364796 Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022.pdf
Tekst van het document
derde lid, van de Wet Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven
41
HOOFDSTUK 10. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN Artikel 37 Evaluatie De wet vereist evaluatie. Het beleid wordt vierjaarlijks geëvalueerd
Artikel 38.Indexering
Met dit artikel wordt de aan het college overgelaten bevoegdheid om bedragen vast te stellen geclausuleerd
Artikel 39.Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen, Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzonderegevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken
Artikel 40. Overgangsrecht In het eerste, tweede en derde lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het vierde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden, Dezelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in lid 6. In het vijfde lid is bepaalddat het collegekan afwijkenals dat in hetvoordeelvan de cliënt is,
Artikel 41. Intrekking oude verordening.Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening, intrekking van de oude verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald
42
BIJLAGE I
Artikelen Verordening Rotterdam waarnaar wordt verwezenin artikel 11 Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 Artikel 1.2 Reikwijdte verordening In afwijking van de voorgaande leden heeft deze verordening ten aanzienvan opvang en beschermdwonen in het kadervan de Wmo 2015,betrekkingop eeniederdie zichvoor deze ondersteuning tot het college wendt in de zin van artikel 1.2.1, lid b en c, van de Wmo 2015. Artikel 2.3 Gesprek naar aanleiding van melding 2.
In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: a. 1.
2.
3.
4. 5.
6.
7.
als er sprake isvan een behoefte aan maatschappelijkeondersteuning: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerkingmet zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebiedvan publiekegezondheid,jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan
beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn.
43
Artikel 3.2.1 Ondersteuning binnen resultaatgebieden 1. De ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen een of meer van de volgende resultaatgebieden: f. nachtelijk toezicht en huisvesting;
Artikel 3.2.10 Aanvullende criteria voor nachtelijk toezicht en huisvesting 1. Eencliënt met problematiek op meerdere leefgebieden, waaronder in ieder geval een psychiatrische, psychosocialeof verstandelijke beperking, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor nachtelijk toezicht, als dit toezicht noodzakelijk isom gestructureerd of veilig te kunnen wonen, samenhangend met diens sociaalen persoonlijk functioneren en met diens zelfzorg. 2. Nachtelijk toezicht kan alleen worden geleverd aan de cliëntgroepen met (O)GGZproblematiek of een verstandelijke beperking en kan worden geboden in de vorm van a. een vaste wakende wacht; b. een slaapwacht; c. een ambulante wacht. 3.
4.
Als een cliënt, zoals omschreven in het vorige lid, niet in staat is zelfstandig een woning te bewonen en een huishouden te voeren vanwege zijn beperkingen en problematiek, kan ook het ondersteuningselement huisvesting, onderdeel uitmaken van het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting. Het college beoordeelt in het kader van de landelijke toegankelijkheid voor de cliëntgroep (O)GGZin hoeverre de gemeente Rotterdam de meest aangewezen centrumgemeente is om de huisvesting te verlenen.
Hierbij betrekt het collegein ieder geval: a. de wensen van de cliënt; b. de ondersteuningsbehoefte; c. de aanwezigheidvan een positief sociaal netwerk; d. 5.
6.
de voorwaarden voor succesvolle ondersteuning.
Het nachtelijk toezicht isvan toepassingtussen 23.00 en 7.00 uur en is gericht op: a. het voorkomen of de-escalerenvan ongewenste situatie gedurende de nacht; b. ondersteuning bij het hanteren van een gezond dag-nachtritme; c. ingrijpen wanneer de cliënt te veel onder invloed staat van anderen waar dit een risico van achteruitgang met zich meebrengt; of d. de veiligheid in de buurt waar cliënt woont. Indien aan een cliënt het ondersteuningselement huisvestingwordt geboden en er kinderen bij cliënt wonen, dan kan het ondersteuningselement huisvesting tevens betrekking hebben op die kinderen.
44
Artikel 3.4.4 Pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp 1. Voor zover het pgb bestemd isvoor de inkoop van dienstverlening door een dienstverlener die in dienst isvan of werkt voor een professioneleorganisatiedie gericht is op de verlening van deze ondersteuning, of als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, geldt het tarief voor formeel verleende ondersteuning waarbij tot maximaal de volgende percentagesvan de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagstemarktprijs, wordt betaald: a.
maatschappelijke ondersteuning: 1 ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden: 90%; 2 sociaalen persoonlijk functioneren, financiën en zelfzorg en gezondheid: 90%; 3 dagbesteding: 90%; 4 nachtelijk toezicht en huisvesting, exclusief het ondersteuningselement huisvesting: 90%; 5 mantelzorgondersteuning met verblijf: 90%;
2.
Indien het Pgbbestemd is voor de betaling van dienstverlening van een hulpverlener uit het sociale netwerk op basisvan een overeenkomst tot opdracht of op onverplichte basisop grond van artikel 3.4.2, vierde lid, geldt het informele tarief waarbij tot maximaal de volgende percentages van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagste marktprijs, wordt betaald:
a.
maatschappelijke ondersteuning: 1
2 3
4 5
ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden: 61%; sociaal en persoonlijk functioneren, financiën en zelfzorg en gezondheid: 48,3%; dagbesteding: 50%; nachtelijk toezicht en huisvesting,exclusief het ondersteuningselement huisvesting: 51%; mantelzorgondersteuning met verblijf: 46,1%;
Artikel 4.1.5 Eigenbijdrage maatwerkvoorziening nachtelijk toezicht en huisvesting 1. Eencliënt is in afwijking van artikel 4.1.3 een eigen bijdrage verschuldigd indien sprake is van een maatwerkvoorziening ten behoeve van het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting, als bedoeld in artikel 3.2.10, alser sprake is van een indicatie voor het ondersteuningselement huisvesting. 2 De eigen bijdrage wordt vastgesteld conform hoofdstuk 1, paragraaf 1 en 3, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor beschermd wonen.
45
3.
Cliënt isde eigen bijdrage verschuldigd zolang de maatwerkvoorziening voor het ondersteuningselement huisvesting niet is ingetrokken en de huisvestingvoor cliënt beschikbaar is.
4.
Afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de voorziening, wordt voor de verschutdigdheidvan de eigen bijdrage buiten beschouwing gelaten . De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.
5.
46
47