35. 2023-015679 Raadsvoorstel zienswijze op de ontwerpregeling van de GRJR.pdf
Tekst van het document
Voorstel Onderwerp: zienswijze op de ontwerpregeling van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Portefeuillehouder Mieke van Ginkel
College van burgemeester en wethouders 9 januari 2024
Zaaknummer 2023-015679
Openbaar
E-mailadres opsteller: q.maas@albrandswaard.nl
Geadviseerd besluit 1. De raad voor te stellen: De zienswijze (bijlage 3) op de ontwerpregeling van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond vast te stellen en te versturen en daarmee akkoord te gaan met: 1. Het instrument zienswijze niet in te zetten met uitzondering op de bestaande wettelijke procedure rondom de begroting; 2. De evaluatieplicht op te nemen in de regeling met een evaluatie eens in de 4 jaar en duidelijkheid geven wat er onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan; 3. Om de burgerparticipatie te bevorderen de mogelijkheid bieden tot inspreken bij de vergadering van het Algemeen Bestuur en hier een extra artikel over op te nemen in de regeling; 4. De actieve informatievoorziening aan te scherpen met een extra lid in artikel 12.
Raadsvoorstel Inleiding Met ingang van 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Een aantal wijzigingen is in werking getreden op 1 juli 2022, maar vóór 1 juli 2024 moet een deel opgenomen zijn in de diverse gemeenschappelijke regelingen. Bij die laatste wijzigingen zijn veelal ook keuzes te maken. Doel van de wetswijziging is het vergroten van de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen, in het bijzonder het versterken van de controlerende en kader stellende rol van de raden. De Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (hierna GRJR) is een regeling vastgesteld door de raden en colleges. De gemeenteraad heeft op 2 oktober 2023 zijn reactie gegeven op een vijftal vragen over mogelijke aanpassingen met betrekking tot de GRJR. (Zie bijlage 2023-015679 Raadsbesluit Reactie op wijzigingen Wgr bij de GR Jeugdhulp Rotterdam-Rijnmond van 2 oktober 2023). Naar aanleiding van de reacties van alle gemeenteraden heeft de GRJR een concept gewijzigde gemeenschappelijke regeling opgesteld en verzoekt in haar brief van 20 december 2023 (zie bijlage Brief van GRJR over wijziging GRJR) om een zienswijze van de raad. Beoogd effect Met uw zienswijze geeft uw raad sturing aan de inhoud van de gemeenschappelijke regeling. Argumenten 1. Hiermee geeft uw raad sturing aan de inhoud van de gemeenschappelijke regeling.
Bijgaand treft u in de bijlage "Afwegingen en advies over wijzingen GRJR" de afwegingen en advies aan. Hierin zijn opgenomen de onderwerpen die vóór 1 juli 2024 in de regeling moeten zijn opgenomen, de voorgestelde regeling en toelichting van de GRJR en het advies van het college aan de raad. Op basis van dit advies is de zienswijze opgesteld en opgenomen in de bijlage "Zienswijzebrief GRJR nav Wgr." 1.1 Het instrument 'zienswijze niet in te zetten met uitzondering op de bestaande wettelijke procedure rondom de begroting' komt overeen met uw reactie van 2 oktober 2023. 1.2 Door in de zienswijze te vragen duidelijker aan te geven wat onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan kan de raad dit instrument beter inzetten om zo nodig bij te sturen. Uw raad heeft in de reactie van 2 oktober aangegeven een voorkeur te hebben voor een evaluatie iedere twee jaar. In de voorgestelde regeling is nu een evaluatie iedere 4 jaar opgenomen. Door in de zienswijze wel te vragen duidelijker aan te geven wat onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan kan uw raad dit instrument beter inzetten om zo nodig bij te sturen.
In de zienswijze is daarom het verzoek opgenomen de tekst te wijzigen in ‘De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.’ 1.3 Door een extra artikel op te nemen in de regeling wordt de burgerparticipatie en de mogelijkheid bieden tot inspreken bij de vergadering van het Algemeen Bestuur bevorderd. Dit komt overeen met uw reactie van 2 oktober 2023. 1.4 Door de regeling aan te scherpen met een extra lid in artikel 12. wordt de actieve informatievoorziening aangescherpt. Dit komt overeen met uw reactie van 2 oktober 2023. Overleg gevoerd met portefeuillehouder en griffie Kanttekeningen 1. Uw raad heeft in de reactie van 2 oktober aangegeven dat u een raadsadviescommissie in wilde stellen. De mogelijkheid tot oprichting van een gemeenschappelijke adviescommissie staat in de wet en hoeft daarom niet in de regeling te worden opgenomen. 1.2. Uw raad heeft in de reactie van 2 oktober aangegeven een voorkeur te hebben voor een evaluatie iedere twee jaar. Ons advies is akkoord te gaan met de voorgestelde regeling met een evaluatie iedere 4 jaar maar in de zienswijze wel te vragen duidelijker aan te geven wat onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan. In de concept-zienswijze is daarom het verzoek opgenomen de tekst te wijzigen in ‘De raden
2/4
worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.’ Uitvoering/vervolgstappen De zienswijzen van alle raden van de deelnemende gemeenten worden gestuurd naar het dagelijks bestuur van de regeling. Vervolgens zal de GRJR een conceptregeling versturen aan de colleges met het verzoek aan hun raad te vragen of deze toestemming geeft aan het college, de nieuwe regeling vast te stellen. Na de verkregen toestemming stelt het college de regeling vast. Financiën Niet van toepassing voor dit voorstel Inclusiviteitstoets Niet van toepassing op dit voorstel Communicatie/participatie na besluitvorming Niet van toepassing voor dit voorstel
Bijlagen 1. 2023-015679 Raadsbesluit Reactie op wijzigingen Wgr bij de GR Jeugdhulp RotterdamRijnmond.pdf 2. Afwegingen en advies over wijzingen GRJR.docx 3. Brief GRJR over wijziging GRJR.pdf 4. Bijlage Gewijzigde GRJR met wijzigingen.pdf 5. Bijlage Gewijzigde GRJR.pdf 6. 2023 015679 Zienswijzebrief GRJR nav Wgr.doc
3/4
CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: zienswijze op de ontwerpregeling van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond
Gemeenteraad: 26 februari 2024
Zaaknummer:
De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 9 januari 2024,
BESLUIT: 1. De raad voor te stellen: De zienswijze (bijlage 3) op de ontwerpregeling van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond vast te stellen en te versturen en daarmee akkoord te gaan met: 1. Het instrument zienswijze niet in te zetten met uitzondering op de bestaande wettelijke procedure rondom de begroting; 2. De evaluatieplicht op te nemen in de regeling met een evaluatie eens in de 4 jaar en duidelijkheid geven wat er onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan; 3. Om de burgerparticipatie te bevorderen de mogelijkheid bieden tot inspreken bij de vergadering van het Algemeen Bestuur en hier een extra artikel over op te nemen in de regeling; 4. De actieve informatievoorziening aan te scherpen met een extra lid in artikel 12.
4/4
Bijlage 2. Afwegingen en advies over wijzingen in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Inleiding
In deze bijlage leest u onze afwegingen bij de door de regeling voorgestelde wijzingen die voortvloeien uit de recente wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Per onderwerp leest u eerst een korte toelichting op de wetswijziging. Dan wat daarover in de voorgelegde regeling is voorgesteld. Vervolgens leest u de eventuele voor- en nadelen voor de gemeente Ridderkerk en ons advies wat op te nemen in de zienswijze.
Wijzigingen in de regeling a. Zienswijze bij besluiten
In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
Voorgestelde regeling en toelichting
Uit de Wgr vloeit al voort dat besluiten over de begroting, begrotingswijzigingen en de oprichting van eventuele stichtingen voor een zienswijze moeten worden voorgelegd aan de raden. In de voorgestelde wijziging is opgenomen dat er geen extra besluiten zijn waarover de raden eerst een zienswijze moeten geven. Het algemeen bestuur kan wel, als hij dat nodig vindt, voorafgaand aan het nemen van het besluit een zienswijze vragen aan de raden. Het algemeen bestuur bepaalt in dat geval de wijze waarop de zienswijze kan worden gegeven. In de aangeboden stukken is hiervoor geen motivering gegeven.
Advies aan de gemeenteraad
In de beantwoording van de eerdere vragen door de raad (bijlage 2023-015679 Raadsbesluit Reactie op wijzigingen Wgr bij de GR Jeugdhulp Rotterdam-Rijnmond van 2 oktober 2023) heeft de raad laten weten geen reden te zien om dit instrument in te zetten met uitzondering van de bestaande wettelijke procedure rondom de begroting. Dit is opgenomen in de zienswijze.
b. Afspraken over participatie
In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden.
Voorgestelde regeling en toelichting
In de voorgestelde wijziging staat in artikel 31b dat de mogelijkheid tot participatie, als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen niet wordt geopend. De motivering hiervoor is dat de GRJR een beleidsarme regeling is en het bovendien meer voor de hand ligt dat participatie en inspraak verloopt via de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.
1
Advies aan de gemeenteraad
Gelet op de antwoorden door de raad op de eerdere vragen van de GRJR, adviseren wij u in de zienswijze te verzoeken dat het spreekrecht wordt verleend in vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het advies is in uw zienswijze op te nemen: ‘Wij kunnen ons vinden in uw standpunt om geen burgerparticipatie in te zetten. Wel vinden wij het belangrijk om de informatievoorziening naar zowel inwoners als belanghebbenden goed te organiseren. We zijn wel voor het bieden van de mogelijkheid van ‘inspreken’ bij een vergadering van het algemeen bestuur. Daarom verzoeken wij u een artikel op te nemen dat luidt: Belanghebbenden kunnen bij het Algemeen Bestuur inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering met uitzondering van verslagen van vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het reglement van orde stelt in ieder geval regels over aanmelding, toelating en spreektijd.’
c. Informatieplicht: actieve en passieve
Deze actieve informatieplicht bestaat al. In de regeling moeten afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening.
Voorgestelde regeling en toelichting
De actieve en passieve informatieplicht is geregeld in artikel 12 van de regeling. De tekst luidt: “1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De betreffende inlichtingen aan de raden worden schriftelijk verstrekt via de griffies van de gemeenten of via bijeenkomsten waarvoor alle raadsleden van alle deelnemers zullen worden uitgenodigd. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de twee vorige leden bepaalde.”
Advies aan de gemeenteraad
In antwoord op de eerdere vragen heeft de raad verzocht op te nemen dat de gevraagde inlichtingen, zoals genoemd in het tweede lid, ook ter beschikking aan alle raden zouden worden gesteld. Dat is overgenomen. Rest nog wel te herhalen het eerder gedaan verzoek om aan artikel 12 toe te voegen een lid waarin is opgenomen dat de raden van de gemeenten ontvangen c.q .op de hoogte worden gesteld van de vastgestelde verslagen van het algemeen bestuur, de vastgestelde begroting, de vastgestelde jaarrekening met bijbehorende accountantsrapportage, de vastgestelde meerjarenbegroting en het uitvoeringsplan (zie artikel 25 van de regeling).
d. Afspraken over evaluatie
Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt.
Voorgestelde regeling en toelichting
Over evaluatie is in de gewijzigde regeling (artikel 34) opgenomen dat het functioneren van de regeling elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode geëvalueerd wordt door het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie en de wijze van evalueren vast. Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren op elk ander moment als daartoe aanleiding bestaat. De raden worden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van de evaluatie.
2
Advies aan de gemeenteraad
De wijziging is niet gelijk aan de reactie die de raad eerder op dit punt heeft gegeven. Uw raad had de voorkeur voor een evaluatie elke twee jaar. Ons advies is akkoord te gaan met de voorgestelde regeling maar in de zienswijze wel te vragen duidelijker aan te geven wat onder ‘de uitkomsten van de evaluatie’ wordt verstaan. In de concept-zienswijze is daarom het verzoek opgenomen de tekst te wijzigen in ‘De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.’
e. Afspraken over uittreding
Er kan niet langer volstaan worden met de afspraak dat het bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. In ieder geval moeten worden opgenomen afspraken over de gevolgen voor het vermogen, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen.
Voorgestelde regeling en toelichting
In het gewijzigde artikel 29 zijn aan het huidige artikel de volgende leden toegevoegd:
4. De uittreedsom bestaat in beginsel uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten op het moment van uittreding te maken door het lichaam, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding te maken door het lichaam, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Advies aan de gemeenteraad
Een verdere regeling van een uittreding zoals voorgesteld, lijkt ons niet zinvol
f. Aanpassing begrotingscyclus
Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn.
Voorgestelde regeling en toelichting
De termijn voor een zienswijze op de ontwerpbegroting of een ontwerpbegrotingswijziging is, overeenkomstig de wet, aangepast van acht naar twaalf weken. De regeling bevat geen afwijkende termijn voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen.
Advies aan de gemeenteraad
In de toezendbrief is hierover opgemerkt dat dit slechts een technische wijziging betreft. Dit alles geeft geen reden tot het maken van opmerkingen.
g. De instelling van adviescommissies
Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus
3
van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen en behoeft niet in de regeling zelf te worden opgenomen.
Voorgestelde regeling en toelichting
In de toezendbrief is ook opgemerkt dat de mogelijkheid tot oprichting van een gemeenschappelijke adviescommissie in de wet staat en daarom niet in de regeling hoeft te worden opgenomen..
Advies aan de gemeenteraad
Een verzoek tot instellen van een adviescommissie moet gesteund worden door alle raden. Uw raad heeft aangegeven vóór het instellen van een raadsadviescommissie te zijn. De mogelijkheid voor oprichting van een gemeenschappelijke adviescommissie staat in de wet. Er is daarom geen aanleiding daar in uw zienswijze een verdere opmerking over op te nemen.
Andere wijzigingen
In de voorgestelde wijziging zijn ook enkele technische wijzigingen opgenomen. Deze geven geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
4
Aan: Van: Datum: Onderwerp: Bijlagen
De colleges van de deelnemende gemeenten in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond 20 december 2023 Voorstel wijziging Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond 1. Tekst gewijzigde GRJR 2024 2. Tekst gewijzigde GRJR 2024 met wijzigingen aangegeven
Kenmerk: Behandelend ambtenaar: Contactgegevens ambtenaar:
23MO01176 Coördinator GRJR, mw. G.G. Doornweerd GG.Doornweerd@rotterdam.nl
Geacht college, Uw gemeente werkt in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) samen aan de beschikbaarheid van specialistische jeugdhulp, van jeugdbescherming en jeugdreclassering en van een meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd. Kort samengevat met als doel om de politieke controle over gemeentelijke samenwerking te verbeteren en (daarmee) de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. Én het beter in positie brengen van ons bestuur, vooraf en tijdens samenwerkingen. Uiterlijk 1 juli 2024 moeten alle gemeenschappelijke regelingen aan de gewijzigde Wgr zijn aangepast. Het deel van de wet dat rechten geeft aan volksvertegenwoordigers is direct per 1 juli 2022 ingegaan. De UO GRJR heeft de gemeenteraden gevraagd om een reactie op de wezenlijke wijzigingen in de Wgr en wat hun wensen en behoeften zijn voor de GRJR. Mede aan de hand van deze reacties is een wijzigingsvoorstel voor de GRJR tot stand gekomen. Dit gaat om de bepalingen in de gemeenschappelijke regeling op het gebied van zienswijzen (op besluiten anders dan de begroting), evaluatie, participatie en actieve informatieplicht. Uit de Wgr volgt ook een aantal technische wijzigingen.
Dit betreft wijzigingen die geen afweging vergen omdat deze wettelijk zijn voorgeschreven, zoals bepalingen omtrent de begrotingscyclus en de (vermogensrechtelijke) gevolgen van uittreding. De wijzigingen zijn te vinden in de bijgesloten Tekst gewijzigde GRJR 2024.
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond p/a Gemeente Rotterdam Jeugd en Onderwijs Postbus 70014 3000 KS Rotterdam www.jeugdhulprijnmond.nl
1
Wij vragen u het volgende: •
De gewijzigde GRJR 2024 aan uw raad te zenden met verzoek om zienswijze zoals beschreven in artikel 1, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. o De raden kunnen op grond van eerdergenoemde bepaling binnen een termijn van acht weken na ontvangst van de gewijzigde GRJR 2024 hun zienswijze hierover naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen dienen zij het college hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte te stellen.
Met opmerkingen [DG(1]: Wil jij deze passage verbeteren en aanvullen met termijn voor zienswijze en wat er verder nodig is?
Verdere procedure Het proces tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling ziet er beknopt als volgt uit: 1.
voorstel tot wijziging van de GR (= besluit AB)
2a.
besluit colleges tot vaststellen raadsvoorstel zienswijze
2b.
zienswijze gemeenteraden
3a.
besluit colleges tot vaststellen raadsvoorstel toestemming
3b.
toestemming gemeenteraden
4.
besluit colleges tot wijziging GR
5. publiceren wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling (of nieuwe regeling en intrekking oude) door gemeenten
De planning van de specifieke stappen in de tijd is afhankelijk van de vergaderplanning van alle raden in 2024 en van de mogelijkheid om het in die periode ook in de raden te behandelen. Onderstaand de belangrijkste mijlpalen in het proces. •
15 december 2023: voorstel tot wijziging van de GR (= besluit AB)
•
Eind november/december 2024: besluit colleges tot vaststellen raadsvoorstel zienswijze
•
Januari en Februari 2024: zienswijze gemeenteraden en verwerking daarvan
•
Maart 2024: besluit colleges tot vaststellen raadsvoorstel toestemming
•
April en mei 2024: toestemming gemeenteraden
•
Juni 2024: besluit colleges tot wijziging GR
•
Begin juli 2024: wijzigingsbesluit in het AB
•
Juli 2024: publiceren wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling (of nieuwe regeling en intrekking oude regeling) door gemeente Rotterdam, waarna de gewijzigde regeling in werking treedt
2
Namens het algemeen bestuur van de GRJR,
R. Buijt
S. Hammer
Voorzitter
Secretaris/directeur
3
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Geldend van 06-09-2022 t/m heden Intitulé Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 december 2013 (raadsvoorstel nr. 13MO16987); raadsstuk 13GR3602; gelet op: •
artikel 2.8 van de Jeugdwet (gewijzigd voorstel van wet, nr.33684, 17 oktober 2013)
•
artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
besluit: in te stemmen met het besluit van het college om samen met de 15 gemeenten in de regio Rotterdam-Rijnmond de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond te treffen, waarvan de tekst plus toelichting is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 maart 2014. •
De griffier, De voorzitter, J.G.A. Paans A.Aboutaleb Dit gemeenteblad is uitgegeven op 11 maart 2014 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK I Algemene Bepalingen - Begripsbepalingen artikel 1 - Het openbaar lichaam artikel 2
HOOFDSTUK II Doelstelling en taken - Doelstelling artikel 3 - Taken artikel 4 HOOFDSTUK III Het algemeen bestuur - Samenstelling artikelen 5 en 6 - Werkwijze artikelen 7, 8 en 9 - Bevoegdheden artikel 10 - Inlichtingen en verantwoording artikelen 11 en 12 HOOFDSTUK IV Het dagelijks bestuur - Samenstelling artikel 13 - Werkwijze artikel 14 - Bevoegdheden artikelen 15 en 16 - Inlichtingen en verantwoording artikel 17 HOOFDSTUK V De voorzitter - De voorzitter artikelen 18, 19 en 20 HOOFDSTUK VI Ondersteuning bestuur - De secretaris-directeur artikelen 21 en 22 HOOFDSTUK VII Extern klachtrecht - Ombudsman artikel 23 HOOFDSTUK VIII Commissies - Commissies artikel 24 HOOFDSTUK IX Financiële bepalingen - Begroting van het lichaam artikel 25 - Rekening van het lichaam artikel 26 HOOFDSTUK X Geschillen
- Geschillen artikel 27 HOOFDSTUK XI Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing - Toetreding artikel 28 - Uittreding artikel 29 - Wijziging artikel 30 - Opheffing artikel 31 HOOFDSTUK XII Overgangs- en slotbepalingen - Overgangsbepaling artikel 32 - Inwerkingtreding artikel 33 - Slotbepalingen artikelen 34 en 35 HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a.) ‘de regeling’: de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond; b.) ‘het lichaam’: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 2; c.) ‘de gemeente’: een aan deze regeling deelnemende gemeente; d.) ‘subregio’: cluster van twee of meer gemeenten; e.) ‘colleges’: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; f.) ‘bovenlokale taken’: gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet waarvan de deelnemende colleges hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd; g.) ‘de uitvoerende gemeente’: de door het algemeen bestuur aangewezen gemeente die in opdracht van en namens het algemeen of dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van bovenlokale taken. Het openbaar lichaam Artikel 2
1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond. Het is gevestigd te Rotterdam. 2. Het rechtsgebied van het lichaam omvat het grondgebied van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en WestvoorneVoorne aan Zee. HOOFDSTUK II DOELSTELLING EN TAKEN Doelstelling Artikel 3 Het lichaam heeft tot doel te zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet. Taken Artikel 4 In het kader van de doelstelling heeft het lichaam de volgende taken: a. het uitvoeren van de bovenlokale taken door middel van: - het contracteren en/of subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet; de jeugdhulp omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen; de taken worden uitgevoerd met inachtneming van de afspraken die hierover op bovenregionaal of landelijk niveau zijn of worden gemaakt; - het organiseren van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; b.
het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. HOOFDSTUK III HET ALGEMEEN BESTUUR Samenstelling Artikel 5 1. Elk deelnemend college wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid aan voor het algemeen bestuur.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden het dagelijks bestuur aan. Artikel 6 1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van het college. Bij de aanvang van elke zittingsperiode vindt de aanwijzing plaats in een van de eerste vergaderingen van de nieuwe benoemde colleges. 2. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het algemeen bestuur in functie treden. 3. De leden van het algemeen bestuur treden af op het moment van verlies van het wethouderschap of van het voorzitterschap van het college. 4. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, behouden leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.
Werkwijze Artikel 7 Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste drie leden van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoeken. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. Artikel 8 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd. 2. Bij het nemen van besluiten door het algemeen bestuur wordt te allen tijde gestreefd naar consensus. Indien het op hoofdelijke stemming aankomt, brengen de leden voor de gemeente die zij vertegenwoordigen ieder één stem uit, met uitzondering van de leden die een gemeente vertegenwoordigen waarbij het aantal inwoners van onder de 18 jaar meer is dan 10.000. Zij brengen voor elk volgend 10.000-tal, of gedeelte daarvan, één stem meer uit tot een maximum van dertien stemmen per gemeente. 3. Voor de toepassing van het tweede lid gelden de bevolkingscijfers van de gemeenten per 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden de
door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers aangehouden. 4. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet beraadslaagd worden noch een besluit worden genomen over: a.) de vaststelling en wijziging van de begroting; b.) de vaststelling van de rekening; c.) het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling; d.) het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan; e.) benoeming en ontslag van leden van het dagelijks bestuur. 5. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen over het doen van een uitgave voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd. Artikel 9 1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. 2. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt ter kennisneming aan de gemeenten toegezonden. Bevoegdheden Artikel 10 1. Het algemeen bestuur wijst de uitvoerende gemeente aan, besluit over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente en de wijze waarop de hiermee gemoeide kosten worden doorberekend aan de gemeenten (de verrekeningssystematiek) voor de vaststelling van hun financiële bijdrage. 2.
Het algemeen bestuur besluit met unanimiteit van stemmen over de verrekeningssystematiek voor de vaststelling van de financiële bijdragen. 3. Het algemeen bestuur neemt een apart besluit met unanimiteit van stemmen over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente (inclusief de inzet van de secretarisdirecteur). Op basis hiervan wordt een overeenkomst met de uitvoerende gemeente aangegaan en worden bijbehorende mandaten en machtigingen verleend. Bij dit besluit heeft het lid dat namens de uitvoerende gemeente in het bestuur zit geen stemrecht. 4. De colleges dragen de bevoegdheden, ter behartiging van de taken, bedoeld in artikel 4, over aan het algemeen bestuur.
5. Verder behoren alle andere bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, aan het algemeen bestuur. Zienswijze Artikel 10a 1. Er zijn geen besluiten aangewezen waarover de raden van de gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het algemeen bestuur kan indien het dat nodig acht een besluit voorafgaand aan het nemen van het besluit ter zienswijze voorleggen aan de raden van de gemeenten, en bepaalt in dat geval tevens de wijze waarop de zienswijze kan worden gegeven.
Inlichtingen en verantwoording Artikel 11 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door de raad, of een of meer leden daarvan, worden verlangd. Op gelijke wijze dient het lid aan het college van de desbetreffende gemeente inlichtingen te verschaffen.
2. Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het lid de gemeente in dat bestuur heeft vertegenwoordigd. Artikel 12 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten gevraagd en ongevraagd alle informatie inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. De betreffende inlichtingen aan de raden worden schriftelijk verstrekt via de griffies van de gemeenten of via bijeenkomsten waarvoor alle raadsleden van alle deelnemers zullen worden uitgenodigd. << 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de twee vorige leden bepaalde.
Met opmaak: Afstand Na: 0 pt
HOOFDSTUK IV HET DAGELIJKS BESTUUR Samenstelling Artikel 13 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en maximaal vier leden, door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met dien verstande dat het lid van het algemeen bestuur dat door het college van de gemeente Rotterdam is aangewezen in ieder geval deel uitmaakt van het dagelijks bestuur en dat het dagelijks bestuur voor het overige een afspiegeling vormt van de verschillende subregio’s in het rechtsgebied van het openbaar lichaam. 2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur. 3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, vindt het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, plaats uiterlijk één maand na dat openvallen. 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur. Werkwijze Artikel 14 1. Het dagelijks bestuur vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, of ten minste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. 2.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming overgelegd. Bevoegdheden Artikel 15 Het dagelijks bestuur is belast met: a. een voortdurend toezicht op al wat het lichaam aangaat; b. het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd; c. het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;
d. het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang is; e. het beheer van inkomsten en uitgaven van het lichaam; f. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; g. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit. •
1. de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, overeenkomstig de in het kader van artikel 40 van de Archiefwet 1995 geldende regeling (Archiefverordening) van de uitvoerende gemeente;
•
2. de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het bestuur van de regeling gedelegeerde taken.
Artikel 16 1. Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dat bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende bevoegdheden uit, met uitzondering van: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening; c. het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig hoofdstuk XI van deze regeling; d. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan. 2. Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid doet het dagelijks bestuur onverwijld mededeling aan de gemeenten. Inlichtingen en verantwoording Artikel 17 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 4. Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de leden een, twee en drie bepaalde. HOOFDSTUK V DE VOORZITTER Artikel 18 1. Door en uit het algemeen bestuur wordt een voorzitter aangewezen. 2. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur. 3. Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de voorzitter. Bevoegdheden Artikel 19 1. De voorzitter is belast met het bevorderen van een goede behartiging van de zaken van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en van het dagelijks bestuur. 3. Hij tekent alle stukken die van het algemeen of van het dagelijks bestuur uitgaan. 4. Voorts is hij, naast het leiden van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur, belast met: a.
het terstond ter tafel brengen van alle tot het algemeen en/of het dagelijks bestuur gerichte brieven en andere stukken in de vergadering van het orgaan tot welks bevoegdheid het nemen van een beslissing omtrent de daarin behandelde zaak behoort; b. het daadwerkelijk doen uitvoeren van de besluiten van het dagelijks bestuur; c. het zo nodig instellen van een onderzoek, voordat bepaalde zaken ter overweging en beslissing worden voorgelegd aan het algemeen en/of het dagelijks bestuur. Artikel 20 1. De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte.
2. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken, wordt het lichaam door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dit bestuur, vertegenwoordigd. HOOFDSTUK VI AMBTELIJKE ONDERSTEUNING De secretaris-directeur Artikel 21 1. Het algemeen bestuur beslist op voordracht van het dagelijks bestuur en na afstemming met de uitvoerende gemeente omtrent de benoeming, de schorsing en het ontslag van de secretaris-directeur. Het dagelijks bestuur oefent de overige bevoegdheden uit ten aanzien van de secretaris-directeur. De secretaris-directeur is tevens werkzaam bij de uitvoerende gemeente. De secretaris-directeur treft met instemming van het dagelijks bestuur een regeling voor zijn vervanging bij zijn verhindering of ontstentenis. 2. De secretaris-directeur is secretaris-directeur van het algemeen en het dagelijks bestuur. Hij is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of het dagelijks bestuur anders beslist. 3. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris-directeur mede ondertekend. 4. De secretaris-directeur wordt in zijn taakuitoefening ondersteund door ambtenaren van de uitvoerende gemeente. 5.
Ten behoeve van de voorbereiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur en eventueel ingestelde commissies, vindt onder leiding van de secretaris-directeur een ambtelijk overleg plaats waaraan wordt deelgenomen vanuit alle gemeenten. Een gemeente kan besluiten dat zij zich hiervoor laat vertegenwoordigen door een ambtenaar van een andere gemeente binnen een subregio. 6. De secretaris-directeur kan de directeuren van de gemeenten, of een vertegenwoordiging daarvan, verenigd in het directeurenoverleg, om advies vragen over onderwerpen die belangrijke invloed hebben op de bedrijfsvoering van de gemeenten of de strategische keuzes van de gemeenten betreffen. Artikel 22 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de uitvoerende gemeente. 2. De archivaris van de uitvoerende gemeente is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. De secretaris-directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
HOOFDSTUK VII EXTERN KLACHTRECHT Artikel 23 De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK VIII COMMISSIES Artikel 24 1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies aan het algemeen bestuur instellen ten behoeve van de in artikel 4 genoemde taken. 2. Een lid van het dagelijks bestuur fungeert als voorzitter van de commissie. 3. De secretaris-directeur fungeert als secretaris van de commissie. 4. De leden van commissies van advies die geen burgemeester of wethouder zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. HOOFDSTUK IX FINANCIELE BEPALINGEN Begroting van het lichaam Artikel 25 1. Het algemeen bestuur stelt één keer per vier jaar ten behoeve van de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4, sub a, een meerjarenbegroting en -uitvoeringsplan vast, waarbij het eerste jaar samenvalt met het jaar dat volgt het op het jaar waarin de gemeenteverkiezingen worden gehouden. Voor dit besluit is ten minste een tweederde meerderheid van het aantal uit te brengen stemmen vereist. Bij deze begroting wordt dezelfde procedure gevolgd als bij de jaarlijkse in te dienen ontwerpbegrotingen.
Uit de meerjarenbegroting blijkt welke systematiek ten grondslag ligt aan de jaarlijkse doorberekening van de kosten die verband houden met de inkoop van jeugdhulp per gemeente. 2. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting en een toelichting van baten en lasten op voor het volgende kalenderjaar. De begroting is zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten verband houden met de uitvoering van de bovenlokale taken en de ondersteuning vanuit de uitvoerende gemeente en welk deel daarvan vervolgens aan elke gemeente wordt doorberekend.
3. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, doch uiterlijk vóór 15 april, toe aan de raden van de gemeenten. 4. Indien het dagelijks bestuur een groei in het benodigd budget voorziet ten gevolge van veranderd beleid, dan wordt dit door het dagelijks bestuur in een separaat voorstel toegelicht. 5. Het dagelijks bestuur legt dit separaat voorstel acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, voor aan de gemeenteraden. 6. Voor de groei in het budget als bedoeld in het vierde lid is een unaniem besluit nodig van het algemeen bestuur. 7. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient. 8. Het dagelijks bestuur zendt de begroting en de begrotingswijzigingen binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus15 september, aan gedeputeerde staten.
heeft opmaak toegepast: Markeren
9. Het dagelijks bestuur zendt begrotingswijzigingen acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten. Rekening van het lichaam Artikel 26 1. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar de rekening met een bijbehorend verslag van het voorgaande jaar op, waarbij per gemeente inzichtelijk wordt gemaakt welke jeugdhulp is geleverd en wat daarvan de kosten waren. 2. Het algemeen bestuur stelt de rekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.
HOOFDSTUK X GESCHILLEN Artikel 27 In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zullen partijen trachten deze in eerste instantie op te lossen met behulp van mediation. HOOFDSTUK XI TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
heeft opmaak toegepast: Markeren
Toetreding Artikel 28 1. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van toetreding. 2. Aan toetreding kunnen door het algemeen bestuur bepaalde voorwaarden worden verbonden. 3. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot toetreding en de eventuele voorwaarden die hieraan worden verbonden. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 30, derde lid, gaat toetreding in op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop alle colleges van de gemeenten hebben ingestemd met het besluit tot toetreding, tenzij het algemeen bestuur met instemming van de gemeenten colleges anders bepaalt. Uittreding Artikel 29 1. Te allen tijde kan een gemeente besluiten uit deze regeling te treden. Uittreding dient te geschieden bij besluit van het college. De uittreding treedt in werking aan het eind van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het uittredingsbesluit ter kennis is gebracht van het algemeen bestuur of eventueel op een later tijdstip indien een geschil over de uittreding aan de orde is. 2. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden betaald.
Deze toe te rekenen kosten dienen te worden vastgesteld op basis van een advies van een externe accountant en bevatten in ieder geval de volgende elementen: - eventueel nog te verrekenen bedragen, uitgaande van de bestaande systematiek voor berekening van financiële bijdrage per gemeente; - kosten van de uitvoerende gemeente die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding; - kosten in verband met mogelijk doorlopende verplichtingen ten aanzien van aanbieders van jeugdhulp tot levering aan de uittredende gemeente; - overige frictiekosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding. 3. Het algemeen bestuur stelt in overleg met de uittredende gemeente en in overeenstemming met de regels genoemd in het tweede lid van dit artikel, ten minste zes maanden voor het tijdstip van uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Daarbij kan overeen gekomen worden dat de uittredende gemeente bepaalde verplichtingen ten opzichte van derden overneemt, ten einde de kosten van uittreding als bedoeld in het tweede lid te beperken. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, geacht te bestaan.
4. De uittreedsom bestaat in beginsel uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten op het moment van uittreding te maken door het lichaam, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding te maken door het lichaam, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. Wijziging Artikel 30 1. Een voorstel aan de gemeenten tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door ten minste drie gemeenten. 2. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot wijziging van deze regeling. 3. [vervallen] Opheffing Artikel 31 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle gemeenten. 2. Het algemeen bestuur stelt, de raden van de gemeenten gehoord, een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen. 3. De organen van het lichaam blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
Participatie Artikel 31b De mogelijkheid tot participatie als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt niet geopend.
HOOFDSTUK XII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Overgangsbepaling
Artikel 32 Indien en voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de invoering van de Jeugdwet en de uitvoering van de bovenlokale taken, heeft het algemeen bestuur de bevoegdheid om namens de gemeenten hiervoor voorbereidende besluiten te nemen. Inwerkingtreding Artikel 33 1. De regeling vervangt de gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) van 1 mei 2014. 2. Zij treedt in werking op 1 juli 2024. 3. Het college van de uitvoerende gemeente zorgt voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten. 1. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 mei 2014.
heeft opmaak toegepast: Markeren
2. Het college van de uitvoerende gemeente zorgt voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten. Slotbepalingen Artikel 34 1.Twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling, wordt de uitvoeringHet functioneren van de regeling hiervan wordt elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, door het algemeen bestuur geëvalueerd. en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie, alsmede de wijze van evalueren vastbepaalt welke punten in het bijzonder bij de evaluatie zullen worden betrokken. In ieder geval zal die evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming. en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd.
heeft opmaak toegepast: Niet Markeren heeft opmaak toegepast: Niet Markeren heeft opmaak toegepast: Niet Markeren
heeft opmaak toegepast: Niet Markeren
2. Het algemeen bestuur kan voorts besluiten het functioneren van de regeling te evalueren op elk ander moment als daartoe aanleiding bestaat. 3. De raden worden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van een evaluatie. heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) Bolder, 11 pt
Artikel 35 De regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond. Memorie van Toelichting bij de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond
Algemene toelichting De Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond, hierna te noemen: de regeling, regelt de samenwerking tussen de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne Voorne aan Zee inzake de uitvoering van een aantal collegetaken waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn in het kader van de Jeugdwet. Met ingang van 1 januari 2015 gaan zijn de gemeenten Spijkenisse en Bernisse samen ingefuseerd tot de gemeente Nissewaard. Per 1 januari 2023 zijn de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne gefuseerd tot de gemeente Voorne aan Zee. De regeling is congruent met twee andere regelingen, te weten de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s) en GGD Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet publieke gezondheid). In vergelijking met Stadsregio Rotterdam, die voorheen onder meer verantwoordelijk was voor de taken in het kader van de Wet op de jeugdzorg, is het werkgebied van onderhavige regeling uitgebreid met de gemeente Goeree-Overflakkee. In artikel 2.6 van de Jeugdwet is een aantal verantwoordelijkheden van het college aangegeven.
Zo is het college er verantwoordelijk voor dat ‘er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is’ om aan een aantal nader in de Jeugdwet genoemde taken te voldoen. Voorts is in artikel 2.8, eerste lid, Jeugdwet geregeld dat colleges met elkaar samenwerken, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet aangewezen is. Onderhavige regeling is een uitwerking van deze bepaling. Dat komt tot uiting in de doelstelling, zoals verwoord in artikel 3 van de regeling: ‘zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet’. De keuze voor een publiekrechtelijke vorm van samenwerking via de vorming van een openbaar lichaam in het kader van een gemeenschappelijke regeling, heeft te maken met het feit dat het hier om de uitvoering van taken gaat waarmee een groot publiek belang is gemoeid. Omdat met de uitvoering van deze taken veel geld is gemoeid, is er bewust gekozen voor een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, met de mogelijkheid om op eigen naam rechtshandelingen te verrichten en een afscheiden vermogen te creëren. Tegelijkertijd is het streven om onnodige bestuurlijke drukte te vermijden en de uitvoerende taken zo veel mogelijk uit te besteden.
Hierin is voorzien door de bevoegdheid van het algemeen bestuur om een uitvoerende gemeente aan te wijzen, die tevens zorg draagt voor invulling van de secretarisfunctie en de daarmee samenhangende ambtelijke ondersteuning. Bestuurlijke drukte wordt dan in de praktijk beperkt door de vergaderingen van het algemeen te bestuur in de pas te laten lopen met de vergaderingen van het algemeen bestuur van GGD Rotterdam-Rijnmond, gelet op het feit dat het grotendeels om dezelfde personen gaat. Dit in
aansluiting op de huidige praktijk, waarin de portefeuillehouders jeugdzorg dit al doen als adviescommissie (met tevens deelname vanuit Goeree-Overflakkee) ten behoeve van de Stadsregio Rotterdam. De uitgangspunten voor de samenwerking zijn verwoord in een plan van aanpak voor de implementatie van jeugdhulp in de regio Rotterdam-Rijnmond dat in medio 2012 is vastgesteld en de naam ‘Acht is meer dan duizend’ heeft gekregen. Deze titel verwijst naar een oud Nederlands spreekwoord waarmee wordt aangegeven dat een zorgvuldige behartiging van zaken belangrijker is dan het hebben van veel geld. Dit plan van aanpak is gefundeerd op het Programmaplan decentralisatie jeugdzorg 20121015, dat in februari 2012 door de samenwerkende gemeenten is vastgesteld. Regionale taken zijn volgens ‘Acht is meer dan duizend’ aangewezen voor bepaalde vormen van exclusieve individuele jeugdhulp en bij jeugdbescherming en jeugdreclassering. Over de uitwerking hiervan in de regeling: zie hierna de toelichting bij artikel 4. Deze regeling kent veel gelijkenis met de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Het belangrijkste verschil is dat bij de GGD Rotterdam-Rijnmond in de regeling is vastgesteld dat de gemeente Rotterdam in het kader van de Wet publieke gezondheid alle ‘basistaken’ standaard uitvoert (met uitzondering van de taken op het gebied van de jeugdgezondheidszorg).
Daar ligt echter geen overeenkomst aan ten grondslag: de gemeente Rotterdam draagt voor de uitvoering van die taken volledig het bedrijfsrisico, het openbaar lichaam is daarvoor als rechtspersoon juridisch gezien niet aansprakelijk. Bij de onderhavig regeling is echter een andere keuze gemaakt. Daarbij blijft, net als voorheen het geval was bij de uitbesteding van de jeugdzorgtaken door de Stadsregio Rotterdam, het bestuur van de regeling wel eindverantwoordelijk voor de uitvoering van taken. Wat betekent dat over de uitvoering van die taken een overeenkomst dient te worden afgesloten tussen het openbaar lichaam en de uitvoerende gemeente, waarbij het bestuur van het openbaar lichaam via het verlenen van mandaten/volmachten ervoor zorgt dat de uitvoerende gemeente voor de uitvoering van de taken ook de benodigde bevoegdheden krijgt. Aldus is sprake van een vorm van inbesteding, waardoor de door de uitvoerende gemeente geleverde prestaties vrijgesteld zijn van een eventuele verplichting om aan te besteden. Of voor alle prestaties dan ook geen BTW-heffing aan de orde is, staat nog te bezien. Deze regeling is sober opgezet. Nadrukkelijk is er voor gekozen om in de tekst niet datgene te regelen waarin de Wet gemeenschappelijke regelingen al voorziet. In de hiernavolgende toelichting zijn verwijzingen naar die wet wel opgenomen.
Nadere regelgeving kan worden opgenomen in reglementen van orde, om qua werkwijze en procedures zo flexibel mogelijk te kunnen opereren.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 en artikel 2 naamgeving, begripsbepalingen
Met de naam Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond, wordt iets afgeweken van de benamingen van de GGD en de Veiligheidsregio, waarbij de aanduiding ‘RotterdamRijnmond’ is. Zoals hierboven al aangegeven, is de relatie met Rotterdam als uitvoerende gemeente iets anders dan bij de GGD. Bij de GGD is al in de regeling vastgelegd dat de gemeente Rotterdam uitvoerende gemeente is, terwijl in de onderhavige regeling hiervoor een besluit van het algemeen bestuur nodig is, zoals blijkt het de artikel 1, sub g. Artikel 3 doelstelling Zoals hierboven al aangegeven, sluit de doelstelling aan bij hetgeen in artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet is verwoord: ’doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet’ vertaalt zich in een streven naar een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken. Artikel 4 taken Deze taken zijn bovenlokaal, dat wil zeggen aanvullend en in aansluiting op het lokale aanbod, en hebben betrekking op de inkoop voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en jeugdhulp. Om deze taken voldoende te omlijnen, is met name de uitvoering van jeugdhulp nader omschreven. Deze omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen.
Omdat deze taken deels ook bovenregionaal of landelijk worden geregeld, wordt voorts nog aangeven dat ter zake geldende bovenregionale of landelijke afspraken in acht worden genomen. Voorts is de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AHMK) eveneens als taak opgenomen. Door de invoering van de Jeugdwet dienen de functies van de advies- en meldpunten kindermishandeling en van de steunpunten huiselijk geweld te worden samengevoegd. Via deze bepaling voldoen nu alle 16 deelnemende gemeenten aan de verplichting om dit zo te regelen. Daarnaast is nog als taak opgenomen het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. Dit is conform de gegroeide praktijk van de wethouders Jeugd van de deelnemende gemeenten in het zogenaamde portefeuillehoudersoverleg van de Stadsregio Rotterdam. Hierbij wel de kanttekening dat met invoering van de Jeugdwet elke gemeente voortaan een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de beleidsvorming in het kader van de Jeugdwet, waar deze voorheen in het kader van de Wet op de jeugdzorg bij de Stadsregio Rotterdam lag. Niettemin blijft behoefte aan afstemming, zoals ook bij de GGD waar dit wordt aangeduid als een ‘platformfunctie’.
Artikel 5 het algemeen bestuur
Artikel 13, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Dit artikel is ook van toepassing als de regeling uitsluitend wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders (art. 13, zesde lid, Wgr). Echter met dien verstande dat in dat geval men artikel 13, eerste lid tot en met vijfde lid, zo moet lezen dat waar ‘gemeenteraad’ staat ‘college van burgemeester en wethouders’ moet worden gelezen. Aangezien in onderhavige regeling uitsluitend collegebevoegdheden betreft, heeft dit tot gevolg dat de leden van het algemeen bestuur door en vanuit de colleges worden aangewezen. Artikelen 7, 8, 9 werkwijze van het algemeen bestuur In artikel 8 is expliciet opgenomen dat bij het nemen van besluiten wordt gestreefd naar consensus. Dit sluit aan bij de ervaringen van bestuurders tot dusver bij de GGD en het portefeuillehoudersoverleg Jeugdzorg, waarbij het nog nooit op stemmen aan is gekomen.