CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

37. 2025-064802 Raadsvoorstel Buitenplanse Omgevingsactiviteit BOPA.pdf

Gemeenteraad AW 13 oktober 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ingekomen stukken26.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

8

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

4.2.3. Geomorfologie en bodem Op de geomorfologische kaart staat het plangebied weergegeven als bebouwde kom, waardoor geen geomorfologische eenheid bekend is (Figuur 2, links). Op basis van de eenheden aan weerszijden van het plangebied, is er waarschijnlijk sprake van een vlakte van getij-afzettingen. Op de bodemkaart staat het plangebied weergegeven als gelegen op kalkrijke poldervaaggronden van zware zavel (kaartcode Mn25A; Figuur 2, rechts). De grondwatertrap is V, wat duidt op gronden met een sterk wisselende grondwaterstand, van minder dan 40 cm -mv in de winter tot meer dan 120 cm mv in de zomer.

Vlakte van getij-afzettingen

Figuur 2: Het plangebied op uitsneden uit de geomorfologische kaart en bodemkaart (bron: BRO). 4.3.

Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden

Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven of die in de provinciale omgevingsverordening zijn opgenomen als terrein van Provinciaal Archeologisch Belang (PAB). Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. Op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Albrandswaard (vastgesteld 2009) heeft de Kleidijk, met een strook direct erlangs, een hoge archeologische verwachting. Voor de rest van het plangebied is de verwachting redelijk hoog. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse archeologische vindplaatsen bekend. Het betreft vindplaatsen uit het Neolithicum, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. In Rhoon Essendael, zo’n 1,2 km ten zuiden van het plangebied, zijn op een diepte van 4,0-5,5 m -mv houtskool en bot aangetroffen in stroomgordelafzettingen die behoren tot de Formatie van Echteld (voorheen Afzettingen van Gorkum; BOOR-vindplaats 19-12; Archisnr. 2119627100; Kruidhof 2004). De vondsten wijzen op menselijke aanwezigheid in het gebied in het Midden Neolithicum (eerste helft 4e millennium voor Chr.).

Op hetzelfde stratigrafische niveau is van een diepte van ongeveer 2,55 m mv onder de Rhoonse Baan in het oosten van de bebouwde kom van Rhoon houtskool opgeboord (BOOR-vindplaats 12-75; geen Archisnr.; Langbroek 2002). Ook hier bevindt het vondstmateriaal zich

9

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

in stroomgordelafzettingen, maar het gaat in dit geval om een andere, nog niet in kaart gebrachte, stroomgordel dan bij BOOR-vindplaats 19-12. Misschien betreft het een zijarm van die stroomgordel. Er is één vindplaats met resten uit de Romeinse tijd in de omgeving van het plangebied bekend: BOORvindplaats 19-18 (Archisnr. 2140216100; Dorst 2006; Van de Meer / Dorst 2008), gelegen op ongeveer 1,2 km ten zuidwesten van het plangebied. In een boring is daar op een diepte van 2,29- 2,64 m -mv in klastisch materiaal aardewerk uit die periode aangetroffen. Het is lastig de vondsten te duiden. Mogelijk gaat het om verspoeld materiaal, een zeer voorzichtige interpretatie als stortbed voor een duiker is echter niet uit te sluiten. Mocht het om in situ vondsten gaan dan betekent dit dat in het gebied sedimenten behorend tot de Afzettingen van Duinkerke I (thans Laagpakket van Walcheren) aanwezig zijn. De overige relevante vindplaatsen zijn in de Late Middeleeuwen en/of in de Nieuwe tijd te dateren. Het gaat om kasteelterreinen (BOOR-vindplaatsen 12-17 en 12-71; Archisnrs. 3103136100 en 3202718100) en om nederzettingsterreinen aan of nabij het maaiveld die in de meeste gevallen zijn gerelateerd aan een bestaande dijk. Een uitzondering op dit laatste wordt gevormd door BOOR-vindplaats 19-14 (Archisnr. 2119627100; Kruidhof 2004) in Essendael.

Hier bevindt zich onder het overstromingsdek van na 1373 een op het Hollandveen opgeworpen hoogte. Waarschijnlijk gaat het om een terp uit de periode 11e-13e eeuw. Het is echter niet geheel uit te sluiten dat we hier met een stuk dijk uit die periode te maken hebben. Net ten noorden van het kasteel van Rhoon is BOOR-vindplaats 12-42 (AMK-terrein 6475) gesitueerd. Het gaat waarschijnlijk om een nederzettingsterrein uit de Late Middeleeuwen A. 4.4.

Historische situatie

Het areaal van het plangebied maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Riederwaard. De oudst bekende vermelding van de Riederwaard dateert uit 1214. In de periode 1373-1375 gaat de Riederwaard als gevolg van overstromingen verloren. De schade was enorm: nederzettingen als Rhoon, Pendrecht, Carnisse, West-Barendrecht en Oost-Barendrecht verdronken en de uitgestrekte ontginningen van de Riederwaard gingen verloren. In de eeuwen die volgden op de rampjaren werd het overstroomde land in fasen weer ingedijkt. De polder ‘Jaag In’, waarin het plangebied is gesitueerd, is in 1500 gevormd, als langgerekte aanpoldering aan de oostzijde van de eerder gevormde polders Kiefhoek (1461) en Ghijseland (1475), beide op hun beurt ook aanpolderingen van de polder Oud Rhoon. Op de locatie van het plangebied laten de 19e-eeuwse kaarten geen bebouwing zien (Figuur 3). De percelering lijkt vanaf het begin van de 19e eeuw niet te wijzigen (een afwijking in de oriëntatie van de perceelsgrenzen is waarschijnlijk te wijten aan onnauwkeurigheid van het kaartmateriaal). Het minuutplan is niet afgebeeld: deze geeft dezelfde situatie weer als de oudste topografische kaart. De Kleidijk staat op de dijkenkaart van de RCE weergegeven als verdwenen zeewering. Er zijn verder geen gegevens van bekend.

In de huidige situatie ligt de weg nog maar enkele decimeters hoger dan de aangrenzende percelen (Figuur 4). 4.4.1. Tweede Wereldoorlog De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) en de Militaire landschapskaart (rce.webgis.nl/nl/map/kaart-van-verdedigingswerken) geven geen indicaties voor de aanwezigheid van resten van militair erfgoed in het plangebied.

10

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

Figuur 3: Het plangebied op twee historische topografische kaarten (bron: topotijdreis.nl). Hoewel het lijkt alsof het slotenpatroon iets is gewijzigd tussen 1883 en 1940, is het waarschijnlijker dat dit te maken heeft met onnauwkeurigheid van het oudere kaartmateriaal.

Figuur 4: Het plangebied op de hoogtekaart (bron: www.ahn.nl).

11

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

4.5.

Huidig landgebruik

Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied in gebruik als weiland (Figuur 5).

Figuur 5: Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK). 4.6.

Mogelijke verstoringen

Doordat het plangebied in het verleden langdurig in gebruik is geweest als akker, zal de bovengrond zijn omgeploegd. Andere indicaties voor verstoringen zijn niet uit het bureauonderzoek naar voren gekomen. 4.7.

Gespecificeerd verwachtingsmodel (overgenomen uit Schoonhoven 2025)

Op grond van de bovenstaande informatie over de bodemopbouw ter plaatse en gegevens verkregen uit archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied, kan de archeologische verwachting ervan als volgt worden aangegeven. Op de planlocatie is er een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de (Late) Middeleeuwen. Rivierduinafzettingen bevinden zich in principe hier niet in de ondergrond. Archeologische sporen uit het Neolithicum zijn te verwachten in de top van eventueel aanwezige stroomgordelsedimenten behorend tot de Afzettingen van Calais (thans Laagpakket van Wormer) en die uit de IJzertijd, Romeinse tijd en (Late) Middeleeuwen zijn aan te treffen in het bodemtraject top Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) - basis overstromingsdek van 1373 en later, behorend tot de Afzettingen van Duinkerke III (thans Laagpakket van Walcheren). Voor wat betreft de diepte zijn de afzettingen onder het veen in de nabije omgeving zelden bereikt in verband met de dikte van het veenpakket. De top van het veen komt wisselend voor, maar niet ondieper dan ca. -3,0 m NAP. Onderscheid tussen een vroegere Duinkerke

12

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

en een latere (Duinkerke I en III) wordt door onderzoekers eveneens niet vaak gemaakt, dat is hier in dit gebied kennelijk erg lastig, vooral door het ontbreken van een onderscheidende veentussenlaag. Een uitzondering vormt het onderzoek van Dorst uit 2007: daar zat de onderscheiden oudere kleilaag op zeer wisselende dieptes, met een hoogste voorkomen van -2,2 m NAP. Voor alle genoemde perioden gaat het om nederzettingsterreinen/ huisplaatsen en om sporen van inrichting en agrarisch gebruik van het gebied. In de omgeving van het plangebied manifesteren vindplaatsen uit het Neolithicum zich doorgaans door een vondstenstrooiing met een geringe dichtheid van aardewerk, vuursteen, verbrand en onverbrand bot en visresten en/of houtskool. De nederzettingsterreinen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen kenmerken zich door het voorkomen van een veelal donkergekleurde, humeuze, vondstrijke ‘vuile’ laag. In het niveau kunnen aardewerk, verbrand en onverbrand bot, as, houtskool, fosfaat en mest en dergelijke voorkomen en worden opgeboord. Datering

Archeologische verwachting

Complextype

Stratigrafische positie

Omvang in m2

Diepteligging t.o.v. NAP

(laat) Neolithicum – (vroege) Bronstijd

Middelhoog

-Jachtkampementen

In stroomgordelafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Afzettingen van Calais)

< 200

> -5 m

IJzertijd

Middelhoog

-Erf met boerderij -Sporen van landinrichting en agrarisch gebruik

Top Hollandveen

< 750

Ca. -3 tot -4 m

Middeleeuwen (tot 1373)

Middelhoog

-Erf met boerderij al dan niet op opgeworpen hoogte -Verkavelingspatroon

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren (Afzettingen van Duinkerke I)

< 750

Vanaf ca. -2 m

Middeleeuwen (na 1373

Laagmiddelhoog

-Erf met boerderij -Verkavelingspatroon

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren (Afzettingen van Duinkerke III)

< 750

Direct onder bouwvoor

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachting (overgenomen uit Schoonhoven 2025). Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, wordt er een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd.

13

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

5.

Adressen van alle betrokken partijen

Opdrachtgever

DNS Planvorming B.V. mevr. R. Nijdam Klaprozenweg 75 C 1033 NN Amsterdam Tel: 06-24505607 nijdam@dnsplanvorming.nl Gemeente Albrandswaard Bevoegd gezag mevr. C. de Klerk-Verbeek Postbus 1000 3160 GA Rhoon c.d.klerk@albrandswaard.nl Adviseur van bevoegd Archeologie Rotterdam (BOOR) mevr. A.V. Schoonhoven gezag Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Tel: 010-4898515 av.schoonhoven@rotterdam.nl Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Zuid-Holland Depothouder mevr. A. van Toor Kalkovenweg 23 2401 LJ Alphen aan den Rijn IDDS Archeologie Opdrachtnemer mevr. S. Moerman Postbus 126 2200 AC Noordwijk Tel: 071-4028586 smoerman@idds.nl Beoogde uitvoerders van het onderzoek Projectleider/uitvoerder A. Wilbers 06-15522904 Projectleider Archeologie

14

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

6.

Plan van overleg

Het contact tussen uitvoerder en opdrachtgever wordt onderhouden door de projectleider in het veld (zie hoofdstuk 5). Het contact met het bevoegd gezag, Gemeente Albrandswaard/Archeologie Rotterdam, wordt onderhouden door de uitvoerder (d.w.z. de archeologisch aannemer). Direct na het veldwerk dient overleg plaats te vinden tussen de opdrachtgever, opdrachtnemer en het bevoegd gezag over de verdere aanpak van de planlocatie.

7.

Uitvoeringsplan werkzaamheden

7.1.

Onderzoeksvragen

• • • • •

•

7.2.

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en NAP? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? Methoden en technieken

Het onderzoek dient te voldoen aan de eisen uit de BRL SIKB 4000 en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.2, protocol 4003 (Centraal College van Deskundigen 2022) en aan de eisen uit het PvE (Schoonhoven 2025). Dit Plan van Aanpak betreft de eisen die vanwege het archeologisch belang aan het onderzoek worden gesteld. Dit laat onverlet dat andere regelgeving (en randvoorwaarden) aangaande het uitvoeren van de werkzaamheden moet worden gevolgd (bijv. Arbowet, veiligheidsvoorschriften e.d.). 7.2.1. Boortype Voor het boren dient gebruik gemaakt te worden van een gutsboor met een binnendiameter van minimaal 2,5 cm. Voor de bovenste, geroerde, bodemtrajecten kan eventueel worden gebruik gemaakt van een edelmanboor. 7.2.2. Boordiameter Edelmanboor: 7/12 cm Guts: 3 cm 7.2.3. Boordiepte De boringen worden door het Laagpakket van Walcheren (voorheen Afzettingen van Duinkerke) tot in de top van het Hollandveen Laagpakket (voorheen Hollandveen) gezet. Elke vierde boring wordt door het pakket veen heen gezet, met een maximale diepte van 5 m - mv. 7.2.4. Positionering boringen De boringen worden gezet in een verspringende raai met een onderlinge afstand van ongeveer 30 m. Het boorplan is weergegeven in de bijlage. Eventueel kan het door de situatie in het veld noodzakelijk

15

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

zijn om boringen te verplaatsen. Hierbij dient de verspreiding over het plangebied gehandhaafd te blijven. 7.2.5. Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap Niet van toepassing. De oriëntatie van de raai is gebaseerd op de perceelsgrenzen. 7.2.6. Overige toegepaste methoden De locatie en hoogte van de boring (x, y, z) worden ingemeten met een gps. 7.2.7. Wijze onderzoek/beschrijving boorkolom De boringen worden beschreven volgens de ASB (archeologische standaard boorbeschrijving). Hierbij wordt extra benadrukt dat: • •

De begrenzing van de lagen tot op de cm nauwkeurig dient te worden vastgesteld. De boorkern mag dus niet in trajecten van bijvoorbeeld 10 cm worden beschreven. De aard van de grenzen dient te worden vastgesteld. Bijvoorbeeld diffuus, geleidelijk, scherp/abrupt, erosief.

7.2.8. Verzamelwijze archeologische indicatoren Per laag zal het materiaal worden doorzocht op archeologische indicatoren. Mocht na visuele inspectie met behulp van gutsmes in het veld nog twijfel bestaan of archeologische indicatoren in een bepaald bodemtraject al dan niet aanwezig zijn, dan wordt het betreffende stuk boorkern bemonsterd en gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm. 7.3.

Uitwerking en rapportage

De rapportage moet voldoen aan de inhoudelijke eisen zoals die zijn vastgelegd in versie 4.2, protocol 4003, van de KNA. De rapportage zal bestaan uit een beschrijving van de resultaten van het bureauen veldonderzoek. Daarbij zal de boorinformatie gebruikt worden om de lithologische, geomorfogenetische, alsmede de bodemkundige ontwikkeling en de veranderingen in de waterhuishouding van het onderzoeksgebied in kaart te brengen. Het rapport zal het volgende bevatten: • topografische kaart met globale ligging van het plangebied. • een kaart met de boorpunten, waarop per boorpunt is aangegeven of er archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Tevens dienen de aard van de indicatoren, de diepteligging (ten opzichte van NAP en maaiveld) en het stratigrafische niveau waarop zij zijn gevonden te worden vermeld. • boorstaten van alle boringen. • indien relevant een historische kaart met een aanduiding van het plangebied. • overzicht van alle aangetroffen archeologisch vondsten. • een profiel. • selectieadvies over noodzaak verder archeologisch onderzoek. Daarnaast worden aan de rapportage de volgende specifieke eisen benadrukt/ gesteld: • In de boorkernbeschrijvingen dienen tevens de meest relevante interpretaties (met name de onderscheiden stratigrafische eenheden) te worden opgenomen.

• De in het veld onderscheiden stratigrafische eenheden dienen (zorgvuldig) te worden beschreven in het rapport. • Voor de onderscheiden stratigrafische eenheden wordt naast de nieuwe terminologie ook de conventionele benaming gebruikt: Afzettingen van Duinkerke (0, I, II, III) of Tiel (0, I, II en III), Hollandveen en Afzettingen van Calais (I, II, III, IV) of Gorkum (I, II, III en IV), en dergelijke. • Met behulp van de boorstaten wordt het profiel getekend. • Om de interpretaties binnen het profiel controleerbaar te maken, worden bij het tekenen de boorstaten in het profiel weergegeven en wordt de (litho)stratigrafische informatie van de boorkernbeschrijvingen goed herkenbaar bij de boorstaten geplaatst. • In het profiel wordt de oxidatie-reductiegrens aangegeven.

16

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

8.

Planning

8.1.

Uitvoering en rapportage

Het IVO-overig betreft een verkennende fase. De geplande duur van het veldwerk is 1 dag. Het onderzoek wordt verricht door een BRL 4000, protocol 4003, gecertificeerd archeologisch bedrijf en wordt uitgevoerd door een actor met minimale status KNA Prospector BA. De eindverantwoordelijkheid en het toezicht op de werkzaamheden liggen in handen van de projectleider (minimaal KNA Prospector MA). Binnen 3 maanden na afronding van het veldwerk wordt een conceptrapport opgeleverd aan de opdrachtgever. Het rapport moet worden beschouwd als concept totdat het is beoordeeld door het bevoegd gezag. Na goedkeuring door het bevoegd gezag wordt het definitieve rapport digitaal aangeboden aan de opdrachtgever en het bevoegd gezag. 8.2.

Uitvoeringscondities veldwerk

Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid worden geregeld door de opdrachtgever. De opdrachtnemer draagt de zorg voor het dichten van de boorgaten en een KLIC melding. 8.3.

Deponering

Het definitieve rapport wordt toegezonden aan de RCE (via Archis). Het eindrapport wordt in digitale vorm geleverd aan het e-depot (https://archaeology.datastations.nl/). Wanneer tijdens het onderzoek vondsten worden gedaan, zullen deze materialen binnen de daarvoor in de KNA gestelde termijn en volgens de bij het betreffende depot geldende richtlijnen aangeleverd worden bij het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Zuid-Holland.

17

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

9. Monsternameplan 9.1.

Plan voor het nemen van monsters

Mocht na visuele inspectie met behulp van gutsmes in het veld nog twijfel bestaan of archeologische indicatoren in een bepaald bodemtraject al dan niet aanwezig zijn, dan wordt het betreffende stuk boorkern bemonsterd en gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm. 9.2.

Actieplan voor bijzondere vondsten/vondstomstandigheden

Indien zich vondsten/vondstomstandigheden voordoen die een bijzondere behandeling vereisen, wordt er een desbetreffende specialist ingeschakeld. Bij IDDS Archeologie zijn de volgende specialisten werkzaam: Y. Meijer (dierlijk botmateriaal) en A. Wilbers (fysisch geograaf). Eventueel extern in te schakelen specialisten zijn:

Algemeen VOIA www.voia.nl Kwetsbaar / bijzonder vondstmateriaal Archeoplan Paul Schulten T: 015-2145295

Algemeen ecologie Archol T: 085-2006492 Conserveren/restaureren Conserveringsatelier Vesta Karin Abelskamp-Boos T: 06-14510141

18

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

10. Veiligheids-, Gezondheids- en Milieuplan Aanwezigen: het archeologisch team van de opdrachtnemer. Mogelijk aanwezig: medewerkers van de opdrachtgever / directievoerder / bevoegd gezag / belangstellenden (indien locatie vrij toegankelijk is) 10.1.

Risico’s en maatregelen

1. Het lopen op oneven terrein. 2. Het gebruik van handgereedschap. 3. Mogelijke omgang met vervuilde grond Om het gewone risico af te dekken (punt 1 en 2) geldt de maatregel dat op de werkplek te allen tijde veiligheidsschoenen en indien noodzakelijk, bv. bij gebruik van scherp gereedschap, werkhandschoenen gedragen worden. Tevens geldt dat niet te dicht bij elkaar gewerkt mag worden als groter gereedschap gebruikt wordt. Voor vervuilde grond wordt standaard uitgegaan van zware metalen, PAK en minerale olie. Er wordt beschermende kleding gedragen, te weten werkschoenen, werkbroek / overall, werkjas, handschoenen (categorie 4121; EN 388) en latex handschoenen. Beschermende kleding wordt na de werkzaamheden uitgetrokken. Er is een EHBO-set in de bus aanwezig, alsook een brandblusser. Er is een veiligheidscoördinator aanwezig (VC), die er zorg voor draagt dat alle voorschriften nagevolgd worden en die alle medewerkers over de veiligheidsvoorschriften instrueert. Voor begin van de werkzaamheden moeten de volgende dingen ter plaatse zijn: verbandkist, KLICmelding (analoog of digitaal), mobiele telefoon. Er wordt een afstand van minimaal 2 m aangehouden tot bekende kabels en leidingen. 10.2.

Telefoonnummers en routebeschrijvingen hulpverlenende personen en/of diensten

In geval van spoed (ambulancedienst, politie en brandweer)

Tel. 112

Geen spoedeisende zaken

Tel. 0900-8844

Contactgegevens dichtstbijzijnde:

Spoedeisende eerste hulp Ikazia Ziekenhuis Rotterdam Montessoriweg 1 Rotterdam Tel: 0102975300 10.3.

Huisarts Huisartsenpraktijk het Zorgkasteel Viaductweg 89 Rhoon Tel: 0105013235

Apotheek Apotheek Rhoon Verdistraat 2-6 Rhoon Tel: 0105017884

Overige hulpverlening

10.3.1. Brand In de veldwerkauto is een brandblusser aanwezig. Als de brand niet onder controle is te brengen of als direct duidelijk is dat er gevaar bestaat voor personeel en eventuele overige aanwezigen wordt direct de brandweer middels 112 ingeschakeld.

19

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

10.3.2. Kabel- of leidingbreuk/-beschadiging Voorafgaand aan het onderzoek is een KLIC-melding gedaan, die vooraf en gedurende het onderzoek geraadpleegd worden. Indien noodzakelijk dienen de betreffende kabels- en leidingen vooraf door een medewerker van het betreffende bedrijf te worden uitgezet en indien noodzakelijk dienen de betreffende kabels- en leidingen vooraf te worden afgesloten/omgelegd. Als er onverhoopt toch kabels en/of leiding beschadigd zijn wordt onmiddellijk contact opgenomen met de betreffende kabel-/leidingbeheerder (telefoonnummer op KLIC-meldingen) of wordt het Nationaal Storingsnummer gas en stroom 0800-9009 ingelicht. Tevens wordt de opdrachtgever direct op de hoogte gebracht.

20

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

11. Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) naar ARBOrichtlijnen De Risico Classificatie (RC) geeft aan in welke mate een aandachtspunt een risico vormt voor gezondheid of veiligheid: 0 = zeer groot risico, werkzaamheden moeten stilgelegd worden 1 = belangrijk risico, actie noodzakelijk 2 = mogelijk risico, actie wenselijk 3 = risico wellicht aanvaardbaar, actie overwegen 4 = risico verwaarloosbaar / niet aanwezig Het Plan van Aanpak (PvA) houdt de volgende punten in: de voorgenomen maatregelen, de prioriteit, het tijdspad en degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de maatregel: Prioriteitclassificatie: 1: actie op korte termijn (binnen 3 maanden) 2: actie op middellange termijn (3-6 maanden) 3: actie op lange termijn (binnen 1 jaar) Gebruikte afkortingen CAB:

Centrale Archeologische Basis

PBM:

Persoonlijke Beschermingsmiddelen

VC:

Veiligheidscoördinator (dit is standaard de projectleider in het veld)

Risico-Inventarisatie & Evaluatie Onderwerp

Risico of tekortkoming

Plan van Aanpak RC

Maatregel

Prio

RC

Verantwoord.

nvt

1

4

VC

nvt

nvt

nvt

3

VC

nvt

nvt

1

Inrichting arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen EHBO

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) Opslag werkmateriaal

EHBO-kisten zijn aanwezig. Deze 2 bevatten geen geneesmiddelen (antiinsectenbeten, motylium,…), oogspoelingsmiddelen,… Op de site is een veiligheids- 4 coördinator aanwezig. Er bestaan diverse risicovolle 2 situaties voor de werknemer in het veld (zie verder). Werkmateriaal wordt opgeslagen in 4 de bedrijfsbus

nvt

De werknemer beschikt over de 1 nodige PBM (fluorescerende jas/hes, veiligheidsschoenen, handschoenen,…) nvt nvt

1

Aangezien de veiligheidsmaatregelen bij het begin van de werkzaamheden in orde dienen te zijn geldt in principe voor elk punt een prioriteit 1: actie op korte termijn (binnen 3 maanden).

21

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

Risico-Inventarisatie & Evaluatie

Plan van Aanpak

Onderwerp

Risico of tekortkoming

RC

Maatregel

Prio

RC

nvt

nvt

nvt

Verantwoord. nvt

Brandblusmiddelen

Blusmiddelen zijn aanwezig in de 4 bedrijfsbus

De machines worden bediend 1 door iemand met kennis van zaken. Bij werken met scherpe voor- 1 werpen worden de nodige PBM gedragen (handschoenen met juiste veiligheidsklasse).

4

VC

4

VC

2

Belastende werktaken worden 1 afgewisseld met fysiek minder belastend werk.

3

VC

Bij slechte weersomstandigheden 2 kan gezondheid werknemer in gevaar komen. Onder slechte weersomstandigheden wordt verstaan: temperaturen onder 10 graden Celsius en boven 28 graden Celsius, bij regen (1cm per kwartier), sneeuw, ijzel en hagel en wind vanaf windkracht 7

Gepaste kleding wordt voorzien. 1 Bij extreme omstandigheden kan werk tijdelijk stilgelegd worden.

4

VC

1

4

Langdurige blootstelling aan zonlicht 2 kan leiden tot zonnebrand, uitdroging, zonnesteek,…

Gepaste kleding (beschermend hoofddeksel, lichaamsbedekkende kleding,…) en zonnebrandmiddel wordt voorzien. Bij overschrijden van toegestane 1 geluidsniveau (80 decibels), wordt gehoorbescherming gebruikt.

1

Werken met/bij gevaarlijk werkmateriaal Machines ramguts)

(bv. Werken met machines brengt diverse 3 risico’s met zich mee.

Scherpe voorwerpen

Werken met scherpe voorwerpen 2 kan allerlei verwondingen veroorzaken.

Fysieke belasting Veldwerk

Veldwerk kan fysiek belastend zijn

Fysische factoren Weersomstandigheden

Geluid

De gebruikte apparatuur (bv. 2 betonboor) overschrijdt mogelijk het toegestane geluidsniveau.

Gevaarlijke stoffen Omgang met Op de site kan vervuilde grond 2 vervuilde grond voorkomen (zware metalen, PAK, minerale olie).

4

VC

Er wordt beschermende kleding 1 gedragen (werkschoenen, werkbroek / overall, werkjas, handschoenen (categorie 4121; EN 388) en latex handschoenen. Beschermende kleding wordt na werkzaamheden uitgetrokken.

4

VC

Alert blijven m.b.t. tijdsdruk, 1 overwerk etc. regelmatig evalueren en zonodig extra medewerkers inhuren.

3

VC

Welzijn Werktempo/ werkhoeveelheid

Er kan een zekere tijdsdruk rusten op 2 de werkzaamheden.

22

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

Risico-Inventarisatie & Evaluatie

Plan van Aanpak

Onderwerp

Risico of tekortkoming

Regelmogelijkheden

Werknemers kunnen werktempo niet 2 zelf beïnvloeden. De opdrachtgever c.q. projectleider bepaalt volgorde werkzaamheden en werktempo. Medewerkers moeten worden 3 geïnformeerd over ontwikkelingen, planningen,…

Communicatie

RC

Organisatie van Er moet duidelijkheid zijn over de 2 het werk taakinhoud & verantwoordelijkheden van iedere medewerker.

Maatregel

Prio 1

Goede (tijds)afspraken hebben 1 positieve invloed op werktempo en tijdstip van gereedkomen en houden werkdruk acceptabel. Er wordt (aantoonbaar) minstens 1 1x per dag werkoverleg gepleegd tussen de leiding en de medewerkers. Er is een dagelijkse kick-off meeting met een presentielijst of de VC verstuurt de afspraken per mail naar de betreffende personen en bewaart de mail in de projectmap. Er worden duidelijke onderlinge 1 afspraken gemaakt en er is dagelijks werkoverleg. Resultaten worden vastgelegd in het dagrapport of in mails die door de VC aan de betrokken personen worden verzonden en worden bewaard in de projectmap.

RC 3

Verantwoord. VC

4

VC

4

VC

12. Geraadpleegde Literatuur Centraal College van Deskundigen, 2022: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2, Gouda. Dorst, M.M., 2006: Gemeente Albrandswaard, Rhoon, plangebied ‘Viaductweg 1’. Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 353). Dorst, M.M., 2007: Gemeente Albrandswaard, Rhoon, Onderzoeksgebied ‘Bos Rhoon’. Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 367). Hijma, M.P., K.M. Cohen, G. Hoffmann, A.J.F. van der Spek en E. Stouthamer, 2009: From river valley to estuary: the evolution of the Rhine mouth in the early to middle Holocene (western Netherlands, Rhine-Meuse delta), Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 88-1, 13-53. Jansen of Lorkeers, L.M.C., 2020: Rhoon, Stationsstraat 5 Gemeente Albrandswaard (ZH) Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase), Nieuwegein (Transect-rapport 2746). Kruidhof, C.N., 2004: Rhoon Zuidoost. Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in de gemeente Albrandswaard, Rotterdam (BOORrapporten 172). Meer, A. van de / D.E.A. Schiltmans, 2008: Gemeente Albrandswaard, Rhoon Molendijk 30.

Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 444).

23

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

Meer, A. van de / M.C. Dorst, 2008: Gemeente Albrandswaard, Rhoon Viaductweg 1. Een waarderend inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, Rotterdam (BOORrapporten 373). Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. Schoonhoven, A.V., 2025: Programma van Eisen voor een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in het plangebied ‘Achterdijk’ te Rhoon in de gemeente Albrandswaard, Rotterdam (BOOR PvE 2025027). Websites archis.cultureelerfgoed.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl ikme.nl rce.webgis.nl/nl/map/kaart-van-verdedigingswerken rce.webgis.nl/nl/map/leven-met-water www.ahn.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.pdok.nl www.topotijdreis.nl

24

Achterdijk Kleidijk te Rhoon Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend milieukundig bodemonderzoek

Kenmerk Datum

: :

A6425/NEV/rap1 4 september 2025

Opdrachtgever

: : : :

Gemeente Albrandswaard Dhr. R. Nijdam 3161 KP, Stationsstraat 4 Rhoon

Goedkeuring

Functie

Datum

Mevrouw N. Evans (Adviseur milieu)

Opsteller, auteur

4-9-2025

De heer C. Manuels (Projectleider)

2e lezerschap en vrijgave

4-9-2025

Handtekening

BRL SIKB 2000 protocol 2001, 2002

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ........................................................................................................................................... 4

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 5 2.1

AANLEIDING VOORONDERZOEK ................................................................................................. 5

2.2

GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ............................................................................................. 6

2.3

POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ........................................................ 7

2.4

BODEMKWALITEIT ......................................................................................................................... 7

2.5

ASBEST........................................................................................................................................... 8

2.6

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ..................................................................................... 8

2.7

BEÏNVLOEDING .............................................................................................................................. 9

2.8

BODEMVERONTREINIGING .......................................................................................................... 9

2.9

TERREINVERKENNING ............................................................................................................... 10

2.10 CONCLUSIES EN HYPOTHESESTELLING ................................................................................. 11 3.

4.

5.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 12 3.1

ONDERZOEKSSTRATEGIE ......................................................................................................... 12

3.2

VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 13

3.3

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................... 14

3.4

TOETSINGSKADER EN -RESULTATEN ...................................................................................... 16

3.5

INTERPRETATIE .......................................................................................................................... 18

3.6

TOETSING HYPOTHESE ............................................................................................................. 19

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 20 4.1

CONCLUSIES ............................................................................................................................... 20

4.2

AANBEVELINGEN ........................................................................................................................ 21

BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 22

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 2 van 22

BIJLAGEN 1. 1.1 1.2

Kaarten en tekeningen Topografische kaart Situatietekening

2. 2.1 2.2

Vooronderzoek Rapportage Omgevingsdienst Fotoreportage

3. 3.1 3.2

Veldonderzoek Formulieren veldonderzoek Boorstaten en legenda

4. 4.1 4.2

Laboratoriumonderzoek Certificaten grond Certificaten grondwater

5. 5.1 5.2 5.3

Toetsingstabellen Toetsingstabellen grond Toetsingstabellen grondwater Toetsingstabellen PFAS

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 3 van 22

1.

INLEIDING

In opdracht van de Gemeente Albrandswaard is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als Kleidijk-Achterdijk te Rhoon (afbeelding 1).

Afbeelding 1: Onderzoeksgebied (bron: QGIS)

Aanleiding Het voornemen is om zeventig tijdelijke flexwoningen te realiseren. In het kader van voorgenomen werkzaamheden zijn de ondergenoemde voorgenomen activiteit(en) de aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek:

•

Het uitvoeren van de milieubelastende activiteiten bouwen op een bodemgevoelige locatie (Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl §5.1.4.5.1).

Doelstelling De doelstelling van het onderzoek is:

• •

Het bepalen of er in de grond en/of het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een (sterke) verontreiniging; Vaststellen of er mogelijk sprake is van belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen activiteit.

Verklaring onafhankelijkheid IDDS verklaart hierbij onafhankelijk te zijn van de opdrachtgever en geen belang te hebben bij de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 4 van 22

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK

2.1 AANLEIDING VOORONDERZOEK Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de actuele onderzoeknorm NEN 5725. In de onderzoeknorm NEN 5725:2023 is een acht aanleidingen voor het verrichten van vooronderzoek gedefinieerd. Afhankelijk van de aanleiding of aanleidingen voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal vastgestelde onderzoeksvragen. Voor onderhavig onderzoek is sprake van de ondergenoemde aanleiding: A. Uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie. De onderzoeksvragen zijn, samen met de bijbehorende uitwerking en antwoorden, in de navolgende paragrafen opgenomen.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 5 van 22

2.2

GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

TABEL 2.2.1: Gegevens onderzoeksgebied Onderzoeksgebied

Bronne n

Situering

Globale ligging: zie overzichtskaart 1.1 in bijlage 1. Begrenzing onderzoekslocatie: zie situatietekening 1.2 in bijlage 1.

Adres

Kleidijk-Achterdijk

Postcode / Plaats

3161 EC, Rhoon

Gemeente

Albrandswaard

Omgevingsdiens t

DCMR Milieudienst Rijnmond

Provincie

Zuid-Holland

RD-coördinaten

Omschrijving

Globaal middelpunt onderzoekslocatie

X

89.324

Y

431.156

Provincie

De locatie is op basis van de Omgevingsverordening niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

Waterschap

De locatie is, op basis van de Legger waterkeringen, niet gelegen binnen de beschermingszone van een dijk.

Specifieke gebieden

#1 / #2

Hoogte maaiveld

Z

Circa 1,06 m -NAP

Kadastraal

Gemeente

Albrandswaard

Gemeentecod e

RHO00

Sectie

A

Nummers

4245

Totaal

8.540 m2

Bebouwd

n.v.t

Verharding

n.v.t.

Alle richtingen

Rondom de locatie is sprake van een kleinschalig bedrijventerrein, waar voornamelijk kantoorpanden zijn gevestigd. de locatie is gevestigd dichtbij een doorgaande snelweg (Groene Kruisweg).

Oppervlaktes

Belendingen

Afbeelding 2: Onderzoekslocatie en belendingen (bron: IDDS Projectenkaart) Afbakening VO 25 meter buiten kadastralegrenzen. #1: Informatie opdrachtgever #2: Google Maps / AHN / Perceelloep / IDDS Projectenkaart

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

-

Pagina 6 van 22

2.3

POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING

TABEL 2.3.1: Potentiële bronnen van bodemverontreiniging Onderzoeksvraag

Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? Verkregen informatie

Bronnen

Voormalig gebruik

Aan de hand van luchtfoto’s is bekend dat op een deel van het voorterrein een stal aanwezig is. Verder is de locatie onverhard en dient als weiland. De onderzoekslocatie grenst aan kassen/landbouwgrond. Mogelijk zijn hier bestrijdingsmiddelen (OCB) toegepast. Op basis van de bodemkwaliteitskaart landbodem van gemeente Albrandswaard (geactualiseerd) wordt de 95percentieelwaarde voor geen enkele stof de interventiewaarde overschreden

#1 / #2

Potentiële bronnen en stoffen

Er is mogelijk sprake geweest van het gebruik van bestrijdingsmiddelen (OCB’s)

Huidig gebruik

In de huidige situatie is de locatie niet in gebruik.

Potentiële bronnen en stoffen

In de huidige situatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend.

Toekomstig gebruik

Het voornemen is om zeventig tijdelijke flexwoningen te realiseren.

-

Antwoord De potentiële bron van bodemverontreiniging betreft het mogelijke gebruik van bestrijdingsmiddelen (OCB’s) #1: Omgevingsdienst DCMR Milieudienst Rijnmond; Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2) #2: KadViewer / Pdok-viewer

2.4

BODEMKWALITEIT

TABEL 2.4.1: Bodemkwaliteit Onderzoeksvraag Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Verkregen informatie Bodemkwaliteit

Bronnen Bodemkwaliteitszone

Overige bedrijfsterreinen

Stoffen met P95 >IW binnen de zone?

n.v.t.

Ontgravingskaart boven- en ondergrond

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) : klasse landbouw/natuur Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) : klasse landbouw/natuur

#1

Antwoord De locatie is gelegen binnen Bodemkwaliteitszone ‘Overige bedrijfsterreinen’. Uit de statische gegevens die ten grondslag liggen aan de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de in de bovengrond / de ondergrond de 95-percentielwaarde voor geen enkele de interventiewaarde bodem overschreden. #1: Bodemkwaliteitskaart landbodem gemeente Albrandswaard Actualisatie 2023

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 7 van 22

2.5

ASBEST

TABEL 2.5.1: Asbest Onderzoeksvraag

Is de bodem asbestverdacht? Verkregen informatie

Bronnen

Bebouwingsgeschiedenis

Uit historisch kaartmateriaal komt naar voren dat, met uitzondering van een kleine stal, het terrein in het verleden nooit bebouwd is. Hierdoor is de kans minimaal dat er op het terrein gewerkt is met asbesthoudende materialen.

#1 / #2 / #3

Bodembouw

De locatie is, regionaal gezien, gelegen een gebied met een relatief slappe bodem (klei/veen). Niet uitgesloten kan worden dat de bodem van de locatie meermaals is opgehoogd. Ophoging kan hebben plaatsgevonden met bodemmateriaal met bijmengingen die dit materiaal, naar huidige inzichten, verdacht maakt op het voorkomen van asbest.

#2 / #4 / #5

Antwoord Vanuit de bebouwings- en gebruiksgeschiedenis van de locatie is het niet ondenkbaar dat een bodemverontreiniging met asbest is ontstaan. #1: BAG-viewer #2: NEN5725:2023, bijlage A #3: Topotijdreis

2.6

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

TABEL 2.6.1: Bodemopbouw en geohydrologie Onderzoeksvraag

Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Verkregen informatie Bodemopbouw (lokaal) Grondwater (lokaal)

Bronnen 0,0 - 2,0 m-mv

Klei

2,0 - 3,0 m-mv

Zand

Grondwaterstand freatisch

Circa 1,5 m-mv

#1

Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend. De stromingsrichting zal lokaal worden beïnvloed door objecten in de ondergrond. Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen (drainage, bemalingen, etc.). Geohydrologie

Bodemvreemde lagen

0,0 - 16,0 m-mv

Deklaag

16,0 - 23,5 m-mv

1e watervoerend pakket

23,5 - 84,5 m-mv

1e afsluitende laag

De reeds genoemde ophooglaag. Op de locatie zijn, zover bekend, geen gedempte sloten aanwezig.

Antwoord Ter plaatse van een groot gedeelte van de onderzoekslocatie kan sprake zijn van bodemvreemde lagen ten gevolge van de mogelijk aanwezige ophooglaag. #1: DINOloket / Bodematlas provincie Zuid-Holland / Archief IDDS

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 8 van 22

2.7

BEÏNVLOEDING

TABEL 2.7.1: Beïnvloeding Onderzoeksvraag

Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Verkregen informatie Beïnvloeding

Bronnen Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.

#1

Antwoord Er is voor zover bekend geen sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit en/of de kwaliteit van het grondwater. #1: Bodemloket.nl

2.8

BODEMVERONTREINIGING

TABEL 2.8.1: Bodemverontreiniging Onderzoeksvraag

Wordt op de locatie of een deel daarvan een geval van ernstige bodemverontreiniging of een sterke verontreiniging (boven interventiewaarde) vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Verkregen informatie

Bronnen

Geval/verontreiniging ter plaatse van de locatie Verwachting

Er zijn geen Besluiten ingevolge de Wet bodembescherming bekend voor deze locatie. Op de onderzoekslocatie zijn geen voorgaande bodemonderzoeken bekend.

#1

Geval/verontreiniging in de directe omgeving van de locatie Verwachting

Er is wel een Besluit ingevolge de Wet bodembescherming bekend voor één locatie in de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend.

#1 / #2

Ter plaatse van de Achterdijk 36 is in de periode augustus 2001 een sanering uitgevoerd door Het Milieu Consort. Hierbij is een tanksanering uitgevoerd van de voormalig aanwezige tank ter plaatse van Achterdijk 36. Deze is hierbij verwijderd en hierna heeft een sanering op basis van grondontgraving plaatsgevonden. Antwoord Voor zover bekend is ter plaatse van de onderzoekslocatie tot op heden geen bodemonderzoek uitgevoerd. Ten zuiden van de onderzoekslocatie (Achterdijk 36) heeft in 2001 een tanksanering plaatsgevonden. Hierna is de locatie aangevuld met schoon zand. #1: Bodemloket, Omgevingsrapportage DCMR Milieudienst Rijnmond #2: Saneringsevaluatieverslag Achterdijk 36 te Rhoon, Het Milieu Consort bv, kenmerk: B1081.se2, d.d. 28 augustus 2002

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 9 van 22

2.9

TERREINVERKENNING

De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is op 15 augustus 2025 uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt geen sprake te zijn van aanvullende bijzonderheden en hebben zich geen wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens. De navolgende afbeeldingen geven een beeld van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Ter illustratie is in bijlage 2 een fotoreportage opgenomen.

Afbeelding 3: Onderzoekslocatie

Afbeelding 4: Onderzoekslocatie

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 10 van 22

2.10

CONCLUSIES EN HYPOTHESESTELLING

Alle binnen het vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn als betrouwbaar beoordeeld. Uit de beantwoording van de verschillende onderzoeksvragen zijn conclusies getrokken over de verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit en mogelijk aanwezige verontreinigende stoffen. Conclusies Op basis van de beschikbare representatieve bodeminformatie worden ter plaatse van de onderzoekslocatie een (lichte) bodemverontreiniging met reguliere stoffen verwacht. Uit de voorgaande conclusies blijkt dat in de bodem van de locatie één of meerdere verontreinigingen worden verwacht. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek wordt om die reden noodzakelijk geacht. In de navolgende tabel(len) worden de hypothese en te volgen onderzoeksstrategie per onderdeel vermeldt. De hypothese en onderzoeksstrategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.10.1: Hypothese en onderzoeksstrategie Locatie Gehele perceel Hypothese De (boven)grond van het perceel kan als gevolg van historische ophogingen en het mogelijke gebruik van bestrijdingsmiddelen, heterogeen diffuus zijn verontreinigd met zware metalen en OCB’s. Norm NEN 5740:2023 Onderzoeksstrategie Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE)

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 11 van 22

3.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK

3.1

ONDERZOEKSSTRATEGIE

Het onderzoek is uitgevoerd conform de hierna aangegeven onderzoeknorm en onderzoekstrategie.

Onderzoeknorm

:

NEN 5740:2023; Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.

Onderzoeksstrategie

:

Onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde bodembedreigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL).

Toelichting

:

Een deel van de grondmonsters is additioneel geanalyseerd op OCB’s en PFAS.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 12 van 22

3.2

VELDONDERZOEK

Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op situatietekening 1.2 die in bijlage 1 is opgenomen. TABEL 3.2.1: Samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode 14 en 15 augustus 2025 – monstername grond 26 augustus 2025 – bemonstering grondwater

Uitvoerende partij

IDDS Milieu

BRL SIKB Protocol

BRL SIKB 2000 Protocol 2001, 2002.

Onderzoekaspect

Meetpunten

Gehele terrein

Type

Diepte [m-mv]

Aantal

Boring

1,0

13

Peilbuis

2,0 3,0

4 2

Codering

Bijzonderheden

02, 03, 04, 06, 07, 09, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 19 01, 08, 12, 18 05, 17

-

Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 3. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op de boorstaten, wordt als volgt omschreven: -

De bovengrond bestaat overwegend uit klei. Zeer plaatselijk is sprake van zand. De ondergrond bestaat tot de geboorde dieptes van maximaal 3,0 m-mv uit klei en/of zand.

Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: -

In de grond is geen sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 13 van 22

Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm). Indien asbestverdacht materiaal is aangetroffen is dit, per boorpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de visuele inspectie op asbest blijkt het navolgende: -

Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is visueel geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen.

Grondwater Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld. Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de navolgende tabel zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde metingen en verrichtte waarnemingen. TABEL 3.2.2: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Peilbuis Filterstelling GrondwaterpH stand

EC

Troebelheid

Monstername

Zintuiglijke afwijkingen / overige bijzonderheden

[m-mv]

[m-mv]

[–]

[S/cm]

[NTU]

d.d.

05-1-1

2,00 - 3,00

1,40

7,2

1120

12,77

26-8-2025

-

17-1-1

2,00 - 3,00

1,44

6,9

1380

14,18

26-8-2025

-

Op basis van de veldwaarnemingen en metingen blijkt het navolgende: -

3.3

Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De gemeten waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen duiden niet op een eventuele verontreiniging van het grondwater. Opgemerkt wordt dat de troebelheid verhoogd is ten opzichte van de natuurlijke troebeling die maximaal 10 NTU bedraagt. De hoge troebeling duidt op de aanwezigheid van veel onopgeloste bestanddelen (colloïden). LABORATORIUMONDERZOEK

Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De gegevens van het laboratorium en het analytisch onderzoek zijn aangegeven op de analysecertificaten. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 3.4.1 is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses. Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 14 van 22

Samenstelling analysepakketten In het standaardpakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: -

Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Minerale olie (GC). PCB (PolyChloorBifenylen).

Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. De boven- en ondergrond is aanvullend op OCB’s en PFAS geanalyseerd. In het standaardpakket voor grondwater zijn de volgende analyses opgenomen: -

Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen). VOCl (vluchtige organochloorverbindingen). Minerale olie.

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 15 van 22

3.4

TOETSINGSKADER EN -RESULTATEN

Algemeen De analyseresultaten zijn beoordeeld aan de hieronder aangegeven toetsingskaders. Grond Standaard beoordelingskader • Beoordeling aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (landbodem) Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage IIA (T.130) • Beoordeling aan de index Rekenkundig gemiddelde van de kwaliteitseis voor landbouw/natuur en de interventiewaarde/waarden voor toelaatbare kwaliteit 1 Aanvullende beoordelingen • Beoordeling aan de risicowaarden voor lood Aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu • Beoordeling PFAS; Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (2023) Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) in grond (2021) • Indicatieve beoordeling kwaliteitsklasse grond bij toepassen op of in landbodem (T.101); Regeling bodemkwaliteit 2022, bijlage B, tabel 1 Grondwater Standaard toetsingskader • Beoordeling signaleringsparameters grondwater 2 Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage Vd • Beoordeling aan de index Rekenkundig gemiddelde van de signaleringswaarde 3. In tabel 3.4.1 zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen. <Index 0,5 >Index 0,5 >IW/>S (index 1,0)

niet of licht verontreinigd: het gehalte/concentratie is lager dan of gelijk aan de index; licht, maar potentieel sterk verontreinigd: het gehalte/concentratie overschrijdt de Index en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde /signaleringsparameter; sterk verontreinigd: het gehalte/concentratie overschrijdt de interventiewaarde/signaleringsparameter.

1 De index is het rekenkundig gemiddelde van de Kwaliteitseis voor landbouw/natuur en de interventiewaarde/waarden voor toelaatbare kwaliteit voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de index overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is dan een aantal gevallen noodzakelijk.

Deze signaleringsparameter is gelijk aan de voormalige interventiewaarde (Wbb). Vanwege het ontbreken van de toetsing aan de signaleringsparameters in de toetsservices is gebruik gemaakt van de toetsing aan de Wbb. Hierbij is de signaleringsparameter gelijk gesteld aan de interventiewaarde en de streefwaarde aan de voorkeurswaarde. 2

Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de index. De index is het rekenkundig gemiddelde van de voorkeurswaarde en de signaleringswaarde voor de betreffende stof. Indien de meetwaarde voor één of meerdere stoffen de index overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een overschrijding signaleringsparameter in het grondwater elders op de locatie. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is dan een aantal gevallen noodzakelijk. 3

Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Achterdijk Kleidijk te Rhoon Kenmerk rapportage: A6425-06/NEV/rap1

Pagina 16 van 22

TABEL 3.4.1: Overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monster- Monstertrajecten Matrix en Analyse Toetsingsresultaten codes (m-mv) eventuele bijzonderheden

< Index 0,5

> Index 0,5

> IW / > S

Regeling bodemkwaliteit (indicatief)

Grond MM01

01 (0,00 - 0,40) 03 (0,20 - 0,50) 05 (0,20 - 0,60) 06 (0,00 - 0,40) 08 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50)

Klei

#1, #3

Kobalt (-) Nikkel (0,13) Koper (0,06) Cadmium (-)

-

-

Klasse industrie

MM02

03 (0,00 - 0,20) 04 (0,00 - 0,30) 05 (0,00 - 0,20)

Zand

#1, #3

-

-

-

Klasse landbouw/natuur

MM03

11 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,40) 15 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,40) 19 (0,00 - 0,50)

Zand

#1, #3

-

-

-

Klasse landbouw/natuur

MM04

02 (0,50 - 1,00) 04 (0,60 - 1,00) 07 (0,40 - 0,90) 09 (0,50 - 1,00) 12 (0,80 - 1,10) 16 (0,40 - 0,90) 17 (0,80 - 1,30)

Klei

#1, #3

Kobalt (-) Nikkel (0,13)

-

-

Klasse landbouw/natuur

MM05

05 (2,00 - 2,50) 17 (2,00 - 2,50) 18 (1,50 - 2,00)

Zand

#1, #3

-

-

-

Klasse landbouw/natuur

Grondwater 05

05 (2,00 - 3,00)

Grondwater

#2

Barium (0,05)

-

-

-

17

17 (2,00 - 3,00)

Grondwater

#2

Barium (0,09)

-

-

-

-

:

Geen van de geanalyseerde parameters overschrijdt de index en/of interventiewaarde (niet verontreinigd).

< Index 50%

:

Het gehalte van de aangegeven parameter is lager dan de index (licht verontreinigd).

Index >50%

:

Het gehalte van de aangegeven parameter overschrijdt de index (licht, maar potentieel sterk verontreinigd). Er kan in potentie sprake zijn van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit.

> IW / > S

:

Het gehalte van de aangegeven parameter overschrijdt de interventiewaarde / signaleringswaarde (sterk verontreinigd).

#1

:

Standaardpakket grond (AS3000)

#2

:

Standaardpakket grondwater (AS3000)

#3

:

OCB’s in grond

PFAS Voor PFAS zijn toepassingsnormen opgenomen in het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van december 2023 (geactualiseerde versie). Voor de beoordeling van de resultaten van de analyses PFAS zijn de gemeten concentraties gecorrigeerd met het gehalte organische stof, waarna deze zijn vergeleken met de toetsingswaarden uit het Tijdelijk handelingskader. De resultaten van de uitgevoerde toetsing zijn weergegeven op de toetsingstabel, welke is opgenomen in bijlage 5 en in tabel 3.4.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3806/documents/34524