44. 415308 Parnassiagroep m.b.t. rapport quickscan Wet natuurbescherming Antes-locatie.pdf
Tekst van het document
december
november
oktober
september
augustus
juli
juni
mei
april
maart
februari
januari
mitigerende/compenserende maatregelen.
gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger zomerverblijfplaatsen zomer-/kraamverblijfplaatsen paarverblijfplaatsen/zwermplaatsen
Tabel 5: Onderzoeksperiode vleermuizen.
Aanwezigheid van boombewonende vleermuizen (watervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) is in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Indien er bomen worden gekapt dient nader onderzoek plaats te vinden naar deze vleermuissoorten. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd middels een bezoek in de periode 1 december – 1 maart waarbij eventuele boomgaten met behulp van een endoscoop worden gecontroleerd op overwinterende vleermuizen. Indien geschikte locaties aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden. Indien er trillende bouwwerkzaamheden (zoals heien) plaatsvinden kan externe werking als gevolg van deze werkzaamheden op bever niet worden uitgesloten. In dat geval dient nader onderzoek middels 12 Vleermuisprotocol 2020
38
wildcamera’s en of veldonderzoek plaats te vinden om het verstorende effect van de werkzaamheden op bever te bepalen.
6.3
Nationaal beschermde soorten
6.3.1
Bronnenonderzoek
6.3.1.1
Nationale Databank Flora en Fauna
Soort Gewone zeehond Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel Alpenwatersalamander Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad
Soortgroep Zeezoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën
Provinciale vrijstelling Zuid- Holland Soort Soortgroep Nee Kleine watersalamander Amfibieën Ja Meerkikker Amfibieën Ja Grote vos Dagvlinders Ja Iepenpage Dagvlinders Ja Dreps Vaatplanten Ja Kartuizer Anjer Vaatplanten Ja Ruw parelzaad Vaatplanten Ja Wilde ridderspoor Vaatplanten Ja Akkerboterbloem Vaatplanten Ja Glad biggenkruid Vaatplanten Ja Groot spiegelklokje Vaatplanten Ja Kleine wolfsmelk Vaatplanten Nee Kruiptijm Vaatplanten Ja Muurbloem Vaatplanten Ja Naaldenkervel Vaatplanten Ja Schubvaren Vaatplanten Nee Smalle raai Vaatplanten Ja Stijve wolfsmelk Vaatplanten Ja Wilde weit Vaatplanten Ja Wolfskers Vaatplanten
Provinciale vrijstelling Zuid- Holland Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Tabel 6. Waargenomen Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 21-06-2021.
6.3.1.2
Overige informatiebronnen
Op basis van de eigen database13 zijn geen waarnemingen van groeiplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van Nationaal beschermde soorten in het onderzoeksgebied bekend. Het steenmarteronderzoek in 202014 heeft aangetoond dat het terrein ten zuiden van het onderzoeksgebied leefgebied is van deze soort. Getuige de hoeveelheid waarnemingen (totaal 2) wordt dit leefgebied echter zeer beperkt gebruikt. Het cameraonderzoek en de database hebben 13 https://.waarneming.nl 14 De Haan, 2020
39
tevens aangetoond dat konijnen veel gebruik maken van de gehele Antes-locatie.
6.3.2
Verkennend veldonderzoek
6.3.2.1
Vaatplanten
Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor muurbloem of andere muurvegetatie – aanwezig in het plangebied. Door de ligging van het plangebied met sterk gecultiveerde vegetatie en beplanting zijn geschikte groeiplaatsen voor soorten als dreps, kartuizer anjer, ruw parelzaad, smalle raai en wilde ridderspoor in het plangebied derhalve afwezig.
6.3.2.2
Zoogdieren
Het onderzoeksgebied is potentieel geschikt voor steenmarter. Het gaat daarbij vooral om de bosschages en boomgroepen langs de Albrandswaardsedijk en langs de Nieuwe Dijk, Afbeelding 13. Hier kunnen zich vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter bevinden in oude konijnenpijpen of andere holen. Essentieel functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen van deze soort derhalve niet worden uitgesloten. Zeker omdat steenmarter tijdens het steenmarteronderzoek ten zuiden van het onderzoeksgebied is waargenomen, zie paragraaf 6.3.1.2. Alle gebouwen (1 t/m11) zijn vanwege het ontbreken van geschikte inkruipopeningen voor steenmarter ongeschikt. Het onderzoeksgebied is tevens geschikt voor algemene soorten waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. egel, konijn en verschillende soorten (spits-) muizen. Konijn is tijdens het verkennend veldonderzoek dan ook veelvuldig in het onderzoeksgebied waargenomen.
40
Afbeelding 13. Te onderzoeken bosschages voor jaarrond beschermde nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en steenmarter.
6.3.2.3
Amfibieën
Het plangebied is enkel geschikt als terrestrisch habitat voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker. Overige beschermde amfibieën worden niet verwacht. Geschikt open water is in het plangebied niet aanwezig.
6.3.2.4
Overige soorten
Beschermde vissen worden niet verwacht. Geschikt open water is in het plangebied niet aanwezig. Grote vos is erg zeldzaam in Nederland en waarnemingen betreffen vooral zwervende individuen. Daarnaast kent de soort iep als voornaamste waardplant. Deze boomsoort is in het onderzoeksgebied niet of nauwelijks aanwezig. Op basis hiervan en de zeldzaamheid kan grote vos in het plangebied worden uitgesloten.
41
6.3.3
Effectbeoordeling en toetsing
Het onderzoeksgebied is potentieel geschikt voor steenmarter. Essentieel functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen van deze soort niet worden uitgesloten. Indien bomen en/of bosschages worden gekapt dient nader onderzoek plaats te vinden om de aanwezigheid van steenmarter vast te stellen. Dit kan onderzocht worden door gedurende tenminste 6 weken in de periode april- augustus meerdere cameravallen te plaatsen. Deze camera’s dienen op strategische plekken geplaatst te worden op basis van habitat, wissels en sporen. Deze onderzoeksmethodiek is gebaseerd op de onderzoeksrichtlijnen van de provincie Noord-Brabant voor kleine marterachtigen 15. Verder is het onderzoeksgebied geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, konijn, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Specifiek voor konijn geldt: •
De dieren dienen weg gevangen te worden en op een geschikt leefgebied dichtbij teruggeplaatst worden. Zorg ervoor dat het gebied tijdens de werkzaamheden niet meer bereikbaar is voor de dieren zodat deze zich niet opnieuw vestigen in het plangebied. Het wegvangen dient te gebeuren door een deskundig ecoloog.
•
Werk tijdens het bouwrijp maken van het plangebied in één richting of in fases zodat dieren kunnen vluchten. Zorg hier wel voor dat ze in deze richting kunnen vluchten naar een ander geschikt leefgebied.
Verdergaande op bovenstaande dienen alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen voor konijn gecreëerd te worden. Deze soort heeft namelijk moeite met het zelf opnieuw maken van burchten en pijpen bij verlies van bestaande. Daarnaast kan op deze manier gestuurd worden in de kolonisatie van konijnen. Voor overige niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.
15 Bouwens, 2017
42
7
Conclusies en aanbevelingen
7.1
Algemeen
In opdracht van Staat Bouwmanagement heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Antes-locatie, Poortugaal. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen sloop/nieuwbouw van de panden binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden.
7.2
Beschermde gebieden
7.2.1
Wet natuurbescherming
7.2.1.1
Natura 2000
Vanwege de grootte van het plangebied, de afstand van 16 km tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelig habitat en de veranderende gebruiksfase kunnen negatieve effecten in het kader van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is noodzakelijk om het effect van de veranderende gebruiksfase te toetsen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is mogelijk noodzakelijk. Het Natura 2000-gebied Oude Maas kent voor bever een instandhoudingsdoelstelling. Indien heiwerkzaamheden of andere trilwerkzaamheden plaatsvinden dient aanvullend onderzoek naar bever plaats te vinden. In dergelijk geval kunnen negatieve effecten als gevolg van deze werkzaamheden op bever namelijk niet worden uitgesloten.
7.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te 43
sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.
7.3
Beschermde houtopstanden
Het plangebied bevindt zich (gedeeltelijk) buiten de bebouwde kom en er zijn kapwerkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij gekapt of gerooid (ontwortelen) worden. In dit geval dient ten minste 6 weken vóór het vellen een kapmelding gedaan te worden bij de provincie. Binnen drie jaar nadat een houtopstand is geveld dient op de plaats van velling te worden herplant of moet er sprake zijn van een natuurlijke verjonging. Als Gedeputeerde Staten het kappen niet toestaan, dan wordt dat binnen 6 weken gemeld aan de melder en de grondeigenaar
7.4
Beschermde soorten
7.4.1
Soorten Vogelrichtlijn
7.4.1.1
Jaarrond beschermde nesten
De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus. Nader veldonderzoek voor gebouw 1 en 2 is nodig. Indien huismus aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Indien bosschages en/of boomgroepen in het onderzoeksgebied worden gekapt dient nader onderzoek naar potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen plaats te vinden. Dit dient te worden onderzocht middels een controle in de winter (zonder blad) zodat eventuele nesten gemakkelijker waarneembaar zijn. Indien geschikte nesten aanwezig zijn dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. 44
Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht.
7.4.1.2
Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten
Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
7.4.2
Soorten Habitatrichtlijn
7.4.2.1
Vleermuizen
De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Aanwezigheid van boombewonende vleermuizen (watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) is in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Indien er bomen worden gekapt dient nader onderzoek plaats te vinden naar deze vleermuissoorten.
Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd middels een bezoek in de periode 1 december – 1 maart waarbij eventuele boomgaten met behulp van een endoscoop worden gecontroleerd op overwinterende vleermuizen. Indien er trillende bouwwerkzaamheden (zoals heien) plaatsvinden kan externe werking als gevolg van deze werkzaamheden op bever niet worden uitgesloten. In dat geval dient nader onderzoek middels wildcamera’s en of veldonderzoek plaats te vinden om het verstorende effect van de werkzaamheden 45
op bever te bepalen. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.
7.4.3
Nationaal beschermde soorten
Het onderzoeksgebied is potentieel geschikt voor steenmarter. Essentieel functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen van deze soort niet worden uitgesloten. Indien bomen en/of bosschages worden gekapt dient nader onderzoek plaats te vinden om de aanwezigheid van steenmarter vast te stellen. Het plangebied is verder potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, konijn, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Specifiek voor konijn geldt: •
De dieren dienen weg gevangen te worden en op een geschikt leefgebied dichtbij teruggeplaatst worden. Zorg ervoor dat het gebied tijdens de werkzaamheden niet meer bereikbaar is voor de dieren zodat deze zich niet opnieuw vestigen in het plangebied. Het wegvangen dient te gebeuren door een deskundig ecoloog.
•
Werk tijdens het bouwrijp maken van het plangebied in één richting of in fases zodat dieren kunnen vluchten. Zorg hier wel voor dat ze in deze richting kunnen vluchten naar een ander geschikt leefgebied.
Verdergaande op bovenstaande dienen een alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen voor konijn gecreëerd te worden. Deze soort heeft namelijk moeite met het zelf opnieuw maken van burchten en pijpen bij verlies van bestaande. Daarnaast kan op deze manier gestuurd worden in de kolonisatie van konijnen.
46
december
november
oktober
september
augustus
juli
juni
mei
april
maart
februari
Samenvatting benodigd onderzoek januari
7.5
Vleermuizen -gebouw Vleermuizen -boom Huismus Nestencheck Marterachtigen Bever Natura 2000 Kapmelding
Tabel 7: Samenvatting benodigd nader onderzoek. Met geel nader onderzoek mogelijke sloop gebouwen en oranje nader onderzoek bomenkap/ trillende bouwwerkzaamheden.
7.6
Aanbevelingen
Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. In het ontwikkelen van de nieuwe situatie zijn kansen om het gebied natuurvriendelijker te maken door bijvoorbeeld: •
Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, structuurrijke begroeiing en hierop afgestemd beheer.
•
Ook kan er gekozen worden om in de nieuwe situatie inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels op te nemen.
•
Het natuurinclusief bouwen van de nieuwbouw. Gedacht kan worden aan groene gevels, dakbeplanting en nestkasten in gevels. Zie voor meer informatie bv. https://ecoresult.nl/dienst/ natuurinclusief-bouwen/.
47
8
Geraadpleegde bronnen
8.1
Literatuur
•
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie NoordBrabant, Den Bosch
•
Fokker, K.C., 2020. Nader onderzoek vleermuizen. In het kader van de Wet natuurbescherming Plangebied: Kliniek 2 Antes, Poortugaal. Kenmerk ER20201012v02. Ecoresult B.V., Dordrecht.
•
Haan, M.S. de, 2020. Aanvullend onderzoek steenmarter. In het kader van de Wet natuurbescherming. Plangebied: Kliniek 2 Antes, Poortugaal. Kenmerk ER20200622v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.
8.2
Internet
Beschermde gebieden & soorten •
http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx
•
https://pzh.maps.arcgis.com/
Kadastrale Kaarten •
https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer/index.html
Kennisdocumenten soorten •
https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/
Nationale Databank Flora en Fauna •
https://ndff-ecogrid.nl/
Natuurwetgeving •
www.rvo.nl
•
https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/aanvraag-wet-natuurbescherming.html 49
PDOK – Publieke Dienstverlening op de Kaart •
http://pdokviewer.pdok.nl
Vleermuisprotocol 2021 •
50
https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/category/20?download=812
Bijlage 1 Foto-impressie onderzoeksgebied
Afbeelding gebouw 1. Potenties voor huismus en gebouwbewonende vleermuizen aanwezig.
Afbeelding gebouw 2. Potenties voor huismus en gebouwbewonende vleermuizen aanwezig.
51
Afbeelding gebouw 3. Potenties voor gebouwbewonende vleermuizen aanwezig
Afbeelding gebouw 4. Potenties voor gebouwbewonende vleermuizen aanwezig.
52
Afbeelding gebouw 5. Potenties voor gebouwbewonende vleermuizen aanwezig.
Afbeelding gebouw 6. Potenties voor gebouwbewonende vleermuizen aanwezig.
53
Afbeelding gebouw 7. Potenties beschermde soorten afwezig.
Afbeelding gebouw 8. Potenties beschermde soorten afwezig.
54
Afbeelding gebouw 9. Potenties beschermde soorten afwezig.
Afbeelding gebouw 10. Potenties beschermde soorten afwezig.
55
Afbeelding gebouw 11. Potenties beschermde soorten afwezig.
56