52. Raadsinformatiebrief 2021 410509 bestuursovereenkomst generiek interbestuurlijk toezicht.pdf
Tekst van het document
8.3 Landelijk en regionale afstemming en uniformering De Huisvesting van vergunninghouders wordt landelijk en regionaal afgestemd in onder andere de volgende overlegstructuren: PHV: Landelijk Platform Huisvesting Vergunninghouders. Dit is een ambtelijk overleg van de coördinatoren IBT, voorgezeten door de secretaris van het IPO. IVO: Ambtelijk Interdepartementaal vergunninghouders overleg. Hierbij zijn ook de secretaris van het IPO en de toezichthouder van de provincie Zuid-Holland aanwezig. Landelijke regietafel. De voorzitter van dit bestuurlijke overleg is is de minister van BZK. Deze regietafel werkt aan gezamenlijke opgaven op het gebied van huisvesting statushouders, integratie en participatie. De deelnemers zijn de minister van SZW, de staatssercetaris JenV, de burgemeester van Tilburg, de CdK van Drenthe (als vertegenwoordiger van de Rijksheren) en bestuursleden van VNG, IPO en COA. Provinciale regietafels. In dit oveleg bespreken bestuurders de uitvoering van de afspraken van de landelijke regietafel. Voorzitter is de commissaris van de koning van Zuid-Holland (als Rijksheer). Vaste deelnemers zijn: gedeputeerde wonen, bestuursvoorzitter COA en voorzitters van de veiligheidsregio’s. Regionale regietafel. In dit overleg bespreken bestuurderls regionaal (veiligheids- of woonregio’s) de uitvoering van de afspraken van de landelijke en provinciale regietafels.
De deelnemers zijn burgemeesters en wethouders die zich kunnen aanmelden bij de secretaris van de regionale regietafel.
8.4 Het proces Tabel 5, op de volgende pagina, geeft het IBT-proces voor huisvesting vergunninghouders weer, met de daarbij behorende stappen op de IBT-ladder en het oordeel zoals dat zal worden gepubliceerd op het IBT-dashboard.
19
Tabel 5, proces en beoordeling IBT Huisvesting vergunninghouders 0 1
IBT-ladder en -oordeel De gemeente staat niet op de IBTladder, het oordeel is groen. De gemeente staat op trede 1 van de IBT-ladder (signaleren), het oordeel is groen.
Toelichting / acties N.v.t. Het toezicht begint met het signaleren van een achterstand in het realiseren van de opgave en/of het niet op schema lopen bij het realiseren van de opgave.
Op basis van data-analyse blijkt dat de taakstelling niet gerealiseerd is. 2
De gemeente staat op trede 2 van de IBT-ladder (informatie opvragen en beoordelen), het oordeel is geel.
Als de achterstand in het realiseren van de opgave aanhoudt, volgt een ambtelijk gesprek met de gemeente en de regievoerder van het COA en eventueel de in de gemeente werkzame corporaties.
De achterstand is nog niet volledig ingelopen. 3a
De gemeente staat op trede 3a van de IBT-ladder (ambtelijk afspraken maken met termijn), het oordeel is oranje.
Er vindt ambtelijke dialoog plaats. Dit moet binnen 3 maanden na de constatering resulteren in een (aangepast) plan van aanpak (afspraken) waarin de gemeente concrete acties zijn vastgelegd met daarbij behorende met de toezichthouder afgestemde termijnen.
Er is structureel sprake van een achterstand. 3b
De gemeente staat op trede 3a van de IBT-ladder (bestuurlijk afspraken maken met termijn), het oordeel is oranje.
Als het plan van aanpak niet binnen een half jaar resulteert in het realiseren van de taakstelling wordt er bestuurlijk opgeschaald. Het plan van aanpak uit trede 3a wordt bestuurlijk vastgesteld door de gemeente.
Het plan van aanpak heeft niet geresulteerd in het realiseren van de taakstelling. 4
De gemeente staat op trede 4 van de IBT-ladder (vooraankondiging sanctie), het oordeel is rood. De gemeente heeft ondanks bestuurlijke interventie de taakstelling niet gerealiseerd.
Er vindt bestuurlijk overleg plaats. De provincie stuurt een vooraankondiging van de geplande interventie (indeplaatsstelling) en geeft de gemeenten de gelegenheid om binnen een in die brief gestelde termijn alsnog de taakstelling zelf te realiseren.
Voor het beoordelen van de realisatie van de taakstelling wordt gebruik gemaakt van gegevens van het Centraal Orgaan opvang asieszoekers (COA)
20
9. Thema-onderzoeken Themaonderzoeken hebben betrekking op een specifiek onderwerp wat actueel is binnen de provincie of in Nederland en wat betrekking heeft op een van de toezichtgebieden waarop de provincie systematisch toezicht houdt of gaat houden. Het kan bijvoorbeeld gaan om nieuwe wetgeving of andere ontwikkelingen en gebeurtenissen. Aanleiding voor themaonderzoeken kunnen signalen uit de maatschappij zijn, bijvoorbeeld uit de media, of meldingen van burgers. Het belangrijkste doel van themaonderzoeken is om kennis te vergaren en te delen. Een ander doel kan zijn om vast te stellen of er belangrijke maatschappelijke risico’s zijn. De provincie kan zelf initiatief nemen om themaonderzoek te starten, maar zal dat altijd in samenspraak met de gemeenten (klankbordgroep en IBTcoördinatorenoverleg) doen. Ook gemeenten kunnen onderwerpen voor themaonderzoeken aandragen, waarna gezamenlijk zal worden bezien of en hoe dit wordt opgepakt. Op dit moment zijn er voor de komende periode nog geen concrete themaonderzoeken gepland. Prioriteit wordt gegeven aan het in de praktijk brengen van dit Uitvoeringsprogramma en het hierin verwerken van de gevolgen voor het IBT van de Omgevingswet en de Wet digitale overheid.
Op onderdelen van het Uitvoeringsprogramma, bijvoorbeeld monumentenzorg, zal tussentijds geëvalueerd worden of de nieuwe werkwijze in de praktijk werkt en of het de gewenste informatie oplevert. Daarnaast zal Zuid-Holland zich samen met gemeenten en ander provincies blijven inspannen voor het ontwikkelen van data-gedreven toezicht.
21
10. Overige onderwerpen en ontwikkelingen 10.1 Omgevingswet De Omgevingswet bundelt en vereenvoudigt de regels voor ruimtelijke projecten. Met behulp van 1 digitaal loket wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Bijvoorbeeld woningbouw op oude bedrijventerreinen of de bouw van windmolenparken. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet is met een half jaar verplaatst naar 1 juli 2022. Dit geeft het Rijk, gemeenten, provincies, waterschappen en uitvoeringsorganisaties meer ruimte om de implementatie van de wet op een zorgvuldige en verantwoorde wijze af te ronden. De gemeentelijk bestemmingsplannen worden als gevolg van de Omgevingswet omgezet naar één gemeentedekkend Omgevingsplan. Dat betekent ook dat de nieuwe Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking treedt. De IBT-indicatoren voor het jaar 2023 zullen hierop mogelijk moeten worden aangepast. De ZHOV bevat nieuwe instructieregels voor bodem en water, maar de ZHOV bevat ook een nieuwe implementatietermijn voor het gemeentelijke Omgevingsplan. Voor de wijze waarop de IBT-beoordeling zal plaatsvinden heeft dit nog niet direct gevolgen. Meer informatie over de Omgevingswet vindt u op Rijksoverheid.nl.
10.2 Wet Digitale Overheid (Wdo) De Wet digitale overheid (Wdo) heeft als doel het regelen van het veilig en betrouwbaar kunnen inloggen voor Nederlandse burgers en bedrijven bij de (semi-)overheid. Met veilig en betrouwbaar inloggen wordt bedoeld dat burgers elektronische identificatiemiddelen (eID) krijgen met een hogere mate van betrouwbaarheid dan het huidige DigiD. Deze identificatiemiddelen geven publieke dienstverleners meer zekerheid over iemands identiteit. De wet stelt daarnaast open standaarden verplicht. Hiermee implementeert Nederland de EU richtlijn over toegankelijkheid van overheidswebsites en apps. Door de wetswijziging na vragen van de Eerste Kamer wordt de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding van de wet 1 juli 2022. De daadwerkelijke datum van de inwerkingtreding is afhankelijk van wanneer de Kamer het wetsvoorstel met de wijziging bespreekt. De Wdo geeft in artikel 17 aan dat provincies toezicht op waterschappen en gemeenten dienen te houden op de naleving van artikelen art 3, 6, 7, 8 lid 1 en 15 van de Wdo. De Wdo verplicht daarbij de minister te informeren over de naleving van deze wet. De Wdo heeft dus gevolgen voor het interbestuurlijk toezicht op informatieveiligheid en naleving van verplichte standaarden door provincies op en de opvolging hiervan bij gemeenten en waterschappen en hun uitvoeringsorganisaties.
Het bestuur zal de naastgelegen overheidslaag moeten informeren over de naleving van de Wdo. Dit betekent logischerwijs dan ook dat het bestuur informatie moet verzamelen over de invoering van de Wdo. Er is vanuit provincies grote twijfel over de uitvoerbaarheid van het specifieke toezicht dat in de Wdo is opgenomen. Op dit moment is de scope, het detailniveau en de beoogde frequentie van deze rapportages nog niet bekend. Ook speelt hierbij een capaciteitsvraag voor deze (nieuwe) toezichtstaak. Tot slot zijn er vragen hoe artikel 17 zich verhoudt tot de uitgangspunten van de Wet revitalisering generiek toezicht. Over de uitvoerbaarheid van het interbestuurlijk toezicht op de Wdo zal daarom nog afstemming moeten plaatsvinden tussen de betrokken partijen, die worden vertegenwoordigd door de VNG, het IPO, de UvW en het ministerie van BZK. Als bekend is wat het toezicht op de Wdo concreet gaat inhouden, wordt dit nader uitgewerkt en opgenomen in dit Uitvoeringsprogramma. Op de website Digitale Overheid van de Rijsoverheid vindt u meer informatie over de Wdo. 22
10.3 Actieplan Agenda Toekomst van het Toezicht (ATT) Met de in 2018 opgestelde Agenda Toekomst (interbestuurlijk) Toezicht (ATT) geven gemeenten, provincies en Rijk gezamenlijk invulling aan de afspraak in de ‘Programmastart Interbestuurlijk Programma’ (2018): werken aan vernieuwing van het interbestuurlijk en financieel toezicht. Het Actieplan Agenda Toekomst van het Toezicht is een concrete uitwerking van de ATT. In de ATT is aangegeven dat in het nieuwe toezicht het leren en de dialoog voeren centraal staan en dat er langs de volgende 5 actielijnen naar het nieuwe interbestuurlijk toezicht toegewerkt wordt: 1. Versterken verbinden horizontale controle en verticaal toezicht, 2. Beter voeren dialoog, 3. Beter leren via toezicht, 4. Uniformeren uitvoering toezicht en 5. Toezichthouder richt zich op gedeelde risico’s. In het actieplan Toekomst Toezicht zijn deze actielijnen vertaald naar concretere acties en te bereiken resultaten. Deze acties en resultaten kunnen de komende jaren gevolgen hebben voor dit Uitvoeringsprogramma.
23
24