43. 2024-919479 Raadsvoorstel Zienswijze gemeenteraden wijziging GR DCMR.pdf
Tekst van het document
op grond van andere wet- en regelgeving; uitvoeren van bezwaar- en beroepsprocedures conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht en andere relevante regelgeving; multidisciplinaire taken in de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (m.u.v. de provincie Zuid-Holland); milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten betreft; milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten betreft; ketengericht milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten.
b. Voor de provincie Zuid-Holland tevens: adviseren over door gedeputeerde staten te geven beschikkingen ingevolge het Vuurwerkbesluit en de Wet Luchtvaart; toezicht op het Vuurwerkbesluit en de Wet Luchtvaart en het adviseren over toepassen van bestuursrechtelijke handhaving; uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet bodembescherming; uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet geluidhinder; leveren van een bijdrage aan de beleidsontwikkeling van de provincie op het gebied van de leefomgeving, het milieubeheer en duurzaamheid; milieutechnisch adviseren over provinciale ruimtelijke plannen; uitvoeren van onderzoek en metingen op basis van op te stellen onderzoeks- en meetprogramma's; uitvoeren van werkzaamheden inzake milieueffectrapportages voor provinciale vergunningen, provinciale plannen en projecten. c. Voor de gemeente Rotterdam tevens: uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet bodembescherming uitvoeren van taken samenhangend met de Verordening bodembescherming Rotterdam, het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit, het Activiteitenbesluit (ondergrondse tanks), het Besluit verplicht bodemonderzoek op bedrijfsterreinen c.q.
het handhavingsbeleid hiervan, de Bedrijvenregeling bodemsanering en de bodemparagraaf in de Bouwverordening; leveren van chemische adviezen; advisering over het milieubeleid van andere Rotterdamse diensten; ontwikkelen beleid op het gebied van milieubeheer in het algemeen, met accent op de thema’s bedrijven, huishoudens, bodem, lucht, geluid, externe veiligheid, energie, groen, water, duurzaam bouwen, verkeer en vervoer; mede ontwikkelen en uitvoeren van projecten met Rotterdamse burgers en organisaties;
DMS-nummer 22352465
9
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
advisering op het gebied van ruimtelijke plannen; advisering en uitvoering van wettelijke procedures in het kader van milieueffectrapportages voor plannen en besluiten. d. Voor de gemeente Vlaardingen tevens: - uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet bodembescherming; - adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van externe veiligheid; - uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet geluidhinder en de APV; - adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van klimaat en verkenningen; - adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van lucht en luchtkwaliteit; - adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van duurzaamheid, milieu, ruimtelijke ordening en ruimtelijke plannen. e. Voor de gemeente Lansingerland tevens: - uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet bodembescherming. 3.4. 4. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in het vorige lid sub a. tot en met e. genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur en elk van de deelnemers schriftelijk werkafspraken gemaakt. 5. In aanvulling op het bepaalde in het derde lid verricht de dienst op verzoek van een deelnemer ook buiten het samenwerkingsgebied - andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden. 6.
Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in het derde en vijfde lid bedoelde taken, kan de dienst op verzoek van derden - ook buiten het samenwerkingsgebied - adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten. 7. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen werkzaamheden als bedoeld in dit artikel gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze gemeenschappelijke regeling strekten, dan wel indien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die overeenkomstig dit artikel aan de dienst zijn opgedragen.
Artikel 21 1. 2.
3.
Bevoegdheden
Aan het bestuur van de dienst worden geen bevoegdheden gedelegeerd door de deelnemers, tenzij wetgeving de delegatie van bevoegdheden voorschrijft. De colleges van de deelnemers alsmede de dagelijkse besturen van de deelgemeenten kunnen hun bevoegdheden ten aanzien van de bij of krachtens artikel 20 aan de dienst opgedragen taken, mandateren aan de directeur van de dienst. Ambtenaren van de deelnemers kunnen ondermandaat verlenen aan de directeur van de dienst, voor zover zij hiertoe bevoegd zijn.
DMS-nummer 22352465
10
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
Hoofdstuk 5
Ambtelijke organisatie
Artikel 22
AanstellingBenoeming, schorsing en ontslag directeur
1. 2. 3.
Er is een directeur van het lichaamde dienst. De directeur van de dienst wordt door het algemeen bestuur benoemd uit een door het dagelijks bestuur op te maken voordracht. Het algemeen bestuur kan de directeur schorsen en ontslaan.
Artikel 23 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Het dagelijks bestuur stelt de instructie van de directeur vast. De directeur is belast met de leiding van het lichaamde dienst en de zorg voor een juiste taakvervulling in de organisatie De directeur van het lichaamde dienst fungeert als ambtelijk secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede-ondertekend. Het dagelijks bestuur regelt de plaatsvervanging van de directeur.
Artikel 24 1.
2.
Taken en bevoegdheden directeur
Aanstellen overig personeel
Het dagelijks bestuur is belast met het aanstellen als ambtenaar, het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk rechtin dienst nemen, en het schorsen en ontslaan van werknemers van het het personeellichaam, de directeur van de dienst uitgezonderd. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden opdragen aan de directeur van de dienst, tenzij het ambtenaren betreft die belast zijn met functies van leidinggevende aardde werknemer een leidinggevende functie vervult of gaat vervullen die rechtstreeks onder de directeur ressorterenressorteert.
Artikel 25 Rechtspositie personeel 1. De Cao provinciale sector en de rechtspositie- en arbeidsvoorwaardenregelingen, zoals die gelden voor werknemers in dienst van de provincie Zuid-Holland, zijn van toepassing op werknemers in dienst van het lichaam. 2. Het dagelijks bestuur kan besluiten om één of meer regelingen zoals bedoeld in het eerste lid niet van toepassing te verklaren, te wijzigen of een eigen regeling vast te stellen in verband met de specifieke taakuitvoering van het lichaam. 3. Waar in de in het eerste lid bedoelde regelingen gesproken wordt van “provinciale staten”, “gedeputeerde staten” dan wel “hoofd van dienst” wordt voor de toepassing in het kader van deze gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur. 1. Op het personeel in dienst van het lichaam zijn de rechtspositieregelingen die zijn of zullen worden vastgesteld voor het personeel in dienst van de provincie Zuid-Holland, van overeenkomstige toepassing. 2. Het dagelijks bestuur kan aan het provinciaal bestuur voorstellen doen met betrekking tot de vaststelling van uitvoeringsregelingen die, in verband met de specifieke taakuitoefening door de dienst, voor het personeel van belang worden geacht. 3.
Waar in de in het eerste lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "provinciale staten", "gedeputeerde staten" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur.
DMS-nummer 22352465
11
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
Hoofdstuk 6 § 1.
Financiële bepalingen
De begroting
Artikel 26
Boekjaar
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 27
Voorbereiding begroting
1.
De begroting wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Aan de begroting wordt een meerjarenraming toegevoegd. 2. Op het voorbereiden van de begroting is artikel 59 eerste tot en met derde lid van de Wet van overeenkomstige toepassing.. 3. Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van overschrijvingen vanuit de post "Onvoorziene uitgaven." 4. Van het bepaalde in dit artikel kan tevens door het dagelijks bestuur worden afgeweken, indien: a. Het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt, én b. De wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in de financiële dekking is voorzien door: - Extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en bijbehorende financiële dekking; - Overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen van derden of deelnemers tegenover staan.
Artikel 28
Vaststelling begroting
Op het vaststellen van de begroting zijn de artikelen 58 eerste en tweede lid en 59 vierde lid van de Wet van overeenkomstige toepassing.
§ 2.
Jaarrekening
Artikel 29 1. 2. 3.
Vaststelling jaarrekening
De rekening wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Op het vaststellen van de jaarrekening is artikel 58 derde en vierde lid van de Wet van overeenkomstige toepassing Het dagelijks bestuur voegt bij het voorstel voor de rekening een verslag van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de rekening, dat opgesteld is door de bij verordening als bedoeld in artikel 31 aangewezen deskundige.”ingesteld door de overeenkomstig de op grond van artikel 3130 bij verordening aangewezen deskundige.
DMS-nummer 22352465
12
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
§ 3.
Beheer
Artikel 30
Financiële administratie
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van het lichaam.
Artikel 31
Controle
1. Het algemeen bestuur wijst één of meer deskundigen aan voor de controle op het financieel beheer en de administratie van het lichaam. 2. Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde controle regels vast. Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie
§ 4. Financiële verplichtingen Artikel 32 1. 2. 3. 4. 45.
De deelnemers betalen uiterlijk 15 februari, 15 mei, 15 augustus en 15 november een voorschot in de kosten van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het jaarbudget. Naar aanleiding van de administratie over de afzonderlijke kwartalen kan het dagelijks bestuur bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot wordt betaald. Uiterlijk 1 juni vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het voorafgaande boekjaar overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige rekening. De definitieve afrekening vindt plaats bij vaststelling van de rekening. In verband met de toetreding van een gemeente kan het dagelijks bestuur in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel voor het jaar van toetreding van deze gemeente een afwijkende regeling treffen inzake de vervaldata van voorschotten en de eerste afrekening.
Artikel 33 1.
2.
3.
4.
Betaling
Deelnameverplichting
Met het oog op de voor hen uit te voeren taken als bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid verbinden de deelnemers zich tot de financiële verplichtingen die na goedkeuring zijn opgenomen in de begroting 2014 2023, inclusief de eerste wijziging daarop, als vertaling van de personele en materiële inzet ten behoeve van de uitvoering van die taken. De bedragen worden jaarlijks aangepast bij de vaststelling van de begroting op basis van de door de deelnemers vastgestelde indexeringspercentages. Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing voor nieuwe deelnemers, met dien verstande dat als uitgangspunt geldt de goedgekeurde begroting, inclusief wijzigingen van het 1e volledige jaar na toetreding. Onverminderd het bepaalde in het volgende lid is een deelnemer gerechtigd, zonder wijziging van de regeling, wijzigingen in het niveau van uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken te bewerkstelligen, voor zover de wijzigingen in financiële verplichtingen die daarvan het gevolg zullen zijn, gezamenlijk niet meer dan 25% van die verplichtingen bedragen. Wijzigingen als bedoeld in het vorige lid kunnen, indien zij een vermindering van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen tot gevolg hebben, jaarlijks niet meer dan 5% van die verplichtingen bedragen.
Indien het saldo van de verminderingen en verhogingen van de in het eerste lid bedoelde financiële verplichtingen, als gevolg van wijzigingen als bedoeld in de vorige zin, op enig moment meer dan een vermindering van 10% van die verplichtingen bedraagt, zal de betreffende deelnemer ter zake van de verschuiving in de verdeling van overheadkosten aan het lichaam een afkoopsom verschuldigd zijn welke door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. Als de verschuiving in de verdeling van de overheadkosten kan worden opgevangen binnen de begroting, kan het algemeen bestuur afzien van het vaststellen van een afkoopsom
DMS-nummer 22352465
13
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
5.
6.
7.
Indien daartoe naar het oordeel van het algemeen bestuur de noodzaak bestaat, is het gestelde in artikel 37, voor zover betrekking hebbende op de toewijzing van personeel, van overeenkomstige toepassing. De in het derde en vierde lid bedoelde beperking is niet van toepassing op wijzigingen in de uitvoering van taken welke bekostigd wordt door middel van projectfinancieringsubsidies zoals ten behoeve van de uitvoering van bodemsaneringsprogramma's of de zonering industrielawaai, indien en voor zover een wijziging optreedt in de verstrekking van die financieringsubsidies. Op omvangrijker wijzigingen dan bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel is het bepaalde in artikel 38 van toepassing. De in het eerste lid genoemde verbintenis is op de aldus gewijzigde inzet en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, van overeenkomstige toepassing. Op verminderingen van de financiële verplichtingen als gevolg van het door het algemeen bestuur vastgestelde indexpercentage voor de begroting of andere door de deelnemers opgelegde gemeenschappelijke taakstellingen zijn – onverminderd de verplichtingen op grond van artikel 34 (garantstelling) - de leden 3 en 4 van dit artikel niet van toepassing.
Artikel 34 1. 2.
Garantstelling
De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen. Indien aan het algemeen bestuur van het lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet, respectievelijk een verzoek aan de Minister tot toepassing van artikelen 198 en 199 Provinciewet.
§ 5. Overige financiële bepalingen Artikel 35
Leges
Het algemeen bestuur kan een regeling vaststellen met betrekking tot de heffing van leges voor het op aanvraag leveren van diensten.
DMS-nummer 22352465
14
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
Hoofdstuk 7
Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Artikel 36
Toetreding
1.
2. 3.
Toetreding door andere gemeenten en andere deelnemers vindt plaats, indien meer dan de helft van het aantal deelnemers, vertegenwoordigende ten minste 66/10870/112 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daarin bewilligt. Het algemeen bestuur doet het nodige om de gevolgen van toetreding te regelen. De toetreding gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden.
Artikel 37 1.
2.
3.
4. 5.
6.
Uittreding
Bij het uittreden van een deelnemer conform artikel 51 derde lid, juncto artikel 9 van de Wet stelt het algemeen bestuur vast welke financiële en organisatorische gevolgen op de uittreding van toepassing zijn. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de in het eerste lid bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van het gemiddelde aandeel van de uittredende deelnemer over de voorgaande drie jaar en betreft zowel het directe als het indirecte personeel. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichtingen worden bepaald op basis van de de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen, als bedoeld in het tweede lid, zal in een bijdrage ineens voldaan worden. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het vierde lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het jaar, volgende op dat waarin de voor uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden.
Artikel 38
Wijziging
De regeling wordt gewijzigd indien meer dan de helft van het aantal deelnemers, vertegenwoordigende ten minste 66/10870/112 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe besluit.
Artikel 39 1.
2. 3.
4. 5.
Opheffing
De regeling kan worden opgeheven indien meer dan de helft van het aantal deelnemers, vertegenwoordigende ten minste 84/10884/112 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe besluit. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld, de raden en provinciale staten gehoord. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van artikel 36. Toewijzing van personeel aan de deelnemers zal plaatsvinden bij besluit van het algemeen bestuur. Bij ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van zijn vermogen noodzakelijk is.
Artikel 39a
Evaluatie
DMS-nummer 22352465
15
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie vast, alsmede de wijze van evalueren vast. Daarbij worden de deelnemers gehoord. Hoofdstuk 8
Archiefbescheiden
Artikel 40 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het in goede, geordende en toegankelijke staat brengen en houden van de onder hem berustende archiefbescheiden zoals bedoeld in het tweede en vierde lid, waaronder mede valt het vernietigen van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Het dagelijks bestuur stelt ter zake regels vast. 2. De directeur beheert de archiefbescheiden van de dienst en zijn organen, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. De dienst draagt de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden over naar het Stadsarchief Rotterdam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Archiefwet 1995. 4. De deelnemers stellen de archiefbescheiden die betrekking hebben op de aan de dienst opgedragen taken aan de omgevingsdienst ter beschikking in goede, geordende en toegankelijke staat. 5. De archivaris van het Stadsarchief Rotterdam oefent toezicht uit op het in het tweede lid genoemde beheer. 6. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling draagt de dienst de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden met inachtneming van artikel 8 van het Archiefbesluit voor zover mogelijk over aan de taakopvolger. De overbrenging van de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat naar het Stadsarchief Rotterdam geschiedt als had geen opheffing plaatsgevonden.
Als er geen taakopvolger is, worden de archiefbescheiden direct naar het Stadsarchief Rotterdam overgebracht. 7. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling stelt de dienst de in het vierde lid genoemde archiefbescheiden, voor zover niet overgebracht naar de archiefbewaarplaats, weer ter beschikking aan de deelnemers. Hoofdstuk 9
Geschillen, klachten en aansprakelijkheid
Artikel 41
Geschillenregeling
1.
2. 3. 4.
Voordat over een bestuursgeschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koning in de provincie Zuid-Holland. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen. Hij brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een bestuursorgaan van de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de voorbereiding van het in het derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen burgemeesters van deelnemende, niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.
Artikel 42 Klachtenregeling 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht, een ver ordening klachtbehandeling vast. 2. De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 43 1.
Aansprakelijkheid
Het lichaam verzekert zich tegen: a. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid (wettelijke en contractuele aansprakelijkheid) voor schade aan personen en goederen; b. Wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.
DMS-nummer 22352465
16
Wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024, 22e wijziging Datum gewijzigd: 1 januari 2024 __________________________________________________________________________________________
2.
Indien en voor zover de verzekering een voor rekening van het lichaam komende schade niet dekt, komt deze voor rekening van de desbetreffende deelnemer binnen wiens aan de dienst opgedragen takenpakket de schadeveroorzakende gebeurtenis is voorgevallen.
Hoofdstuk 10 Slotbepaling Artikel 44 1. 2. 3. 4.
Inwerkingtreding
Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Iedere wijziging hierop wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. Iedere wijziging hierop treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking als bedoeld in het vorige lid. De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond, 22e wijziging, 2024 2015”.
DMS-nummer 22352465
17
Bijlage 5. Afwegingen en advies over wijzingen in de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond
Inleiding
In deze bijlage leest u onze afwegingen bij de door de regeling voorgestelde wijzigingen die voortvloeien uit de recente wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Per onderwerp leest u eerst een korte toelichting op de wetswijziging. Dan wat daarover in de voorgelegde regeling is voorgesteld. Vervolgens leest u de eventuele voor- en nadelen voor de gemeente Albrandswaard en ons advies wat op te nemen in de zienswijze.
Wijzigingen in de regeling a. Zienswijzeprocedure bij besluiten
In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
Voorgestelde regeling en toelichting
Om in specifieke gevallen de mogelijkheid open te laten om raden en Provinciale Staten vooraf te betrekken bij de besluitvorming is aan artikel 15 een derde lid toegevoegd, dat luidt: 3. Indien deze regeling of de wet dat bepaalt, of indien het algemeen bestuur dat in voorkomende gevallen nodig acht, worden besluiten van het algemeen bestuur vooraf voor zienswijzen voorgelegd aan de vertegenwoordigende organen. Andere besluiten (dan de ontwerpbegroting) die voor een zienswijzeprocedure in aanmerking komen zijn volgens DCMR op voorhand niet te bedenken. Wel geeft DCMR aan dat de vaststelling van het Meerjarenprogramma (MJP) in aanmerking zou kunnen komen voor een zienswijzeprocedure.
Advies aan de gemeenteraad
Ons voorstel is om geen zienswijze over dit onderwerp op te nemen in uw zienswijzebrief. Door het toevoegen van het derde lid aan artikel 15 wordt de ruimte geboden aan het AB om ook andere besluiten dan de begroting voor zienswijze voor te leggen. Als het AB hier aanleiding toe ziet, kan ze deze ruimte nemen. Het door DCMR als voorbeeld aangedragen Meerjarenprogramma betreft een uitvoeringsprogramma en legt vast waar DCMR zich de komende jaren op gaat richten, binnen de kaders van de begroting. Naar onze mening is dit niet een besluit waar u uw kaderstellende rol kunt innemen.
b. Afspraken over participatie
In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden.
Voorgestelde regeling en toelichting
DCMR laat hierover weten vanuit zijn expertise vaak betrokken te zijn bij het opstellen van beleid, maar dat het bestuur van DCMR zelf geen beleid of verordeningen vaststelt die ingezetenen binden. DCMR is vooral een uitvoeringsgerichte gemeenschappelijke regeling. De uiteindelijke beleidskeuzes liggen bij de 1
vertegenwoordigende organen. Burgerparticipatie verloopt primair via de vertegenwoordigende organen, maar het bestuur kan overwegen om in bepaalde gevallen toch burgerparticipatie toe te passen. Daarom is aan artikel 15 een vierde lid toegevoegd dat luidt: 4. Het algemeen bestuur kan ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemers en/of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die zij neemt, en de manier waarop dat gebeurt.
Advies aan de gemeenteraad
Wij adviseren u in de zienswijze te verzoeken dat het spreekrecht wordt verleend in vergaderingen van het Algemeen Bestuur. In de voorgestelde regeling is daarover niets opgenomen. De mogelijkheid tot ‘inspreken’ is daarom opgenomen in de zienswijze. De raad kan verzoeken toe te voegen een artikel dat luidt: “Belanghebbenden kunnen bij het Algemeen Bestuur inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering met uitzondering van verslagen van vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het reglement van orde stelt in ieder geval regels over aanmelding, toelating en spreektijd.”
c. Informatieplicht: actieve en passieve
Deze actieve informatieplicht bestaat al. In de regeling moeten afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening.
Voorgestelde regeling en toelichting
Passieve informatieplicht In de regeling is opgenomen artikel 17, eerste lid, dat luidt: 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd, tenzij dit in strijd is met het openbaar belang. Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven. In dit artikel is alleen gewijzigd dat ‘raden respectievelijk provinciale staten’ is vervangen door ‘vertegenwoordigende organen’. Actieve informatieplicht Aan artikel 17 Verantwoording aan deelnemers worden toegevoegd de volgende nieuw leden 4, 5 en 6: 4. De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid. 5. Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden openbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen uit de Wet open overheid. 6. Het algemeen bestuur kan ertoe besluiten om bijeenkomsten te organiseren waarin aan de vertegenwoordigende organen, de in lid 1 bedoelde inlichtingen worden verstrekt. DCMR zal deze stukken actief openbaar maken door ze op de website te zetten, zodat deze voor een ieder zijn in te zien.
Advies aan de gemeenteraad
Ons advies is, onverlet de verwijzing naar de Wet open overheid, in de zienswijze op te nemen; ‘Wij verzoeken u aan artikel 17 een zevende lid toe te voegen, dat aangeeft dat de deelnemende raden de verslagen van het algemeen bestuur, de vastgestelde begroting en de vastgestelde jaarrekening met bijbehorende accountantsrapportage ontvangen.’
2
‘Wij verzoeken u aan artikel 17, eerste lid, toe te voegen dat de gevraagde inlichtingen ook aan de deelnemende raden ter beschikking worden gesteld.’
d. Afspraken over evaluatie
Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt.
Voorgestelde regeling en toelichting
De gemeenschappelijke DCMR bevat nog geen bepaling over evaluatie van de regeling. Daarom wordt daarover nu een bepaling (artikel 39a) toegevoegd die een evaluatie van de regeling mogelijk maakt. Artikel 39a luidt: Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie vast, alsmede de wijze van evalueren vast. Daarbij worden de deelnemers gehoord. Wijzigingen in relevante wetgeving kunnen een logische aanleiding vormen om de regeling tegen het licht te houden. In de praktijk vindt evaluatie doorlopend plaats: binnen het bestuur, in de P&C-cyclus (begroting, maandrapportages en jaarrekening) en via het stellen van en toetsen aan kwaliteitscriteria. Vanaf 2023 vinden er bovendien landelijke visitaties van omgevingsdiensten plaats waarover ook wordt gerapporteerd aan het DB en AB.
Advies aan de gemeenteraad
Zoals aangegeven door DCMR vindt in de praktijk evaluatie nu al doorlopend plaats. Naast de genoemde voorbeelden ziet ook het advies van de Adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving (ook wel Commissie Van Aartsen) met de titel ‘Om de leefomgeving, Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur, van 4 maart 2021' op dit onderwerp. De aanbevelingen van de commissie worden uitgewerkt via het Interbestuurlijk programma Versterking VTH-stelsel en hebben ook effect op het functioneren van DCMR. Ons voorstel is te verzoeken toe te voegen dat de raden van de deelnemende colleges op de hoogte worden gesteld van de resultaten van gehouden evaluaties en de conclusies en wijzigingen die naar aanleiding van de evaluaties worden/zijn doorgevoerd.
e. Afspraken over uittreding
Er kan niet langer volstaan worden met de afspraak dat het bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. In ieder geval moeten worden opgenomen afspraken over de gevolgen voor het vermogen, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen.
Voorgestelde regeling en toelichting
DCMR merkt op dat de huidige regeling al een bepaling bevat over hoe de uittredingskosten worden bepaald en daarmee in lijn is met de Wgr. Dit betreft artikel 37 en de tekst luidt: 1. Bij het uittreden van een deelnemer stelt het algemeen bestuur vast welke financiële en organisatorische gevolgen op de uittreding van toepassing zijn. 2. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de in het eerste lid bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen. 3
3. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van het gemiddelde aandeel van de uittredende deelnemer over de voorgaande drie jaar en betreft zowel het directe als het indirecte personeel. 4. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichtingen worden bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. 5. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen, als bedoeld in het tweede lid, zal in een bijdrage ineens voldaan worden. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het vierde lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen. 6. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het jaar, volgende op dat waarin de voor uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden. DCMR is overigens van mening dat uittreding in de praktijk lastig is. Colleges van gemeenten en provincies zijn het namelijk verplicht om voor de uitvoering van het milieubasistakenpakket deel te nemen in een omgevingsdienst.
Advies aan de gemeenteraad
Wij kunnen ons vinden in het door DCMR geformuleerde artikel 37 over Uittreding. Een verdere regeling van een uittreding zoals nu geregeld, lijkt ons niet zinvol.
f. Aanpassing begrotingscyclus
Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan in zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn.
Voorgestelde regeling en toelichting
In de regeling is geen kortere termijn dan 12 weken opgenomen voor het indienen van een zienswijze voor instrumenten uit de P&C-cyclus. Artikel 27 uit de regeling over de Voorbereiding van de begroting geeft aan: 1. De begroting wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Aan de begroting wordt een meerjarenraming toegevoegd. 2. Op het voorbereiden van de begroting is artikel 59 eerste tot en met derde lid van de Wet van overeenkomstige toepassing. 3. Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van overschrijvingen vanuit de post "Onvoorziene uitgaven." In artikel 59, lid 1, van de Wet staat de termijn van 12 weken aangegeven. In de praktijk houdt DCMR zich aan deze termijn, in de meeste gevallen wordt zelfs een termijn van langer dan 12 weken gehanteerd.
Advies aan de gemeenteraad
Dit onderwerp geen ons geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
g. De instelling van adviescommissies
Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus
4
van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. Het Algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam) is verplicht om de commissie in te stellen als de raden en Provinciale Staten hier unaniem om vragen (artikel 52 Wgr jo. artikel 24a Wgr). Alleen leden van de raden en Provinciale Staten kunnen in de commissie zitting hebben. De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen en behoeft niet in de regeling zelf te worden opgenomen.
Voorgestelde regeling en toelichting
Hoewel de rechtsgrond in de wet staat, wordt de bepaling voor de duidelijkheid en herkenbaarheid toch opgenomen in de gemeenschappelijke regeling. Hiertoe is aan artikel 12 een 2e lid toegevoegd dat luidt: 2. Het algemeen bestuur kan op voorstel van de raden gezamenlijk een gemeenschappelijke adviescommissie instellen. In de toezendbrief wordt niet gevraagd of de raad van Albrandswaard de wens heeft tot het instellen van een adviescommissie.
Advies aan de gemeenteraad
Een verzoek tot instellen van een adviescommissie moet gesteund worden door alle raden. Dit staat eigenlijk los van deze zienswijze, omdat DCMR niet expliciet vraagt of het de wens is van de raad om een adviescommissie in te stellen. In het Presidium is hierover gesproken. U heeft daarbij aangegeven voorstander te zijn van de instelling van een adviescommissie, vanuit het principe van optimale democratische legitimiteit. U heeft aangegeven dat uw raad vanuit dit principe positief zal besluiten bij een verzoek tot instelling van een adviescommissie, eventueel zonder dat raadsleden worden ‘geleverd’ voor die commissie. Ons voorstel is om deze uitgangspunten toe te voegen aan de zienswijze.
5
Het dagelijks bestuur van de DCMR Milieudienst Rijnmond Postbus 843 3100 AV Schiedam
Uw brief van: 18-092023 Uw kenmerk: E-mail Bijlage(n): -
Ons kenmerk: Contact: Doorkiesnummer: E-mailadres: Datum:
919497 Dhr. A.N. Kazen +31180451413 a.kazen@albrandswaard.nl
Betreft: Zienswijze ontwerp gewijzigde gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond
Geacht bestuur, U heeft ons op 18 september 2023 een ontwerp gewijzigde gemeenschappelijke regeling toegestuurd. U heeft om onze zienswijze gevraagd op dit concept. Wij hebben deze stukken besproken in onze raadsvergadering van 25 januari 2024. We maken graag gebruik van de geboden mogelijkheid tot het geven van een zienswijze, aan de hand van de voorgestelde wijzigingen. A. Zienswijzeprocedure bij besluiten Dit onderwerp geeft ons geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Door het toevoegen van het derde lid aan artikel 15 wordt de ruimte geboden aan het AB om ook andere besluiten dan de begroting voor zienswijze voor te leggen. Als het AB hier aanleiding toe ziet, kan ze deze ruimte nemen. B. Participatie Doel van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is o.a. het vergroten van de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen. Daarom vinden wij het van belang dat spreekrecht wordt verleend in vergaderingen van het algemeen bestuur van gemeenschappelijke regelingen. Wij verzoeken u in de regeling een artikel toe te voegen dat luidt: ‘Belanghebbenden kunnen bij het Algemeen Bestuur inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering met uitzondering van verslagen van vergaderingen van het Algemeen Bestuur.
Het reglement van orde stelt in ieder geval regels over aanmelding, toelating en spreektijd.’ C. Informatieplicht Wij verzoeken u aan artikel 17 een zevende lid toe te voegen, dat aangeeft dat de deelnemende raden de verslagen van het algemeen bestuur, de vastgestelde begroting en de vastgestelde jaarrekening met bijbehorende accountantsrapportage ontvangen. Tevens verzoeken wij u aan artikel 17, eerste lid, toe te voegen dat de gevraagde inlichtingen ook aan de deelnemende raden ter beschikking worden gesteld.
Stationsstraat 4 - 3161KP te Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl
Betreft: Zienswijze ontwerp gewijzigde gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond
Pagina 2 van 2
D. Evaluatie Wij kunnen ons vinden in het door u voorgestelde nieuwe artikel 39a. Wij hebben daarbij in ogenschouw genomen dat u in de praktijk al veelvuldig het initiatief neemt tot evalueren. Wel verzoeken wij u aan het nieuwe artikel 39a toe te voegen dat de deelnemende raden op de hoogte worden gesteld van de resultaten van gehouden evaluaties en de conclusies en wijzigingen die naar aanleiding van de evaluaties worden/zijn doorgevoerd. E. Uittreding Wij kunnen ons vinden in het door u geformuleerde artikel 37 over Uittreding. Een verdere regeling van een uittreding zoals nu geregeld, lijkt ons niet zinvol. F. Aanpassing begrotingscyclus In artikel 59, lid 1, van de Wet staat de termijn van 12 weken aangegeven. In de praktijk houdt DCMR zich aan deze termijn, in de meeste gevallen wordt zelfs een termijn van langer dan 12 weken gehanteerd. Dit onderwerp geen ons geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. G. Instelling adviescommissie De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie is opgenomen in de Wet gemeenschappelijke regelingen. De instelling daarvan kan daarom los worden gezien van de voorliggende zienswijzeprocedure. Vanuit het principe van optimale democratische legitimiteit zal onze raad positief besluiten bij een verzoek tot instelling van een adviescommissie.
Eventuele afvaardiging van raadsleden voor deze commissie zal nog onderwerp van overleg zijn, binnen onze raad. De voorgestelde wijzigingen, naast de verplichte wijzigingen als gevolg van de nieuwe Wgr, geven ons geen reden tot het maken van opmerkingen. Wij vertrouwen erop u voor dit moment voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet, De gemeenteraad van Albrandswaard, de griffier,
de voorzitter,
Eelco Groenenboom Msc MMC
drs. Jolanda de Witte
Wijzigingen in gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2024 Memo van de griffier voor de raads- en burgerleden Albrandswaard Inleiding Met ingang van 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Een aantal wijzigingen is in werking getreden op 1 juli 2022, maar een deel zal later, maar vóór 1 juli 2024 opgenomen moeten zijn in de diverse gemeenschappelijke regelingen. De diverse gemeenschappelijke regelingen zijn hiermee aan de slag gegaan en zullen dit jaar hun voorstel tot wijziging van hun regeling aan de raad voorleggen voor een zienswijze. Zo staat als voorbeeld de zienswijze voor de GR Jeugdhulp aankomende raadsvergadering op de agenda. In deze zienswijze wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen waarover in dit memo later meer: • Het instrument zienswijze; • De mogelijkheid om een raadsadviescommissie in te stellen; • Burgerparticipatie te bevorderen; • De actieve informatievoorziening; • De evaluatieplicht.
Voor Albrandswaard gaat het om de volgende gemeenschappelijke regelingen: − Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) − DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) − Natuur- en recreatieschap IJsselmonde (NRIJ) − GGD Rotterdam-Rijnmond (GGD-RR) − Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) − Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) − GR BAR-organisatie (GR-BAR) − Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW) Doel wetgever Doel van de wetswijziging is het vergroten van de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen, in het bijzonder het versterken van de controlerende en kaderstellende rol van de raden. De wetgever heeft de raden, colleges en besturen van samenwerkingsverbanden voor een aantal belangrijke keuzes gesteld. Daarbij moet steeds gekeken worden naar de intentie van de wet om de positie van de gemeenteraad te versterken, maar wel op een manier dat het samenwerkingsverband zijn taken ook doelmatig en doeltreffend kan blijven uitvoeren. Sturingsmogelijkheden die de raad al had: 1 Toestemming raad bij oprichting gemeenschappelijke regeling (GR) door colleges en/of burgemeesters. Dit geldt ook bij wijziging of beëindiging van een regeling (art. 1 Wgr) 2 Het collegelid heeft een actieve en passieve informatieplicht o.g.v. de Gemeentewet (art. 169). Dit geldt ook voor zijn handelen als AB-lid (niet als DB-lid).
3 De raad (als geheel) kan het eigen AB-lid ter verantwoording roepen (art. 16, eerste lid, Wgr). 4 De raad (ook leden) kan het AB om inlichtingen vragen (passieve informatieplicht; art. 17 Wgr). 5 Zienswijze geven op de ontwerpbegroting van een GR (art. 35 Wgr). 6 Rekenkamer verzoeken een onderzoek in te stellen naar het bestuur van een GR (art. 182, tweede lid jo. 184 Gemeentewet). 7 Enquête starten over de GR (art. 155a Gemeentewet). Dit is beperkt tot de eigen gemeentelijke inbreng. Sturingsmogelijkheden die de raden direct per 1 juli 2022 hebben gekregen 1 Zienswijze bij treffen regeling Over een ontwerpregeling brengt de raad zijn zienswijze uit aan het AB. Is de regeling aangegaan door colleges/burgemeesters dan aan het college/de burgemeester. Is het een GR aangegaan door colleges en/burgemeesters dan dient daarna door de raad nog toestemming te worden verleend aan het college/de burgemeester tot het aangaan van de GR. Zijn de raden de regeling aangegaan dan stellen zij de regeling vast. 2 Bevoegdheid tot instellen van een adviescommissie
3 4
De bevoegdheid om een gemeenschappelijke adviescommissie in te (laten) stellen bestaande uit raadsleden. Alle deelnemende raden moeten daartoe een verzoek doen aan het AB. Het AB van een GR is dan verplicht de adviescommissie in te stellen. Een raad die mede dat verzoek doet, is er niet aan gehouden ook raadsleden voor die adviescommissie ‘te leveren’. Als zo’n adviescommissie wordt ingesteld, regelt het AB de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de commissie, nadat het de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het AB te brengen (art. 24a, tweede lid, Wgr). De actieve informatieplicht Het bestuur van de GR heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling speelt. In de regeling moeten afspraken worden gemaakt over de wijze waarop deze informatie wordt aangeleverd. Wijziging in de begrotingscyclus Deze sluit nu beter aan op de begrotingscyclus bij de gemeente. Bijvoorbeeld voor het indienen van een zienswijze op de ontwerpbegroting van een GR is de termijn 12 weken geworden.
Aanvullende controle-instrumenten die de raden hebben gekregen 1 Het recht van onderzoek De gezamenlijke raden hebben de mogelijkheid om een gezamenlijke enquête uit te voeren naar de bestuursvoering van een GR. Alle raden moeten met zo’n onderzoek instemmen. Zo’n onderzoek kan niet worden ingesteld als een GR getroffen of mede getroffen is door de raden. 2 Onderzoeksmogelijkheden van lokale rekenkamers Verduidelijkt is dat lokale rekenkamers de mogelijkheid hebben om onderzoek te doen naar het gevoerde bestuur van een GR waaraan een gemeente deelneemt. Overige wijzigingen Raadsleden die zitting hebben in een gemeenschappelijke adviescommissie of gemeenschappelijke onderzoekscommissie kunnen aanspraak maken op een aanvullende vergoeding. Wat gaan de GR’en in hun ontwerpregelingen aan de raden voorleggen Nog dit jaar zullen de gemeenschappelijke regelingen hun ontwerp-gemeenschappelijke regelingen, met daarin opgenomen de wijzigingen die nodig zijn als gevolg van de wetswijziging van 1 juli 2022, voor een zienswijze voorleggen aan de raden. Welke wijzigingen zijn het waar de raad straks een zienswijze over wordt gevraagd? a. Zienswijze bij besluiten In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
In de wet staat altijd al dat de raden hun zienswijze kunnen geven op een ontwerpbegroting(swijziging). Met een zienswijze kan de raad zijn opvatting geven over een voorgenomen besluit. In de regeling kan ook worden afgesproken dat geen van de besluiten vatbaar zijn voor een zienswijze. Binnen elk van de regelingen is hierover gesproken. Het resultaat ziet u als de GR haar ontwerpgemeenschappelijke regeling voorlegt voor een zienswijze. Het college zal de raad dan een voorstel doen voor een concept-zienswijze. Een voorbeeld van gemeenschappelijke regelingen die bepaalde concept-besluiten al voorleggen voor een zienswijze zijn de MRDH en de VRR. Als de zienswijzeprocedure is gevolgd, dient het DB, alvorens het AB een eindbeslissing neemt, de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis te stellen van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt (art. 10, zesde lid, Wgr). Een zienswijzeprocedure is omslachtig en kost veel tijd. Bij de keus welke voorgenomen besluiten voor een zienswijze voorgelegd zouden moeten worden, zal de raad mede moeten afwegen het belang van het besluit, ook in relatie tot de bestuurlijke drukte die door een zienswijzeprocedure ontstaat en de invloed van een zienswijze.
Zoals bij elk instrument is het een afweging tussen informatie, inspanning en invloed die de raad moet maken om te bepalen of de inzet van een instrument ook nuttig is. Levert de inzet van een instrument geen invloed op, dan is het ook niet heel efficiënt om dat middel in te zetten. Maar voor méér invloed is wel altijd meer inspanning nodig en ook goede informatie.
b. De instelling van adviescommissies Mogelijk zal de raad ook gevraagd worden of hij voor de GR een raadsadviescommissie ingesteld wil hebben. Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. Door nu aan een GR te laten weten dat u voor die GR geen behoefte heeft aan de instelling van een adviescommissie, maakt u het onmogelijk dat een adviescommissie wordt ingesteld. Alle raden moeten dat verzoek immers ondersteunen. Mijn advies is dat vanuit het principe van optimale democratische legitimiteit de gemeenteraad van Albrandswaard bij alle zienswijzen(behalve bij die van de MRDH, omdat die al adviescommissies kent) aangeeft voorstander te zijn van de instelling van een adviescommissie. De raad zou bij een verzoek tot instelling positief besluiten, eventueel zonder dat raadsleden worden ‘geleverd’ voor die commissie. c.
Afspraken over participatie In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden. Mijn advies is dat de raad in elke zienswijze in ieder geval opneemt, dat hij in de regeling (als die mogelijkheid nu nog niet is gegeven) opgenomen wil zien het spreekrecht voor belanghebbenden in een vergadering van het Algemeen Bestuur. Regels over aanmelding, toelating en spreektijd dient het Algemeen Bestuur vast te stellen in een reglement van orde. d. Actieve informatieplicht Deze plicht bestaat al. In de regeling moeten echter afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening. Als de raad verzoekt in de regeling op te nemen dat bepaalde met naam genoemde informatie wordt verstrekt, dan is het wel het idee dat de raad actief iets doet moet deze informatie. Informatie wordt immers gevraagd met het oog op een bepaald doel. Wilt u op de hoogte blijven van wat er binnen de GR gebeurt, dan zou de raad bijvoorbeeld kunnen verzoeken dat de vergaderstukken en verslagen van het AB actief aan de raden worden gezonden (of een verwijzing naar de site waarop deze zijn te vinden).
Passieve informatieplicht Nu bevat een regeling vaak een bepaling als “Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd”. In de regeling staat dan vaak dat de uitvoering daarvan in het Reglement van orde is geregeld. In artikel 17, eerste lid, van de Wgr staat nu “De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt”. Wat is er in de regeling opgenomen over het vragen van inlichtingen aan het AB door raden en/of raadsleden?. En op welke wijze worden de andere raden dan op de hoogte gesteld van de vragen en de antwoorden?. Is dat in de regeling gelijk gebleven of aangepast en wat vindt u van het bepaalde?. Advies is om hier ook naar te kijken want de raad kan hierover opmerkingen maken in zijn zienswijze.
e. Afspraken over evaluatie Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt. f. Aanpassing begrotingscyclus Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan in zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn. Afsluitend Dit memo zal de griffie toevoegen aan alle raadsvoorstellen die de raad worden voorgelegd om zijn zienswijze te geven op de gewijzigde ontwerp-gemeenschappelijke regelingen in het kader van de wetswijziging Wgr. Hopelijk geeft dit memo voldoende informatie over de keuzes waarvoor de raad de komende tijd staat.