5. 229798 Beeldvormend raadsvoorstel Algemene Plaatselijke Verordening 2021-2024.pdf
Tekst van het document
BEELDVORMEND RAADSVOORSTEL Onderwerp
College van burgemeester en wethouders
Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021
Zaaknummer 229798 Openbaar
Portefeuillehouder: J. de Witte E-mailadres opsteller: e.heun@bar-organisatie.nl
ONDERWERP Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021
KENNISNEMEN VAN De ledenbrieven van de VNG van 7 augustus 2018, 14 augustus 2019, 14 juli 2020 en 15 oktober 2020.
INLEIDING Op 18 december 2017 heeft uw raad de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Albrandswaard 2017 vastgesteld. De APV is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Elke zomer komt de VNG met een wijzigingsvoorstel van dat model. De meeste wijzigingen zijn tekstueel of wetstechnisch van aard (en zijn niet verwerkt in bijgevoegde was-wordt-lijst). Gezien de vele voorstellen van de VNG in de ledenbrieven van 7 augustus 2018, 14 augustus 2019 en 14 juli 2020 wordt voorgesteld om de huidige APV in zijn geheel in te trekken en te vervangen door de APV 2020. Daarnaast is er een consultatieronde geweest met politie en interne afdelingen (Vergunningen, OOV, Verkeer), waaruit ook wensen/voorstellen zijn gekomen met betrekking tot wijziging van de APV. KERNBOODSCHAP
Het doel is om te komen tot een actuele APV. De belangrijkste wijzigingsvoorstellen zijn de volgende: 1. het afschaffen van een exploitatievergunning voor logies en sportkantines; 2. het beperken van de duur van de geldigheid van een exploitatievergunning; 3. het mogelijk maken van maatregelen tegen gevaarlijke honden op eigen terrein; 4. het opnemen van een verbod op parkeren in de berm; 5. het opnemen van een bepaling over venten; 6. het opnemen van een verbod op het verspreiden van plastic of metalen confetti;
7. het opnemen van de mogelijkheid tot het sluiten van voor publiek openstaande gebouwen; 8. het opnemen van een bepaling over lachgas; 9. het opnemen van een bepaling over cameratoezicht; 10. het opnemen van een messenverbod; 11. het verplicht kunnen stellen van een vergunning voor bepaalde bedrijven; 12. het opnemen van bepalingen over Outlaw Motorcycle Gangs; 13. het tegengaan van slapen op de openbare weg in motorvoertuigen; 14. het verruimen van de mogelijkheid voor een ontheffing sluitingstijd horeca; 15. het inperken van het maximale geluid van vergunningvrije evenementen.
TOELICHTING Relatie met Integraal Veiligheidsbeleid 2021-2024 Veel van bovengenoemde wijzigingsvoorstellen komen voort uit de ledenbrieven van de VNG of zijn afkomstig van de politie en afdeling OOV. Daarnaast sluiten de voorstellen aan bij de prioriteiten van het Integraal Veiligheidsbeleid 2021-2024. Zo passen de bepalingen over messen en lachgas bij het streden om de overlast door jeugd tegen te gaan. De bepalingen over het invoeren van een exploitatievergunning voor bepaalde bedrijven, het sluiten van voor publiek openstaande gebouwen en de bepalingen over de motorclubs sluiten aan bij het tegengaan van ondermijning. Inhoud van de wijzigingen De APV is (grotendeels) een autonome verordening. Dit betekent dat veel APV-bepalingen kúnnen worden vastgesteld, maar dat de gemeenteraad daartoe niet verplicht is. Vanuit de VNG/politie/OOV worden de volgende wijzigingsvoorstellen gedaan: 1. Geen exploitatievergunning meer nodig bij logies en sportkantines Op basis van de huidige artikelen 2:27 en 2:28 is een exploitatievergunning van de burgemeester vereist voor openbare inrichtingen (café, restaurant, enz.). De verplichting geldt ook voor inrichtingen die logies verstrekken (hotel, bed en breakfast) en voor sportkantines. Het doel van de exploitatievergunning is het voorkomen van overlast en het beschermen van de woon- en leefomgeving van het horecabedrijf.
In de praktijk veroorzaken hotels, B&B’s en sportkantines zelden of nooit overlast. Het voorstel is dan ook om (in aansluiting op de overige gemeenten in de regio) de vergunningplicht voor dit soort inrichtingen te schrappen. Dit zal leiden tot minder administratieve lasten en kosten voor de betreffende bedrijven en de gemeente. Voor zover er alcohol wordt geschonken, moeten deze inrichtingen nog wel een Drank- en Horecavergunning hebben. Daarnaast bevat de APV nog diverse regels waaraan deze vergunningvrije inrichtingen moeten voldoen (sluitingstijden, schenktijden, enz), waardoor toezicht op deze inrichtingen mogelijk blijft. 2. Beperking geldigheidsduur van exploitatievergunningen Voor de horecabedrijven die nog wel een exploitatievergunning moeten aanvragen wordt voorgesteld om, in navolging van andere gemeenten in de regio, de geldigheidsduur van
exploitatievergunningen (die nu voor onbepaalde tijd worden verleend) te beperken tot 5 jaar (zie artikel 2:28g). Op deze manier wordt de inrichting en zijn exploitanten periodiek onder de loep genomen (bijv. via een BIBOB-toets) en heeft de burgemeester meer grip op de exploitatie. 3. Gevaarlijke honden, blaffende honden en loslopende honden buiten de bebouwde kom De huidige APV kent al een artikel op grond waarvan een aanlijngebod en/of muilkorfgebod kan worden opgelegd als het gaat om gevaarlijke honden op de openbare weg of het terrein van een ander (artikel 2:59). Het nieuwe artikel 2:59a biedt de mogelijkheid om die maatregelen ook op te leggen als het gaat om gevaarlijke honden op eigen terrein. Doel van deze bepaling is om het aantal bijtincidenten terug te dringen. Daarnaast wordt voorgesteld om aan artikel 2:59 een vijfde lid toe te voegen op grond waarvan kan worden opgetreden tegen hinder als gevolg van blaffende honden. Buiten de bebouwde kom hoeft een hond op grond van de APV niet te worden aangelijnd. Voorgesteld wordt om aan artikel 2.57, eerste lid de mogelijkheid toe te voegen voor het college om gebieden buiten de bebouwde kom aan te wijzen waar het wél verboden is een hond los te laten lopen. Een dergelijke aanwijzingsmogelijkheid kan worden ingezet ter bescherming van kwetsbare flora en fauna in het buitengebied. 4.
Tegen gaan parkeren in de berm Als gevolg van de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwaren van 23 mei 2016 zien de verbodsborden E1, E2 en E3 van het RVV 1990 (parkeerverbod, verbod stil te staan, verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen) alleen op de rijbaan en niet op de berm. Als een gemeente dus ook een parkeerverbod en/of stopverbod voor de bermen wil laten gelden, dan is een aanvullende grondslag in een verordening nodig. Het nieuwe artikel 5.10 voorziet hierin. 5. Venten In de huidige APV is niets (meer) geregeld ten aanzien van venten (de artikelen 5:14 tot en met 5:16 zijn gereserveerd). Dit betekent dat venters overal en altijd zonder vergunning mogen venten in de gemeente. Het verdient aanbeveling om toch (weer) een artikel in de APV op te nemen ten aanzien van venten, zodat bijvoorbeeld kan worden opgetreden tegen de verkoop van lachgas op de openbare weg of ten behoeve van het beschermen van inwoners (bijv. kwetsbare ouderen). In navolging van de gemeente Rotterdam is wat betreft venten niet gekozen voor een vergunningplicht, maar voor de volgende systematiek (zie artikel 5:14 t/m 5:16): - Het venten is vergunningvrij, maar in artikel 5:15 is bepaald dat het verboden is te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur. - Van dit verbod kan ontheffing worden verleend (bijvoorbeeld: de ijscowagen op zondag).
- Ook is de mogelijkheid opgenomen voor het college om wegen, dagen of uren aan te wijzen waarin/waarop het ventverbod ook geldt. 6. Verbod op oplaten ballonnen/ confettiverbod Veel gemeenten in Nederland hebben de afgelopen jaren gekozen voor het opnemen van een verbod in de APV voor het oplaten van ballonnen. De VNG heeft er niet voor gekozen om hiervoor een bepaling op te nemen in de modelverordening, aangezien ballonnen legaal verkrijgbaar zijn, er geen direct gevaar bestaat voor de volksgezondheid of de veiligheid en het verbod moeilijk handhaafbaar is. De VNG pleit ervoor het oplaten van ballonnen te verbieden door het verbinden van een voorschrift aan de evenementenvergunning. In de nieuwe APV is dan ook geen verbod opgenomen met
betrekking tot het oplaten van ballonnen. Wel wordt voorgesteld om, in aansluiting op het door uw raad begin 2020 reeds vastgestelde evenementenbeleid, een verbod op te nemen met betrekking tot het verspreiden van (plastic en metalen) confetti. Het nieuwe artikel 4:9a voorziet hierin. 7. Lachgas De verkoop en het gebruik van lachgas in Nederland neemt toe, soms met overlast tot gevolg. De VNG achtte het aanvankelijk niet nodig om hiervoor iets te regelen vanwege het feit dat het hier (net als bij alcohol) gaat om een legaal verkrijgbaar middel. Volgens de VNG boden de bestaande artikelen (2:47, 2:49 en 2:50) voldoende mogelijkheden om op te treden tegen hinder. Het kabinet is van plan te komen tot een verbod op recreatief gebruik van lachgas, maar onduidelijk is of en wanneer dat verbod van kracht zal worden. In de leden brief van 14 juli 2020 komt de VNG echter alsnog met een modelbepaling om de overlast door lachgasgebruik op te openbare weg tegen te gaan (zie artikel 2:48a). Voorgesteld deze bepaling over te nemen. 8. Cameratoezicht op openbare plaatsen (artikel 2.77) Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde.
De raad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de inzet van camera’s ten hoogste mag geschieden. Niet alleen toezicht met vaste camera’s is mogelijk, maar ook met mobiele camera’s. Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid. In artikel 151c, vierde lid, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s.
Tot dusverre was artikel 2.77 in de APV van Albrandswaard gereserveerd en bestond er dus geen mogelijkheid om in het kader van openbare orde camera’s op te hangen. Er hangen weliswaar enkele camera’s in Albrandswaard, maar die zijn veelal van particulieren die hun eigendommen willen beschermen. Dergelijke camera’s vallen niet onder de reikwijdte van artikel 151c Gemeentewet. Wij stellen voor, in aansluiting op andere gemeenten in de regio, artikel 2.77 op te nemen in de nieuwe APV en hiermee voor de toekomst de mogelijkheid te creëren om, indien nodig, dergelijke camera’s te plaatsen in de gemeente. 9. Nachtregister Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel, pension, bed and breakfast, camping of jachthaven drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Artikel 2.36 van de huidige APV schrijft voor dat een exploitant binnen 3 dagen moet doorgeven aan de burgemeester wanneer hij een inrichting overneemt, verplaatst of staakt. In artikel 2:38 van de modelverordening is een verplichting opgenomen voor de gasten om bepaalde gegevens te verstrekken. Het ligt voor de hand dit artikel toe te voegen aan
de nieuwe APV. Op verzoek van de politie wordt in (in het kader van het tegengaan van ondermijningen c.q het opsporen van bepaalde personen) daarnaast voorgesteld om de mogelijkheid te creëren om het Digitaal Nachtregister voor exploitanten verplicht te stellen (zie artikel 2:37) Een goed bijgehouden nachtregister is ook in het belang van de gemeente, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension. 10. Bewaartermijn opgekochte goederen De artikelen 2:66 tot en met 2:70 van de APV hebben betrekking op handelaren in tweedehands goederen en de bestrijding van heling. In artikel 2:68, eerste lid onder d wordt bepaald dat een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste 3 dagen in bewaring moet worden gehouden. In de praktijk wordt deze termijn als te krap ervaren. Voorgesteld wordt deze termijn te verruimen naar 5 dagen. 11. Veiligheidsrisicogebieden en messenverbod De huidige APV bevat al de mogelijkheid om veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen (zie artikel 2:76). Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bepaalde gebieden aan te wijzen waarin de politie personen preventief mag fouilleren en voertuigen mag doorzoeken. Daarnaast wordt voorgesteld in artikel 2:50a een messenverbod op te nemen.
Op basis van deze artikelen kan worden opgetreden tegen de problemen die zich voordoen met betrekking tot (met name) jongeren die met messen op zak zich op de openbare weg begeven. Waarschijnlijk komt er ook een landelijk verbod op het dragen van messen, maar onduidelijk is wanneer dat zal gaan gebeuren. 12. Outlaw Motorcycle Gangs (OMG) In de ledenbrief van 15 oktober 2020 doet de VNG voorstellen met betrekking tot het opnemen van bepalingen in de APV die ertoe strekken uiterlijk vertoon van verboden organisaties, zoals Outlaw Motorcycle Gangs in de openbare ruimte te verbieden. Het artikel over ordeverstoring bij evenementen (artikel 2:26) wordt hiertoe gewijzigd en artikel 2:50b wordt toegevoegd. Dat artikel bevat een verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties. 13. Nadere regels over reclameborden, spandoeken en containers Op grond van het huidige artikel 2:10, lid 2 (voorwerpen op of aan de weg) kan het college nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. Voorgesteld wordt om (in aansluiting op overige APV’s in de regio) hieraan toe te voegen: reclameborden, spandoeken en containers. 14. Verruiming aantal incidentele festiviteiten Horecabedrijven moeten voldoen aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De APV bevat echter de mogelijkheid om een beperkt aantal keer per jaar een toestemming te verlenen aan die horecabedrijven om af te wijken van die geluidsnormen. Het gaat hierbij om door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten, zoals bijvoorbeeld Koningsdag, oudjaarsnacht, enz, (artikel 4.2) en de zogenaamde incidentele festiviteiten (per inrichting). Artikel 4:3 bepaalt dat een inrichting maximaal 10 dagen/dagdelen per jaar een incidentele festiviteiten mag houden. Voorgesteld wordt om, in navolging van de overige gemeenten in de regio, het aantal incidentele festiviteiten te bepalen op maximaal 12 per jaar. 15. Slapen op de openbare weg In navolging van andere gemeenten in de regio wordt voorgesteld om een bepaling op te nemen in de APV op grond waarvan het verboden is te overnachten op de openbare weg. Het nieuwe artikel 2:47a voorziet hierin. Op deze wijze kan worden opgetreden tegen bijvoorbeeld personen die overnachten in hun vrachtwagen.
16. Geluid vergunning vrije evenementen Als een evenementen aan bepaalde criteria voldoet, dan is geen vergunning nodig, maar kan met een melding worden volstaan (artikel 2:25, lid 3). Het gaat hierbij om zogenaamde 0-activiteiten. Eén van die criteria dat er weinig geluid wordt veroorzaakt (maximaal 95 dB(A), zie artikel 2:25, lid 3 onder e). Vanuit DCMR is echter voorgesteld om dit te verlagen naar 80dB(A), aangezien 95dB(A) behoorlijk hard is. Ook met een maximum geluidsniveau van 80 dB(A) is het nog goed mogelijk een straatfeest/buurtbarbecue te houden. Wil men meer geluid produceren, dan zal dus een vergunning moeten worden aangevraagd. 17. Ontheffing sluitingstijd horeca Op grond van artikel 2:29 moeten horecabedrijven gesloten zijn tussen 01.00 en 07.00 uur (ma t/m vrij) en 1.30 en 07.00 uur (weekend). Uit lid 4 van dat artikel blijkt dat de burgemeester maximaal 10 keer per jaar per openbare inrichting ontheffing kan verlenen van de sluitingstijd. In het model van de VNG is dat aantal niet gelimiteerd: daarin staat namelijk; “De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd”. Voorgesteld wordt het VNG-model op dit punt te volgen. Dit voorstel wordt mede ingegeven door het feit dat het truckersrestaurant Routier Distripark elke ochtend vanaf 5.30 uur open is en dat dit op grond van de huidige APV eigenlijk niet mogelijk is.
Daarnaast zijn er nog bepalingen die niet in de model-APV van de VNG zijn opgenomen, maar wel in de APV’s van omliggende gemeenten en in het kader van het tegengaan van ondermijning van belang zijn:
18. Vergunning voor bepaalde bedrijven Op basis van de huidige APV hebben horecabedrijven en seksinrichtingen een exploitatievergunning nodig van de burgemeester. In het kader van het tegengaan van ondermijning zijn er gemeenten in Nederland (bijv. Rotterdam) die in de APV de mogelijkheid hebben opgenomen voor de burgemeester om gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een exploitatievergunning is vereist. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in een bepaalde straat zich een groot aantal identieke bedrijven vestigt waarbij het vermoeden bestaat dat er sprake is van witwassen. Te denken valt aan garagebedrijven, kapsalons, belwinkels, enz. Het nieuwe artikel 2:79b voorziet in deze mogelijkheid. 19. Sluiten van voor publiek openstaande gebouwen Een toenemend aantal gemeenten heeft – in aanvulling op de sluitingsbevoegdheid van artikel 174 van de Gemeentewet - in de APV een bepaling opgenomen die het de burgemeester mogelijk maakt om voor het publiek openstaande gebouwen (bijvoorbeeld winkels, bedrijven, bioscopen) te sluiten bij overtredingen anders dan van de Opiumwet. Het gaat dan bijvoorbeeld over aangetroffen wapens, illegaal gokken, heling of mensenhandel. Voorgesteld wordt om (in navolging van de gemeente Rotterdam) een dergelijk artikel ook op te nemen in de nieuwe APV. Het nieuwe artikel 2:79a voorziet hierin.
CONSEQUENTIES De voorgestelde wijzigingen hebben geen financiële gevolgen voor de gemeente.
VERVOLG Na de Beeldvormende vergadering wordt de APV 2021 ter vaststelling aan uw raad voorgelegd. BIJLAGEN - Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 - Toelichting APV Albrandswaard 2021 - Was/wordt lijst - Ledenbrief VNG 7 augustus 2018 - Ledenbrief VNG 14 augustus 2019 - Ledenbrief VNG 14 juli 2020 - Ledenbrief VNG 15 oktober 2020
Met vriendelijke groet, het college van de gemeente Albrandswaard, de secretaris, de burgemeester,
Hans Cats
drs. Jolanda de Witte
Concept 25-11-2020 Algemene Plaatselijke Verordening Albrandswaard 2021 De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van ……; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van …; besluit vast te stellen de volgende verordening: ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING ALBRANDSWAARD 2021
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 17 september1985, nr. B2212/1;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening Albrandswaard daaronder wordt verstaan;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
APV 2021
1
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
-
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a of een vergunning als bedoeld in artikel 4.11. Artikel 1:3 Indiening aanvraag (vervallen) [Vervallen] Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: 1.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; 2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
APV 2021
2
3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; 4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; 5. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c.
de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
APV 2021
3
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd) [gereserveerd] Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen) (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen) (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [vervallen] [vervallen] Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (gereserveerd) [gereserveerd]
APV 2021
4
Artikel 2:8 Dienstverlening (gereserveerd) [gereserveerd] Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen (vervallen) [vervallen] Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, spandoeken en containers. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 2:11 (Omgevingsvergunning) voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
APV 2021
5
3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Albrandswaard. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c.
het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (gereserveerd) [gereserveerd] Artikel 2:14 Winkelwagentjes (vervallen) [vervallen] Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke (vervallen) [vervallen]
APV 2021
6
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (vervallen) [vervallen] Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (gereserveerd) [gereserveerd] Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (gereserveerd) [gereserveerd] Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen) [vervallen] Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (vervallen) [vervallen] Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank- of Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.
APV 2021
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;
7
g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie/snuffelmarkt; c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s.
g. iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet. 3. Daarbij worden de volgende evenementen onderscheiden: a. 0- activiteit: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar wel een meldingsplicht geldt; b. A- evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer; c.
B- evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een verhoogde impact op de omgeving of gevolgen voor het verkeer;
d. C- evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving/regio of verkeer. Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B- of C- evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. 2. De burgemeester kan de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: a. een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; b. een B- of C-evenement niet ten minste twaalf weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; c.
ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt;
d. de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd; e. de vooraankondiging van een B- of een C- evenement niet voor 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de regionale evenementenkalender wordt vastgesteld, is ingediend; f.
APV 2021
het B- of C- evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen in de regionale evenementenkalender welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaats zal vinden;
8
3. Van een 0- activiteit is sprake, indien is voldaan aan alle onderstaande criteria: a. het een evenement is op eigen terrein, of straatfeest/buurtbarbecue of een naar aard en omvang soortgelijke activiteit op één dag; b. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; c.
het een evenement is dat plaatsvindt op maandag t/m zaterdag tussen 08:00 en 23:00 uur of op zondag tussen 13:00 en 23:00 uur;
d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08:00 of na 23:00 uur; e. het equivalente geluidsniveau gedurende 1 minuut ((LAeq, 1 min) veroorzaakt door muziek- of stemgeluid afkomstig van het niet bebouwde deel, tussen 08:00 en 23:00 uur op een afstand van 10 meter van de geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A) en er geen verhoging plaatsvindt van 10 dB vanwege muziekgeluid; f.
het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
g. er een organisator is; h. de organisator uiterlijk vijf werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3a. De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van nadere regels ten aanzien van 0- activiteiten. 4. De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2.
Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.
3.
Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
APV 2021
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid dan
9
b.
wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
2. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, afhaalgelegenheid, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden. 3. Exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden. 4. Beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een inrichting. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2:28e, verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b.
zorginstelling;
c.
museum; of
d.
bedrijfskantine of –restaurant
e.
kantine van een sportvereniging.
3. Bij de inwerkingtreding van een verleende nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude exploitatievergunning van rechtswege. 4. De aanvraag wordt ingediend door de exploitant en de vergunning wordt verleend aan de exploitant. 5. De vergunning moet in de openbare inrichting aanwezig zijn. 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:28a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de in de vergunning genoemde exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden. 3. De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
APV 2021
10
Artikel 2:28b Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden 1. De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in als: a.
de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit,
b.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft,
c.
de exploitant of de beheerder onder curatele staat,
d.
de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
2. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien: a.
onverminderd artikel 1:8 naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt, of
b.
onverminderd artikel 1:6 de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt, of
c.
aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde, of
d.
de exploitant of de beheerder strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd, of
e.
zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, dan wel dat het aannemelijk is dat het exploiteren van de inrichting de vrees wettigt, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde, of
f.
er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd, of
g.
er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
3. Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde gronden houdt de burgemeester rekening met: a.
de aard van de openbare inrichting;
b.
de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de openbare inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen.
Artikel 2:28c Sluiting van openbare inrichtingen 1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: a.
die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
b.
die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;
c.
een van de in artikel 2:28b, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.
APV 2021
11
2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht. 3. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting als bezoeker te verblijven. Artikel 2:28d Terrassen 1. Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse - tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare plaats. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28b, tweede lid, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren indien het de verwachting is dat het gebruik: a.
schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte. 3. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen. 4. Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken: a.
buiten dat deel van de openbare plaats waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan, of
b.
aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige staan- of zitplaatsen.
5. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de openbare plaats achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd. Artikel 2:28e Uitzondering vergunningplicht 1. Artikel 2:28, eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen.
APV 2021
12
2. De exploitatie van een openbare inrichting, die door de burgemeester is aangewezen zoals bedoeld in het vorige lid, moet zodanig plaatsvinden dat daardoor de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Artikel 2:28f Raamkaart 1. Met de vergunning worden één of meer door of namens de burgemeester gewaarmerkte raamkaarten afgegeven, waarop de naam van de exploitant en de openings- en sluitingstijden van de inrichting inclusief een eventueel terras zijn aangegeven. 2. Een raamkaart dient bij iedere voor bezoekers bestemde ingang van de inrichting te zijn aangebracht op zodanige wijze dat van buitenaf daarvan gemakkelijk kan worden kennisgenomen. 3. Op een raamkaart wordt de datum vermeld per wanneer deze geldt. De burgemeester kan bepalen welke andere gegevens op een aankondiging dienen te zijn vermeld en op welke wijze een raamkaart dient te zijn ingericht. 4. Het is de exploitant of beheerder verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten zonder dat bij iedere voor bezoekers bestemde ingang een raamkaart als bedoeld in dit artikel is aangebracht. Artikel 2:28g Geldigheidsduur vergunning 1. Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van 5 jaar na verlening van de vergunning. 2.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde voor bepaalde categorieën van inrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.
Artikel 2.28h Beëindiging exploitatie 1. De exploitatievergunning vervalt zodra de exploitant of één van de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft of hebben beëindigd. 2. Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel één van de exploitanten, geeft of geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.
Artikel 2:28i Wijziging beheer 1. Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is bijgeschreven. 3. In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.
APV 2021
13
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 07.00 uur. 2. Terrassen zijn gesloten tussen 23.00 en 08.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b.
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
APV 2021
14
Artikel 2:34 (vervallen) [vervallen] Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: -
alcoholhoudende drank,
-
horecabedrijf,
-
horecalokaliteit,
-
inrichting,
-
paracommerciële rechtspersoon,
-
sterke drank,
-
slijtersbedrijf;
-
zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot uiterlijk 24.00 uur.
2.
Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt (zoals wijk-, buurt, en jongerencentra) kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 uur tot uiterlijk één uur voor de sluitingstijd als bedoeld in artikel 2:29.
3.
Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 tot 24.00 uur.
4.
Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1.
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichtingen van de volgende aard: 1° Snackbars 2° Scholen 3° Sportaccommodaties 4° Speeltuinverenigingen 5° Jeugdcentra
2.
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.
APV 2021
15
Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden (gereserveerd) Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven (gereserveerd) Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2.
De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester voor te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
APV 2021
16
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade. Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het verbod bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
APV 2021
17
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1
Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
2
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke (vervallen) [vervallen] Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke (vervallen) [vervallen] Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:47a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen 1.