CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

37. 2025-064802 Raadsvoorstel Buitenplanse Omgevingsactiviteit BOPA.pdf

Gemeenteraad AW 13 oktober 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ingekomen stukken26.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.5

Conclusie beleidskader

Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

23/34

Omgevingsaspecten

5

Omgevingsaspecten

5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. Door de gemeente zijn nog geen omgevingswaarden in het omgevingsplan vastgesteld.

5.2

Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

5.2.1 Algemeen Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.2.2 Betekenis voor het project De locatie heeft geen specifieke cultuurhistorische, monumentale waarden. De projectlocatie ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop. Daarnaast ligt het niet in een beschermd molenbiotoop of een beschermd stads- en dorpsgezicht. Vanuit landschappelijk oogpunt maakt het perceel onderdeel uit van het grotere groene buffergebied tussen de noordzijde van Rhoon en het stedelijk gebied van Rotterdam. Doordat de woningen hier tijdelijk komen, is er geen permanente invloed op de bufferfunctie.

Ook komt de bebouwing zuidelijk op het perceel, dicht bij de bestaande bebouwing aan de Kleidijk en niet los van de bebouwing achter op het terrein. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie en landschap er geen belemmeringen bestaan voor het project.

5.3

Archeologie

5.3.1 Algemeen Door ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

24/34

Omgevingsaspecten

waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 5.3.2 Betekenis voor het project Voor de projectlocatie gelden twee archeologische beschermingsregimes. Vlak bij de Kleidijk geldt op het perceel het beschermingsregime ‘Waarde – Archeologie – 1’ en voor de rest van het perceel geldt het beschermingsregime ‘Waarde – Archeologie – 2’. Er wordt daarom archeologisch onderzoek uitgevoerd (IDDS, september 2025). Het bureauonderzoek is al gereed en opgenomen als bijlage 1. Hieronder is op de bevindingen ingegaan. Beknopte samenvatting bevindingen bureauonderzoek Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven of die in de provinciale omgevingsverordening zijn opgenomen als terrein van Provinciaal Archeologisch Belang (PAB). Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. Op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Albrandswaard (vastgesteld 2009) heeft de Kleidijk, met een strook direct erlangs, een hoge archeologische verwachting. Voor de rest van het plangebied is de verwachting redelijk hoog.

Doordat het plangebied in het verleden langdurig in gebruik is geweest als akker, zal de bovengrond zijn omgeploegd. Andere indicaties voor verstoringen zijn niet uit het bureauonderzoek naar voren gekomen. Op grond van de bovenstaande informatie over de bodemopbouw ter plaatse en gegevens verkregen uit archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied, kan de archeologische verwachting ervan als volgt worden aangegeven. Op de planlocatie is er een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de (Late) Middeleeuwen. Voor alle genoemde perioden gaat het om nederzettingsterreinen/ huisplaatsen en om sporen van inrichting en agrarisch gebruik van het gebied. In de omgeving van het plangebied manifesteren vindplaatsen uit het Neolithicum zich doorgaans door een vondstenstrooiing met een geringe dichtheid van aardewerk, vuursteen, verbrand en onverbrand bot en visresten en/of houtskool. De nederzettingsterreinen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen kenmerken zich door het voorkomen van een veelal donkergekleurde, humeuze, vondstrijke ‘vuile’ laag. In het niveau kunnen aardewerk, verbrand en onverbrand bot, as, houtskool, fosfaat en mest en dergelijke voorkomen en worden opgeboord.

Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachting (bron: IDDS)

Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, volgt nog een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

25/34

Omgevingsaspecten

5.3.3 Conclusie Uit het bureauonderzoek volgt dat voor de planlocatie sprake is van een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de (Late) Middeleeuwen. Er wordt veldonderzoek uitgevoerd om dit nader in beeld te brengen. De bevindingen worden meegenomen in het proces..

5.4

Bodemkwaliteit

5.4.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:  beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;  evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;  duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 5.4.2 Betekenis voor het project en conclusie Om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (IDDS, 4 september 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 2.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek kan worden gesteld dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een significante verontreiniging van het grondwater. Er zijn vanuit de aspecten bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen activiteit. 5.4.3 Conclusie Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Daaruit kwamen geen belemmeringen naar voren.

5.5

Water

5.5.1 Beleid en regelgeving Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Waterschap Hollandse Delta en van de gemeente relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Daarom wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

26/34

Omgevingsaspecten

5.5.1.1 Waterschapsverordening Hollandse Delta De projectlocatie ligt in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta. In de Waterschapsverordening zijn de regels opgenomen waar rekening mee moet worden gehouden. De verordening bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij waterstaatswerken. De verordening vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De verordening is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. Beperkingengebied watergangen De watergangen rond de projectlocatie en een zone hieromheen bezitten een beperkingengebied. Om schade te voorkomen aan de watergangen gelden voor verschillende activiteiten zoals bouwen, graven, lozen of het planten van bomen gelden aanvullende eisen en een vergunningsplicht. De Legger, een kaart waar alle waterstaatswerken op staan, is getoond in afbeelding 11. De verschillende watergangen hebben elk een beschermingszone van 1 meter aan weerszijde voor onderhoud. Met het project wordt rekening gehouden met de bestaande watergangen. Er zal geen nieuwe bebouwing komen binnen de beschermingszone. Wel zal mogelijk aanpassing van de toegang nodig zijn aan de zijde van de Kleidijk.

Dit kan betekenen dat of de bestaande dam wordt gebruikt of een nieuwe dam of brug nodig is. Ook wordt gedacht over het aanleggen van extra oppervlaktewater ter compensatie van de extra verharding, wat zal aansluiten op het bestaande water en met natuurvriendelijke oevers. Hier kunnen mogelijk vergunningsplichten voor gelden, afhankelijk van de exacte positie en maatvoeringen. Met de regels van het waterschap wordt rekening gehouden. Voor de omgevingsvergunning BOPA is belangrijk om te weten dat het in principe uitvoerbaar is en er geen belemmering is.

afbeelding 11: uitsnede Legger waterschap Hollandse Delta

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

27/34

Omgevingsaspecten

Compensatie erfverharding Het is verboden zonder omgevingsvergunning in landelijk gebied hemelwater versneld af te voeren van een nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam, als het totaal aan nieuw verhard oppervlak meer bedraagt dan 500 m 2. Als onderdeel van de benodigde vergunning, dient op grond van de daadwerkelijke verhardingstoename voldoende compenserende bergingscapaciteit worden geboden. Dit kan in de vorm van extra oppervlaktewater. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding. Op grond van de concept verkaveling zijn drie opties verkend, te weten: 1. Verbreden één watergang 2. Verbreden beide watergangen 3. Realiseren waterplas Alle drie de opties zijn binnen het bestaande bestemmingsplan toegestaan. Er dient enkel rekening gehouden te worden met de regels uit de Waterschapsverordening en er zal een vergunning voor de wateractiviteiten nodig zijn. Op grond van de exacte inrichting van het terrein en de oppervlakte aan bebouwing en verharding, zal de oplossing gekozen worden en de benodigde vergunning worden verkregen. Op die manier kan worden voldaan aan de compensatie voorwaarde.

Voor de omgevingsvergunning BOPA is belangrijk om te weten dat het in principe uitvoerbaar is en er geen belemmering is. 5.5.2 Resultaat Wateradvies Voor het in beeld brengen van de waterbelangen, is het digitale wateradvies opgevraagd via www.hetwateradvies.nl. Het resultaat van deze check is in bijlage 6 opgenomen. Uit de check blijkt dat er waterbelangen zijn en dat het waterschap de aanvraag en onderbouwing graag ontvangt ter beoordeling. De concept aanvraag zal in het kader van het vooroverleg worden voorgelegd aan het waterschap. Te zijner tijd wordt hun reactie hier opgenomen.

5.6

Natuur

5.6.1 Wettelijk kader In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. 5.6.2 Beoordeling en onderzoek Het project is beoordeeld op de gevolgen voor beschermde gebieden en beschermde soorten. Hiervoor is een Natuurtoets uitgevoerd (IDDS, 20 januari 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 3. Hieronder is op de bevindingen ingegaan. 5.6.2.1 Gebiedsbescherming De projectlocatie ligt niet in of in de directe omgeving van Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN), of ander beschermd natuurgebied. Uit de bureaustudie blijkt dat de projectlocatie op meer dan 15 kilometer afstand ligt van het meest nabijgelegen (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’. Gezien de grote afstand, afscherming door stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van het project zoals licht, geluid of optische verstoring. Er is geen nadere toetsing nodig. Stikstofdepositie Stikstofemissies kunnen op grotere afstand effect hebben. Er is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (IDDS, 29 augustus 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 5. Uit de berekening volgt dat er geen natuurgebieden zijn met een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

28/34

Omgevingsaspecten

Voor het aspect stikstofdepositie is geen vergunning of VVGB voor de Wnb gebiedenbescherming benodigd. Op basis hiervan is te concluderen dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor een beschermd natuurgebied. 5.6.2.2 Soortenbescherming Uit het onderzoek naar beschermde soorten planten en dieren is naar voren gekomen dat er geen vervolgonderzoek nodig is. Wel dient er rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van algemene vogelsoorten met nesten die niet jaarrond zijn beschermd en met vleermuisverblijfplaatsen bij omliggende woningen. Hier gelden geen vergunningsplichten voor, mits rekening kan worden gehouden met de adviezen en maatregelen. Het advies luidt om werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. In de omliggende woningen kunnen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op omliggende gebouwen schijnen.

Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de omliggende gebouwen. 5.6.3 Conclusie Er zijn geen directe of indirecte negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of op het Natuurnetwerk Nederland. Uit de Aeriusberekening volgt dat er geen sprake is van depositie op een Natura-2000 gebied. Uit het soortenonderzoek is gebleken dat er geen nader onderzoek nodig is en dat er geen negatieve gevolgen zijn voor beschermde soorten. Er gelden adviezen voor het nemen van maatregelen bij de uitvoering van de werkzaamheden, zoals rekening houden met het broedseizoen. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het project.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1 Algemeen Voor de beoordeling van de effecten op de leefomgeving is het van belang om na te gaan of het project leidt tot meer verkeersbewegingen en wat de gevolgen zijn voor de verkeersdrukte en verkeersveiligheid op omliggende wegen. Ook is het belangrijk dat er voldoende parkeergelegenheid geboden wordt, om zo knelpunten op de omgeving te voorkomen. 5.7.2 Beoordeling project Het perceel kent in de huidige situatie een aansluiting op de Kleidijk via een dam, vlak bij het bestaande gebouwtje. De exacte manier hoe het perceel ontsloten zal worden is onderwerp van onderzoek. Uit een eerste verkenning lijkt de maatvoering van de bestaande ontsluiting te krap en zal hier een boom moeten worden verwijderd om voldoende ruimte te hebben. Daarom is gekeken naar een andere plek. Iets zuidelijker is een jonge boom geplant. Deze is nog te verplaatsen. Na verplaatsing van de boom op een andere plek langs de Kleidijk, zal er voldoende ruimte ontstaan voor een ontsluiting. Door de gemeente is een beoordeling gemaakt van de verkeersintensiteiten die de flexwoningen met zich mee zullen brengen. Op grond van het aantal van 7 woningen van ca. 42 m2 bvo en 63 woningen van ca. 25 m2 bvo en landelijke kencijfers uit de ASVV van CROW, zal het project ongeveer 123 motorvoertuigen per dag toevoegen aan de bestaande situatie.

Op grond van de gemeentelijke parkeernormen zullen er 48 parkeerplaatsen op het terrein worden gerealiseerd om te voldoen aan de norm. Een aantal van 123 motorvoertuigen per dag is goed af te wikkelen op de bestaande Kleidijk en Achterdijk. De capaciteit van de wegen biedt voldoende ruimte. Door het project komen er geen

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

29/34

Omgevingsaspecten

nieuwe knelpunten en doet geen afbreuk aan de leefbaarheid in de omgeving van het plangebied. Wel is in de vormgeving van de uitrit belangrijk dat er voldoende zicht is op de beide richtingen op de Kleidijk, mede vanwege het fietsverkeer dat hierlangs komt.

Tabel 3: berekening parkeeropgave en verkeersintensiteit (bron: gemeente Albrandswaard)

5.7.3 Conclusie Het project zal niet leiden tot significante gevolgen voor de parkeer- en verkeerssituatie. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het project.

5.8

Milieuzonering

5.8.1 Algemeen Met de invoering van de Omgevingswet is een nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 opgesteld. Deze handreiking vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019, die zijn gebaseerd op de Wro respectievelijk de Crisis- en herstelwet. Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten, naast andere aspecten zoals stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, verkeersstructuur, bodemhygiëne, bescherming van ecologische, cultuurhistorische waarden etc. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met:  de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en  het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten.

Milieuzonering maakt het mogelijk om regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. De nieuwe systematiek voor milieuzonering werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een Lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een Lijst van activiteiten. Het uitgangspunt blijft echter wel functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. Hiervoor zijn zoneringsregels voor geluid en geur opgenomen. 5.8.2 Betekenis voor het project De projectlocatie ligt in het buitengebied, in de directe nabijheid van verschillende bedrijven, een metrobaan, provinciale weg en rijksweg. Ook ligt de locatie binnen de geluidzone van een industrieterrein. Voor deze onderbouwing is dan ook uitgegaan van een ‘gemengd gebied' met de daarbij behorende richtafstanden en grenswaarden.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

30/34

Omgevingsaspecten

Voor het project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Peutz, 14 augustus 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 7. Er is gekeken naar de omliggende niet-woonfuncties en de richtafstanden. Er zijn verschillende bedrijven aanwezig rondom het plangebied, danwel biedt het bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) de mogelijkheid dat een bedrijf met een maximaal toegestane milieucategorie zich ter plaatse kan vestigen. Deze bedrijven hebben milieucategorie 2, 3.1, 3.2 of 4, met een bijbehorende richtafstand van respectievelijk 10, 30, 50 en 100 meter in gemengd gebied. Voor het waterstoftankstation ten noordoosten van het plangebied is een afstand van 200 meter aan de orde. Deze afstand geldt voor het aspect veiligheid, niet voor het aspect geluid, maar is volledigheidshalve ook weergegeven in afbeelding 12. Uit de beoordeling volgt dat de nieuwe woningen niet binnen de richtafstand van een bedrijf komen.

afbeelding 12: richtafstanden rond omliggende bedrijven (bron: Peutz)

5.8.3 Conclusie Er bestaat vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van het project.

5.9

Geluid

5.9.1 Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. 5.9.2 Betekenis voor het project Voor het project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Peutz, 14 augustus 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 7. De locatie is geluidbelast vanwege meerdere geluidbronnen, waaronder gemeentewegen, de provinciale weg N492 (Groene Kruisweg), rijksweg A15, het spoor, metrolijn D en het industrieterrein Waal-/Eemhaven. Geluid komt vanuit meerdere richtingen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het industrielawaai vanwege industrieterrein Waal-/Eemhaven maatgevend is.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

31/34

Omgevingsaspecten

Tabel 4: samenvatting rekenresultaten akoestisch onderzoek (bron: Peutz)

De noordwest- en noordoostzijde van de woningen is hoog geluidbelast door industrielawaai. Beoogd wordt hier een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige voorzieningen te realiseren, oftewel een dove gevel met lokale onderbrekingen. Hierbij wordt met name gedacht aan het toepassen van een Silent-Air geluidscherm voor de te openen ramen aan de noordwest- en noordoostzijde, maar ook andere gelijkwaardige oplossingen zijn mogelijk. De uitwerking van dergelijke opties wordt in een later stadium nader gedetailleerd. Uiteraard dient daarnaast bij de materialisering van de gevels rekening gehouden te worden met de hoge geluidbelasting (in de vorm van een voldoende mate van geluidwering van de gevel), zodat sprake is van een acceptabel binnenniveau. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt voor nieuwbouw een geluidwering van de gevel voorgeschreven van minimaal het gezamenlijk geluid – 33 dB. Bij een niet-geluidgevoelige gevel (dove gevel) wordt een 3 dB hogere eis gesteld. Met het voor geluid geoptimaliseerde stedenbouwkundig ontwerp in combinatie met de voorgestelde maatregelen aan de gevel wordt voldaan aan de instructieregels conform het Bkl en aan het gemeentelijk geluidbeleid. Daarmee is sprake van een beleidsmatige acceptatie van een niet-optimale situatie, binnen de toegestane ruimte van het Programma Geluid.

Rekening houdend met het te bereiken binnengeluidniveau is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Aldus wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bereikt. 5.9.3 Conclusie Er bestaat vanuit het aspect geluid geen belemmeringen ten aanzien van het project.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

32/34

Omgevingsaspecten

5.10.2 Betekenis voor het project Voor het project is de NIBM-tool ingevuld. Op basis van de verkeersberekening uit paragraaf 5.7 is ingevuld hoeveel voertuigbewegingen er komen. Hieronder is het resultaat weergegeven. Er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig en er is geen belemmering voor het project. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

246

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,19

PM10 in μg/m3

0,03

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

afbeelding 13: uitkomst berekening NIBM tool

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.10.3 Conclusie Uit het onderzoek komt naar voren dat het project per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het project.

5.11

Omgevingsveiligheid

5.11.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;  Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. 5.11.2 Betekenis voor het project De nieuwe flexwoningen gelden als kwetsbare objecten in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de directe omgeving zijn diverse risicobronnen aanwezig, waaronder transport van gevaarlijke stoffen over de A15 en spoorlijnen, een waterstoftankstation, een LPG-/benzinetank-

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

33/34

Omgevingsaspecten

station en een buisleidingenstraat met meerdere hogedruk-leidingen. Er is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Aveco de Bondt, 30 januari 2025). Het rapport is opgenomen als bijlage 8. Hieronder is ingegaan op de bevindingen. Uit de inventarisatie van risicobronnen blijkt dat de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6) van de risicobronnen niet de nieuwe woningen overlappen . Dat betekent dat de kwetsbare gebouwen op de geprojecteerde locatie realiseerbaar zijn. Wel ligt de locatie in aandachtsgebieden voor brand en gifwolk, en binnen het invloedsgebied voor groepsrisico. Het meest maatgevend is de buisleidingenstraat ten noordoosten van het plangebied: in de daar geldende veiligheidszone mogen geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In de verkaveling is hiermee rekening gehouden. De quickscan beschrijft meerdere rampscenario’s (fakkelbrand, explosie, gifwolk). Om de gevolgen te beperken worden maatregelen overwogen, waaronder:  situering van woningen buiten de veiligheidszone,  bouwkundige voorzieningen (afsluitbare ventilatie, scherfvrije beglazing, brandwerende gevels en daken),  risicocommunicatie richting bewoners (instructie over handelingsperspectief bij incidenten),  het waarborgen van vlucht- en schuilmogelijkheden en voldoende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen.

De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft geadviseerd om nadrukkelijk te zorgen voor bereikbaarheid en bluswater, bouwkundige voorzieningen tegen een toxische wolk en duidelijke instructies aan bewoners. De quickscan vormt in samenhang met het advies van de Veiligheidsregio de basis voor de onderbouwing dat op de projectlocatie sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het project, mits rekening houdend met de adviezen zoals beschreven in de quickscan.

5.12

Besluit milieueffectrapportage

5.12.1 Wettelijk kader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. 5.12.2 Betekenis voor het project Toetsing aan Bijlage V De beoogde activiteiten kunnen worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject (J11). Voor deze activiteit geldt geen directe mer-plicht. Wel is een mer-beoordeling nodig, wat betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de activiteiten kunnen worden uitgesloten. Ten behoeve van de onderbouwing zijn diverse milieuaspecten beoordeeld, zie voorgaande paragrafen. Op grond hiervan wordt een mer beoordeling opgesteld.

PM: de mer beoordeling volgt in week 37.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

34/34

Omgevingsaspecten

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is te concluderen dat er geen significante milieueffecten optreden. Een volwaardige m.e.r.-procedure is niet nodig voor het project.

5.13

Gezondheid

5.13.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 5.13.2 Betekenis voor het project De gemeente Albrandswaard heeft nog geen specifiek beleidskader vastgesteld voor gezondheid. In de beoordeling van de omgevingsaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, externe veiligheid en groeninrichting zijn echter geen knelpunten naar voren gekomen. Voor de toekomstige bewoners wordt voorzien in tijdelijke woningen die voldoen aan de geldende bouwkundige en gezondheidsvoorschriften, waaronder eisen ten aanzien van daglichttoetreding, ventilatie en binnenmilieu. De inrichting van het terrein voorziet daarnaast in groenvoorzieningen en biodiversiteitsmaatregelen, die bijdragen aan een prettige en gezonde leefomgeving. Geconcludeerd wordt dat het project geen negatieve effecten heeft op de gezondheid en leefomgeving. Integendeel, het project levert een positieve bijdrage door de toevoeging van kwalitatief goede, gezonde woningen en een groene inrichting van het terrein.

5.14

Conclusie effecten fysieke leefomgeving

Gelet op de conclusies uit de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de effecten op de fysieke leefomgeving als gevolg van het plan aanvaardbaar zijn.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

35/34

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:  aangewezen bouwactiviteiten;  aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Voor de uitvoering zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en Wooncompas. Wooncompas verzorgt de aanschaf, verhuur en exploitatie van het vastgoed. De gemeente en Wooncompas hebben afspraken over de demarcatie van activiteiten en kostenverdeling vastgelegd in een Afsprakenbrief. Uitgangspunt is dat de gemeente zorgt voor het bouwrijp maken en woonrijp maken van het omliggende openbare gebied. Wooncompas ontwikkelt en realiseert de flexwoningen en de inrichting van de door de gemeente aan Wooncompas uit te geven gronden. De gemeentelijke kosten zijn gedekt in de begroting. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het realiseren van flexwoningen op de locatie aan de Kleidijk kent een lange voorgeschiedenis, zoals is beschreven in paragraaf 3.2. Op 23 mei 2024 zijn tijdens een bijeenkomst de omwonenden in kennis gesteld van het voornemen om de flexwoningen te realiseren op de locatie Achterdijk/Kleidijk. In de periode daarna zijn er verschillende (overleg) momenten geweest met omwonenden. Denk daarbij aan persoonlijke gesprekken en bijeenkomsten. Ook zijn er diverse informatiebrieven gestuurd. Om de omwonenden en geïnteresseerden te informeren over de stand van zaken van het project en de geplande aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is door de gemeente een informatieavond georganiseerd op 19 juni 2025. Deze informatieavond vond plaats in het gemeentehuis. Tijdens deze avond waren niet alleen de omwonenden aanwezig, maar ook een bestuurder en enkele ambtenaren. Ook waren enkele raadsleden aanwezig. Via een brief aan de bewoners van 15 juli 2025 is reactie gegeven op diverse vragen die tijdens de avond van 19 juli zijn gesteld. Er waren vragen gesteld over de indeling van de woningen (verkaveling. De verkaveling is nog duidelijker gemaakt en bij de bewonersbrief opgenomen geweest. Inmiddels heeft een wijziging van de ontsluiting van het perceel plaatsgevonden.

Met de nu voorgestelde route kunnen de grote volwassen bomen gespaard worden en zal enkel een jonge boom verplaatst moet worden. Er was ook gevraagd om het geluidonderzoek. Deze is bij de onderbouwing als bijlage opgenomen. Als onderdeel van de procedure wordt dit rapport ook openbaar en kan het door eenieder dit worden ingezien. Ook de vragen over de locatiekeuze en de overeenkomsten tussen Wooncompas en gemeente zijn in de brief beantwoord.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

36/34

7

Belangenafweging en conclusie

7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3, 4 en 5).

7.2

Conclusie

Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Flexwoningen Kleidijk, Albrandswaard

37/34

DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl

Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase Kleidijk-Stationspad, Rhoon Gemeente Albrandswaard

Projectnummer : Opdrachtgever : Auteur(s): Versie : Datum :

A6425 DNS Planvorming B.V. S. Moerman 1.0 26-08-2025

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

INHOUDSOPGAVE 1.

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ...................................................... 3

2.

VELDWERKGEGEVENS ............................................................................................................. 3

3. 3.1.

INLEIDING .................................................................................................................................... 4 Vooronderzoek ............................................................................................................................. 4

4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6. 4.7.

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING (CONCEPT BUREAUONDERZOEK) .......................... 6 Werkwijze ..................................................................................................................................... 6 Geologie, geomorfologie en bodem ............................................................................................. 6 Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ....................................................... 9 Historische situatie...................................................................................................................... 10 Huidig landgebruik ...................................................................................................................... 12 Mogelijke verstoringen ................................................................................................................ 12 Gespecificeerd verwachtingsmodel (overgenomen uit Schoonhoven 2025) ............................. 12

5.

ADRESSEN VAN ALLE BETROKKEN PARTIJEN .................................................................. 14

6.

PLAN VAN OVERLEG ............................................................................................................... 15

7. 7.1. 7.2. 7.3.

UITVOERINGSPLAN WERKZAAMHEDEN .............................................................................. 15 Onderzoeksvragen ..................................................................................................................... 15 Methoden en technieken ............................................................................................................ 15 Uitwerking en rapportage ........................................................................................................... 16

8. 8.1. 8.2. 8.3.

PLANNING ................................................................................................................................. 17 Uitvoering en rapportage ............................................................................................................ 17 Uitvoeringscondities veldwerk .................................................................................................... 17 Deponering ................................................................................................................................. 17

9. 9.1. 9.2.

MONSTERNAMEPLAN ............................................................................................................. 18 Plan voor het nemen van monsters ............................................................................................ 18 Actieplan voor bijzondere vondsten/vondstomstandigheden ..................................................... 18

10. VEILIGHEIDS-, GEZONDHEIDS- EN MILIEUPLAN ................................................................. 19 10.1. Risico’s en maatregelen .......................................................................................................... 19 10.2. Telefoonnummers en routebeschrijvingen hulpverlenende personen en/of diensten ............ 19 10.3. Overige hulpverlening ............................................................................................................. 19 11.

RISICO INVENTARISATIE & EVALUATIE (RI&E) NAAR ARBO-RICHTLIJNEN ................... 21

12.

GERAADPLEEGDE LITERATUUR ........................................................................................... 23

BIJLAGEN 1. Topografische kaart met ligging van het plangebied 2. Archis informatiekaart 3. Boorlocatiekaart

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

1.

Administratieve gegevens van het plangebied

Projectnaam

A6425 Kleidijk-Stationspad, Rhoon

Provincie

Zuid-Holland

Gemeente

Albrandswaard

Plaats

Rhoon

Toponiem

Kleidijk-Stationspad

Kadastrale aanduiding

Rhoon A 4245

x,y–coördinaten (centrum)

89.330/431.170

CMA/AMK-status

Geen

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Onderzoekmeldingsnummer

Aan te vragen door uitvoerder

Oppervlakte plangebied

ca. 8.540 m2

Huidig grondgebruik

Weiland

Maaiveldhoogte

-1,0 m NAP

Grondwaterstand

V

2.

Veldwerkgegevens

Startdatum veldwerk

16-09-2025

Beoogde duur veldwerk

1 dag

Bodemkwaliteit

Onbekend. Milieukundig bodemonderzoek is nog in uitvoering.

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

Onbekend

Nummer KLIC-melding

Wordt aangevraagd voorafgaand aan het veldwerk

Vergunningen

Niet van toepassing

3

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

3.

Inleiding

Dit Plan van Aanpak is opgesteld ten behoeve van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande nieuwbouw op het perceel. Deze zal bestaan uit flexwoningen in de vorm van containerbouw, gefundeerd op een plaat. Er komen geen palen onder de woningen. Achter de woningen worden enkele speeltoestellen geplaatst en bomen en struiken geplant. Het parkeerterrein dat bij de woningen wordt gerealiseerd, wordt halfverhard uitgevoerd, zonder graafwerkzaamheden. De nutsaansluitingen en riolering komen in principe onder de weg die naar het parkeerterrein loopt, op een diepte van ongeveer 1 m onder het nieuwe wegdek (geschat 0,75 m onder het huidige maaiveld). Voor het aansluiten van de nieuwe woningen op het rioolstelsel is het uitgangspunt dat er een nieuw rioolgemaal op het perceel geplaatst wordt. Ook wordt daarvoor een afvoerende persleiding aangelegd of geboord. Het DWA wordt door middel van een verzamelriool van de woningen naar het nieuwe rioolgemaal afgevoerd onder vrij verval. Het rioolgemaal (ca. 2 x 2 m 2) wordt ca. 3 meter diep. Het DWAriool wordt zo hoog mogelijk aangelegd, waarschijnlijk rond de 1 meter onder maaiveld. De nutsaansluitingen liggen in een standaardprofiel in principe tussen de 0,6 en 1,0 m onder maaiveld.

Op basis van een compensatie-eis van 14% moet er 460 m2 compenserend water gegraven worden. De locatie is niet vastgelegd, maar waarschijnlijk wordt dit gerealiseerd door een verbreding met 1 meter van de bestaande sloten aan de zuid- en/of aan de noordzijde van het perceel. De diepte van het water is niet helemaal zeker, maar waarschijnlijk is dit 0,75 m ten opzichte van het huidige maaiveld, gelijk aan de diepte van de bestaande sloten. Op het bestemmingsplan Groene Kruisweg / Metrobaan (vastgesteld 27-06-2011), onderdeel van het omgevingsplan gemeente Albrandswaard, ligt het deel van het plangebied direct langs de Kleidijk in een zone met Waarde – Archeologie – 1. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken waarbij de dieptegrens van 50 cm en de oppervlaktegrens van 100 m 2 wordt overschreden. De rest van het plangebied ligt in een zone met Waarde – Archeologie – 2. Daar zijn de vrijstellingsgrenzen 100 cm en 200 m2. Het zou kunnen zijn dat, hoewel er heel veel gaat gebeuren op dit perceel, veel van de ingrepen binnen de toegestane 1,0 m onder maaiveld blijven, zeker als de locatie wordt opgehoogd. Maar omdat de kans bestaat dat er toch wel archeologisch onderzoek nodig is, heeft de initiatiefnemer aangegeven dat de archeologische verwachting van het perceel beter in een vroeg stadium kan worden getoetst.

Hiermee wordt voorkomen dat onderzoek op een later moment voor vertraging zorgt en wordt de kans op toevalsvondsten geminimaliseerd. In het algemeen heeft de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek tot doel de mate van gaafheid van de bodem in een gebied vast te stellen en inzicht te krijgen in morfologische eenheden van de begraven oude landschappen, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de locatiekeuze in het verleden. Het doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor de karterende fase van het inventariserend veldonderzoek. Vooruitlopend op een eventueel karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek worden alvast zo veel mogelijk gegevens verzameld om de aard, diepteligging, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de eventuele archeologische resten te kunnen vaststellen. Hierdoor kan een inschatting worden gemaakt of en zo ja in welke mate bij de toekomstige bodemingrepen in het plangebied archeologische waarden zullen worden aangetast. 3.1.

Vooronderzoek

Voor onderhavig onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld door Archeologie Rotterdam (BOOR) (Schoonhoven 2025). Dit PvE bevat een beknopt bureauonderzoek. Ten behoeve van het opstellen van dit Plan van Aanpak is het beknopte bureauonderzoek verder uitgewerkt tot een compleet bureauonderzoek (hoofdstuk 4) dat ook in het uiteindelijke rapport zal worden opgenomen. Het

4

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

bureauonderzoek is uitgevoerd conform de BRL SIKB 4000 en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.2, protocol 4002 (Centraal College van Deskundigen 2022).

5

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

4.

Archeologische verwachting (concept bureauonderzoek)

4.1.

Werkwijze

Bij het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over bekende of verwachte archeologische en bouwhistorische waarden binnen het onderzoeksgebied. Onderstaande bronnen zijn geraadpleegd: Bron

Opmerkingen

Huidige en toekomstige situatie Actuele topografische kaart Recente luchtfoto (PDOK) Opdrachtgever KLIC (Rijks)monumenten (via Archis)

Geen (Rijks)monumenten aanwezig

Historische situatie en mogelijke verstoringen Kadastraal minuutplan 1811-1832 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl; hisgis.nl) Diverse topografische kaarten uit het einde van de 19e en de 20e eeuw (topotijdreis.nl) Bouw-/constructietekeningen van de te slopen bouwwerken

Niet van toepassing

Bodemloket (www.bodemloket.nl) voor informatie over tanks, saneringen, ontgrondingen Milieukundig bodemonderzoek

Niet beschikbaar

Militair erfgoed Militaire landschapskaart (rce.webgis.nl/nl/map/kaart-vanverdedigingswerken) Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) Archeologie en bouwhistorie Archeologisch Informatie Systeem (Archis; archis.cultureelerfgoed.nl) Archeologische Monumenten Kaart (AMK; via Archis) Verwachtingskaart van de gemeente Albrandswaard Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten Geologische kaart Rotterdam Oost Bodemkaart van Nederland (BRO; via Archis) Grondwatertrappenkaart (www.dinoloket.nl) Geomorfologische kaart van Nederland (BRO; via Archis) Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; www.ahn.nl) DINOloket (www.dinoloket.nl) Archieven, heemkundekringen, amateurarcheologen, overige informatie Archieven

Niet geraadpleegd

Amateurarcheologen, gebiedsgerichte specialisten, depots

Archeologie Rotterdam

Onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur

Zie literatuurlijst

4.2.

Geologie, geomorfologie en bodem

4.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap (overgenomen uit Schoonhoven 2025, naar Hijma e.a. 2009, 15-17) De regio Rotterdam is gesitueerd in het West-Nederlandse Bekken, een actief depocentre van het Noordzeebekken. Vanaf 60.000 jaar geleden waren zowel de Rijn als de Maas actief in het gebied. De afzettingen van de Rijn en Maas behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De overgang van het laatste

6

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

glaciaal (Weichselien) naar het huidige interglaciaal (Holoceen) resulteerde in een verandering van het riviertype van ‘vol’ vlechtend gedurende het Laatste Glaciale Maximum (LGM), circa 21.000 jaar geleden, naar meanderend in het Midden-Holoceen. Ten noorden en zuiden van het LGM-dal van de Rijn en de Maas vormden zich eolische zanddekken (dekzanden, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Tussen 14.500 en 9.000 jaar geleden ontwikkelden zich stroomgordels die de bodem van het rivierdal verlaagden. Bij vergrote waterafvoer werden dunne lagen siltige klei als leem afgezet in de komgebieden (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen). Op het moment dat de verlaging van de overstromingsvlakte tot een eind kwam in het vroege Holoceen en de rivieren volop gingen meanderen, nam de sedimentatie van de Laag van Wijchen toe. De stroomgordels uit de periode Jongere Dryas Vroeg Holoceen worden gekenmerkt door diep ingesneden geulen. Aan de noordoostzijde van de stroomgordels ontstonden tot 15 meter hoge rivierduinen (Laagpakket van Delwijnen), die gevormd werden door zand dat uit de rivierbeddingen werd geblazen gedurende perioden van lage waterafvoer (debiet).

Een gevolg van vooral het stijgen van de zeespiegel door het afsmelten van de ijskappen na het LGM was het onderlopen van het Noordzeegebied; de kustzone met strandwallen en dergelijke verschoof geleidelijk in de richting van de huidige Nederlandse kust. De stijgende zeespiegel had ook gevolgen op land door de daaruit resulterende stijgende grondwaterstand. Hierdoor ontstonden hier vanaf het Boreaal moerassen waarin zich veen vormde (Basisveen Laag, voorheen Basisveen). Zo’n 9.000 jaar geleden, op de overgang van het Boreaal naar het Atlanticum, kwam het gebied direct binnen de mariene invloedssfeer te liggen. Door de holocene transgressie veranderde het Rijn-Maas riviersysteem in een complex estuarien systeem met frequente stroomgordelverleggingen en verschillende grote zeegaten. De hiermee geassocieerde getijdenafzettingen worden tot het Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais). Vóór 7.000 jaar geleden mondde de Rijn in de regio Rotterdam uit, maar tussen 7.000 en 2.000 jaar geleden deed de rivier dat in de Leidse regio. De Maas mondde gedurende het gehele Holoceen uit in de Rotterdamse regio. Na de forse landwaartse verschuiving van de zone met fluviatiele sedimentatie in het Laat Boreaal - Midden-Atlanticum verminderde de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging; sindsdien bleef het zeeniveau mondiaal gezien ongeveer constant.

In de periode na het Atlanticum was het voornamelijk de verdergaande isostatische bodemdaling die bijdroeg aan de relatieve zeespiegelstijging in Nederland. Uiteindelijk veranderde na het Midden-Atlanticum het evenwicht tussen het creëren van bergingsruimte voor het sediment en het aanbod van sediment ten gunste van de laatste en kwam een eind aan de landwaartse verschuiving van de kustafzettingsmilieus. Dit geschiedde diachroon langs de kust als een gevolg van variaties in sedimentaanbod. In de volgende millennia sloten de zeegaten een voor een: in Zuid-Holland onderbraken alleen het Rijn-estuarium bij Leiden en het Maas-estuarium bij Rotterdam het strandwallensysteem in het kustgebied. Gedurende het Subboreaal ontwikkelde zich een uitgestrekt veenpakket (Hollandveen Laagpakket, Nieuwkoop Formatie, voorheen Hollandveen) tussen de riviertakken, lokaal als oligotrofe hoogveenkussens. De mariene transgressies in het Subatlanticum, met vorming van het Laagpakket van Walcheren (voorheen Afzettingen van Duinkerke), gaan vanaf de Late Middeleeuwen samen met menselijke activiteiten als ontginning en indijking van stukken land en het winnen van veen. 4.2.2. Geologie (overgenomen uit Schoonhoven 2025) In 2003 is de nieuwe lithostratigrafische indeling van Nederland ingevoerd (de Mulder et al. 2003).

In dit rapport wordt naast de nieuwe lithostratigrafische indeling ook de oude lithostratigrafische indeling gehanteerd, zoals die door de toenmalige Rijksgeologische Dienst in 1975 is opgesteld (Zagwijn / Van Staalduinen 1975). De voornaamste reden hiervoor is het voorkomen van verlies aan gedetailleerde stratigrafische informatie, dat het toepassen van de nieuwe indeling met zich mee zou brengen.

7

IDDS Archeologie Plan van Aanpak IVO – Overig (IVO-O), verkennende fase A6425 Rhoon, Kleidijk-Stationspad

Volgens de Geologische Kaart van Nederland (NITG-TNO 1998) en de geologische gegevens die bij Archeologie Rotterdam bekend zijn, is de globale bodemopbouw in het plangebied als volgt. In de zeer nabije omgeving wordt de diepere ondergrond gevormd door rivierduinafzettingen, onderdeel van de Formatie van Kreftenheye en gevormd in het Pleistoceen/ begin Holoceen. Deze rivierduinafzettingen bevinden zich waarschijnlijk op een diepte tussen circa -12 en -16 m NAP. Het is niet heel waarschijnlijk dat deze afzettingen zich tot het plangebied uitstrekken, maar indien dit toch het geval is, dan worden ze niet geraakt door voorliggende plannen. De Holocene ondergrond wordt gevormd door de klastische Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren of Formatie van Echteld (voorheen Afzettingen van Calais of Gorkum), afgewisseld met lagen veen van het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop, voorheen Hollandveen). Op deze Figuur 1: Het plangebied (rood omlijnd) op de afzettingen is eveneens een pakket Hollandveen geologische kaart. De gele lijn geeft de begrenzing gelegen. De top van de sequentie bestaat uit de van een rivierduin aan. Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (het overstromingsdek van de Riederwaard, derde kwart 14e eeuw, voorheen Afzettingen van Duinkerke III).

Tussen het veen en deze afzettingen van Duinkerke III kunnen ook oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren voorkomen (Afzettingen van Duinkerke I), maar er is geen onderscheidende veentussenlaag tussen oudere en jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In onderzoeksgebied ‘Bos Rhoon’, gelegen op circa 140 m ten noorden van het plangebied, werden de rivierduinafzettingen die daar in de diepere ondergrond aanwezig zouden zijn niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 4 m onder maaiveld (circa -5,0 m NAP; Dorst 2007). Ook de Afzettingen van Calais of Gorkum werden niet bereikt. De ondergrond van deze locatie bestond uit een vrij dik, sterk riethoudend veenpakket, dat aan de top was geërodeerd door latere overstromingen. Op het veen zijn twee afzettingsfasen van het Laagpakket van Walcheren herkend. In onderzoeksgebied ‘Molendijk 30’, gelegen op circa 500 m ten zuidwesten van het plangebied, bestonden de diepst aangeboorde afzettingen eveneens uit veen (Van de Meer / Schiltmans 2008). De minimale diepte van het veen was 2,1 m - mv (-3,3 m NAP). Het Hollandveen Laagpakket was hier niet (zichtbaar) geërodeerd door de laatmiddeleeuwse overstromingen. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren waren aanwezig; er konden geen pakketten in worden onderscheiden. Bij het onderzoeksgebied Stationsstraat 5 te Rhoon, gelegen op ca.

120 m ten westen van het plangebied, werd alleen de locatie van een toekomstige watercompensatie onderzocht (Jansen of Lorkeers 2020). Uit het vooronderzoek bleek dat hier getijdenafzettingen en een veenpakket aanwezig waren, die ooit beide onder natte omstandigheden zijn gevormd. Vanaf het maaiveld is (onder een moderne bouwvoor c.q. verstoringspakket met een dikte van circa 36-76 cm) sprake van getijdengeulen overstromingsafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Afzettingen van Duinkerke). Sporen van bodemvorming en post-romeins veen ontbreken, waardoor geen onderscheid te maken was tussen diverse transgressiefasen. Aangenomen werd dat de top in ieder geval bestond uit laatmiddeleeuwse overstromingsafzettingen, het ‘Riederwaard-dek’ (Afzettingen van Duinkerke III). Vanaf ca. 2,9 m - mv (-4,2 tot -4,5 m NAP) is Hollandveen aanwezig. Het veen was niet veraard en, zoals gezegd, naar mening van de onderzoekers gevormd onder natte omstandigheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3806/documents/34522