34. 795170 Raadsvoorstel bestemmingsplan Smitshoek 7.pdf
Tekst van het document
Voorstel Onderwerp: Bestemmingsplan Smitshoek 7
College van burgemeester en wethouders 9 januari 2024
Portefeuillehouder Richard Polder E-mailadres opsteller: c.d.klerk@bar-organisatie.nl
Geadviseerd besluit 1. Vast te stellen het bestemmingsplan 'Smitshoek 7' te Rhoon (plan id code NL.IMRO.0613.BPSmitshoek7-VST1) 2. Geen exploitatieplan vast te stellen
Zaaknummer 795170
Openbaar
Raadsvoorstel Inleiding Dit ruimtelijk initiatief is als markt initiatief aan de raad gepresenteerd. Het gaat om het bouwen van 2 nieuwe vrijstaande woningen en het herinrichten van het perceel Smitshoek 7 te Rhoon. Daarvoor worden de bestaande verouderde woning en alle andere opstallen op het perceel gesloopt. Deze zijn in slechte staat. Door de sloop kunnen 2 vrije kavels worden gecreëerd voor 2 vrijstaande woningen die passen in het stedenbouwkundig karakter van de wijk Portland. De raad is akkoord gegaan met de ruimtelijke randvoorwaarden en is de ontwikkelovereenkomst aangegaan. Daarop is het publieke traject van het doorlopen van een bestemmingsplan ingezet. Het ontwerpbestemmingsplan is opgesteld en voor 6 weken ter inzage gelegd waarbij gelegenheid is geboden een zienswijze in te dienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het college heeft als bevoegd gezag een actueel planologisch juridisch kader voor deze wenselijke ontwikkeling voorbereid. Vastgesteld kan worden dat de aangeleverde stukken passend zijn binnen de afspraken en door de raad vastgesteld kader. Het is nu aan de raad, het bevoegd gezag, om het bestemmingsplan vast te stellen. Beoogd effect De bouw van 2 vrijstaande woningen op perceel Smitshoek 7 te Rhoon mogelijk maken. Het vestigen van een actueel planologisch juridisch kader.
Argumenten 1.1 Het ontwerpbestemmingsplan ‘Smitshoek 7’ is op basis van de door de raad overeengekomen ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld. De raad heeft ingestemd met het initiatief en daarbij het college opgedragen het plan verder in procedure te brengen. Het plan voldoet aan de voorwaarden doordat er 2 nieuwe woningen in een bepaalde inrichting en volgend de richtlijnen van beeldkwaliteitseisen worden gecreëerd. 1.2 Het college is bevoegd het ontwerpbestemmingsplan in procedure te brengen De initiatiefnemer heeft het ontwerpbestemmingsplan op basis van de door de raad overeengekomen ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld. Het college heeft het plan verder in procedure gebracht. Het ontwerpbestemmingsplan is voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden zienswijzen in te dienen. Er zijn geen zienswijzen die in behandeling genomen behoeven te worden. 1.3 het plan is een kwalitatieve inpassing passend in de omgeving Verouderde panden worden gesloopt om plaats te maken voor een meer passende invulling. Dit voorstel levert een extra woning op en heeft weinig fysieke impact op de omgeving.
Door de sloop van de verouderde woning en schuur en de gestelde eisen met betrekking tot de uitstraling van de nieuwbouw en inrichting van het perceel voor deze ontwikkellocatie aan de SmitshoeK 7 te Rhoon, ontstaat op termijn een duurzaam hoogwaardige dorpse omgeving. 1.4 Het voorstel heeft draagvlak in de omgeving. De initiatiefnemer heeft het voorstel met de omgeving afgestemd. Er blijkt veel draagvlak voor de plannen. De huidige situatie met leegstaande en deels vervallen opstallen hebben een negatieve invloed op de omgeving. Deze ontwikkeling is een duidelijke verbetering van de situatie. 1.5 Externe Veiligheid is onderzocht en vormt geen risico De locatie ligt binnen het invloedsgebied van diverse risicobronnen, waarvan onder andere ook twee hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie. Gebruik is gemaakt van de door de Gasunie goed gekeurde bron gegevens en is de zogenoemde Carola-berekening uitgevoerd. Volgens dit rapport (bijlage) vormen de hogedruk gasleidingen geen belemmering voor de nieuwe woningen. De Gasunie heeft geen bezwaar tegen het initiatief. 1.6 De gemeenteraad is bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen. De gemeenteraad is bevoegd gezag het bestemmingsplan vast te stellen. Vastgesteld kan worden dat het plan past binnen de ruimtelijke randvoorwaarden. Geen zienswijzen hoeven in behandeling genomen te worden.
De raad kan het plan ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan ongewijzigd vaststellen. 2.1 Het kostenverhaal is via een getekende anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar en de particuliere grondbezitter al verzekerd. Er hoeft daarom geen exploitatieplan, zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening, opgesteld en vastgesteld te worden, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn.
2/4
Overleg gevoerd met Gasunie, Waterschap, Projectleider Marktinitiatieven; Buurt/Omwonenden, Stedenbouw Kanttekeningen nvt Uitvoering/vervolgstappen Het besluit van de raad tot vaststellen van het bestemmingsplan Smitshoek 7 wordt bekendgemaakt en ter inzage gelegd voor 6 weken. Tegen dit besluit staat beroep open bij de Raad van State. Bij geen beroep kunnen de omgevingsvergunningen voor de bouwplannen na de termijn van ter inzagelegging worden verleend. Financiën De gemeentelijke kosten zijn anderszins verzekerd via een ontwikkelingsovereenkomst. Inclusiviteitstoets nvt Communicatie/participatie na besluitvorming Bekendmaken en ter inzage leggen van het vaststellingsbesluit (6 weken). In behandeling nemen en (bij geen beroep) verlenen van de omgevingsvergunning.
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Verbeelding OBP Smitshoek 7.pdf Regels OBP Smitshoek 7.pdf Toelichting OBP Smitshoek 7.pdf Toelichting OBP Smitshoek 7 bijlagen 1-2.pdf Toelichting OBP Smitshoek 7 bijlagen 3-5.pdf Rapport Externe Veiligheid
3/4
CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Bestemmingsplan Smitshoek 7
Zaaknummer:
De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 9 januari 2024, gelet op Wet ruimtelijke ordening overwegende, dat Het bestemmingsplan een herontwikkeling toestaat waarbij, ter vervanging van bestaande bebouwing, 2 vrijstaande woningen worden teruggebouwd; Het bestemmingsplan op basis van de door de raad geaccordeerde ruimtelijke planvisie is opgesteld; Met ingang van 29 september 2023 gedurende zes weken (tot en met 9 november 2023) voor een ieder ter inzage heeft gelegen, het ontwerpbestemmingsplan ‘Smitshoek 7’ ( NL.IMRO.0613.BPSmitshoek7-ONT1); Iedereen gedurende deze periode zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren kon brengen; Daarvan kennis is gegeven door publicatie in het elektronisch Gemeenteblad en huis-aan-huisblad De Schakel van 29 september 2023 en door plaatsing op de gemeentelijke website; Er binnen de inzagetermijn van 6 weken geen zienswijze zijn ontvangen;
BESLUIT: 1. Vast te stellen het bestemmingsplan 'Smitshoek 7' te Rhoon (plan id code NL.IMRO.0613.BPSmitshoek7-VST1)
2. Geen exploitatieplan vast te stellen
4/4
23
52
3270
Legenda
13
5165
3257
11
3155
1567
3271
5161
3319
15
3551
13
3156
5162 5173
3258
11
5163
k shoe Smi t
17
Sa
Enkelbestemmingen
8480
WS-WK
5164
2267
of
19
2269
8468
9a
1334
5171
3,5
W
5169 5177
5178
8536
1128
WS
5174
8712
6
9
8690
T
7312
Waterstaat - Waterkering
(os)
ontsluiting
(p)
parkeerterrein
Bouwvlakken bouwvlak
8694
8709
8700
Maatvoeringen
8707
3,5 9
12
maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)
8705
5179 3324
Waterstaat
8714
8
8713
10
6
Waarde - Archeologie 1
Functieaanduidingen
WR-A1
3,5
3264
Dubbelbestemmingen WS-WK
4281
(os) 5175
Wonen
9
(p)
3260
3263
W
WS
3322
3265
Tuin
WR-A1
5172
5176
T
8481
3259 5170
Plangebied
9
6181
sh
3550
n lr aa ffie
21
Be v
3321
er
50
5180
8711
14
8701
Bestemmingsplan:
8688
16
5182
8695 4410
18
Beve
8687
8704 8691
20
22 24
4566 8702
Smitshoek 7 Rhoon Gemeente Albrandswaard
rshof
Datum:
WDK
26-09-2023
Formaat:
Schaal:
A3
1:500
Tekeningnummer: NL.IMRO.0613.BPSmitshoek7-ONT1
GIS/CAD Ondersteuning en software
Opdrachtgever: Gijsbert Gebiedsontwikkeling Status: ontwerp
Get.:
Noordpijl
Dalenstraat 4B, 5466 PM Eerde E-mail: info@bragis.nl Web: www.bragis.nl
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 Artikel 6 Waterstaat Artikel 7 Waterstaat-Waterkering Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Parkeren Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Artikel 14 Algemene procedureregels Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 15 Overgangsrecht Artikel 16 Slotregel
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Smitshoek 7' van de gemeente Albrandswaard; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0613.BPSMITSHOEK7-ONT1 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3 aanbouw een direct met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aangebouwd bijgebouw een indirect met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw dan wel in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9 bed-and-breakfast een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit,
ondergeschikt aan de betreffende bestemming, met een maximum verblijfsduur van 6 weken. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid, zonder kookgelegenheid; 1.10 bedrijfsmatige activiteiten
het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen zakelijke dienstverlening of een seksinrichting zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; 1.11 begane grond de eerste bouwlaag van een gebouw; 1.12 beroepsmatige activiteiten een beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.13 bestaand: a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan danwel gebouwd is of kan worden krachtens een verleende vergunning voor het bouwen; b.
gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals krachtens een vergunning voor het gebruik is toegestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 1.14 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht en qua afmeting ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.17 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.19 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond
en met uitsluiting van onderbouw, een ondergrondse of halfverdiepte parkeerlaag of een zolder; 1.20 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel; 1.22 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.23 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25 dienstverlening met detailhandel vergelijkbare activiteiten die gericht zijn op het verlenen van diensten aan of ten gerieve van particulieren, zoals kapsalons, reisbureaus en bankfilialen en daarmee naar de aard vergelijkbare vestigingen; 1.26 erfbebouwing uitbreiding woonruimte en of bijgebouwen al dan niet aangebouwd; 1.27 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
ruimte vormt; 1.28 geluidsgevoelig object woningen, alsmede gebouwen en terreinen als bedoeld in artikel 4, lid 2 en artikel 7, lid 3 van het "Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen" zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan; 1.29 gevoelig object object waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven; 1.30 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.31 horeca-activiteiten een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf, op het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. De volgende specifieke vormen worden onder horeca begrepen. Bij de begrippen is een klassenindeling aangegeven welke in hoofdschriften wordt gebezigd; 1. hotel: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; 2. restaurant: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruikt ter plaatse en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; 3. dagzaak: een horecabedrijf, dat qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 21.00 uur heeft, zoals een dagcafé, lunchroom, koffieshop en ijssalon; 4. cafetaria: een bedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kleine eetwaren, niet zijnde maaltijden waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 5.
cafés, bars, avond- en nachtgelegenheid: een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en het gelegenheid bieden voor dansen en waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 1.32 kantoor een gebouw of een gedeelte daarvan dat door zijn indeling en inrichting geschikt is om uitsluitend te worden gebruikt voor administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met een baliefunctie; praktijkruimten worden hieronder mede begrepen; 1.33 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.34 praktijkruimte
een beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte voor beoefenaren van vrije (aan huis gebonden) beroepen, zoals medische, para-medische, administratieve en daarmee vergelijkbare beroepen, zulks met uitzondering van seksinrichtingen; 1.35 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.36 straatmeubilair bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals: a. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; c. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een hoogte van ten hoogste 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; d.
afvalinzamelsystemen; 1.37 uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, dat een vergroting van de bestaande ruimte in dat hoofdgebouw is en direct daarmee in open verbinding staat; 1.38 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.39 waardevolle boom bomen die door grootte, vorm en verschijning onvervangbaar zijn voor het karakter van de omgeving. 1.40 Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan; 1.41 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4 de hoogte eerste bouwlaag wordt gemeten 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van de woning. 2.5 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting': ontsluiting ten behoeve van de woningen;
c. water; d. groenvoorzieningen; 3.2 Bouwregels Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat: a.
b.
bij iedere woning aan de voorgevel een entree-, tochtportaal en/of erker mag worden gebouwd, waarbij; 1. de grondoppervlakte niet meer dan 2 m2 bedraagt; 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bijbehorende woning; 3. de afstand van het gebouw tot de naar de openbare ruimte toegekeerde perceelsgrens ten minste 1 m bedraagt; voor het overige uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1 m.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Entree, tochtportaal en/of erker Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 binnen de bestemming voor het bouwen aan de zijgevel van een entree, tochtportaal en/of erker met dien verstande dat: 1. de grondoppervlakte niet meer bedraagt dan 2 m2; 2. de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bijbehorende woning; 3. de afstand van het gebouw tot de naar de openbare ruimte toegekeerde perceelsgrens ten minste 1 m zal bedragen; 4. de naast een woning bestaande parkeergelegenheid op eigen erf behouden blijft. 3.3.2 Overige bouwwerken Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 binnen de bestemming voor het bouwen van overige bouwwerken met een bouwhoogte van maximaal 3 m, mits: a. geen aantasting plaatsvindt van de gewenste stedenbouwkundige structuur; b. het bouwplan geen afbreuk doet aan de belangen van omwonenden (bezonning, privacy).
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan de functie onder a gebonden parkeervoorzieningen en erftoegangswegen; c. tuinen en erven; d. groenvoorzieningen en water.
4.2 Bouwregels Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 10 meter; c. de goothoogte van hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 4 meter; d. de dakhelling van hoofdgebouwen tussen de 40 tot 55 graden moet zijn gelegen; e. het aantal woningen binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan één; f. bij iedere woning aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd mits: 1. de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer bedraagt dan 75 m2; 2. de bouw van uitbreidingen van de woonruimte en/of praktijkruimten dient altijd aan de woning te geschieden; 3. voor aangebouwde bijgebouwen en/of uitbreidingen van de woonruimte mag de goothoogte niet meer bedragen dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van de bijbehorende woning tot een maximum van 3,5 m en de bouwhoogte niet meer bedragen dan 7 m; g. met betrekking tot de overige bouwwerken geldt dat de bouwhoogte van overige bouwwerken mag bedragen: 1. 2,70 m voor pergola's; 2. 2,00 m voor erf- en terreinafscheidingen; 3. 3,00 m voor andere overige bouwwerken. 4.3 Specifieke gebruiksregels Binnen het bouwvlak is een bed-and-breakfast toegestaan, met dien verstande dat: a.
de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 50% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de hoofdbebouwing; b. nabijgelegen percelen niet in onevenredige mate hinder mogen ondervinden; c. het aantal slaapverblijven maximaal 7 bedraagt; d. bij de slaapverblijven geen zelfstandige kookgelegenheden zijn toegestaan; e. een nachtregister moet worden bijgehouden; f. het maximale oppervlakte per slaapverblijf niet meer dan 30 m² mag bedragen; g. het nachtverblijf niet mag plaatsvinden in vrijstaande bijgebouwen; h. voorzien wordt in 1 parkeerplaats per slaapverblijf op eigen terrein. Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie en Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. 5.2 Bouwregels
5.2.1 Primair Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van niet meer dan 3 m. 5.2.2 Secundair Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd indien voldaan wordt aan een van de volgende voorwaarden: Bestemming maximale diepte maximaal oppervlakte Archeologie 1 100 cm 200 m2 5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2, ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, onder de voorwaarde, dat archeologische waarden niet worden geschaad. 5.3.2 Advies Alvorens een omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen, aan burgemeester en wethouders hieromtrent een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige te overleggen. 5.3.3 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch (voor)onderzoek; c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een door de gemeente aan te wijzen op archeologisch gebied deskundige. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders graafwerkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die niet voldoen aan de volgende voorwaarden: Bestemming maximale diepte maximaal oppervlakte Archeologie 1 100 cm 200 m2 5.4.2 Uitzondering een omgevingsvergunning geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en werkzaamheden welke in uitvoering waren ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan.
5.4.3 Toelaatbaarheid een omgevingsvergunning wordt verleend indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 5.4.4 Advies Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan burgemeester en wethouders hieromtrent een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige te overleggen. 5.4.5 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning worden de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch (voor)onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. Artikel 6 Waterstaat De voor 'Waterstaat' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterstaatsdoeleinden. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Primair Op de in lid 6.1mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van niet meer dan 10 m. 6.2.2 Secundair Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mogen geen bouwwerken worden gebouwd.
6.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.2 voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten; b. alvorens omgevingsvergunning te verlenen schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap. Artikel 7 Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de waterkering. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Primair
Op de in lid 7.1 mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van niet meer dan 10 m. 7.2.2 Secundair Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 7.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen onder de voorwaarden dat: a. de waterkerende belangen dit toelaten; b. alvorens omgevingsvergunning te verlenen schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap.
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1 Ondergronds bouwen 9.1.1 Algemeen De regels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze uitsluitend is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen; b. gebouwd mag worden tussen peil en 4 m onder peil; 9.1.2 Afwijken Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1.1 onder a ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bestaande, bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van kelders bedraagt ten hoogste 0,1 m beneden peil; b. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m, met dien verstande dat in geval van kelderbouw in belendende percelen in de zijperceelgrens mag worden gebouwd; c. kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels 10.1 Algemeen verbod op strijdig gebruik
Het is ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming. 10.2 Bijzonder gebruiksverbod 10.2.1 Opslag Onverminderd het bepaalde in lid 10.1 is het in ieder geval verboden onbebouwde gronden te gebruiken voor: a. het storten of het lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; b. het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer-en vaartuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; c. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens. 10.2.2 Seksinrichting Onverminderd het bepaalde in lid 10.1 is het in ieder geval verboden bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting, sekswinkel en voor detailhandelsdoeleinden, tenzij in het bestemmingsplan anders is bepaald. 10.3 Uitzonderingen gebruiksverbod 10.3.1 Beroepen aan huis Het bepaalde in lid 10.1 is niet van toepassing op het medegebruik van woningen en/of aangebouwde bijgebouwen als praktijkruimte voor beroepsmatige activiteiten, is toegestaan mits: a. de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij geldt dat de brutovloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m²; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; c.
in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein; e. de beroepsmatige activiteiten geschieden door degene die op het perceel woonachtig is; f. er, behoudens een beperkte kleinschalige verkoop in direct verband met de beroepsmatige activiteiten, geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; 10.3.2 Uitzonderingen voor opslag Het bepaalde in lid 10.2.1 is niet van toepassing op: a. het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden; b. de opslag van goederen in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering; c. het opslaan of storten van afval- en meststoffen, voor zover noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden en de watergangen. 10.4 Afwijken van de gebruiksregels 10.4.1 Bedrijf aan huis Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1 ten behoeve van het medegebruik van woningen en/of aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten, mits:
a. de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij geldt dat de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m²; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; c. in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; d. de bedrijfsuitoefening geschiedt door degene die op het perceel woonachtig is; e. er, behoudens een beperkte kleinschalige verkoop in direct verband met de bedrijfsmatige activiteiten, geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; f. er geen vergunningplichtige activiteiten op grond van de Wet milieubeheer mogen plaatsvinden. Artikel 11 Parkeren 11.1 Algemeen 1. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein minimaal twee parkeerplaatsen per perceel zijn voorzien en in stand worden gehouden. 2. Bij omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormen voor auto's en fiets in het Handboek Verkeersmaatregelen, behorende bij het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan Albrandswaard, bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
11.2 Afwijkingsbevoegdheid 11.2.1 Laden en lossen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de eis dat parkeren en/of laden en lossen op eigen terrein dient plaats te vinden en van de parkeernormen zoals opgenomen in het Handboek Verkeersmaatregelen. 11.2.2 Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12.1: a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien. 11.2.3 Voorwaarden Afwijken van de regels, als bedoeld in artikel 11.2.2 is slechts mogelijk, indien: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de parkeersituatie in de openbare ruimte en de woon- en leefsituatie. b. wanneer andere belangen zwaarder wegen dan het verkeerskundige belang. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien maatschappelijke, sociale en/of economische belangen zwaarder wegen dan het verkeerskundige belang. c. als de parkeerdruk tijdelijk of voor langere tijd boven de verkeerskundig wenselijke en aanvaardbare grens van 90% oploopt, worden de gevolgen daarvan afgewogen tegen de voordelen die het bouwplan oplevert.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels 12.1 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen in de regels ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. het in geringe mate aanpassen van het plan, zoals een bestemmingsgrens, een bouwgrens of een aanduiding te veranderen, indien bij de definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze nadere bepaling of aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk gewenst of noodzakelijk is waarbij: 1. de grenzen met niet meer dan 2 m mogen worden verschoven; 2. de grenzen met niet meer dan 5 m mogen worden verschoven; indien burgemeester en wethouders toepassing wensen te geven aan deze bepaling dient de procedure te worden gevolgd als omschreven in artikel 13.1; b. het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 10% mag worden afgeweken; met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken geldt, dat: 1. geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet; 2.
de omgevingsvergunning voor het afwijken slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welke 'als recht' zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze bepaling op een eerder verleende omgevingsvergunning voor het afwijken ten aanzien van de bouwnorm is niet toegestaan; 3. het oprichten van andere bouwwerken, zoals antenne-installaties en vlaggenmasten, met een bouwhoogte van niet meer dan 20 m. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels 13.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan te wijzigen, indien aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. een enigszins andere situering en/of begrenzing van bouwpercelen, dan wel bestemmingsvlakken, bouwgrenzen en/of aanduidingen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, op voorwaarde, dat de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, bestemmingsvlak dan wel bouwvlak met niet meer dan 10 m mag worden verschoven én de vergroting van het vlak niet meer dan 10% bedraagt; b.
het afwijken van voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met niet meer dan 30% mag worden afgeweken, op voorwaarde, dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet; de wijzigingsbevoegdheid slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welk als recht zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze bepaling op een eerder verleende omgevingsvergunning voor het afwijken en/of wijzigingsbepaling ten aanzien van de bouwnormen is niet toegestaan;
Artikel 14 Algemene procedureregels 14.1 Procedureregels afwijken bij omgevingsvergunning Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor afwijken is de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 15 Overgangsrecht 15.1 Overgangsrecht bouwwerken 15.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 15.1.2 Afwijken Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 15.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 15.1.1 met maximaal 10%.
15.1.3 Uitzondering Lid 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 15.2 Overgangsrecht gebruik 15.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 15.2.2 Veranderen strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 15.2.3 Onderbreken strijdig gebruik Indien het gebruik, bedoeld in het lid 15.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 15.2.4 Uitzondering
Lid 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 16 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Smitshoek 7'
Toelichting Bestemmingsplan Smitshoek, Rhoon
Versie: 23 mei 2023
Inhoud 1.
INLEIDING.............................................................................................................................. 3
2.
PLANBESCHRIJVING ............................................................................................................... 5
3.
RUIMTELIJKE ORDENING...................................................................................................... 10
4
NATUUR EN LANDSCHAP ..................................................................................................... 18
5
WATER ................................................................................................................................ 21
6
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .................................................................................. 24
7
MILIEU................................................................................................................................. 25
8
UITVOERBAARHEID.............................................................................................................. 35
Bijlagen ........................................................................................................................................ 38
2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het plan
Aanleiding Aan de Smitshoek 7 in Rhoon bestaat het voornemen om op een gedeeltelijk onbebouwd perceel twee woningen met tuin, ontsluiting en parkeervoorziening te ontwikkelen. Om deze nieuwe opzet te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een nieuw planologisch kader voor de ontwikkeling van de nieuwe woonkavels. Doel Het beoogde stedenbouwkundige plan past niet binnen de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met voorliggend nieuw bestemmingsplan wordt de gewijzigde opzet in juridisch- planologische zin mogelijk gemaakt. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de open ruimte behorende bij het erf van Smitshoek 7 in Rhoon (perceelnummers 1128 en 3156). Er staat een te slopen woning op het erf. De begrenzing wordt gevormd door de watergang achter de woonkavels en de Bevershof. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. De globale ligging van het plangebied is op navolgende afbeelding weergegeven.
Figuur: ligging plangebied (Bron: Googlemaps)
3
1.3 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. Hoofdstuk 3 tot en met 7 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor de wijziging en gaat in op, onder andere, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, mobiliteit, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond en wordt ook ingegaan op het overleg- en inspraaktraject.
4
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Bestaande situatie De Smitshoek komt al voor op de topografische kaart van 1815. De eerste bebouwing aan de Smitshoek dateert van omstreeks 1880. De bestaande woning en het bijgebouw in het plangebied ligt achter deze bebouwing en komt voor het eerst voor op topografische kaart van 1974. De Beverhof ontsluit de woning en deze weg is terug te vinden op de kaart van 1963. Tot die tijd lag hier een watergang. Op dit moment bevinden zich in het plangebied een woning, bijgebouw, tuin en een ontsluitingsweg.
Figuur: Bestaande situatie aan de Achterdijk Planologische situatie Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Portland’ gemeente Albrandwaard, vastgesteld op 14 februari 2014’. De gronden zijn bestemd met de bestemmingen en Wonen. Daarnaast kent het plangebied momenteel de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie-1’, ‘Waterstaat’ en ‘Waterstaat-Waterkering’. Ter plaatse is ten hoogste één woning toegestaan. De voorgeschreven bouwhoogte is 7 meter en de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen. Omdat de ontwikkeling van twee woningen niet past binnen het geldende bestemmingsplan wordt met dit bestemmingsplan een nieuwe planologisch kader gemaakt.
5
Figuur: Vigerende planologische situatie (in rood de globale begrenzing) bron: www.ruimtelijkeplannen.nl 2.2 Ontwikkelingen In deze paragraaf is de toekomstige ontwikkeling in het plangebied beschreven. De beoogde situatie voor het plangebied is in navolgende afbeelding weergegeven.
Figuur: beoogde ontwikkeling vanaf de Beverhof (bron: Lex Bruns) Het plan bestaat uit twee kavels en een mandelig terrein waarop de gezamenlijke ontsluitingsweg en een gezamenlijk erf wordt gerealiseerd. De ontsluitingsweg takt aan op 6
Beverhof. Het parkeren vindt plaats op de eigen kavels. Het perceel wordt als één geheel ontwikkeld. 2.3 Juridische aspecten De gewenste ontwikkeling van het plangebied zoals beschreven in vorige paragraaf, is juridisch vertaald in de planregels en de planverbeelding. In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op deze juridische vertaling. 2.3.1 Planmethodiek Bij de bestemmingsplanmethodiek is aangesloten op recent vastgestelde bestemmingsplannen in de gemeente Albrandswaard die over Wonen handelen. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn de begrippen verklaard die gebruikt worden in hoofdstuk 2 en 3. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.
Tuin De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen voor het deel rond de woonbestemming om een groene overgang naar het omliggende gebied te waarborgen. De tuinen dragen bij aan het groene karakter van Rhoon. Bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. Binnen de bestemming ‘Tuin’ is het tevens mogelijk water te realiseren. Wonen De nieuwe woningen zijn bestemd als ‘Wonen’. Bij deze bestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Buiten de bouwvlakken zijn bijgebouwen en overkappingen toegestaan. De bouwregels voor de betrokken woningen en de erfbebouwingsregeling zijn in de bestemming opgenomen. Naast wonen is tevens praktijkruimte toegestaan (het gebruik ten aanzien van praktijkruimte is geregeld in de algemene gebruiksregels). Tot slot is een bed-and-breakfastregeling toegevoegd.
7
Waarde - Archeologie - 1 Voor het plangebied (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor alle bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 100 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter. Waterstaat en Waterstaat-Waterkering De bestaande bestemmingen Waterstaat en Waterstaat-Waterkering blijven gehandhaafd. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt een aantal voorbeelden genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd.
Ook is een bepaling opgenomen welke moet zorgdragen dat bij nieuwe ontwikkelingen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Algemene aanduidingsregels Aanvullend op de (algemene) bouwregels gelden bijzondere bouwbepalingen die met een aanduiding in de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Binnen het plangebied gaat het om de geluidzone industrie. Deze aanduiding ligt over alle deelgebieden heen. De bouw van geluidsgevoelige objecten is in de deelgebieden alleen toegestaan indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde normen. Ook zijn er aanduidingen opgenomen wat betreft de instandhouding van het bestaande groen en de aanwezige bomen op het perceel. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.
8
Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan een in dit plan opgenomen afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheid. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.3.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten).
Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
9
3.
RUIMTELIJKE ORDENING
3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend plangebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Nieuwe ladder Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.
Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 10
‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee woningen. Het geldende bestemmingsplan staat al één woning toe, waarmee er feitelijk één woning wordt toegevoegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De voorliggende ontwikkeling is daarom niet ladderplichtig. Deze ontwikkeling past daarnaast binnen de woningbehoefte die geldt voor de gemeente Albrandswaard volgens de woningbehoefteraming 2019 van de Provincie Zuid-Holland.
In de periode 2019-2030 wordt een groei van de woningbouwbehoefte in de regio Rotterdam van 51.310 woningen geprognotiseerd, waarvan 650 woningen in de gemeente Albrandswaard. De voorliggende ontwikkeling lijkt op basis van deze prognoses, passend binnen de woningbouwbehoefte zoals bepaald door de Provincie Zuid-Holland. 3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie ZuidHolland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de 11
provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; 2. De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; 3. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur en ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei’.
Richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen 12
en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. Daarnaast is het gebied aangeduid als ‘Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen’. Ontwikkelingen in deze gebieden houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Zeekleipolder- landschap’ en ‘Rivierdeltalandschap’. Richtpunten in veenlandschappen zijn: • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.