35. 2023-015679 Raadsvoorstel zienswijze op de ontwerpregeling van de GRJR.pdf
Tekst van het document
Artikel 19 voorzitter In artikel 19, tweede lid, is bepaald dat de voorzitter alle stukken tekent die van het algemeen of dagelijks bestuur uitgaan. Daarnaast dient ook altijd de secretaris mede te ondertekenen, zoals is vastgelegd in artikel 21, derde lid. Artikel 20 voorzitter, vertegenwoordiging Hoewel het eerste lid van artikel 20 bepaalt dat de voorzitter het lichaam in en buiten rechte vertegenwoordigt, kan hij de vertegenwoordiging ook opdragen aan een gemachtigde die hij in overleg met het dagelijks bestuur aanwijst. Op deze (schriftelijke) volmachtverlening zijn
de daartoe strekkende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (afdeling 10.1.1). Het tweede lid ziet op de situatie dat de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Het dagelijks bestuur wijst in dit geval een ander lid uit zijn midden aan om het lichaam te vertegenwoordigen. Deze bepaling vindt overigens ook onverkort toepassing indien de plaatsvervangend voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Ook in dat geval wijst het dagelijks bestuur uit zijn midden een ander lid als plaatsvervangend voorzitter aan. Artikelen 21 en 22 secretaris De secretaris wordt op voordracht van het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur. Hij is werkzaam bij de uitvoerende gemeente en kan met instemming van het dagelijks bestuur een regeling treffen voor vervanging bij afwezigheid. Als secretaris woont hij alle bestuursvergaderingen bij, tenzij het bestuur anders beslist. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan beraadslagingen waarbij het persoonlijk functioneren van de secretaris aan de orde komt. Het is echter niet mogelijk om als algemeen of dagelijks bestuur besluiten te nemen in afwezigheid van de secretaris.
Onder leiding van de secretaris of diens vervanger vindt ambtelijk overleg plaats waarbij alle deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn, ten einde de bestuursvergaderingen voor te bereiden. In artikel 22 is ook nog een taak opgenomen voor de secretaris wat betreft het archiefbeheer in het kader van de Archiefwet 1995. Toezicht hierop wordt uitgeoefend door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Hierbij is tevens artikel 15 van belang, waarin is geregeld dat het dagelijks bestuur belast is met de zorg voor archiefbescheiden in het kader van genoemde wet binnen het kader van een door het algemeen bestuur vast te stellen Archiefverordening. Waarbij het voor de hand ligt dat de Archiefverordening van de uitvoerende gemeente wordt gevolgd, gelet op het feit dat het toezicht op het beheer wordt uitgevoerd door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Artikel 23 Extern klachtrecht Via deze bepaling wordt geregeld dat personen bij de Rotterdamse ombudsman terecht kunnen als zij klachten hebben over de gedragingen van medewerkers bij de taakuitoefening in het kader van deze regeling. Dat is verder weer ingekaderd door de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 24 commissies Artikel 24 betreft de instelling van (‘lichte’) adviescommissies, zoals bedoeld in artikel 24 Wet gemeenschappelijke regelingen.
Genoemd artikel 24 regelt aanvullend nog het volgende. De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar samenstelling en bevoegdheden geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter. Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk door de voorzitter ingesteld. Indien op enig moment instelling van (‘zware’) bestuurscommissies (taakcommissies), zoals bedoeld in artikel 25 Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is, zal de onderhavige gemeenschappelijke regeling aangepast dienen te worden. Het eerste lid van genoemd artikel 25 bepaalt namelijk dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam commissies kan instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet. Artikel 25 begroting van het lichaam De begroting geeft elk jaar inzicht in de geplande uitvoering voor het begrotingsjaar (het uitvoeringsplan), waarbij bovendien om de vier jaar een meerjarenbegroting wordt vastgesteld. De meerjarencyclus voor de begroting loopt in de pas met de vierjarencyclus van de gemeenteraadsverkiezingen: het meerjarenplan vangt aan in het jaar dat volgt op het jaar waarin de verkiezingen worden gehouden.
Voor het besluit over de meerjarenbegroting is een tweederde meerderheid vereist. Tweede lid en achtste lid: Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begroting alsmede begrotingswijzigingen twaalf weken voordat zij ter vaststelling worden aangeboden aan het algemeen bestuur, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerp begroting dan wel de begrotingswijziging(en) naar voren brengen (artikel 35, derde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). Derde tot en met vijfde lid: in aanvulling op de mogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen geeft, is opgenomen dat een extra groei in het budget ten gevolge van veranderd beleid een unaniem besluit behoeft van het algemeen bestuur. Het gaat hierbij om groei als gevolg van endogene, door de regeling zelf te beïnvloeden, oorzaken. Een groei als gevolg van exogeen bepaalde volumewijzigingen, zoals de stijging van het aantal jeugdigen, wordt buiten beschouwing gelaten. Ook hierbij geldt dat de gemeenteraden ten minste acht weken van tevoren het voorstel toegezonden dienen te krijgen. Artikel 26 mediation Artikel 28 Wet gemeenschappelijke regelingen geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om te beslissen in geschillen over de toepassing, in de ruimste zin van het woord, van de regeling.
Dit kunnen zijn geschillen tussen deelnemende gemeenten of tussen algemeen bestuur en een of meer deelnemende gemeenten. Gedeputeerde staten kunnen in dat geval het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen met inachtneming van het door gedeputeerde staten bepaalde en binnen een door
gedeputeerde staten te stellen termijn. Indien het besluit niet binnen de termijn wordt genomen, nemen gedeputeerde staten zelf het besluit. Artikel 27 komt neer op een inspanningsverplichting van partijen om eerst te proberen er via mediation zelf uit te komen. Partijen dienen zich dan van te voren te onderwerpen aan de voorwaarden voor mediation. De gedachte achter mediation is dat partijen beter gebaat zijn bij een oplossing die zij gezamenlijk (onder begeleiding) hebben bereikt, dan bij een oplossing die ‘van bovenaf’ is opgelegd. Levert mediation niets op, of wensen partijen hier niet aan mee te werken, dan beslissen dus gedeputeerde staten zoals hiervoor beschreven. Dit is ook zo vastgelegd in de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Artikelen 28 t/m 31 toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Voor uittreding geldt een opzegtermijn van één kalenderjaar, volgend op het uittredingsbesluit van het college van de deelnemende gemeente. Gelet op de risico’s die gemeenten lopen met de gezamenlijke uitvoering van bovenlokale taken, kan het algemeen bestuur regels vaststellen met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden bepaald. In artikel 28, tweede lid, is dit nog nader uitgewerkt.
In overeenstemming hiermee stelt het algemeen bestuur in overleg met de uittredende gemeente ten minste zes maanden voor uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Lukt dit niet in overleg, dan is sprake van geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Met artikel 28 lid 4 t/m 7 is invulling gegeven aan de in artikel 9 lid 1 Wgr vervatte verplichting om in de regeling bepalingen op te nemen omtrent uittreding omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon. Bij frictiekosten moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de kosten voor het herplaatsen van personeel dat taken uitvoerde voor de uittredende gemeente en dat door de uittreding overtollig wordt, of voor het beëindigen van de huur van ruimten die na de uittreding overbodig zijn. Desintegratiekosten ontstaan onder meer doordat de kosten van centrale ondersteunende (financiële, juridische, HR, etc.) functies nu moeten worden opgebracht door een kleinere organisatie. Artikel 31, tweede en derde lid, gaat over de liquidatie en de vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam na opheffing. De organen van het lichaam, te weten de voorzitter, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, blijven voor zover dit voor de liquidatie nodig is nog in functie. Artikel 31 overgangsbepaling
Deze regeling anticipeert op de inwerkingtreding van de Jeugdwet met ingang van 1 januari 2015. Te verwachten valt dat al in 2014, dus nog voor de inwerkingtreding, besluiten zullen moeten worden genomen over de uitvoering van bovenlokale taken, in navolging van het besluit dat reeds door alle gemeenten genomen is over het Transitie Arrangement. Artikel 31b participatie Met dit artikel is invulling gegeven aan artikel 10, zevende lid, van de Wgr. Er is voor gekozen deze mogelijkheid tot participatie niet te openen, onder meer omdat het een beleidsarme regeling betreft, en bovendien meer voor de hand ligt dat participatie en inspraak verloopt via de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 32 biedt dan de mogelijkheid om het algemeen bestuur hierover te laten besluiten.
Artikelen 33 en 34 inwerkingtreding, evaluatie De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit is in lijn is met de besluitvorming over het Transitie Arrangement waaruit een duidelijk bestuurlijk commitment blijkt voor langdurige samenwerking. Met artikel 34 lid 2 is invulling gegeven aan artikel 11a van de Wgr. De regeling treedt in werking op 1 mei 2014, waarbij rekening is gehouden met de tijd die nodig is om na de gemeenteraadsverkiezingen in maart nieuwe colleges te vormen. Ingevolge artikel 26, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het college van de uitvoerende gemeente aangewezen om de regeling, als deze eenmaal is vastgesteld, toe te zenden aan gedeputeerde staten.
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Postbus 70014 3000 KS Rotterdam
Uw brief van: 20 december 2023 Uw kenmerk: 23MO01176 Bijlage(n):
Ons kenmerk: 2023-015679 Contact: Brenda Koek Doorkiesnummer: E-mailadres: b.koek@albrandswaard.nl Datum: 26 februari 2024
Betreft: Zienswijze ontwerp gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond
Geachte leden van het algemeen bestuur GRJR, In uw brief van 20 december 2023 heeft u ons verzocht om onze zienswijze met betrekking tot de ontwerp gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) kenbaar te maken. Wij hebben deze stukken besproken in onze raadsvergadering van 26 februari 2024 en onderstaand volgen onze opmerkingen: A. Zienswijzen bij besluiten Wij zien geen reden om dit instrument in te zetten, naast de in de wet voorgeschreven gevallen. Op dit punt kunnen wij ons vinden in de voorgestelde wijziging. B. Participatie Doel van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is o.a. het vergroten van de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen. Daarom vinden wij het van belang dat het spreekrecht wordt verleend in vergaderingen van het algemeen bestuur van gemeenschappelijke regelingen. Wij verzoeken u in de regeling een artikel toe te voegen dat luidt: “Belanghebbenden kunnen bij het Algemeen Bestuur inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering met uitzondering van verslagen van vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het reglement van orde stelt in ieder geval regels over aanmelding, toelating en spreektijd.” C. Informatieplicht Wij verzoeken u om aan artikel 12 een lid toe te voegen waarin is opgenomen dat de raden van de deelnemende colleges ontvangen c.q.
op de hoogte worden gesteld van de vastgestelde verslagen van het algemeen bestuur, de vastgestelde begroting, de vastgestelde jaarrekening met bijbehorende accountantsrapportage, de vastgestelde meerjarenbegroting en het uitvoeringsplan (artikel 25 van de regeling). D. Evaluatie Wij kunnen ons vinden in het door u voorgestelde nieuwe artikel 34, waarin is opgenomen dat de regeling elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, wordt geëvalueerd door het algemeen bestuur. Ons verzoek is wel duidelijker aan te geven wat onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan. Wij stellen voor de tekst te wijzigen in ‘De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.’
Stationsstraat 4 – 3161 KP Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl
E. Uittreding Een verdere regeling van een uittreding zoals voorgesteld, lijkt ons niet zinvol. F. Aanpassing begrotingscyclus Wij hebben geen reden tot het maken van opmerkingen. G. Overige wijzigingen De voorgestelde wijzigingen, naast de verplichte wijzigingen als gevolg van de nieuwe Wgr, geven ons verder geen reden tot het maken van opmerkingen.
Hoogachtend, De gemeenteraad van Albrandswaard, de griffier,
drs. Leendert Groenenboom
de voorzitter,
drs. Jolanda de Witte