CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

8. 2024-043928 Raadsvoorstel vaststellen gewijzigde gemeenschappelijke regeling MRDH.pdf

Gemeenteraad AW 1 juli 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ingekomen stukken38.012 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

3.De toetreding gaat in op een door het algemeen bestuur in het toetredingsbesluit genoemde datum.

3.De toetreding gaat in op een door het algemeen bestuur in het toetredingsbesluit genoemde datum. Artikel 6:2 Uittreding 1.De gemeenteraad, het college en de burgemeester van een van de gemeenten kunnen uitsluitend gezamenlijk uittreden en maken gezamenlijk schriftelijk kenbaar bij het algemeen bestuur van de Metropoolregio dat zij het voornemen hebben om uit te treden uit de Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014 en de uittredingsdatum die zij voor ogen hebben.

Artikel 6:2 Uittreding 1.De gemeenteraad, het college en de burgemeester van een van de gemeenten kunnen uittreden. 2.Het algemeen bestuur kan algemene regels stellen omtrent de procedure van uittreding. 3.Het algemeen bestuur doet aan de bestuursorganen van de gemeenten een voorstel voor regeling van de gevolgen van de uittreding in een ontwerp-uittredingsplan waarbij de belangen van de gemeenten

2.Het algemeen bestuur stelt regels omtrent de procedure van uittreding.

waarvan de bestuursorganen uittreden en van de achterblijvende gemeenten op evenwichtige wijze worden afgewogen. 4.De bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen stellen met ten minste twee derde meerderheid het uittredingsplan vast. 5.De uittreding vindt slechts plaats op 1 januari na de datum, waarop opname in het register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaatsgevonden, tenzij door het algemeen bestuur een later tijdstip is bepaald.

3.Het algemeen bestuur doet aan de bestuursorganen van de gemeenten een voorstel voor regeling van de gevolgen van de uittreding in een ontwerp-uittredingsplan waarin de gevolgen van de mogelijke uittreding in kaart worden gebracht. Daarbij worden de belangen van de gemeenten waarvan de bestuursorganen uittreden en van de achterblijvende gemeenten op evenwichtige wijze afgewogen. 4.De voorbereidingen voor het opstellen van het ontwerp-uittredingsplan worden gedaan door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur benoemt daartoe een projectgroep onder leiding van een onafhankelijke extern financieel deskundige. De portefeuillehouders middelen van de bestuurscommissies maken in ieder geval deel uit van de projectgroep. In het geval de portefeuillehouder middelen behoort tot de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft kenbaar gemaakt, wordt een nieuwe portefeuillehouder benoemd. 5.De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige zijn voor rekening van de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft uitgesproken. 6.Het uittredingsplan bevat in ieder geval de volgende elementen: a. een beschrijving van de consequenties voor de wettelijke en overige taken van de uittredende deelnemer; b. een beschrijving van de consequenties voor de financiële middelen die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer (BDU); c.

een beschrijving van de consequenties voor de activiteiten die zijn gekoppeld aan de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat; d. een beschrijving van de consequenties voor de lopende openbaar vervoersconcessies voor het grondgebied van de uittredende deelnemer;

e. een beschrijving van eventuele consequenties voor de verbonden partijen van de Metropoolregio; f.

een beschrijving van consequenties voor lopende subsidies, opdrachten, leningen en overige verplichtingen;

g. een beschrijving van consequenties voor de structurele organisatielasten, waaronder personeels- en huisvestingslasten; h. de uittreedsom, of de wijze waarop de uittreedsom wordt berekend. 7. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit de schade die de Metropoolregio en de achterblijvende deelnemers lijden als direct gevolg van het besluit tot uittreding: a. de Metropoolregio is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden; b. de berekening van de kosten van uittreding wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van werkelijke uittreding. 8. De bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen stellen met ten minste twee derde meerderheid het uittredingsplan vast. 9. Na toezending van het ontwerp-uittredingsplan maken de bestuursorganen van de deelnemer die het voornemen tot uittreding hebben kenbaar gemaakt, binnen 3 maanden gezamenlijk bekend of zij definitief willen uittreden. De besluiten tot uittreden worden aangetekend verzonden aan het algemeen bestuur.

10.De uittreding vindt slechts plaats op 1 januari na de datum, waarop opname in het register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaatsgevonden, tenzij door het algemeen bestuur een later tijdstip is bepaald. Artikel 6:3 Wijziging 1.De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen.

Artikel 6:3 Wijziging 1.De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen.

2.De wijzigingsregeling bepaalt wanneer deze in werking treedt. Artikel 6:4 Opheffing 1.De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen.

2.De wijzigingsregeling bepaalt wanneer deze in werking treedt. Artikel 6:4 Opheffing

2.De opheffing wordt van kracht op 1 januari, volgend op de datum waarop het laatste bestuursorgaan dat aan deze regeling deelneemt de in het eerste lid bedoelde besluiten heeft genomen, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald.

2.De opheffing wordt van kracht op 1 januari, volgend op de datum waarop het laatste bestuursorgaan dat aan deze regeling deelneemt de in het eerste lid bedoelde besluiten heeft genomen, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald.

3.In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

3.In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

4.Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld.

4.Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld.

5.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling.

5.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling.

6.De organen van de Metropoolregio blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is voltooid.

6. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als in positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals

1.De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen.

Hoofdstuk 7: Geschillen

opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.. Hoofdstuk 7: Geschillen

Artikel 7:1 Voorprocedure 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

Artikel 7:1 Voorprocedure 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

2.Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat.

2.Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat.

3.Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende gemeentebestuur op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.

3.Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende gemeentebestuur op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.

4.De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende gemeentebestuur.

4.De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende gemeentebestuur.

5.Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen

5.Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij

vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten.

om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten.

6.De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende gemeentebestuur ieder voor de helft gedragen. Hoofdstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen

6.De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende gemeentebestuur ieder voor de helft gedragen. Hoofdstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8:1 Periodieke evaluatie Het algemeen bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling. Bij deze evaluatie worden de deelnemende bestuursorganen betrokken. De evaluatie wordt aan de vertegenwoordigende organen voorgelegd. De eerste evaluatie vindt plaats twee jaar na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel 8:2 Toezending ex artikel 26 van de wet Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam draagt zorg voor de toezending aan gedeputeerde staten en de minister van de besluiten tot toetreding tot, uittreding uit, wijziging of opheffing van de regeling. Deze besluiten worden ook voor kennisgeving gezonden aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 8:3 Onbepaalde tijd 1.De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 8:1 Periodieke evaluatie Het algemeen bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling. Bij deze evaluatie worden de deelnemende bestuursorganen betrokken. De evaluatie wordt aan de vertegenwoordigende organen voorgelegd.

2.In 2024 evalueert het algemeen bestuur de regeling, waarbij in elk geval wordt onderzocht of:

2.In 2024 evalueert het algemeen bestuur de regeling, waarbij in elk geval wordt onderzocht of:

a. de doelstellingen van de regeling, gelet op de overwegingen, zijn behaald, of

a. de doelstellingen van de regeling, gelet op de overwegingen, zijn behaald, of

b. voldoende grond bestaat voor continuering van de regeling.

Artikel 8:2 Toezending ex artikel 26 van de wet Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam draagt zorg voor de toezending aan gedeputeerde staten en de minister van de besluiten tot toetreding tot, uittreding uit, wijziging of opheffing van de regeling. Deze besluiten worden ook voor kennisgeving gezonden aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 8:3 Onbepaalde tijd 1.De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

b. voldoende grond bestaat voor continuering van de regeling. 3.Het algemeen bestuur doet, gehoord de Vervoersautoriteit, aan de bestuursorganen van de gemeenten op grond van de evaluatie, bedoeld in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3656/documents/32152