5. 402762 Raadsvoorstel verordening Jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022..pdf
Tekst van het document
Voorstel Onderwerp: Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022
College van burgemeester en wethouders 2 november 2021
Portefeuillehouder Mieke van Ginkel
Zaaknummer 402762
Openbaar
E-mailadres opsteller: b.zomerdijk@bar-organisatie.nl
Geadviseerd besluit 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022 vast te stellen. 2. De Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2019 gelijktijdig in te trekken.
1/4
Raadsvoorstel Inleiding Sinds 2015 voert de gemeente Albrandswaard de taken uit op het gebied van de Jeugdwet. Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Als ondersteuning nodig is, zorgt het college voor goede en toegankelijke jeugdhulp. Daarvoor is het noodzakelijk om juridische kaders vast te stellen over het verstrekken van jeugdhulp aan jeugdigen en/of ouder(s). Dit gebeurt op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening jeugdhulp. De verordening jeugdhulp is voor het laatst in 2019 geheel herzien. De huidige herziening van de verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022 is ingegeven door de door de gemeenteraad vastgesteld nota ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’, de herziende werkwijze van de wijkteams en door jurisprudentie. Beoogd effect De verordening jeugdhulp actualiseren, zodat deze voldoet aan ontwikkelingen en jurisprudentie in de jeugdhulp. Argumenten 1.1 Actualiseren van de verordening is noodzakelijk om te voldoen aan de ontwikkelingen en jurisprudentie in de jeugdhulp De huidige verordening dateert van 2019 en is inmiddels door ontwikkelingen en jurisprudentie niet meer actueel. Als de verordening jeugdhulp niet wordt aangepast, kan de gemeente juridische risico’s lopen.
Schulinck heeft als basis gediend voor het actualiseren van de verordening jeugdhulp. Zie de bijlage voor een toelichting op de wijzigingen.
1.2 Het opnemen van een toelichting op de artikel(leden) van de verordening verduidelijkt deze nieuwe verordening Bij de huidige verordening is geen toelichting op de (artikel)leden in de verordening opgenomen. Bij de nieuwe verordening is een artikel(lid)sgewijze toelichting opgenomen. Deze werd bij de huidige verordening gemist. De toelichting heeft in ieder geval twee functies: - ze geeft een verantwoording van de reden van het artikel(lid); en - ze geeft een nadere uitleg van het artikel(lid), daar waar dat van belang is voor een beter begrip en voor de toepassing. Overleg gevoerd met Portefeuillehouder, manager sociaal domein, beleidsadviseurs jeugdhulp, wijkteamleiders, kwaliteitsmedewerker en juridische zaken. Kanttekeningen 1.1 De ontwikkelingen in de jeugdhulp op lange termijn zijn nog onduidelijk Onduidelijk is wat er met de jeugdhulp op lange termijn gaat gebeuren en wat de rol van de gemeente hierin zal zijn. De huidige verordening is achterhaald door ontwikkelingen en jurisprudentie. Hierdoor kan de gemeente juridische risico’s lopen. Hierdoor is het van belang dat de verordening wordt herzien.
2/4
Uitvoering/vervolgstappen Voor de uitvoering van de Jeugdwet worden nadere regels opgesteld en de beleidsregels geactualiseerd. Deze worden in januari 2022 aan het college voorgelegd. Financiën N.v.t. Communicatie/participatie na besluitvorming De verordening wordt geplaatst op de website overheid.nl en op de gemeentelijke site. Daarmee is de verordening jeugdhulp voor een breed publiek toegankelijk.
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Advies MAA inzake Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022.pdf Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022.docx toelichting wijzigingen verordening jeugdhulp.docx Reactie advies MAA.doc
3/4
CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022
Gemeenteraad: 20 december 2021
Zaaknummer: 402762
De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 2 november 2021,
BESLUIT: 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022 vast te stellen.
2. De Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2019 gelijktijdig in te trekken.
4/4
Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard
Advies Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2022
Aan : College van Burgemeester en Wethouders van Albrandswaard Stationsstraat 4 3161 KP Rhoon Van : Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu Datum : 27 augustus 2021
Geacht college, Wij ontvingen op 16 juli 2021 het verzoek Advies te geven op de Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2022 Hieraan geven wij gaarne gevolg. Wij hopen dat deze adviezen worden meegenomen in de finale besluitvorming van bovengenoemde verordening. De leden van de Maatschappelijke Adviesraad zien uw reactie met belangstelling tegemoet.
Namens de Adviesraad, Met vriendelijke groet, Piet van Verseveld voorzitter
Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu
2
Inleiding. Sinds de gemeenten, vanaf 2015, de Jeugdhulp zelf moesten regelen zijn er landelijk en gemeentelijk problemen met de uitvoering. De Adviesraad is van mening, dat de verordening Jeugdhulp over het traject gaat, als er eenmaal een beroep op de jeugdhulp wordt gedaan. Wij vragen de gemeente meer aandacht te hebben voor preventie door middel van het inzetten van de buurtsportcoach, contacten met scholen, sportclubs etc. Waar vooral tegen aan wordt gelopen, zijn de lange wachttijden in de jeugdhulpverlening. Deze kunnen zo oplopen, dat de hulpvraag hierdoor alleen maar groter wordt. In de landelijke politiek is herhaaldelijk een poging ondernomen, maar heeft nog niet geleid tot kortere wachttijden Maar het verstrekken van meer geld vanuit de overheid aan de gemeenten is niet genoeg. Ook de landelijke ombudsman en de gemeentelijke ombudsvrouw hebben van zich laten horen. De leden van de Adviesraad hopen, dat met de Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2022, naast de herziening, er vooral verbetering zal plaatsvinden in de uitvoering van de Jeugdhulp in Albrandswaard. Wij rekenen op een flexibele oplossing van de hulpvragen, waarbij de jeugdige centraal staat en niet de verordening. Verder maakt de Adviesraad zich grote zorgen over de overgang na de 18de verjaardag van de jeugdige cliënten, zoals genoemd in hoofdstuk 9.
Zij vallen dan ineens onder een ander regime, met andere regels en dreigen dan tussen wal en schip te geraken. Wij vragen speciale aandacht voor de positie van de 18 jarigen : hoe is de overgang geregeld en vooral hoe worden zij en hun ouders voorbereid op deze overstap.
Onze Adviezen. In artikel 1.2 wordt gesproken over jeugdigen, zonder te vermelden tot welk levensjaar de hulp zich uitstrekt en hoe de regeling verder gaat na het bereiken van de volwassenen leeftijd. In artikel 2.3 wordt gesproken over de wijkteams. Deze zouden bestaan uit gekwalificeerde professionals. De Adviesraad heeft geen inzicht welke kwalificaties er nodig zijn en nog minder hoe de gemeente deze kwalificaties controleert. De Adviesraad wil graag weten, of de gemeente bij de organisaties, die worden ingehuurd, de kwalificaties van de professionals zorgvuldig controleert en ook blijft monitoren of ze aan de kwalificaties blijven voldoen. Wel moet de gemeente expliciet maken, welke vaardigheden het betreft.
Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu
3
Verder wil de Adviesraad graag op de hoogte worden gesteld wat de herziene werkwijze van de wijkteams inhoudt en welke kwalificaties dit vraagt. In artikel 4.1 staat omschreven, dat een jeugdige en/of zijn ouders een melding kunnen doen voor hulp. De Adviesraad adviseert duidelijk aan te geven waar en op welke wijze de jeugdige en/of zijn ouders een melding kunnen maken met een hulpvraag : via Vraagwijzer, huisarts, school of website. De Adviesraad mist hier de vermelding, dat de jeugdige en/of zijn ouders gebruikt kunnen maken van een onafhankelijke klantondersteuner. De Adviesraad is van mening, dat bij de eerste kennismaking de ouders op de mogelijkheid van een onafhankelijk klantenondersteuner moet worden geattendeerd. In 4.2 wordt gesproken over het ondersteuningsplan. De jeugdige en/of zijn ouders moeten dit te bekrachtigen door het te ondertekenen. Welke inspraak hebben de jeugdige en/of zijn ouders in het samenstellen van het ondersteuningsplan ? De Adviesraad is van mening, dat de jeugdige en/of zijn ouders actief moeten kunnen mee bepalen, wat er in het ondersteuningsplan komt te staan en hen de juiste informatie te verstrekken over de gemaakte inhoud.
In artikel 4.3 bij het punt van de aanvraag : Het college kan na een melding als bedoeld in artikel 4.1 de jeugdige en/of zijn ouder(s) verwijzen om een aanvraag jeugdhulpvoorziening in de zin van de Awb in te dienen, wanneer de melding aanleiding geeft tot onderzoek “als bedoeld in bedoeld “in artikel 4.4 De Adviesraad neemt aan dat er alleen maar “als bedoeld” moet staan. In artikel 4.3 punt 5 wordt vermeld, dat de jeugdige en/of zijn ouders zich binnen drie maanden na besluitdatum moet melden bij een hulpaanbieder. Er wordt nergens gesproken over een eventuele wachtlijst en hoe hiermee wordt omgegaan. De Adviesraad is van mening, dat er juist in dit document vermeld dient te worden dat er zich de mogelijkheid voordoet van een wachtlijst. Daarbij moet ook worden gezorgd, dat een eventuele wachtlijst snel wordt ingelopen. In artikel 4.4 Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de hulpvraag. De Adviesraad wil graag weten wat er wordt verstaan onder zo spoedig mogelijk met een maximale termijn van 2 weken.
Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu
4
In artikel 5.1 over de inhoud van de beschikking staat nergens omschreven welke mogelijkheden er zijn voor de jeugdige en/of zijn ouders indien zij het met de beschikking oneens zijn. De Adviesraad is van mening, dat aan het begin van het traject duidelijk moet worden gemaakt welke klachtenregeling van toepassing is zoals in artikel 11 wordt beschreven. In artikel 6.5, onder punt 5 De adressen en tijden, die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden aangegeven tijdens het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.4 van de verordening ten behoeve van het vervoer worden gebruikt voor de planning van het vervoer. Incidentele wijzigingen van deze adressen en tijden zijn in principe niet mogelijk, onder incidentele wijzigingen worden verstaan: eenmalig vervoer van of naar een andere locatie of eenmalig andere vervoerstijden; in deze gevallen zorgt de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf voor een andere oplossing. De Adviesraad wil graag weten waarom het wijzigen van het adres met een gegronde reden in principe niet mogelijk is. In artikel 9.4 wordt gesproken over onderwijs en leerplicht. Het komt voor, dat leerlingen door hun geestelijke gesteldheid niet meer in staat zijn het reguliere onderwijs te volgen en dan thuis komen te zitten. Via het wijkteam en het schoolondersteuningsteam wordt dan gekeken welke oplossing er voor handen is om reguliere schoolgang te stimuleren.
De Adviesraad adviseert hier er voor zorg te dragen, dat leerlingen en hun ouders met een onderliggende hulpvraag snel en adequaat worden ondersteund om thuisblijven en schoolverzuim te voorkomen. In artikel 10 wordt gesproken over de deskundigheid van de jeugdhulpaanbieders. De Adviesraad wil graag weten, of de gemeente de kwalificaties van de jeugdhulpaanbieders zorgvuldig controleert en ook blijft monitoren of ze aan de kwalificaties blijven voldoen. In artikel 11.2 wordt gesproken over cliëntengroepen. De Adviesraad vraagt zich af of er binnen de gemeente Albrandswaard specifieke cliëntgroepen bestaan en of de ouders worden meegenomen om zich hierbij aan te sluiten. De Adviesraad juicht toe, dat de gemeente hen van ondersteuning wil voorzien om die rol effectief te kunnen vervullen. Kan de Adviesraad hier iets in betekenen ??
Ten slotte willen de leden van de Adviesraad, na herhaalde verzoeken, graag dat er aan uw document een lijst met de betekenis van de afkortingen wordt toegevoegd.
Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu
5
Verordening Jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022 De raad van de gemeente Albrandswaard, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard 2021; Gelet op artikel 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 Jeugdwet; Besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand (diepgaand) onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s); b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, zoals op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. arrangement: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) gericht aanbod van jeugdhulp dat is opgebouwd uit een geheel van resultaatgebieden en/of ondersteuningselementen; d. budgethouder: de persoon die een persoonsgeboden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet; e. zorg- en budgetplan: een bij de aanvraag voor het pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 7.1 lid 2 van deze verordening; f. jeugdige en/of zijn ouder(s): jeugdige en/of zijn ouder(s) als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet, zijnde de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp; g. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard; h. gebruikelijke hulp: hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; i.
hoofdaannemer: de jeugdhulpaanbieder die een individuele voorziening levert en hiervoor een andere jeugdhulpaannemer betrekt om het doel vastgelegd in het onderzoeksrapport te behalen; j. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; k. individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de jeugdwet die toegankelijk is na voorafgaand onderzoek naar de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s). De voorziening wordt door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt; l. onderaannemer: een door de hoofdaannemer ingezette jeugdhulpaanbieder die specifieke onderdelen van de jeugdhulpverlener op zich neemt in opdracht van de hoofdaannemer; m. ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van het gesprek en de daaraan verbonden conclusies na een melding als bedoeld in artikel 4.1 en het verhelderen van de hulpvraag; n. onderzoeksrapport: een schriftelijke weergave van het gesprek, het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3; o. familiegroepsplan: Het familiegroepsplan is een plan dat is opgesteld door een persoon met haar/zijn familie, vrienden, kennissen, buren en evt. betrokken professionals, kortom 1
p. q. r. s. t. u.
v. 2.
mensen die belangrijk zijn in het leven van die persoon, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; ouder: gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige en/of zijn ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; sociaal netwerk: familieleden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) tot en met bloed- en/of aanverwantschap in de derde graad en andere betrokkenen bij het gezin, niet zijnde een jeugdhulpverlener als genoemd in de Jeugdwet; Spoedeisende- en crisishulp: Hulp waarbij onmiddellijke uitvoering van taken geboden is door een onverwachte en ingrijpende gebeurtenis. voorziening: algemene voorziening of individuele voorziening; wijkteam: een team van professionals die zijn opgenomen in een beroepsregister.
Er zijn enerzijds professionals in het kader van indicatiestellen gemandateerd om namens het college besluiten te nemen voor het toekennen of weigeren van individuele voorzieningen, en er zijn anderzijds professionals die in het kader van hulpverlenen de vraag verhelderen en/of hulp en ondersteuning aan jeugdige en hun ouder(s) bieden die (tijdelijk) problemen ondervinden met opvoeden, opgroeien, hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; (Openbare) geestelijke gezondheidszorg (O)GGZ): alle activiteiten op het terrein van geestelijke volksgezondheid die op basis van een individuele hulpvraag worden uitgevoerd; Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1.2 Reikwijdte verordening De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen en ouders die conform de jeugdwet hun woonplaats hebben in Albrandswaard. Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp Artikel 2.1 Algemene voorzieningen 1. De volgende vormen van algemene (preventieve) voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: Basishulp: a. Het bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei- en opvoedvragen; b. Ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of zijn ouder(s), waaronder vormen van vrij toegankelijke hulp, gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en opgroeisituatie; c. Jeugd- en opvoedhulp; d. ondersteuning van jeugdigen; e. gezinscoaching; f. gezinsondersteuning; g. jongerentrajecten. 2. Overige algemene voorzieningen, niet zijnde basishulp: a. informatie, trainingen en (opvoed)advies; b. jongerencoaching en participatiebevordering; c. online hulpverlening. 2
Artikel 2.2 Individuele voorzieningen De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Crisisopvang; b. Forensische hulp; c. Gesloten jeugdhulp; d. Kortdurende basis-GGZ; e. Langdurige specialistische GGZ bij complexe problematiek; f. Langdurige specialistische begeleiding en/of behandeling van jeugdigen met een beperking, gezinnen met meervoudige problematiek en situaties van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; g. Medische kinderdagbehandeling; h. Pleegzorg; i. Residentiele hulp; j. Specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe problematiek; k. Specialistische (dag)behandeling in combinatie met verzorging van jeugdigen met een beperking; l. Verblijf, al dien niet in combinatie met behandeling van de jeugdige met een beperking; m. Zorgverlening aan jeugdigen binnen het sociaal netwerk. Het college stelt dyslexiezorg beschikbaar, bestaande uit: - Diagnostiek bij een onderbouwd vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie; - Behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie. Artikel 2.3 wijkteams 1. Er is een dekkend aanbod van lokale wijkteams in de gemeente Albrandswaard. 2. De wijkteams voeren in het kader van hulpverlenen de volgende taken rond opvoeden en opgroeien: a. Op preventie gerichte informatie en activiteiten; b. Opstellen van een ondersteuningsplan in samenspraak met jeugdige en/of zijn ouder(s); c.
Deskundig advies aan personen die beroepsmatig met jeugdigen werken; d. Vraagverheldering bij hulpvragen van de jeugdige en/of zijn ouder(s); e. Kortdurende hulp bestaande uit opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding en basiszorg bij psychische klachten en problemen; f. Coördinatie van zorg wanneer hulpverlening voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt ingezet. 3. Het college neemt in het kader van indicatiestellen besluiten met betrekking tot het toekennen van individuele voorzieningen. 4. Het wijkteam in de gemeente is er ook voor huishoudens met of zonder kinderen waar sprake is van meervoudige, domein overstijgende problematiek. 5. Het wijkteam biedt ondersteuning en zorg aan jeugdigen en volwassen door professionals uit de verschillende leefdomeinen in een gezamenlijke aanpak samen te brengen. Hoofdstuk 3 Toeleiding naar jeugdhulp anders dan via de gemeente Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
3
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. Hoofdstuk 4 Toegang jeugdhulp via gemeente Artikel 4.1 Melding hulpvraag 1. Indien een jeugdige en/of zijn ouder(s) behoefte hebben aan jeugdhulp kunnen zij een melding doen. Het college geeft de jeugdige en/of zijn ouder(s) vervolgens informatie en advies over de vormen van jeugdhulp zoals bedoeld in hoofdstuk 2. 2. Het college kan ondersteuning bieden bij het verkennen of het verhelderen van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. Artikel 4.2 Ondersteuningsplan 1.
Na een melding als bedoeld in artikel 4.1 en het verhelderen van de hulpvraag leggen het college, de jeugdige en/of zijn ouder(s) het gesprek en de daaraan verbonden conclusies vast in het ondersteuningsplan. 2. Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat gebruik kan worden gemaakt van een algemene voorziening vanuit het wijkteam, dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) het ondersteuningsplan te ondertekenen alvorens de jeugdhulp door het wijkteam wordt geboden. Artikel 4.3 Aanvraag jeugdhulpvoorziening 1. Het college kan na een melding als bedoeld in artikel 4.1 de jeugdige en/of zijn ouder(s) verwijzen om een aanvraag jeugdhulpvoorziening in de zin van de Awb in te dienen, wanneer de melding aanleiding geeft tot onderzoek als bedoeld in artikel 4.4. 2. Jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt in beginsel ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag schriftelijk. 4.
In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding in de zin van artikel 4.1 lid 1 of een aanvraag in de zin van artikel 4.3 lid 2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
4
5. De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. 6. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening
Artikel 4.4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college doet na de aanvraag zoals bedoeld in artikel 4.3 een onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren. 2. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich te legitimeren. De jeugdige en/of zijn ouder(s) geven daartoe in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de hulpvraag: a. De hulpvraag, de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; b. of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de personen die tot het sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; c. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouder(s); d. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; e. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijk bewoording wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 5.
Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Dit houdt in ieder geval in dat het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) wijst op: a. de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; en b. de mogelijkheid om bij de aanvraag of binnen twee weken na een aanvraag een familiegroepsplan op te stellen. 5
6. Het college ondersteunt de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het opstellen van het familiegroepsplan, indien zij hierom verzoeken. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. Artikel 4.5 Onderzoeksrapport 1. Het college legt na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3 het gesprek, het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies vast in het onderzoeksrapport. 2. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt gebruikt als uitgangspunt voor het opstellen van de beschikking. 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het onderzoeksrapport.
Hoofdstuk 5 Beschikking Artikel 5.1 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het toewijzen van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. Welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang is om het beoogde resultaat te behalen; b. Wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. Welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang is om het beoogde resultaat te behalen; b. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; d. Wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking is. 4. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt als uitgangspunt gebruikt voor het opstellen van de beschikking. 5. Bij de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels.
Hoofstuk 6 Individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel 6.1 Verlenen individuele voorziening 1. Het college verleent een individuele voorziening binnen een of meer van de volgende resultaatgebieden: a. Steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; b. Herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige; c. Opvoeding, versterken mogelijkheden ouder(s). 2. Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: a. Vervangende opvoeding kind; b. Dagbehandeling of dagbesteding; c. Respijtzorg, al dan niet met verblijf. 6
3. Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid. 4. Het college stelt de omvang van de onder lid 1 bedoelde voorziening vast, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 5. Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van individuele voorzieningen. De voorwaarden en verplichten kunnen in ieder geval betrekking hebben op het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening.
Artikel 6.2 Criteria individuele voorziening 1. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening na een aanvraag en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag als het college van oordeel is dat: a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; en b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend is, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat er sprake is van: i. gebruikelijke hulp van ouder(s) en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. c. gebruikmaking van een andere wettelijke voorliggende voorziening of algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college passende hulpverlening. 3. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) kosten voor jeugdhulp hebben gemaakt voorafgaand aan de aanvraag, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken vanaf de datum van de aanvraag indien: i.
Op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen, waarvoor hulp is ingezet; en ii. Het college het volgende kan beoordelen: • of de jeugdhulpverlening noodzakelijk en passend is; • wat de gemaakte kosten zijn. 4. Het derde lid is niet van toepassing als de ingezette individuele voorziening tot stand is gekomen door een verwijzing zoals bedoeld in hoofdstuk 3. 5. Het college kan nadere regels stellen ter uitwerking van dit artikel. Artikel 6.3 Gebruikelijke zorg 1. Het college kan beslissen geen voorziening te treffen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet wanneer sprake is van gebruikelijke zorg. 2. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot situaties waarin van de ouder(s) gebruikelijke zorg wordt verwacht. Artikel 6.4 toegang dyslexiezorg 7
1. Het college kan een individuele voorziening toekennen voor dyslexiezorg op grond van een controle van de checklist vergoede diagnostiek/behandeling ernstige enkelvoudige dyslexie en het leerling-dossier van de basisschool. 2. Het college kan voor het uitoefenen van het eerste lid een poortwachter mandateren. 3. Een jeugdige komt in aanmerking voor dyslexiezorg, indien: a. De jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van dertien jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) zit; en b. De basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in de landelijke protocollen leesproblemen en Dyslexie en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige enkelvoudige dyslexie. 4. De individuele voorziening wordt vastgelegd in een beschikking. 5. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de werkwijze van de poortwachter dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerling-dossier dient te voldoen. Artikel 6.5 Vervoersvoorziening 1. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.
Het toekennen van een vervoersvoorziening geschiedt alleen aan de jeugdige wanneer aantoonbaar is gemaakt dat er een noodzaak bestaat tot het inzetten van deze voorziening en dat bij gebrek aan deze voorziening de toegang tot jeugdhulp wordt onthouden. De noodzaak van een vervoersvoorziening wordt aannemelijk gemaakt indien: a. sprake is van een vervoersprobleem; en b. aantoonbaar is gebleken dat op eigen kracht of met hulp van de ouder(s) of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor het vervoersprobleem kan worden gevonden; en c. geen oplossing gevonden kan worden voor het vervoersprobleem door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 4. Daarnaast dient er sprake te zijn van een situatie waarin: a. sprake is van een medische noodzaak, omdat de jeugdige indien gebruik gemaakt van het openbaar vervoer of eigen vervoer, een beperking heeft met lopen, instappen of staan of indien er sprake is van desoriëntatie; of b. sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid, omdat: i. de leeftijd van de jeugdige het niet toe laat zelfstandig te reizen met openbaar vervoer, nadat is aangetoond dat de ouder(s) of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor begeleiding; of ii. sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken; of iii.
andere redenen van niet-medische aard, die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken. iv. 5. Door een deskundige die de beperking en/of de beperkende omstandigheden zoals bedoeld in lid 4 van deze regeling vaststelt. 5. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in artikel 3 en 4 van dit artikel, wordt uitgevoerd door het college of de Gecertificeerde Instelling in het kader van reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel. 6. Bij de toepassing van lid 3 en lid 4 wint het college advies in bij een deskundige. 7. De adressen en tijden, die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden aangegeven tijdens het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.4 van de verordening ten behoeve van het vervoer 8
worden gebruikt voor de planning van het vervoer. Incidentele wijzigingen van deze adressen en tijden zijn in principe niet mogelijk, onder incidentele wijzigingen worden verstaan: eenmalig vervoer van of naar een andere locatie of eenmalig andere vervoerstijden; in deze gevallen zorgt de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf voor een andere oplossing. 8. De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur die in de beschikking is vermeld of korter indien de betreffende individuele voorziening eerder eindigt. 9. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel. Hoofdstuk 7 pgb Artikel 7.1 regels voor pgb 1. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening en zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet passend achten, kunnen zij een pgb aanvragen. 2. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dienen hiertoe in aanvulling een zorg- en budgetplan op te stellen waarin in elk geval is opgenomen: a. Waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; d.
De kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal uur en bijbehorend tarief. 3. Het pgb wordt uitsluitend aangewend voor kosten waarvoor de jeugdhulp is toegekend in de beschikking. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. Kosten voor bemiddeling; b. Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. Kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. Kosten voor feestdagenuitkering en/of een eindejaarsuitkering; f. Kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegeld van de zorgverlener; g. Kosten voor overlijdensuitkering; h. Kosten voor reizen. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp van een persoon die behoort tot de informele hulp betrekken onder de volgende voorwaarden: a. Als vaststaat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze; b. Indien de ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent; c. Als er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming; d. Voor zover de geboden jeugdhulp niet leidt tot onveilige situaties; e.
Indien het niet gaat om het door het college bij nadere regeling aan te wijzen specialistische begeleiding en/of specialistische behandeling. 5. Het college verstrekt geen pgb als het gaat om spoedeisende- of crisishulp. 6. Het pgb wordt besteed conform het onderzoeksrapport en de beschikking. 7. Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college en de bestemming 9
noodzakelijk is om gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 8. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Artikel 7.2 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de soort hulp die benodigd is, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. Personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister (conform artikel 5 handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of c.
Personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 4 van de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of SKJ-registratie als bedoeld in artikel 5.2.1 van het besluit jeugdwet, voor de uitoefening van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een andere persoon dan beschreven in het tweede lid onder a, b of c, is er sprake van informele hulp. 4. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. 5. Indien de hulp wordt verleend door iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is alleen sprake van formele hulp indien wordt voldaan aan de onder de in het tweede lid, onder c genoemde voorwaarden en deze hulp leidt tot de benodigde jeugdhulp welke effectief en doelmatig is. 6. De volgende personen dienen een verklaring omtrent gedrag aan het college te geven die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning vanuit het pgb wordt ingezet: d. Bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder; e. Personen als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 sub a, tenzij zij aangesloten zijn bij een overkoepelende branchevereniging waar het afgeven van een verklaring omtrent gedrag een vereiste is; f.
Personen als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 sub b. Artikel 7.3 Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb wordt berekend aan de hand van het onderscheid tussen formele en informele hulp, en het aantal uren, dagdelen of etmalen dat de individuele voorziening nodig is vermenigvuldigd met een vast tarief per zorgvorm. De tarieven op basis waarvan de 10
2. 3. 4.
5. 6.
7.
hoogte van het pgb berekend wordt staan in een bij nadere regeling door het college vast te stellen tarievenlijst. De berekening is gebaseerd op regionaal gebruikelijk tarieven voor zorg in natura. Het formele tarief is 90% van het regionaal gebruikelijke tarief. Een pgb mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en vervoer. Het pgb mag niet anders besteed worden. In afwijking van het door het college vast te stellen tarievenlijst kan een lager tarief worden toegekend indien op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouder(s) ingediende zorg- en budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. De omvang van het pgb bedraagt nooit meer dan de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening. De hoogte van het pgb voor het informele tarief is: a. Voor een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van tweeëntwintig jaar of ouder met een zesendertigurige werkweek; en b.
Voor een formele hulpverlener zoals opgenomen in artikel 7.1 lid 2 sub a en b of een informele hulpverlener (niet zijnde een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder) het door het college vast te stellen tarievenlijst uitgaande van 60% van het regionaal gebruikelijke tarief. In afwijking van lid 6 kan de hoogte van het pgb voor informele hulp gelijk zijn aan: a. Het college kan in voorkomende gevallen de tarieven voor informele jeugdhulp verhogen tot hetgeen in lid 5 is opgenomen; of b. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8a van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het zorg- en budgetplan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming; of c. de tegemoetkoming per kalendermaand voor een schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de richtbedragen van het Nibud.
Hoofdstuk 8 Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 8.1 Opschorten betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste van dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4 eerste lid, onder a, d of e van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, derde lid onder d van de Jeugdwet. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
11
Artikel 8.2 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb; e. de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of f.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a of f heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel 8.3 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet dan wel deze verordening. 3. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossier. 4. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de toezichthouder en kan kaders stellen voor zijn werkwijze. 5.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Hoofdstuk 9 Afstemming met andere voorzieningen Artikel 9.1 Overgang naar volwassenheid
12
1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van achttien jaar bereiken en ook na hun achttiende jaar een ondersteuningsvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn. 2. In geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming ten behoeve van een andere voorziening tijdig plaats. 3. Het college zorgt ervoor dat jeugdige zoals bedoeld in lid 1 gewezen wordt op de consequenties dat deze zorg vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 9.2 Afstemming gezondheidszorg 1. Het college draagt zorg dat het besluit voldoet aan de eisen die gesteld worden door de zorgverzekeraars indien een besluit wordt genomen over de inzet van zorg die vanaf de achttiende verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de achttiende verjaardag van de jeugdige door zal lopen. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) gewezen wordt op de consequenties dat de zorg als bedoeld in lid 1 vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 9.3 Afstemming langdurige zorg 1.
Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteuning krijgt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 2. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. Artikel 9.4 Afstemming voorschoolse voorziening en onderwijs 1. Het college maakt afspraken met het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen over de toegang tot jeugdhulp. 2. Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijke verplichte op overeenstemming gericht overleg (OOGO’s). De Jeugdwet en de Wet op passend onderwijs verplicht gemeentebestuurders binnen een regio minimaal eenmaal per vier jaar een OOGO te voeren. In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden. Deze overleggen kunnen ook worden gecombineerd. Artikel 9.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning 1.
Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Wmo. 2. Het college zorgt dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voorgezet moet worden onder de Wmo de contiuniteit gewaarborgd wordt. Artikel 9.6 Afstemming werk en inkomen 13
1. Het college draagt zorg dat het wijkteam, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig de jeugdige en/of zijn ouder(s) helpen met de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Hoofdstuk 10 Kwaliteit jeugdhulpaanbieders Artikel 10.1 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de jeugdhulpaanbieders. 2. Als de jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van een onderaannemer is de hoofdaannemer er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 3. De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 4. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.
Artikel 10.2 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieder waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2.
Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van jeugdhulp korten met maximaal het bedrag waarmee bezoldering en uitgekeerde ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldering topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Artikel 10.3 Incidenten, calamiteiten en geweld 1. De jeugdhulpaanbieder dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor: a. De verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en 14
b. Het samenwerkingsinstrument SISA, Verwijsindex risico’s jeugdigen RotterdamRijnmond. 2. Jeugdhulpaanbieders rapporteren periodiek incidenten volgens de afspraken in het Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.18 lid 2 van de Jeugdwet.
Hoofdstuk 11 klachten, inspraak en medezeggenschap Artikel 11.1 Klachtenregeling 1. Het college behandelt klachten overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb. 2. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de Jeugdwet. 3. Het college heeft de bevoegdheid om op verzoek van de betrokkene in aanvulling op de klachtenregeling van de jeugdhulpaanbieder een klacht te behandelen. Artikel 11.2 Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt de jeugdige en/of zijn ouder(s), waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 11.3 Medezeggenschap 1. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4 van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 2. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en voor zijn organisatie.
Hoofdstuk 12 Slot- en overgangsbepalingen Artikel 12.1 Indexering 1. Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende nadere regels geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel 12.2 Hardheidsclausule 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
15
Artikel 12.3 Overgangsbepaling 1. Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 1. De rechten en verplichtingen die bij op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een individuele voorziening waarvoor reeds een besluit of verwijzing is afgegeven, blijven gelden gedurende de looptijd van het besluit dan wel tot het moment dat op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte een nieuw besluit wordt afgegeven.
Artikel 12.4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022, onder gelijktijdige intrekking van de verordening jeugdhulp Albrandswaard 2019. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: verordening jeugdhulp Albrandswaard 2022.
16
Algemene toelichting Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Op grond van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht een verordening vast te stellen. De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet: “De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.’’ Daarnaast is de gemeente verplicht bij verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie (artikel 2.10 van de Jeugdwet) en over het waarborgen van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp (artikel 2.12 van de Jeugdwet).
Verder kan de gemeenteraad bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk (artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet). Herziening verordening De herziening van de verordening is ingegeven door de door de gemeenteraad vastgestelde nota ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’, de herziende werkwijze van de wijkteams en jurisprudentie. Het Integraal Beleid Sociaal Domein vormt de basis voor de (outcome)sturing door gemeente en maatschappelijke partners op een vijftal maatschappelijke effecten die bijdragen aan de transformatie van de lokale samenleving. Deze vijf maatschappelijke effecten zijn: 1. Alle inwoners ontwikkelen zich optimaal; 2. Alle inwoners hebben gelijke kansen om mee te doen; 3. Alle inwoners kunnen voor zichzelf zorgen en kijken naar elkaar om; 4. Alle inwoners zijn (langer) vitaal, gelukkig en gezond; 5. Alle inwoners zijn in staat om (langer) (veilig) thuis te (blijven) wonen. Afbakening verordening Deze gemeentelijke verordening gaat enkel over de algemene en individuele jeugdhulpvoorzieningen. Het jeugdbeschermings- en reclasseringsaanbod betreffen volgens de Jeugdwet geen jeugdhulpvoorzieningen en zijn daarom niet geregeld in deze verordening. Hetzelfde geldt voor de toegang door de gecertificeerde instellingen richting de specialistische jeugdhulp.