CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

32. Raadsinformatiebrief 2024-008067 inzake definitief plan en aangaan ontwikkelingsovereenkomst marktinitiatief Villa Maja, Rijsdijk 8 te Rhoon.pdf

Gemeenteraad AW 3 februari 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken14.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het aspect bodem vormt daardoor geen milieuhygiënische belemmering voor de beoogde functie op de locatie.

5.7 Omgevingsveiligheid Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen. 5.7.1 Onderzoek Aan de hand van de atlas van de leefomgeving is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen rondom het projectgebied. Tot op circa 120 meter ten noorden van het projectgebied is een PR-contour voor groepsrisico gelegen. Het projectgebied ligt buiten de invloedsfeer van deze risico contour. In de nabijheid van het plangebied zijn geen andere risicobronnen aanwezig.

Voorgenomen ontwikkeling voegt geen risicobron toe aan de omgeving. Omliggende kwetsbare functies zullen niet negatief worden beïnvloed door de realisatie van (zorg)appartementen in het projectgebied. 5.7.2 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

22

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

5.8 Verkeer, vervoer en toegankelijkheid Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. In dit hoofdstuk moet ook in worden gegaan op de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor personen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die hierdoor ontstaat. Hierbij geldt dat voor de parkeersituatie op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. Een bouwplan of ontwikkeling waarvoor een vergunning nodig is, dient hieraan te worden getoetst. 5.8.1. Verkeer De ontsluiting van het projectgebied vindt plaats middels de bestaande inrit aan de Rijsdijk. Deze inrit zal gebruikt blijven worden door de bestaande woning aan de Rijsdijk 6. CROW definieert voor een Verpleegen verzorgingshuis enkel globale parkeerkencijfers en geen specifiek aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal. In algemeenheid geldt voor woonfunctie een verhouding van 2 a 3 keer het aantal parkeerplaatsen als motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gelet op dat bewoners van Villa Maja zelf geen auto rijden, en de parkeerplaatsen voor bezoekers en personeel zullen worden gebruikt, kan worden aangenomen dat een vergelijkbare verhouding van toepassing is voor Villa Maja.

In de huidige situatie geldt in dat geval op basis van 10 parkeerplaatsen dat er sprake is van ca. 20 - 30 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van een uitbreiding met 2 parkeerplaatsen, tot een totaal van 12 parkeerplaatsen, neemt dit aantal toe tot ca. 24 - 36 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In het geval rekening gehouden wordt met een mogelijke verhoging van de parkeernorm en 14 parkeerplaatsen, neemt dit aantal toe tot ca. 28 - 42 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Uitgaande van een maximale norm is daarmee sprake van een toename van ten hoogste 12 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de Rijsdijk geldt ter hoogte van het plangebied een etmaalintensiteit van 5.600 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal is daarmee verwaarloosbaar ten opzichte van de bestaande etmaalintensiteit. Geconcludeerd wordt dat de Rijsdijk voldoende capaciteit heeft om de verkeersgeneratie vanuit het projectgebied af te wikkelen. 5.8.2 Parkeren Het parkeren geschiedt op eigen terrein. Het bestaande parkeerterrein voorziet in 10 parkeerplaatsen. Conform de vigerende Nota Parkeernormen van de gemeente Albrandswaard geldt een norm van 0,5 parkeerplaats per wooneenheid van een verzorgingshuis. Op basis van 23 zorgeenheden geldt een behoefte van 11,5 parkeerplekken, wat goed aansluit op de verwachte gebruiksbehoefte van Villa Maja.

Er zullen daarom 2 extra parkeerplaatsen worden toegevoegd, zodat er in totaal 12 parkeerplaatsen aanwezig zijn. De gemeente Albrandswaard is mogelijk voornemens de parkeernorm per wooneenheid van een verzorgingshuis bij te stellen. Deze norm is op het moment van indiening in voorbereiding en niet vrijgegeven. Indicatie is dat de norm voor Verpleeg- en verzorgingstehuis wordt verhoogd van 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid naar 0,6 parkeerplaatsen. Op basis van 23 zorgeenheden zou de totale parkeerbehoefte van Villa Maja in dat geval toenemen naar een totaal van 13,8, ofwel 14 stuks. In Villa Maja wonen mensen die geen auto (meer) rijden, personeel komt bij voorkeur uit de directe omgeving (met de fiets). Onnodig autogebruik wordt ontmoedigd. Het bezoeken van bewoners door familie en vrienden kan elke dag op ieder tijdstip. Medewerkers zijn gedurende de dag wisselend aanwezig in het rooster. Ervaring van Zorggroep De Laren leert dat in totaal 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid, in dit geval 12 parkeerplaatsen, meer dan voldoende is om aan de behoefte te voldoen. Om tegemoet te komen aan de verwachte bijstelling van de parkeernorm van de gemeente Albrandswaard, is in het terreininrichtingsplan ruimte gereserveerd voor 2 additionele plaatsen. Omdat deze parkeerplaatsen in de praktijk niet nodig 23

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

worden geacht, en om geen overbodige verharding aan te leggen, worden deze parkeerplaatsen pas aangelegd als in de praktijk blijkt dat er daadwerkelijk behoefte naar is. Hoewel de bewoners geen auto (meer) rijden, wordt door hen wel gebruik gemaakt van scootmobielen. In het terreininrichtingsplan is daarom ruimte gereserveerd voor (overdekt) parkeren van scootmobielen. Tevens is in deze overdekte stalling ruimte voor een fietsenstalling, welke hoofdzakelijk zal worden gebruikt door personeel en bezoek. De bewoners van Villa Maja maken hiervan geen gebruik aangezien zij vanwege lichamelijke beperkingen zoals verminderde kracht, balans of andere gezondheidsproblemen geen gebruik meer maken van de fiets. Er is ruimte voor 10 fietsen en voor 4 scootmobielen. Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling daarmee voldoet aan de vigerende parkeernorm van de gemeente Albrandswaard voor het beoogde type woon/zorgeenheden en dat er wordt geanticipeerd op een mogelijke toename van de parkeernorm door de gemeente Albrandswaard. 5.8.2 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals door de gemeente Albrandswaard wordt voorgeschreven. De aspecten verkeer, vervoer en toegankelijkheid vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9 Natuur Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. In het kader van de gebiedsbescherming wordt door de Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaarden en een Aerius-calculatie uitgevoerd. 5.9.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust.

Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNNspelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Om te beoordelen of het initiatief in relatie tot gebiedsbescherming uitvoerbaar is dienen onder andere de wettelijke consequenties op het gebied van gebiedsbescherming, specifiek Natura2000, in beeld gebracht te worden. Vanwege de regionale invloedsfeer van de emissie van NOx, is een beoordeling naar het effect van de emissie van NOx, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, noodzakelijk. Ten behoeve van deze beoordeling is de gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever. De depositie wordt op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst wordt of het initiatief (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De volledige rapportage betreffende het stikstofdepositie-onderzoek zal als bijlage van deze onderbouwing worden opgenomen, hieronder volgt enkel de conclusie. 24

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 15,4 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,1 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 1,5 kg/jaar en een NH3-emissie van 60,2 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. 5.9.2 Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste (winter) rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten.

Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk huismussen in het gebouw. Aangezien nesten van huismussen jaarrond beschermd zijn, wordt momenteel nader onderzoek uitgevoerd naar de functie van het gebouw voor huismussen om te kijken of er nesten aanwezig zijn en hoeveel nesten er aanwezig zijn. Daarnaast nestelen er mogelijk vogels in de beplanting naast het gebouw. Als gevolg van het rooien van beplanting wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Voor deze nesten geldt dat uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het verwijderen van beplanting dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustusfebruari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het verbouwen van het gebouw wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Momenteel wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd conform het vleermuisprotocol om de functie van de bebouwing vast te kunnen stellen.

Op basis van dit onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Vooralsnog zijn er nog geen vleermuizen aangetroffen.

25

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Om te beoordelen of de bomen behouden kunnen blijven met het oog op de planvorming is SmitsRinsma gevraagd om een Bomen Effect Analyse op te stellen. Met het oog op het huidige ontwerp zijn niet alle bomen duurzaam in stand te houden zonder aanvullende maatregelen en randvoorwaarden. Van de 27 beoordeelde bomen zijn: ■ 21 bomen behoudbaar, zonder aanvullende maatregelen; ■ 4 bomen behoudbaar, met aanvullende maatregelen (boom 7, 8, 9 en 10); ■ 1 boom niet behoudbaar (boom 11) én niet verplantbaar; ■ 1 boom niet behoudbaar (boom 6), maar wél verplantbaar.

In de uitwerking van het erfinrrichtingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitkomsten van de BEA. Tevens zal zowel voor aanvang van, tijdens en na afronding van de bouw rekening moeten worden gehouden met de aanbevelingen en maatregelen zoals opgenomen in de BEA. 5.9.3 Conclusie Voor gebiedsbescherming geldt dat het uitvoeren van de voorgenomen activiteit zowel gedurende de ontwikkelfase als gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Voor soortenbescherming geldt dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied ongeschikt maakt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Daarnaast blijkt dat niet uit te sluiten valt of het gebouw en/of locatie een (beschermde) functie heeft voor huismussen en/of vleermuizen. Momenteel wordt daarom nader onderzoek verricht naar de functie van de bebouwing voor huismussen en vleermuizen. In de uitwerking van het erfinrrichtingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitkomsten van de BEA. Tevens zal zowel voor aanvang van, tijdens en na afronding van de bouw rekening moeten worden gehouden met de aanbevelingen en maatregelen zoals opgenomen in de BEA.

5.10 Water 5.10.1 Waterschapsverordening Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta. 26

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets wordt beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. 5.10.2 Watersysteem Watergangen Het is noodzakelijk dat de functie van A-watergangen en/of B-watergang(en) altijd is gegarandeerd, rekening houdend met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven en gevisualiseerd in de Legger. Binnen het projectgebied liggen geen (beschermingszones van) A-watergangen en/of B-watergangen. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe, met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: ■ Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; ■ Polder 10%, ■ Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. In de ‘Leidraad watertoets’ heeft het waterschap hiervoor informatie opgenomen over compenserende maatregelen. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. In de huidige situatie is er reeds een woon-/zorgvoorziening gesitueerd met 17 appartementen en gemeenschappelijke ruimtes. Deze wordt uitgebreid met zes (zorg)appartementen.

Het bebouwd oppervlak neemt met de ontwikkeling toe met ca. 158 m2. Aan de hand van een maatgevende bui is berekend hoeveel hemelwater hiervan afstroomt. Dit houdt in dat een waterbergende capaciteit van 158 m2 * 0.08m = 12,64 m3 [kuub] wordt aangelegd. Middels de onderverharding van het parkeerterrein zal een waterbergendecapaciteit worden gerealiseerd. Tevens worden de plantenbakken en daksedum welke wordt aangelegd in en op het gebouw ingezet voor een vertraagde afvoer van hemelwater. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte wordt volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in woningen wordt geadviseerd een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. 27

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

5.10.3 Waterkwaliteit Beleid en regelgeving Voor de borging van waterkwaliteit zijn maatregelen geldend. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen. Het waterschap meet deze stoffen en zorgt ervoor dat ze binnen de normen blijven. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. Hiervoor zullen in de aanleg van het wegprofiel de nodige maatregelen worden getroffen, waarbij hemelwater via molsgoten bovengronds met vertraagde afvoer worden begeleid. Conform het bouwstoffenbesluit zullen er geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt en zorgt duurzaam gebruik van de openbare ruimte voor een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. In het plan wordt rekening gehouden met gescheiden waterstromen.

Het afvalwater wordt, in overleg met de gemeente Albrandswaard, aangesloten op het bestaande riool. 5.10.4 Watertoetsproces Het Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van het wateradvies is toegepast. Op basis van een inhoudelijke terugkoppeling van het waterschap wordt het plan nader uitgewerkt.

5.11 Trillingen Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. In Nederland bestaat echter geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk: ■ SBR-richtlijn; ■ Beleidsregel trillingshinder spoor; ■ Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen; ■ Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.

28

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

5.11.1 Onderzoek Het projectgebied ligt niet binnen zone van 100 meter van een spoorlijn of industriegebied. 5.11.2 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

5.12 Milieueffectrapportage De Omgevingswet kent een algemene omschrijving van de plan-m.e.r.-plichtige plannen. Een Omgevingsplan is benoemd als in ieder geval plan-m.e.r.-plichtig (Afdeling 16.4 van de Omgevingswet). Dit is verplicht als een Omgevingsplan kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)-plichtige besluiten of als een Passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming. Hierop geldt een uitzondering wanneer het Omgevingsplan voor een klein gebied geldt of wanneer het een kleine wijziging betreft. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: ■ een oppervlakte van 100 hectare of meer; ■ een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; ■ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In voorliggend geval is sprake van de realisatie van zes (zorg)appartementen. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit ruimtelijk plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

29

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

5.13 Slagschaduw Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.98f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden. Onderhavig project wordt niet beïnvloed door en veroorzaakt zelf geen slagschaduw, zie bijlage ‘AA18093 Beschaduwingsstudie Zorggroep de Laren - Villa Maja Rhoon. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

5.14 Dienstenrichtlijn Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het omgevingsplan te voldoen aan artikel 14, aanhef en onder 5. van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op dienstverleners, wat verwijst naar natuurlijke personen of rechtspersonen die diensten aanbieden in de uitoefening van een economische activiteit. Het kan gaan om diverse soorten diensten, zoals zakelijke dienstverlening, toerisme, bouw, detailhandel, enzovoort. Onderhavig project heeft geen betrekking op diensten. Het aspect Dienstenrichtlijn vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

30

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

6. Participatie 6.1 Burgerparticipatie In de Omgevingsregeling is een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. En wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. In het kader van burgerparticipatie hebben over de periode juli 2023 tot december 2024 in totaal 8 bijeenkomsten plaatsgevonden met bewoners, direct omwonenden en indirecte belanghebbenden. Daarnaast hebben de buren met zorgonderneming Zorggroep de Laren, initiatiefnemer en landschapsarchitect een inrichtingsplan opgeteld. Voor een uitgebreide verslaglegging zie bijlage 6 ‘Verslagleggingen burgerparticipatie’. Gelet op dat de ontwikkeling de uitbreiding van een bestaande woon(zorg)voorziening betreft, is er sprake van bewoning terwijl de bouwactiviteiten plaatsvinden. Bewoners en families zijn/worden daarom uitgebreid meegenomen in de planvorming. Dit contact zal richting uitvoering verder intensiveren, onder meer op individuele basis. Uit deze participatie is onder meer de behoefte aan een grotere gemeenschappelijke ruimte naar voren gekomen en is aandacht gevraagd naar de inrichting van het interieur, zodat geborgenheid ontstaat en er op gang ruimte is voor sociale interactie.

Tevens is in een van de bijeenkomsten geopperd contact te leggen met een aannemende partij die is gespecialiseerd in de uitvoering in bewoonde staat. De initiatiefnemer heeft deze suggestie opgevolgd en, na een selectieprocedure, uiteindelijk deze partij geselecteerd voor de uitvoering. Voor een uitgebreide verslaglegging zie bijlage 6 ‘Verslagleggingen burgerparticipatie’. Naar aanleiding van participatie met omwonenden en indirecte belanghebbenden zijn tevens enkele aanpassingen in het ontwerp doorgevoerd. Zo is onder meer een beschaduwingsstudie uitgevoerd ten einde de ruimtelijke inpact van het plan inzichtelijk te maken, waarop ontwerpkeuzes zijn gebaseerd. Tevens is om inkijk van bewoners te verminderen op de bovenste verdieping een kantoor gesitueerd in plaats van een appartement en een slaapkamer in plaats van een woonkamer. Voor een uitgebreide verslaglegging zie bijlage 6 ‘Verslagleggingen burgerparticipatie’. Tevens geldt dat voor onderhavig ontwerpbesluit de uniforme voorbereidingsprocedure wordt gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen.

Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan.

6.2 Vooroverleg Het initiatief is diverse keren besproken met de stedenbouwkundige van de gemeente Albrandswaard en de welstandscommissie. Het plan is in navolging daarvan op enkele inhoudelijke punten gewijzigd. In het kader van de procedure voor de buitenplanse omgevingsplan activiteit worden de wettelijke vooroverlegpartners voor een periode van vier weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven.

31

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

7. Financiele haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.

7.1 Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via een anterieure overeenkomst die wordt gesloten door de gemeente Albrandswaard en de initiatiefnemer.

7.2 Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit, zoals ook voor onderhavig plan geldt, wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten met de initiatiefnemers van het plan op basis van art. 4.5 Awb. Nadeelcompensatie is hiermee voor de gemeente Albrandswaard geborgd. Voor de gemeente Albrandswaard zijn daarmee geen nadelige financieel-economische gevolgen.

32

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

8. Conclusie Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken, waarbij gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Voorgenomen ontwikkeling inzake de realisatie van zes (zorg)appartementen en verduurzaming van het bestaande gebouw voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de regio. Daarnaast heeft uitgebreide burgerparticipatie plaatsgevonden met bewoners, omwonenden en indirecte belanghebbenden. Voorgenomen realisatie van de (zorg)appartementen levert geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Het initiatief leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer. Omliggende bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. De (zorg)appartementen worden toegevoegd aan het bestaande zorgaanbod van Rhoon, waaraan grote behoefte is. Ook zijn er geen overtredingen van de flora en faunawetgeving. Het voornemen is niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het initiatief past binnen het beleid van de gemeente Albrandswaard en voorziet in een kwalitatieve uitbreiding en verduurzaming van het zorgaanbod.

33

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlagen Bijlage 1. Bodem onderzoek

34

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 2. Quickscan natuurwaarden

35

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 3. Aerius-calculatie

36

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 4. Akoestisch onderzoek

37

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 5. Beschaduwingsstudie Zorggroep de Laren - Villa Maja Rhoon

38

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 6. Verslagleggingen burgerparticipatie

39

Ruimtelijke onderbouwing Villa Maja Rhoon

B+O Architectuur en Stedenbouw

Bijlage 7. Bomeneffectanalyse

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3740/documents/33446