CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

21. 2024-034008 MRDH gewijzigde GR MRDH.pdf

Gemeenteraad AW 22 april 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ingekomen stukken37.215 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

ontwerp Gemeenschappelijke Regeling MRDH Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. adviescommissie: een commissie als bedoeld in artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; b. Besluit Vervoersregio: art 36b van het Besluit personenvervoer 2000; c. bestuurscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; d. colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; e. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; f. gemeenten: de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Delft, Den Haag, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Maassluis, Midden-Delfland, Nissewaard, Pijnacker-Nootdorp, Ridderkerk, Rotterdam, Rijswijk, Schiedam, Vlaardingen, Voorne aan Zee, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; g. Metropoolregio: het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 1:2, eerste lid; h. Meerjarenbegroting Vervoersautoriteit: Overzicht van beschikbare middelen per jaareinde voor het uitvoeren van de taken van de Vervoersautoriteit gedurende 20 jaar.

De meerjarenbegroting is een resultante van de structurele inkomsten van het Rijk, de structurele uitgaven voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de infrastructurele projecten die ofwel in de uitwerking- of realisatiefase zijn ofwel waarvoor een bestuurlijke toezegging voor een bijdrage is gedaan. i. minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; j. portefeuillehouder verkeer en vervoer: het lid van het college van burgemeester en wethouders dat belast is met de taken op het gebied van verkeer en vervoer. k. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014; l. vertegenwoordigend orgaan: de gemeenteraden van de gemeenten; m. Vervoersautoriteit: de in artikel 2:7, derde lid, bedoelde bestuurscommissie; n. Zienswijzenprocedure: de procedure, bedoeld in artikel 2:1, derde lid, van de regeling. 2. Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komt in die artikelen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, in de plaats van de gemeente, de Metropoolregio en in plaats van de hieronder genoemde bestuursorganen de daarachter genoemde bestuursorganen: a. de gemeenteraad: het algemeen bestuur; b. het college van burgemeester en wethouders: het dagelijks bestuur; c.

de burgemeester: de voorzitter. Artikel 1:2 Metropoolregio 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd Metropoolregio Rotterdam Den Haag. 2. De Metropoolregio is gevestigd te Rotterdam. 3. Het gebied van de Metropoolregio omvat het grondgebied van de gemeenten.

Pagina 1 van 10

Hoofdstuk 2: De positie van de raden, alsmede de inrichting en samenstelling van het Metropoolbestuur Artikel 2:1 Besluitvorming in de gemeenteraden 1. Voor het bestuur in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag is het uitgangspunt dat besluitvorming als verlengd lokaal bestuur op transparante wijze democratisch gelegitimeerd plaatsvindt. 2. De vertegenwoordigende organen geven bij belangrijke besluiten steeds vooraf hun zienswijzen op de wijze omschreven in het derde lid. Tot deze besluiten worden in ieder geval gerekend: a. de strategische agenda, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid; b. het overdragen van bevoegdheden door het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 3:3, derde lid; c. de strategische bereikbaarheidsagenda; d. het regionaal verkeer- en vervoersplan, ingevolge de Planwet verkeer en vervoer; e. het programma van eisen voor de verlening van een vervoersconcessie; f. de uitgangspunten voor de dienstregeling voor het openbaar vervoer; g. het treffen, wijzigen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling, alsmede het toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling; h. het oprichten van of deelnemen in een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze of besloten vennootschap, stichting, vennootschap onder firma of maatschap; i. het liquidatieplan bij uittreding en opheffing, en j.

het besluit bedoeld in artikel 2:8, tweede en derde lid. 3. Om de vertegenwoordigende organen in staat te stellen tijdig hun zienswijzen over belangrijke besluiten te geven worden de concepten daarvan aangeboden tenminste acht weken voordat over deze besluiten in het algemeen bestuur wordt beraadslaagd of besloten. De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun gevoelens en bezwaren omtrent het voorstel indienen. Het dagelijks bestuur zendt de zienswijzen aan het algemeen bestuur en de vertegenwoordigende organen, waarbij het dagelijks bestuur een advies omtrent de zienswijzen toevoegt. 4. Het algemeen bestuur beslist niet dan nadat de vertegenwoordigende organen tenminste acht weken de tijd hebben gehad te reageren op het voorgelegde besluit. 5. Het algemeen bestuur kan bepalen dat naast de in deze regeling genoemde besluiten ook andere besluiten worden onderworpen aan de zienswijzenprocedure. 6. Op besluiten waarop de zienswijzenprocedure van toepassing is, is artikel 2:3, tweede lid, niet van toepassing. Artikel 2:2 Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden 1.

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, door middel van toezending van die informatie aan de voorzitters van de vertegenwoordigende organen via de griffie. De begrotingen, de bestuursrapportages, de strategische agenda’s, de jaarrekening en de evaluaties van de gemeenschappelijke regeling dienen in ieder geval beschouwd te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden verlangd. 3. De onder het tweede lid bedoelde verstrekking geschiedt schriftelijk door de eigen vertegenwoordiger van de gemeente in het bestuursorgaan van de Metropoolregio, vanuit diens rol van bestuurder van de Metropoolregio, op de voor deze gemeente gebruikelijke wijze. De bevraagde vertegenwoordiger doet terstond melding aan de Metropoolregio, van de gestelde vragen en eveneens van het daarop gegeven antwoord.

Indien de vertegenwoordiger verzuimt binnen een termijn van 6 weken de gevraagde inlichtingen te verstrekken, of in het geval van het dagelijks bestuur er geen bestuurder van de betreffende gemeentezitting heeft in dit

Pagina 2 van 10

bestuursorgaan, kunnen de leden zich schriftelijk richten tot het betreffende bestuursorgaan van de Metropoolregio zelf. 4. De onder het derde lid beschreven procedure wijzigt of vervangt niet de mogelijkheden, noch de procedures vanuit de Gemeentewet en gemeentelijke regelgeving die de vertegenwoordigende organen hebben vanuit de controlerende functie naar hun eigen gemeentelijke bestuursleden die als lokale vertegenwoordiger in de bestuursorganen van de Metropoolregio zitting hebben. 5. De onder het derde lid gestelde vragen en de naar aanleiding daarvan gegeven antwoorden worden door de Metropoolregio gedeeld met de vertegenwoordigende organen via een online gedeelde lijst van vragen en antwoorden. 6. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurscommissies, bedoeld in artikel 2:7. Artikel 2:2a inspraak van belanghebbenden en ingezetenen 1. Op de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, tenzij dit wettelijk verplicht is. 2.

Belanghebbenden kunnen bij de op grond van artikel 2:7 ingestelde bestuurscommissies, het algemeen bestuur en de op grond van artikel 2:8, tweede en derde lid ingestelde adviescommissies, inspreken over onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering met uitzondering van verslagen van vergaderingen van organen van de Metropoolregio. Het betreffende reglement van orde stelt in ieder geval regels over aanmelding, toelating en spreektijd. Artikel 2:3 Algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur bestaat uit 25 leden. De vertegenwoordigende organen wijzen ieder één lid van het algemeen bestuur aan. De gemeenteraden van Den Haag en Rotterdam wijzen voorts hun burgemeester en hun portefeuillehouder verkeer en vervoer aan als lid van het algemeen bestuur. 2. Het dagelijks bestuur zendt de voorstellen waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten tenminste twee weken voor vaststelling aan het algemeen bestuur, behoudens in spoedeisende gevallen. 3. Het algemeen bestuur beslist bij volstrekte meerderheid van stemmen, met dien verstande dat: a. de door de gemeenteraad van Rotterdam aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder vijftien stemmen kunnen uitbrengen; b. de door de gemeenteraad van Den Haag aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder dertien stemmen kunnen uitbrengen; c.

de door de gemeenteraden van Delft, Nissewaard, Westland en Zoetermeer aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder negen stemmen kunnen uitbrengen; d. de door de gemeenteraden van Capelle aan den IJssel, Leidschendam-Voorburg, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder zeven stemmen kunnen uitbrengen; e. de door de gemeenteraden van Barendrecht, Lansingerland, Pijnacker-Nootdorp, Ridderkerk, Rijswijk aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder vijf stemmen kunnen uitbrengen; f. de door de gemeenteraden van Albrandswaard, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Midden-Delfland en Wassenaar aangewezen leden van het algemeen bestuur ieder vier stemmen kunnen uitbrengen; 4. De vertegenwoordigende organen kunnen voor ieder lid van het algemeen bestuur een plaatsvervangend lid aanwijzen. 5. De leden van het algemeen bestuur leggen aan het vertegenwoordigend orgaan dat hen heeft aangewezen verantwoording af over het door hen in het algemeen bestuur gevoerde bestuur. Zij geven het vertegenwoordigend orgaan daartoe alle inlichtingen die een of meerdere leden van dit orgaan verlangen of die het vertegenwoordigend orgaan voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Het betreffende vertegenwoordigend orgaan bepaalt op welke wijze verantwoording wordt afgelegd.

Indien het betreffende vertegenwoordigend orgaan het vertrouwen in het eigen lid van het algemeen bestuur verliest, kan dit lid ontslagen

Pagina 3 van 10

worden. 6. Het algemeen bestuur kan op verzoek van gedeputeerde staten een lid van gedeputeerde staten aanwijzen dat toegang heeft tot de vergadering van het algemeen bestuur en dat kan deelnemen aan de beraadslaging. Het lid van gedeputeerde staten heeft daarbij geen stem. Artikel 2:4 Initiatief, amendement en motie 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft het recht voorstellen te doen aan het algemeen bestuur. 2. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft het recht amendementen voor te stellen op voorstellen die aanhangig zijn bij het algemeen bestuur. 3. Een lid dat het woord in een vergadering van het algemeen bestuur voert kan daarbij moties over het in behandeling zijnde onderwerp of enig ander onderwerp indienen. 4. Het reglement van orde van het algemeen bestuur bepaalt op welke wijze voorstellen als bedoeld in dit artikel kunnen worden gedaan. Artikel 2:5 Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter 1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan voor een periode van twee jaar, met dien verstande dat de burgemeester van Den Haag of de burgemeester van Rotterdam als voorzitter wordt aangewezen. 2. De voorzitter is niet direct herbenoembaar. 3. De in het eerste lid genoemde burgemeester die niet als voorzitter is aangewezen, is de plaatsvervangend voorzitter van de Metropoolregio en vervangt de voorzitter bij diens verhindering of ontstentenis. 4.

De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd over het door hem gevoerde bestuur. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang. Artikel 2:6 Dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit vijf door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen leden die ieder één stem hebben, waarbij: a. de burgemeesters van Den Haag en Rotterdam worden aangewezen als voorzitter en vicevoorzitter; b. de overige leden worden benoemd uit de leden bedoeld in artikel 2:3, derde lid, onder c tot en met f. 2. De leden bedoeld in het eerste lid onder b worden aangewezen voor een periode van twee jaar. 3. Het dagelijks bestuur kiest in ieder geval een portefeuillehouder Middelen uit haar midden. 4. Het algemeen bestuur kan een lid van het algemeen bestuur aanwijzen dat voor een specifiek, door het algemeen bestuur bepaald, onderwerp kan deelnemen aan de beraadslagingen van het dagelijks bestuur. Dit lid heeft geen stem. Artikel 2:7 Bestuurscommissies 1. Het algemeen bestuur kan bij verordening bestuurscommissies instellen waaraan bevoegdheden van het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur worden overgedragen. 2.

Het algemeen bestuur regelt de afstemming tussen de verschillende bestuurscommissies, voor zover er meer dan één bestuurscommissie wordt ingesteld. 3. Het algemeen bestuur stelt in elk geval een bestuurscommissie Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag in, welke bestaat uit de portefeuillehouders verkeer en vervoer van de gemeenten. 4. Het algemeen bestuur kan op verzoek van gedeputeerde staten de gedeputeerde die belast is met de portefeuille verkeer en vervoer uitnodigen om deel te nemen aan de openbare beraadslagingen van de bestuurscommissie Vervoersautoriteit. Deze gedeputeerde heeft in de bestuurscommissie Vervoersautoriteit geen stem. 5. De portefeuillehouder verkeer en vervoer van de gemeente Den Haag of de gemeente Rotterdam wordt als voorzitter van de Vervoersautoriteit aangewezen.

Pagina 4 van 10

6. De in het vijfde lid genoemde portefeuillehouder die niet als voorzitter van de Vervoersautoriteit is aangewezen, is de plaatsvervangend voorzitter van de Vervoersautoriteit en vervangt de voorzitter van de Vervoersautoriteit bij diens verhindering of ontstentenis. Artikel 2:8 Adviescommissies 1. Het algemeen bestuur kan bij verordening vaste adviescommissies aan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter instellen. Het algemeen bestuur regelt bij de instelling de verhouding tot de overige ingestelde adviescommissies en bestuurscommissies. 2. Het algemeen bestuur stelt in elk geval een adviescommissie in die adviseert omtrent de aangelegenheden van de Vervoersautoriteit. Deze adviescommissie doet een afschrift van al zijn adviezen toekomen aan de Vervoersautoriteit. De leden van deze adviescommissie worden door en uit de vertegenwoordigende organen aangewezen. 3. Het algemeen bestuur stelt in elk geval een adviescommissie in die adviseert omtrent het economisch vestigingsklimaat. De leden van deze adviescommissie worden door en uit de vertegenwoordigende organen aangewezen.

Hoofdstuk 3: belang, taken en bevoegdheden Artikel 3:1 Belangen en taken 1. De Metropoolregio heeft tot taak, met inachtneming van hetgeen bij wet en in deze regeling is bepaald, het bevorderen van de samenwerking tussen de gemeenten met het oog op een voorspoedige ontwikkeling in het gebied en het beheer van de aan de regio toevertrouwde voorzieningen. Zij houdt zich daartoe bezig met: a. het, voor zover daar in het navolgende niet van wordt afgeweken, met inachtneming van de autonomie van de gemeenten vaststellen van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer en de verbetering van het economische vestigingsklimaat. Het zorg dragen voor het realiseren van de doelstellingen en het voorbereiden en ontwikkelen van een gezamenlijk regionaal beleid op deze terreinen, en b. het uitvoeren van de, met betrekking tot de met het in a genoemde beleid gemoeide belangen en onderwerpen, rechtstreeks bij of krachtens wetgeving of bij of krachtens deze regeling aan de metropoolregio opgedragen taken en bevoegdheden, c. de bij wet of algemene maatregel van bestuur aan de Metropoolregio opgedragen taken en bevoegdheden. 2. De in het vorige lid onder a genoemde gebieden ‘verkeer en vervoer’ en ‘het economisch vestigingsklimaat’ kunnen niet worden aangevuld met andere beleidsterreinen dan na toepassing van artikel 6:3. Artikel 3:2 Strategische Agenda 1.

Het algemeen bestuur geeft in het eerste jaar van iedere bestuursperiode van de gemeenteraden een Strategische Agenda vrij voor zienswijze Deze agenda omvat in ieder geval strategieën om de doelstellingen als bedoeld in artikel 3:1 te verwezenlijken. 2. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voor het komende kalenderjaar een begroting vast op basis van de Strategische Agenda. De informatie in de MRDH-begroting stelt de gemeenteraden in staat om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda. Artikel 3:3 Bevoegdheidsverdeling 1. Aan het algemeen bestuur komen alle bevoegdheden toe, voor zover deze niet bij de wet of bij deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn toegekend. 2. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het voeren van het dagelijks bestuur, tenzij bij of krachtens de wet anders bepaald. 3. Het algemeen bestuur stelt de bevoegdheid van het dagelijks bestuur vast tot het procederen in kort geding, het voegen in strafzaken, het spoedheidshalve instellen van bezwaar en beroep, het instellen van incidenteel beroep daaronder begrepen, het verzoeken van een voorlopige voorziening en het verrichten van (rechts-)handelingen ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit, en kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden van het algemeen bestuur

Pagina 5 van 10

overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 156 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 4. De voorzitter vertegenwoordigt de Metropoolregio in en buiten rechte. Artikel 3:4 Bevoegdheden Verkeer en Vervoer 1. Het dagelijks bestuur voert de in het Besluit Vervoersregio genoemde bevoegdheden uit voor het bij dat besluit bepaalde territoir. 2. Aan het algemeen bestuur is overgedragen de bevoegdheid een subsidieverordening op te stellen in het kader van verkeer en vervoer. Artikel 3:5 Faciliterende en dienstverlenende taken 1. De Metropoolregio faciliteert op verzoek van ten minste twee deelnemers een platform voor coördinatie en afstemming tussen deelnemende gemeenten, voor zover de gespreksonderwerpen van dit platform een directe relatie hebben met de strategische agenda als bedoeld in artikel 3:2. 2. De Metropoolregio is bevoegd tot het verrichten van diensten ten behoeve van een of meer deelnemende gemeenten, of een of meer andere rechtspersonen ingesteld krachtens publiekrecht – anders dan de gemeenten-, indien deze daarom verzoeken, deze verzoeken passen binnen de publieke taken van de Metropoolregio en het algemeen bestuur dat verzoek inwilligt. 3.

De Metropoolregio is bevoegd tot het verrichten van diensten ten behoeve van een instelling of orgaan waarin zij namens de gemeenten zitting heeft, indien de desbetreffende instelling hierom verzoekt. 4. Een besluit tot facilitering of dienstverlening wordt genomen door het algemeen bestuur en vermeldt de wijze van kostenverrekening en overige voorwaarden waaronder tot de gevraagde facilitering of dienstverlening wordt overgegaan. Artikel 3:6 Treffen gemeenschappelijke regeling 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen, ieder voor zover zij voor de Metropoolregio bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen als bedoeld in artikel 93 onderscheidenlijk artikel 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Indien het dagelijks bestuur of de voorzitter een gemeenschappelijke regeling treft, behoeft zij toestemming van het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur kan de toestemming slechts onthouden wegens strijd met het recht of strijd met het algemeen belang. 3. In dit artikel wordt onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling tevens verstaan het toetreden tot, uittreden uit of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling. Artikel 3:7 Overige bevoegdheden 1. De Metropoolregio komen alle bevoegdheden toe die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om als rechtspersoon aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. 2.

Voor alle van de in artikel 3:1 genoemde belangen, taken en bevoegdheden is de Metropoolregio bevoegd tot: a. het reageren op rijks- en provinciale nota’s en plannen die voor het territoir van belang zijn; b. het vertegenwoordigen van de Metropoolregio in overlegsituaties, en c. het organiseren van overleg en het uitbrengen van advies.

Hoofstuk 4: Financiën Artikel 4:1 Begroting 1. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voorafgaande aan het jaar waarvoor deze gelden de begroting en de meerjarenbegroting Vervoersautoriteit vast. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De artikelen 34 en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn hierop van toepassing. De artikelen 189 tot en met 195 van

Pagina 6 van 10

de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan niet bij de Wet gemeenschappelijke regelingen is afgeweken. 2. Bij wijziging van de begroting wordt slechts een zienswijze gevraagd aan de raden van de deelnemende gemeenten als de inwonerbijdragen van de gemeenten veranderen of er geschoven wordt tussen begrotingsprogramma’s. Alsdan zal de zienswijzetermijn 8 weken bedragen vanaf het moment van aanbieden door het dagelijks bestuur aan de vertegenwoordigende organen van de gemeenten. Artikel 4:2 Administratie 1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. Artikel 212, tweede lid, van de Gemeentewet is van toepassing. 2. Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. Artikel 213, tweede tot en met negende lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3.

Het dagelijks bestuur zendt de verordeningen bedoeld in dit artikel binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 5: De secretaris-directeur, overige ondersteuning, archief, ombudsman Artikel 5:1 Secretaris-directeur 1. Het algemeen bestuur beslist op voordracht van het dagelijks bestuur omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de secretaris-directeur van de Metropoolregio. 2. De secretaris-directeur van de Metropoolregio geeft leiding aan de ondersteuning van het bestuur van de Metropoolregio. 3. Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris-directeur bij diens verhindering of ontstentenis. Artikel 5:2 Ambtelijke ondersteuning 1. Het dagelijks bestuur stelt regels vast met betrekking tot de ambtelijke organisatie. 2. Het dagelijks bestuur regelt de bezoldiging en de rechtspositie van de ambtenaren van de Metropoolregio. Artikel 5:3 Archief 1. Het algemeen bestuur stelt een archiefverordening vast. 2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de Metropoolregio. 3. De secretaris-directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de Metropoolregio voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Rotterdam. 5. De archivaris van de gemeente Rotterdam is belast met het toezicht op het beheer van de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden.

Artikel 5:4 Ombudsman De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Pagina 7 van 10

Hoofdstuk 6: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 6:1 Toetreding 1. Toetreding van gemeentebesturen kan plaatsvinden bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van de gemeenteraad, het college en de burgemeester van de betreffende gemeente en de instemming van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding gevolgen verbinden. 3. De toetreding gaat in op een door het algemeen bestuur in het toetredingsbesluit genoemde datum. Artikel 6:2 Uittreding 1. De gemeenteraad, het college en de burgemeester van een van de gemeenten kunnen uitsluitend gezamenlijk uittreden en maken gezamenlijk schriftelijk kenbaar bij het algemeen bestuur van de Metropoolregio dat zij het voornemen hebben om uit te treden uit de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag en de uittredingsdatum die zij voor ogen hebben. 2. Het algemeen bestuur stelt regels omtrent de procedure van uittreding. 3. Het algemeen bestuur doet aan de bestuursorganen van de gemeenten een voorstel voor regeling van de gevolgen van de uittreding in een ontwerp-uittredingsplan waarin de gevolgen van de mogelijke uittreding in kaart worden gebracht.

Daarbij worden de belangen van de gemeenten waarvan de bestuursorganen uittreden en van de achterblijvende gemeenten op evenwichtige wijze worden afgewogen. 4. De voorbereidingen voor het opstellen van het ontwerp-uittredingsplan worden gedaan door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur benoemt daartoe een projectgroep onder leiding van een onafhankelijke extern financieel deskundige. De portefeuillehouders middelen van de bestuurscommissies maken in ieder geval deel uit van de projectgroep. In het geval de portefeuillehouder middelen behoort tot de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft kenbaar gemaakt, wordt een nieuwe portefeuillehouder benoemd. 5. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige zijn voor rekening van de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft uitgesproken. 6. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de volgende elementen: a. een beschrijving van de consequenties voor de wettelijke en overige taken van de uittredende deelnemer; b. een beschrijving van de consequenties voor de financiële middelen die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer (BDU); c. een beschrijving van de consequenties voor de activiteiten die zijn gekoppeld aan de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat; d.

een beschrijving van de consequenties voor de lopende openbaar vervoersconcessies voor het grondgebied van de uittredende deelnemer; e. een beschrijving van eventuele consequenties voor de verbonden partijen van de Metropoolregio; f. een beschrijving van consequenties voor lopende subsidies, opdrachten, leningen en overige verplichtingen; g. een beschrijving van consequenties voor de structurele organisatielasten, waaronder personeels- en huisvestingslasten h. de uittreedsom, of de wijze waarop de uittreedsom wordt berekend. 7. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit de schade die de Metropoolregio en de achterblijvende deelnemers lijden als direct gevolg van het besluit tot uittreding: a. de Metropoolregio is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. b. de berekening van de kosten van uittreding wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van werkelijke uittreding. 8. De bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen stellen met ten minste twee derde meerderheid het uittredingsplan vast. 9. Na toezending van het ontwerp-uittredingsplan maken de bestuursorganen van de deelnemer die het voornemen tot uittreding hebben kenbaar gemaakt, binnen 3 maanden gezamenlijk bekend of zij definitief willen uittreden. De besluiten tot uittreden worden aangetekend verzonden aan het algemeen bestuur.

Pagina 8 van 10

10. De uittreding vindt slechts plaats op 1 januari na de datum, waarop opname in het register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaatsgevonden, tenzij door het algemeen bestuur een later tijdstip is bepaald. Artikel 6:3 Wijziging 1. De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De wijzigingsregeling bepaalt wanneer deze in werking treedt. Artikel 6:4 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De opheffing wordt van kracht op 1 januari, volgend op de datum waarop het laatste bestuursorgaan dat aan deze regeling deelneemt de in het eerste lid bedoelde besluiten heeft genomen, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald. 3. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling. 6.

Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.

Hoofdstuk 7: Geschillen Artikel 7:1 Voorprocedure 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. 2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende gemeentebestuur op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende gemeentebestuur. 5.

Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten. 6. De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende gemeentebestuur ieder voor de helft gedragen.

Pagina 9 van 10

Hoofdstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8:1 Periodieke evaluatie Het algemeen bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling. Bij deze evaluatie worden de deelnemende bestuursorganen betrokken. De evaluatie wordt aan de vertegenwoordigende organen voorgelegd. Artikel 8:2 Toezending ex artikel 26 van de wet Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam draagt zorg voor de toezending aan gedeputeerde staten en de minister van de besluiten tot toetreding tot, uittreding uit, wijziging of opheffing van de regeling. Deze besluiten worden ook voor kennisgeving gezonden aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 8:3 Onbepaalde tijd 1. De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. 2. In 2024 evalueert het algemeen bestuur de regeling, waarbij in elk geval wordt onderzocht of: a. de doelstellingen van de regeling, gelet op de overwegingen, zijn behaald, of b. voldoende grond bestaat voor continuering van de regeling. 3. Het algemeen bestuur doet, gehoord de Vervoersautoriteit, aan de bestuursorganen van de gemeenten op grond van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid, een voorstel omtrent continuering van de regeling en de voorwaarden waaronder. De zienswijzenprocedure is van toepassing. Artikel 8:4 Inwerkingtreding en citeerwijze 1. De gewijzigde regeling treedt in werking op 1 juli 2024. 2.

De regeling wordt aangehaald als "Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014". 3. Artikel 8:3, tweede en derde lid, vervalt per 1 januari 2026.

Pagina 10 van 10

Bijlage

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1:1 begripsbepalingen Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Het begrip gemeenten is gewijzigd. De namen van de oude gemeenten zijn verwijderd en de nieuwe samengevoegde gemeenten zijn toegevoegd. b. Het begrip Besluit Vervoerregio is gewijzigd. Deze komt nu overeen met de vigerende wetgeving. c. Het begrip Wet afschaffing plusregio’s is verwijderd. Dit begrip komt voor in artikel 8:4 in relatie tot de inwerkingtreding van die wet. Inmiddels is die wet al in werking getreden, maar met wijziging van deze regeling wordt ook artikel 8:4 aangepast en dit begrip niet meer gebruikt. d. Het begrip meerjarenbegroting Vervoersautoriteit is toegevoegd. Deze toevoeging is gedaan om de wijziging van artikel 4:1 begroting te verduidelijken. Artikel 4:1 is aangepast aan de huidige praktijk bij de MRDH. De meerjarenbegroting Vervoersautoriteit kijkt 20 jaar vooruit. Dit in tegenstelling tot de meerjarenraming, een formeel stuk met een formele naam uit het Besluit begroting en verantwoording, die 3 jaar beslaat.

Artikel 2:1 besluitvorming in de gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging: Betreffende artikel Artikel 10 Wgr, 6e lid: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Tegelijkertijd met het toezenden ter besluitvorming over een zienswijzeplichtig onderwerp dient het dagelijks bestuur dus een concept- nota van beantwoording mee te sturen. Dit is bij de MRDH al sinds oprichting het gebruik, maar naar aanleiding van de wetswijziging wordt dit nu vastgelegd in het artikel 2:1, derde lid Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Er zijn twee zienswijzeplichtige onderwerpen verwijderd uit dit artikel (maar niet uit de GR MRDH). In artikel 2:1, tweede lid is sub b verwijderd. Het werkplan is verwijderd omdat in de praktijk niet op deze wijze met werkplannen wordt gewerkt.

Het werkplan is opgenomen in de begroting en daarmee zienswijzeplichtig op grond van de wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 34 en 35) b. In artikel 2:1 tweede lid is sub j verwijderd. De begroting is verwijderd omdat deze niet in het rijtje van deze zienswijzeplichtige onderwerpen behoort. Zoals sub j ook al aangaf is de zienswijzeplicht die op de begroting van toepassing is, een zienswijzeplicht op grond van de Wgr. Deze heeft een eigen procedure met eigen, afwijkende, termijnen. Een referentie daaraan wordt opgenomen in het financiële artikel 4:1 van deze regeling.

Artikel 2:2 informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging Het betreffende Artikel 17 Wgr 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt. 2. Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.

Artikel 17 Wgr heeft nu een verplichting tot actieve informatieverstrekking opgenomen in het tweede lid. Het derde lid bepaalt dat de GR ook bepalingen moet bevatten over de wijze waarop die verstrekking plaatsvindt. In het eerste lid van artikel 2:2 van de GR MRDH was al een actieve informatieplicht opgenomen, maar dit eerste lid is nu nader uitgewerkt met de wijze waarop dient te worden geïnformeerd en welke documenten in ieder geval in aanmerking komen. Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie Ook de verplichting tot passieve informatieverstrekking was al opgenomen in de GR MRDH in artikel 2:2, tweede lid. Wat echter verzuimd was op te nemen, was de wijze waarop dit zou moeten en de wijze waarop ook de andere raden van de overige deelnemers van vragen en antwoorden op de hoogte worden gesteld. In het vierde lid staat alleen maar dat het AB hierover iets moet opnemen in haar Reglement van Orde. a. Uiteraard staat dus ook in de huidige reglementen van orde bepalingen hieromtrent. Het voorgestelde derde lid van artikel 2:2 heeft conform de beleidsarme insteek de huidige werkwijze die tot nu was opgenomen in de betreffende reglementen van orde overgenomen. Deze is geheel conform de eis van de wet nog iets concreter gemaakt. Uiteraard kan de vertegenwoordiger van de betreffende gemeente bij het beantwoorden van de vragen te allen tijde ondersteuning krijgen van de MRDH.

b. Vanzelfsprekend kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Om dit onderscheid duidelijk te maken is het vierde lid opgenomen in artikel 2:2 c. Het vijfde lid is een nieuw voor te stellen werkwijze. Deze werkwijze kan alleen maar succes hebben als de bestuurders die vanuit de gemeente zitting hebben in de bestuursorganen van de MRDH de aan hen gestelde vragen tijdig en volledig melden.

Artikel 2:2a inspraak van belanghebbenden en ingezetenen Naar aanleiding van de wetswijziging De betreffende passage in de wet: Art 10 Wgr, 7e en 8e lid: 7. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. 8. De in het zevende lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de regeling niet anders is bepaald.

Er dient dus een bepaling opgenomen te worden of en op welke wijze burgers betrokken worden. De MRDH kent al de mogelijkheid van inspreken bij het AB en de bestuurscommissies VA en EV en adviescommissies VA en EV. Dit is geregeld in de reglementen van orde. De wet vereist nu dat de GR bepalingen omtrent inspraak opneemt. Een zo beleidsarm mogelijke wijziging betekent dat de bepalingen uit de regelementen van orde worden overgenomen in de GR MRDH. Artikel 2:3 algemeen bestuur Naar aanleiding van de actualisatie: a. Stukken voor het AB worden vanuit de eerste tussenevaluatie twee weken van tevoren toegezonden. Daarbij is er altijd de mogelijkheid om rekening te houden met de vakantieperioden. De termijn in artikel 2:3 tweede lid wordt op deze praktijk aangepast b. De nieuw samengevoegde gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee zijn toegevoegd. Dit leidt tot een ander aantal leden en ook een ander aantal stemmen in het algemeen bestuur en dus ook in artikel 2:3. De stemmen zijn destijds bepaald op de toen actuele inwonertallen (2013). De nu voorgestelde stemverhoudingen zijn bepaald op basis van nu actuele inwonertallen van 2022 (cijfers CBS). Zoals in onderstaande schema’s wordt aangetoond is bij het bepalen van het aantal stemmen zoveel mogelijk de oorspronkelijke stemverhoudingen aangehouden.

Oorspronkelijk:

Gemeente

Inwoneraantal 2013 Aantal stemmen in GR

% van de stemmen

Rotterdam

615.726

45

22,5%

Den Haag

505.568

39

19,5%

Zoetermeer

123.064

9

4,5%

Westland

102.717

9

4,5%

Delft

99.085

9

4,5%

Schiedam

76.354

7

3,5%

Leidschendam-Voorburg

72.561

7

3,5%

Spijkenisse

72.332

7

3,5%

Vlaardingen

70.889

7

3,5%

Capelle a/d IJssel

66.034

7

3,5%

Lansingerland

56.508

5

2,5%

Pijnacker-Nootdorp

50.454

5

2,5%

Barendrecht

47.387

5

2,5%

Rijswijk

47.345

5

2,5%

Ridderkerk

45.327

5

2,5%

Hellevoetsluis

39.093

5

2,5%

Maassluis

31.956

4

2,0%

Krimpen a/d IJssel

28.854

4

2,0%

Wassenaar

25.695

4

2,0%

Albrandswaard

25.114

4

2,0%

Midden-Delfland

18.243

2

1,0%

Brielle

16.328

2

1,0%

Westvoorne

13.889

2

1,0%

Bernisse

12.339

2

1,0%

totaal is 200 stemmen Huidige voorstel (in groen de wijzigingen):

Gemeente

Voorlopig Inwoneraantal 2022

Voorstel verdeling aantal stemmen in GR

% van de stemmen

Rotterdam

655.468

45

22,5%

Den Haag

553.417

39

19,5%

Zoetermeer

125.767

9

4,5%

Westland

112.448

9

4,5%

Delft

104.572

9

4,5%

Nissewaard

86.332

9

4,5%

Schiedam

79.644

7

3,5%

Leidschendam-Voorburg

76.659

7

3,5%

Vlaardingen

74.143

7

3,5%

Voorne aan Zee

73.238

7

3,5%

Capelle a/d IJssel

67.188

7

3,5%

Lansingerland

64.110

5

2,5%

Rijswijk

56.947

5

2,5%

Pijnacker-Nootdorp

56.597

5

2,5%

Barendrecht

48.714

5

2,5%

Ridderkerk

47.099

5

2,5%

Maassluis

34.148

4

2,0%

Krimpen a/d IJssel

29.415

4

2,0%

Wassenaar

27.115

4

2,0%

Albrandswaard

25.934

4

2,0%

Midden-Delfland

19.484

4

2,0%

c.

In het zesde lid van artikel 2:3 is toegevoegd dat het lid van gedeputeerde staten geen stem heeft. Dit is al zo, maar op verzoek is dit duidelijker opgeschreven.

Artikel 2:5 voorzitter en plaatsvervangend voorzitter Naar aanleiding van de actualisatie: Het tweede lid van artikel 2:5 regelt dat de zittende voorzitter niet direct herbenoembaar is. In de praktijk echter, blijkt en is gebleken dat er na twee jaar ook de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het

tweede lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft. Artikel 2:6 dagelijks bestuur Naar aanleiding van de actualisatie. a. In artikel 2:6 eerste lid sub b wordt verwezen naar alle deelnemende gemeenten in artikel 2:3. Omdat door gemeentelijke herindeling artikel 2:3 is veranderd is, klopt de verwijzing in artikel 2:6 niet meer. De verwijzing is aangepast. b. Het derde lid van artikel 2:6 is verwijderd. Deze verwees naar een mogelijke deelname van de provincie in het dagelijks bestuur. De provincie heeft geen zitting in het dagelijks bestuur. Dit artikel was destijds gecreëerd vanuit het idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Daarom wordt dit aangepast aan de huidige werkwijze en geschrapt. c. In plaats daarvan wordt een nieuw derde lid voorgesteld: 3.Het dagelijks bestuur kiest in ieder geval een portefeuillehouder Middelen uit haar midden. Het dagelijks bestuur is het wettelijk aangewezen gremium om de ontwerp-begroting, de bestuursrapportages inclusief begrotingswijzigingen en de jaarrekening aan te bieden aan het algemeen bestuur. Daarom is het gewenst altijd een portefeuillehouder middelen te hebben in het dagelijks bestuur. d.

Lid 4 is toegevoegd zodat het aansluit met de huidige werkwijze dat een door het algemeen bestuur aangewezen lid van het algemeen bestuur voor een specifiek onderwerp kan aansluiten bij de beraadslagingen van het dagelijks bestuur. Artikel 2:7 bestuurscommissies Naar aanleiding van de actualisatie a. De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Wel is het zo dat de portefeuillehouder van gedeputeerde staten wordt uitgenodigd voor de beraadslaging van het openbare gedeelte van de vergadering. De gedeputeerde heeft daarbij geen stem. Daar is dit artikel nu op aangepast. b. In de praktijk blijkt en is gebleken dat er, net zoals bij het dagelijks bestuur, de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het vierde lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft. Artikel 2:8 adviescommissies Naar aanleiding van de actualisatie De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Het artikel wordt dus aangepast aan de huidige situatie en werkwijze. Artikel 3:2 strategische agenda Naar aanleiding van de actualisatie a.

In de praktijk is het met de tijd die het vormen van colleges in de deelnemende gemeenten kost en met de procedure die voor zienswijzen wordt doorlopen praktisch gezien onmogelijk om in het eerste bestuursjaar de strategische agenda vast te stellen. Doel van dit artikel is vooral dat dit proces gestart wordt in het eerste jaar en zodra het nieuwe bestuur is geïnstalleerd. Daarom wordt nu gekozen voor het in het eerste jaar in ieder geval vrijgeven voor zienswijze van deze strategische agenda. Het eerste lid van artikel 3:2 is hierop aangepast. b. In het tweede lid is het woordje werkplan vervangen door het woordje begroting. Het werkplan is immers een onderdeel van de begroting van de MRDH. Daaraan is toegevoegd: De

informatie in de MRDH-begroting stelt de gemeenteraden in staat om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda. Artikel 3:3 bevoegdheidsverdeling Naar aanleiding van de actualisatie Het eerste lid van artikel 3:3 is in overeenstemming gebracht met artikel 33 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze luidt: De bevoegdheden die bij de regeling worden overgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. Hier staat dat de bevoegdheidsverdeling dus bij wet of gemeenschappelijke regeling dient te geschieden en niet op ander wijze. Dit betekent dat ‘krachtens de regeling’ niet is toegestaan. Artikel 3:5 faciliterende en dienstverlenende taken Naar aanleiding van de actualisatie Uiteraard is het impliciet de bedoeling en ook altijd de bedoeling geweest dat ook diensten verricht kunnen worden voor de deelnemende gemeenten. Dit is nu expliciet in het tweede lid van artikel 3:5 opgenomen Artikel 4:1 begroting Naar aanleiding van de wetswijziging a. Art 35 eerste lid Wgr luidt: 1.

Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De wettelijke termijn van 12 weken voor de begrotingscyclus is uiteraard ook van toepassing op de MRDH. Het gewijzigde artikel 35, eerste lid uit de Wgr heeft directe werking en geldt dus al sinds inwerkingtreding van de wet in juli 2022. De MRDH heeft het dan ook al voor het jaar 2023 toegepast. Voor de duidelijkheid is in het eerste lid van artikel 4:1 ook opgenomen dat deze wettelijke termijn van 12 weken geldt bij de begrotingscyclus. b. Artikel 35, zesde lid Wgr luidt: 6. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. Dit zesde lid regelt dat er voor begrotingswijzigingen kan worden afgeweken van de zienswijzeplicht en de zienswijzetermijn.

De huidige GR regelt al dat in bepaalde gevallen de zienswijzeplicht bij begrotingswijzigingen niet van toepassing is (zie hieronder ook de wijziging naar aanleiding van de actualisatie onder b.) In de gevallen waarbij onder de vigerende GR MRDH wel een zienswijzeplicht geldt voor de begrotingswijzigingen geldt een zienswijzetermijn van 8 weken. Als bij de ontwerp GR bij een begrotingswijziging, in de gevallen waarbij een zienswijzeplicht van toepassing is, wordt uitgegaan van een termijn van 12 weken zoals bij de gewone begrotingsprocedure wordt gehanteerd, zal een wijziging nauwelijks mogelijk zijn binnen het lopende begrotingsjaar. Daarom wordt gekozen voor de termijn van 8 weken, die tot nu gebruikelijk is en ook gebruikelijk is bij overige zienswijzen (zoals bijvoorbeeld in de Wgr bij wijziging van de GR). Nu zo’n wijziging gelijk is aan hoe het onder de huidige GR MRDH al geldt en vaak slechts enkele onderdelen betreft van de begroting, moet 8 weken ook goed haalbaar zijn. Het tweede lid is hierop aangepast. Naar aanleiding van de actualisatie

a.

b.

De MRDH werkt met een meerjarenbegroting naast de begroting voor het komende jaar, deze is nu opgenomen in het eerste lid van artikel 4:1. Het begrip meerjarenbegroting is eveneens opgenomen in de definities in artikel 1:1. Een meerjarenbegroting is iets anders dan meerjarenraming. De meerjarenraming betreft een formele term uit het Besluit begroting en verantwoording, en verwijst naar een document dat de 3 jaar na de begroting beslaat. MRDH werkt niet met begrotingsposten maar met Programma’s. Tot op heden is deze regel in de praktijk ook altijd toegepast op programma’s. Dit is aangepast in het tweede lid van dit artikel. Overigens dient opgemerkt dat het schuiven tussen programma’s uiterst zeldzaam is. Sinds de oprichting van de MRDH is dit slechts 1 keer voorgekomen.

Artikel 5:2 ambtelijke ondersteuning Naar aanleiding van de actualisatie a. In een eerdere wetswijziging van de Wgr zijn de in artikel 5:2 genoemde bevoegdheden expliciet bij het dagelijks bestuur neergelegd in artikel 33b (voorheen was het algemeen bestuur de bevoegde). Tevens is de terminologie uit de wet overgenomen. b. Artikel 4 van de gemeentewet is per 1-1-2020 vervallen en dus verwijderd uit het tweede lid van dit artikel. Artikel 5:3 Archief Naar aanleiding van de actualisatie Het gehele artikel 5:3 is op advies van en in overleg met de archiefinspectie aangepast aan de actuele wet- en regelgeving. a. Op grond van de Archiefwet 1995 (art. 4 en 40) moet bij een gemeenschappelijke regeling een voorziening worden vastgesteld voor de archiefbescheiden. Hieronder wordt verstaan: de zorg (bestuurlijke verantwoordelijkheid), het beheer (ambtelijke verantwoordelijkheid), de bewaring en het toezicht. b. Eveneens is vastgelegd dat het algemeen bestuur een archiefverordening opstelt. c. Het tweede lid van artikel 5:3 is niet meer van toepassing sinds de Wet revitalisering generiek toezicht uit 2012. Artikel 6:2 uittreding Naar aanleiding van de wetswijziging Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt: 1.

De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. MRDH had al uittreedregels. Deze zijn vastgesteld door het AB op 12 juli 2019. Deze worden nu voor een deel ongewijzigd overgenomen in de regeling. Dit met name omdat de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent het vermogen dienen te worden opgenomen in de GR MRDH Voorzover de uittreedregels niet worden overgenomen in de GR blijven deze gelden op basis van het tweede lid van artikel 6:2. Artikel 6:4 opheffing Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt: 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1.

Omdat het grootste deel van de MRDH wordt gefinancierd met rijksgelden vanuit haar wettelijke taken als Vervoerautoriteit, kan worden aangenomen dat bij opheffing van de MRDH die taken teruggaan naar waar ze anders zouden liggen (de provincie) en de gelden terug naar het Rijk zullen gaan. Dat betekent dat de MRDH uitsluitend eigen, door gemeenten ingebracht, vermogen heeft op het onderdeel Economisch vestigingsklimaat. Daarom kan ook alleen over dat stukje een bepaling over de verdeling van het vermogen worden opgenomen. Daarom wordt voorgesteld om aan artikel 6:4 een zesde lid toe te voegen die luidt: 6. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting. Artikel 8:1 periodieke evaluatie Naar aanleiding van de actualisatie Doordat de eerste evaluatie na 2 jaar werd gehouden, bleek de vijfjaarlijkse evaluatie niet uit te komen op 2024 (moment van de speciale evaluatie) om te voorkomen dat dit leidt tot verwarring, is gekozen om die eerste evaluatie (die overigens wel heeft plaatsgevonden) te schrappen zodat tellend vanaf 2024 gewoon elke 5 jaar geëvalueerd wordt. Het laatste zinnetje van artikel 8:1 wordt daarom geschrapt.

Artikel 8:2 toezending ex artikel 26 van de wet Naar aanleiding van de actualisatie Artikel 8:2 is de naam van het ministerie aangepast aan de huidige naam van het ministerie. Artikel 8:4 Naar aanleiding van de wetswijziging In het eerste lid van artikel 8:4 wordt voor inwerkingtreding verwezen naar de wet afschaffing plusregio’s. Deze wet is in december 2014 in werking getreden. De nu voorliggende versie van de GR dient conform de wetswijziging in werking te treden op 1 juli 2024. Het eerste lid van artikel 8:4 is hierop aangepast.

Ontwerp - Nota van beantwoording •

Zienswijzen op het concept-ontwerp wijziging Gemeenschappelijke Regeling MRDH

Inleiding Op 18 januari 2022 zijn de Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen gepubliceerd. Deze wijziging is op 1 juli 2022 in werking getreden. De MRDH heeft twee jaar de tijd gekregen om, vanaf het moment van inwerkingtreding van deze wet, de Gemeenschappelijke regeling MRDH 2014 in overeenstemming te brengen met deze wet. Daartoe is een concept-ontwerp wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling MRDH opgesteld. Zienswijzen De concept-ontwerp wijziging van de gemeenschappelijke regeling is vanaf 11 september 2023 ter zienswijze voorgelegd aan de 21 gemeenteraden van de gemeenten die samenwerken binnen de MRDH. De zienswijzeperiode duurde negen weken en eindigde op 13 november 2023. Van 17 gemeenten is een zienswijze ontvangen, van 4 gemeenten is geen reactie ontvangen. In een aantal gevallen is het ontwerp aangepast op de zienswijzen van de gemeenten. Dan wordt in de reactie van het algemeen bestuur, dit artikel getoond met in rood de wijzigingen. Omdat soms meerdere gemeenten hebben gereageerd op een bepaald artikel, kan het zijn dat er meer rode wijzigingen zichtbaar zijn dan in die specifieke zienswijze wordt gevraagd.

Een aantal gemeenten heeft naar aanleiding van deze zienswijze onderwerpen aangedragen om te behandelen in de evaluatie MRDH2024. Deze zullen door het algemeen bestuur worden meegenomen in die evaluatie. In de Nota van Beantwoording is een lijst opgenomen met de ingebrachte onderwerpen. In de Nota van Beantwoording zijn de volgende afkortingen gehanteerd: • GR = Gemeenschappelijke Regeling van de MRDH • huidige GR = de nu geldende GR • nieuwe GR = het ontwerp dat nu voorligt • Wgr = Wet gemeenschappelijke regelingen • RvO = Reglement van Orde • Va = Vervoersautoriteit • EV= Economisch Vestigingsklimaat • Gremia: o AB = Algemeen bestuur o AcVa = Adviescommissie Vervoersautoriteit o AcEV = Adviescommissie Economisch Vestigingsklimaat Er zijn ook nog twee wijzigingen opgenomen vanwege vergissingen die door de MRDH zelf zijn opgemerkt.

Albrandswaard Van de gemeente Albrandswaard is geen zienswijze ontvangen.

Barendrecht Hierbij ontvangt u onze zienswijze op het ontwerp voor de wijziging van de gemeenschappelijke regeling MRDH (hierna: GR MRDH). We kunnen ons goed vinden in de gekozen beleidsarme aanpak van deze wijziging. We geven u met deze zienswijze graag een aantal voorstellen ter verbetering mee. Daarnaast willen we ter voorbereiding op de voorziene evaluatie in 2024 al een aantal aandachtspunten meegeven. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw uitgebreide reactie. Mogelijkheid gemeenten initiëren adviescommissie Het huidige artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt de mogelijkheid om commissies in te stellen die advies kunnen geven aan het algemeen bestuur (hierna: AB). We willen elke gemeenten de ruimte bieden om een adviescommissie te initiëren. Hoewel het onze voorkeur heeft thema’s via de reguliere overleggen te agenderen willen we niet op voorhand een adviescommissie onmogelijk maken. Reactie algemeen bestuur De vier huidige adviescommissies van de MRDH (Va, EV, bezwaarschriftencommissie en Rekeningcommissie) beslaan alle beleidsterreinen van de MRDH. Het staat deelnemers aan de GR altijd vrij, al dan niet gezamenlijk, het algemeen bestuur te verzoeken een extra adviescommissie in het leven te roepen. Die kan dan op dat moment het voorstel van de gemeenten wegen en daarop beslissen.

Deze mogelijkheid tot het instellen van een adviescommissie is op basis van de wet, artikel 24 Wgr, altijd mogelijk. Dit hoeft daarom niet opgenomen te worden in de GR. Participatie/inspreken door burgers Als op dit moment in de RvO van de regeling het onderdeel participatie/ inspreken door burgers is opgenomen, dan moet dat nu in de regeling worden opgenomen. De mogelijkheid voor inspreken door burgers in het algemeen bestuur dienen we altijd mogelijk te maken in het kader van transparant en toegankelijk besturen. Reactie algemeen bestuur We delen het belang zoals u dat beschrijft. Deze onderdelen zijn in de wijziging van de GR opgenomen (artikel 2:2a Inspraak door belanghebbenden en ingezetenen). Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden; schriftelijke vragen raadsleden Wij achten het onwenselijk dat raadsleden schriftelijke vragen direct stellen aan de MRDH. Dit ondermijnt naar onze mening de controlerende functie van de raden ten opzichte van de colleges. Raadsleden kunnen via hun vertegenwoordiging in de Adviesraden zaken agenderen en voor hun controlerende taak dit via de bestuurders van hun gemeente laten lopen. Reactie algemeen bestuur Uiteraard is het niet de bedoeling om met de wijziging van de GR de gemeentelijke controle en verantwoordingslijnen te doorkruisen. De MRDH is verlengd lokaal bestuur. Art.

2.2 voorziet alleen in het geval dat de raden of raadsleden informatie direct van de bestuursorganen van de MRDH wensen te verkrijgen. Daarbij worden de vertegenwoordigers van uw gemeenten dus aangesproken in de rol van bestuurder van de MRDH. Dit is overigens in lijn met de huidige praktijk binnen de GR.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3652/documents/31906