreft: een A-evenement zoals beschreven in artikel 2:24 lid 3 onder b van de APV: een B- of C-evenement zoals beschreven in artikel 2:24 lid 3 onder c en d door een persoon of organisatie met commercieel winstoogmerk: een B- of C-evenement zoals beschreven in artikel 2:24 lid 3 onder c en d door een persoon of organisatie voor een ideeel doel: gereserveerd

nihil € 235,10 nihil

Paragraaf 3.5 Standplaatsen 3.8

3.9 3.10 a.

b. 1. 2. c. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. d. 1. 2.

Marktstandplaatsvergunningen en andere vergunningen op markt Voor de marktstandplaatsvergunningen en andere vergunningen op markt worden geen leges geheven. gereserveerd Losse standplaatsen Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het innemen of hebben van een standplaats, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene plaatselijke verordening: Het tarief voor het innemen van een standplaats (anders dan Emmastraat) met een verkoopwagen of eenheid: voor een halve dag: voor een hele dag: Het tarief voor het innemen van een standplaats met een verkoopwagen of eenheid op dinsdagen Emmastraat Poortugaal: tot en met 8m2, per dag: van 9 tot en met 12 m2, per dag: van 13 tot en met 16 m2, per dag: van 17 tot en met 20 m2 per dag: tot en met 8m2, per dag, per jaar: (52 x € 7,40): van 9 tot en met 12 m2, per jaar: (52 x € 9,20): van 13 tot en met 16 m2, per jaar: (52 x € 14,50): van 17 tot en met 20 m2 per jaar (52 x € 20,00): Het tarief voor het innemen van een seizoenstandplaats: Voor het innemen van een seizoenstandplaats met een kraam bedraagt het tarief per maand: Voor het innemen van een seizoenstandplaats met een verkoopwagen bedraagt het tarief per maand:

Paragraaf 3.6 Huisvestingswet 2014 3.11 3.12 3.13 3.14 3.15 3.16 3.17

gereserveerd gereserveerd gereserveerd gereserveerd gereserveerd gereserveerd gereserveerd

31/32

€ 37,00

€ 23,20 € 37,00

€ 8,00 € 10,10 € 15,80 € 21,80 € 420,50 € 522,90 € 824,00 € 1.136,60

€ 108,10 € 220,70

Paragraaf 3.7 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit 3.18 a.

b. 1. 2. 3. 4. 3.19 a. b. 3.20

Objecten op openbare weg: Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het plaatsen van een object op de openbare weg: Het tarief voor het gebruik van de openbare weg voor het plaatsen van een object, per object: per dag: per week: per maand: per jaar: Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot een opname in het Landelijke Register Kinderopvang van: een kindercentrum of gastouderbureau: een voorziening voor gastouderopvang: Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in dit hoofdstuk niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking:

€ 11,40

€ 35,20 € 48,80 € 137,90 € 274,10

€ 1.334,90 € 333,20 € 35,30

Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Tarieventabel leges 2024” wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze tarieventabel treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 4. Dit besluit wordt aangehaald als “Tarieventabel legesverordening 2025”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

32/32

Verordening Onderwerp: Verordening onroerende zaakbelastingen 2025

Gemeenteraad: 16 december 2024

Zaaknummer: 2024-079976

Commissie: B&A Welzijn 2 december 2024

De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

BESLUIT: Vast te stellen de

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2025 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Pagina 1 van 4

Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.

ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

Pagina 2 van 4

i.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2 De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,3325 %; b. bij de eigenarenbelasting a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1023 %; b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3991 %. 2 Indien de heffingsmaatstaf beneden € 12.000,- blijft, wordt geen belasting geheven. 3 Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. 4 Voor bedragen tot € 9 ,- wordt geen aanslag opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde belastingen of heffingen aangemerkt als één bedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden

Pagina 3 van 4

betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024' wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024.

De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

Pagina 4 van 4

Verordening Onderwerp: Verordening Rioolheffing 2025

Gemeenteraad: 16 december 2024 Commissie: B&A Welzijn 2 december 2024

Zaaknummer: 2024-079976

De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; BESLUIT: Vast te stellen de

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025

Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. onder voorziening of combinatie van voorzieningen wordt mede verstaan een open water; c. onder gemeentelijke riolering wordt mede de in het kader van het Gemeentelijk Rioleringsplan door of vanwege de gemeente geplaatste individuele afvalwaterbehandeling (IBA) begrepen; d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. e. garagebox: een overdekte en afsluitbare ruimte bedoeld voor het stallen van een auto (WOZobjectcode 1700), Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het gebruikersdeel wordt: a.

gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

Pagina 1 van 4

b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen gedeelte van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel; Artikel 5 Vrijstellingen De belasting is niet verschuldigd ter zake van percelen die in zelfstandig gebruik zijn als berging (WOZobjectcode 1730) of garagebox (WOZ-objectcode 1700). Artikel 6 Maatstaf van heffing 1.

De belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. In geval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

Artikel 7 Belastingtarieven De belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt per perceel van waaruit water op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd: a. tot en met 500 m³ per jaar met dien verstande dat aan een volgens de gemeentelijke basisadministratie alleenwonende gebruiker van een perceel van waaruit water op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd vermindering wordt verleend van 25% van het in dit lid genoemde tarief.

€ 302,76

Pagina 2 van 4

b. c. d. e. f.

per m³ boven de 500 m³ tot en met 1500 m³; per m³ boven de 1500 m³ tot en met 2500 m³ per m³ boven de 2500 m³ tot en met 5000 m³ per m³ boven de 5000 m³. Het aantal personen dat gebruik maakt van het perceel wordt bepaald naar de situatie per 1 januari van het belastingjaar dan wel op het moment van het ontstaan van de belastingplicht

€ 1,73 € 1,61 € 1,48 € 1,36

Artikel 8 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 9 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. Het gebruikersdeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruikersdeel in de loop van het jaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,--. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. Belastingbedragen van minder dan € 9,-- worden niet geheven. 6.

Voor de toepassing van de bepalingen in het derde en vijfde lid, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 11 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeerartikel 1. De ‘Verordening rioolheffing 2024’ wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Pagina 3 van 4

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2025'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

Pagina 4 van 4

Verordening Onderwerp: Verordening Lijkbezorgingsrechten 2025

Gemeenteraad: 16 december 2024 Commissie: B&A Welzijn 2 december 2024

Zaaknummer: 2024-079976

De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024; Gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; BESLUIT: Vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2025 Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: - begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaatsen Rhoon en Poortugaal; - eigen graf: een particulier graf, grafkelder daaronder begrepen, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: - het doen begraven en begraven houden van lijken; - het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; - het doen verstrooien van as; - algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin aan een ieder gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken; - eigen urnengraf: een particulier graf, grafkelder daaronder begrepen, waarvoor voor bepaalde of onbepaalde tijd het uitsluitend recht is verleend tot: - het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; - het doen verstrooien van as; - urnennis: een algemene ruimte in een urnenmuur bij de gemeente in beheer, waarin een Rechthebbende gelegenheid wordt gegeven tot het doen bijzetten van een of meer asbussen met of zonder urnen; - asbus: een bus ter berging van as van een overledene; - urn: een voorwerp ter

berging van één of meer asbussen; - buitengewone uren: uren die niet liggen: - tussen 09.00 en 16.00 uur op werkdagen; en - tussen 09.00 en 14.00 uur op zaterdagen. Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats. Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst

wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 4 Vrijstellingen De rechten worden niet geheven voor het lichten van een lijk of asbus op rechterlijk gezag. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 6 Belastingjaar 1. Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. 2. Met betrekking tot de rechten genoemd in hoofdstuk 6 van de tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor wordt afgekocht. Artikel 7 Wijze van heffing 1. De onderhoudsrechten, bedoeld in hoofdstuk 6 van de tarieventabel, worden geheven bij wege van aanslag. 2. Andere rechten als die bedoeld in hoofdstuk 6 van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten 1.

De onderhoudsrechten, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt zijn de rechten bedoeld in hoofdstuk 6 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten Andere rechten dan die bedoeld in hoofdstuk 6 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. 2.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet of de schriftelijke kennisgeving. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12. Overgangsrecht 1. De 'Verordening Lijkbezorgingsrechten 2024' van 18 december 2023, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van de rechten hiervoor in die periode plaatsvindt. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 3. Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening Lijkbezorgingsrechten 2025'. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

Tarieventabel lijkbezorgingsrechten 2025 behorende bij de Verordening lijkbezorgingsrechten 2025 Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten (particuliere graven) 1.1 Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een particulier graf wordt geheven: 1.1.1 voor een particulier graf in Poortugaal en Rhoon (1 diep) voor een periode van 20 jaar 1.1.2 voor een particulier graf in Poortugaal en Rhoon (1 diep) voor onbepaalde tijd 1.1.3 voor een particulier dubbel graf in Poortugaal en Rhoon (1 diep) voor een periode van 20 jaar 1.1.4 voor een particulier dubbel graf in Poortugaal (1 diep) voor onbepaalde tijd 1.1.5 voor een particulier graf in Rhoon (2 diep) voor een periode van 20 jaar 1.1.6 voor een particulier graf in Rhoon (2 diep) voor onbepaalde tijd 1.1.7 voor een particulier foetusgraf voor een periode van 80 jaar 1.1.8 voor een particulier kindergraf voor een periode van 80 jaar 1.1.9 voor een particulier foetus of kindergraf voor en periode van 80 jaar voor rechthebbenden volgens artikel 16.13 van de "Verordening algemene begraafplaatsen Albrandswaard 2021 inwoners Albrandswaard 1.2 Voor het verlengen van uitsluitend recht op een particulier graf wordt geheven: 1.2.1 voor een particulier graf (1 diep) voor 1.2.1.1 periode van 5 jaar 1.2.1.2 periode van 10 jaar 1.2.1.3 periode van 20 jaar 1.2.2 Voor een particulier dubbel graf (1 diep) voor: 1.2.2.1 periode van 5 jaar 1.2.2.2 periode

van 10 jaar 1.2.2.3 periode van 20 jaar 1.2.3 Voor een particulier graf en grafkelder in Rhoon (2 diep) voor 1.2.3.1 periode van 5 jaar 1.2.3.2 periode van 10 jaar 1.2.3.3 periode van 20 jaar

€ 1.865,00 € 5.970,00 € 3.725,00 € 12.135,00 € 3.055,00 € 9.785,00 € 930,00 € 3.735,00 nihil

€ 465,00 € 930,00 € 1.865,00 € 930,00 € 1.865,00 € 3.725,00 € 760,00 € 1.525,00 € 3.055,00

Hoofdstuk 2: Uitgifte algemene graven 2.1 Voor het ter beschikking stellen van een algemeen graf voor een periode van 15 jaar (Rhoon grafkelder 2 diep, Poortugaal zandgraf 1diep) wordt geheven: 2.1.1 Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de begraafplaats wordt geheven voor een algemeen graf voor een periode van 15 jaar 2.1.2 Inschrijving register

€ 430,00

Hoofdstuk 3: Begraven 3.1 Voor het begraven van een lijk worden de volgende rechten geheven: 3.1.1 van een persoon vanaf 18 jaar 3.1.2 van een foetus of kind tot 1 jaar 3.1.3 van een kind tussen 1 en 18 jaar 3.1.4 van een kind beneden 18 jaar welk wordt begraven in een particulier graf, particulier foetus- of kindergraf waarvan de rechthebbende is ingeschreven

€ 1.445,00 € 630,00 € 935,00

€ 325,00 € 35,00

nihil

in de Gemeente Albrandswaard, conform artikel 16.13 van de "Verordening algemene begraafplaatsen Albrandswaard 2021" Hoofdstuk 4 Overige heffingen 4.1 Voor het begraven op buitengewone uren wordt het tarief bedoeld in 3.1.1 tot en met 3.1.3 als volgt verhoogd: 4.1.1 Zaterdag tot 12.00 uur 4.1.2 Zaterdag na 12.00 uur 4.1.3 Zon- en feestdagen (alleen in uitzonderlijke gevallen) 4.1.4 Maandag tot en met vrijdag na 16.00 uur 4.1.5 Voor het luiden van de klok wordt geheven per kwartier 4.1.6 Voor het gebruik van de geluidsinstallatie wordt geheven per begrafenis 4.2 Voor het inschrijven en overboeken van particulieren graven en urnennissen: 4.2.1 Inschrijving register 4.2.2 Overboeking particuliergraf Hoofdstuk 5 Asbestemming 5.1 Voor het verlenen van het recht op een asbestemming wordt geheven bij uitgifte: 5.1.1 van een urnengraf, 2 urnen voor een periode van 10 jaar 5.1.2 van een urnengraf, 2 urnen voor een periode van 20 jaar 5.1.3 van een urnennis, 2 urnen voor een periode van 10 jaar 5.1.4 van een urnennis, voor een periode van 20 jaar 5.2 Voor het verlengen van het recht op een asbestemming wordt geheven: 5.2.1 Urnengraf, 2 urnen 5.2.1.1 periode van 5 jaar 5.2.1.2 periode van 10 jaar 5.2.1.3 periode van 20 jaar 5.2.2 Urnennis, 2 urnen 5.2.2.1 periode van 5 jaar 5.2.2.2 periode van 10 jaar 5.2.2.3 periode van 20 jaar 5.3 Voor het plaatsen of bijzetten van asbus of urn worden

de volgende rechten geheven: 5.3.1 In een urnennis 5.3.2 In een urnengraf 5.3.3 In een particulier graf

€ 490,00 € 585,00 € 675,00 € 160,00 € 20,00 € 50,00 € 35,00 € 35,00

€ 645,00 € 1.290,00 € 770,00 € 1.560,00 € 320,00 € 645,00 € 1.290,00 € 385,00 € 770,00 € 1.560,00 € 200,00 € 400,00 € 400,00

Hoofdstuk 6 Onderhoudskosten begraafplaats en grafbedekking particuliere graven 6.1 Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de begraafplaats wordt geheven 6.1.1 Voor een particulier graf voor een periode van 5 jaar (Rhoon 2 persoons) € 360,00 6.1.2 voor een particulier graf voor een periode van 10 jaar (Rhoon 2 persoons) € 715,00 6.1.3 voor een particulier graf voor een periode van 20 jaar (Rhoon 2 persoons) € 1.430,00 6.1.4 voor een particulier graf voor een periode van 5 jaar (Poortugaal en Rhoon 1 persoons) € 235,00 6.1.5 voor een particulier graf voor een periode van 10 jaar (Poortugaal en Rhoon 1 persoons) € 480,00 6.1.6 voor een particulier graf voor een periode van 20 jaar (Poortugaal en Rhoon 1 persoons) € 950,00

6.1.7 6.1.8 6.1.9 6.1.10 6.1.11 6.1.12 6.1.13 6.1.14 6.1.15 6.1.16 6.1.17 6.1.18 6.1.19 6.1.20 6.1.21 6.1.22 6.1.22a 6.1.23

voor een particulier dubbel graf voor een periode van 5 jaar (Poortugaal 1 diep) voor een particulier dubbelgr af voor een periode van 10 jaar (Poortugaal 1 diep) voor een particulier dubbel graf voor een periode van 20 jaar (Poortugaal 1 diep) voor een particulier urnengraf voor een periode van 5 jaar voor een particulier urnengraf voor een periode van 10 jaar voor een particulier urnengraf voor een periode van 20 jaar voor een particuliere urnennis voor een periode van 5 jaar voor een particuliere urnennis voor een periode van 10 jaar voor een particuliere urnennis voor een periode van 20 jaar voor een particulier graf voor onbepaalde tijd voor een particulier kindergraf voor een periode van 80 jaar voor een particulier foetusgraf voor een periode van 80 jaar voor een particulier foetus of kindergraf waarvan de rechthebbende is ingeschreven in de Gemeente Albrandswaard, conform artikel 16.13 van de "Verordening algemene begraafplaatsen Albrandswaard 2020" Onderhoudskosten per jaargraf 2 diep (via heffing). Voor graven waar al voor 2021 jaarlijks onderhoudskosten werden betaald Onderhoudskosten per jaar graf 1 diep (via heffing). Voor graven waar al voor 2021 jaarlijks onderhoudskosten werden betaald Onderhoudskosten per jaar (via heffing) voor een dubbel graf (Poortugaal 1 diep).

Voor graven waar al voor 2021 jaarlijks onderhoudskosten werden betaald Onderhoudskosten per jaar (via heffing) voor een dubbel graf (Poortugaal 1 diep). Voor graven waar al voor 2021 jaarlijks onderhoudskosten werden betaald voor een particulier graf voor onbepaalde tijd, onderhoud monument

Hoofdstuk 7 Vergunning gedenkteken 7.1 Voor het verlenen van een vergunning voor het hebben van gedenkteken wordt geheven Hoofdstuk 8 Opgraven, herbegraven, verstrooien en ruimen 8.1 Voor het opgraven van een stoffelijk overschot, ten behoeve van herbegraven of crematie wordt geheven: 8.1.1 Voor het opgraven van een stoffelijk overschot of overblijfselen van een stoffelijk overschot t.b.v. Crematie of herbegraven elders 8.1.2 Voor het schudden van het graf wordt geheven 8.1.3 Voor het na opgraven vanuit algemeen graf herbegraven op dezelfde begraafplaats. 8.1.4 Ter beschikking stellen kist voor na opgraving. 8.2 Voor het opgraven of verwijderen van een asbus wordt geheven 8.2.1 uit een particulier graf 8.2.2 uit een particulier urnengraf 8.2.3 uit een particuliere urnennis 8.3 Voor het verstrooien van as wordt per asbus geheven: 8.3.1 op een verstrooiingsplaats 8.3.2 in een particulier graf

€ 480,00 € 950,00 € 1.915,00 € 120,00 € 235,00 € 480,00 € 95,00 € 185,00 € 370,00 € 4.775,00 € 1.915,00 € 950,00 nihil € 95,00 € 65,00 € 140,00 € 95,00 € 4.545,00

€ 80,00

€ 835,00 € 1.295,00 € 2.215,00 € 300,00 € 400,00 € 400,00 € 200,00 € 150,00 € 315,00

Inwerkingtreding en citeertitel 1. De tarieventabel lijkbezorgingsrechten 2024 van 18 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze tarieventabel treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 4. Dit besluit wordt aangehaald als “Tarieventabel Lijkbezorgingsrechten 2025”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

Verordening Onderwerp: Verordening Kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen 2025

Gemeenteraad: 16 december 2024

Zaaknummer: 2024-079976

Commissie: B&A Welzijn 2 december 2024

De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024; gelet op artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden; overwegende dat het gewenst is om regels te stellen voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen;

BESLUIT: Vast te stellen de Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen 2025 Artikel 1. Voor kwijtschelding in aanmerking komende gemeentelijke belastingen en heffingen Bij de invordering van de volgende belastingen en heffingen kan kwijtschelding verleend worden van de volgende belastingen en heffingen: • • •

de onroerende-zaakbelastingen; de rioolheffing; de afvalstoffenheffing voor het vast recht, zoals bedoeld in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 van de tarieventabel behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing 2025.

Artikel 2. Berekeningswijze kosten van bestaan Bij de kwijtschelding van de belastingen en heffingen, zoals bedoel in artikel 1, wordt in afwijking van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan vastgesteld op 100 percent. Artikel 3. Extra toegestane financiële middelen In afwijking van artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het totale bedrag aan financiële middelen, bedoeld in dat onderdeel, verhoogd met: a. het maximumbedrag genoemd in artikel 4, onder a van de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden voor de belastingschuldige en zijn echtgenoot, b. 75% van het bedrag genoemd onder a voor een alleenstaande, en c. 90% van het bedrag genoemd onder a voor een alleenstaande ouder.

Pagina 1 van 2

Artikel 4. Kwijtschelding aan ondernemers Met inachtneming van het overigens in dit besluit bepaalde, wordt een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen die geen verband houden met de uitoefening van het bedrijf of beroep van een natuurlijke persoon die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, behandeld volgens de bepalingen van hoofdstuk II, afdelingen 1, 2 en 5 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel 1. De ‘Verordening kwijtschelding 2024´van 18 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van deze verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening kwijtschelding 2025’. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 4. De datum van ingang van deze verordening is 1 januari 2025, met dien verstande dat zij slechts van toepassing is op belastingaanslagen ter zake van het belastingjaar 2025. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Albrandswaard van 16 december 2024. De griffier,

De voorzitter,

drs. Leendert Groenenboom

drs. Jolanda de Witte

Pagina 2 van 2

Verordening Onderwerp: Verordening Afvalstoffenheffing 2025

Gemeenteraad: 16 december 2024 Commissie: B&A Welzijn 2 december 2024

Zaaknummer: 2024-079976

De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; BESLUIT: Vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2025 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder “gebruik maken”: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening, en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d.

een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 4 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.

Pagina 1 van 5

Artikel 5 Reductie heffing bij onvermijdbaar medisch afval 1. De belastingplichtige, als bedoeld in artikel 4, komt, op aanvraag, in aanmerking voor vermindering van het aantal aanbiedingen als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.2.2, van de in artikel 6 bedoelde tarieventabel, indien de belastingplichtige als gevolg van een (chronische) ziekte of handicap van hem of haarzelf dan wel (chronische) ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afvalstoffen van substantiële omvang moet aanbieden. 2. De in het eerste lid bedoelde vermindering met betrekking tot ontgrendeling van een verzamelcontainer is van toepassing op klepbewegingen tot en met het aantal van 104 en bedraagt 50% van het werkelijke aantal. Voor klepbewegingen boven het aantal van 104 wordt het desbetreffende tarief in rekening gebracht. 3. De in het eerste lid bedoelde vermindering met betrekking tot lediging van een minicontainer is van toepassing op ledigingen tot en met het aantal van 26 en bedraagt 50% van het werkelijke aantal. Voor ledigingen boven het aantal van 26 wordt het desbetreffende tarief in rekening gebracht. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.

Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 7 Belastingjaar Voor de belastingen, bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.1, 2.1.2.1 en 2.1.2.2 van de tarieventabel is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.1, 2.1.2,1 en 2.1.2.2 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. 2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.3 tot en met 2.4, van de tarieventabel wordt geheven bij wege van gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de kennisgeving aan de belastingschuldige bekend gemaakt. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,-4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 5. Belastingbedragen van minder dan € 9,-- worden niet geheven. 6. Voor de toepassing van de bepalingen in het derde en vijfde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. 7. De belastingen bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.1, 2.1.2.1 en 2.1.2.2 zijn verschuldigd na het einde van het belastingjaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3665/documents/32986