CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-015559 Antwoordbrief MAA Verordening Wmo 2026, ondertekende versie.pdf

Gemeenteraad AW 11 mei 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 17: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Albrandswaard 20265.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan leden van de MAA t.a.v de voorzitter R. Littel

Uw brief van:

17/6/25, 19/12/25 en 1/3/2026

Ons kenmerk:

2026-015559

Uw kenmerk:

N.v.t

Contact:

H.S. de Vlieg

Bijlage(n):

Memo aan MAA d.d. 30/126

Doorkiesnummer:

06 24750513

E-mailadres:

s.de.vlieg@albrandswaard.nl

Datum:

24-03-2026

Onderwerp: Reactie op advies MAA op de concept Verordening Wmo 2026 Geachte leden van de MAA, In het afgelopen half jaar hebben wij op drie verschillende momenten met u gesproken over de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben wij op meerdere momenten advies van u mogen ontvangen. Wij willen u hartelijk bedanken voor uw inzet, uw bereidheid om ons meerdere keren van advies te voorzien en de waardevolle bijdragen die u daarbij heeft geleverd. Inmiddels zijn uw adviezen, van de juridische afdeling en de uitvoering zorgvuldig afgewogen en waar mogelijk verwerkt in de nu voorliggende conceptverordening. Hieronder treft u onze reactie op de door u uitgebrachte adviezen van zondag 1 maart 2026. Voor de volledigheid sturen wij hierbij ook de memo van 30 januari, inclusief uw adviezen en onze reactie daarop. Verwachtende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, het college van de gemeente Albrandswaard, de secretaris de burgemeester,

mr. drs. Florus van der Linden drs. Cees Pille

Stationsstraat 4 - 3161 KP Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl

Reactie op advies MAA d.d. 1 maart 2026 Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026 Artikel 9. Aanvraag (is nu artikel 8) 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de ontvangst van de melding is uitgevoerd. Vraag: Wat gebeurt er als advies niet binnen 6 weken wordt uitgevoerd? Wat is dan het recht van de cliënt? Reactie: Het is voor cliënten belangrijk om te weten wat hun rechten zijn wanneer het onderzoek langer duurt dan de gebruikelijke termijn van zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond wordt de cliënt hierover geïnformeerd. Soms komt dit door omstandigheden buiten iemands invloed, zoals het moeten afwachten van medisch advies of het ontbreken van benodigde informatie. Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd. Vraag: Waarom wordt bovenstaande onderstreepte/cursief regeling niet opgenomen in artikel 8.

Reactie: Wij nemen uw advies over om te verduidelijken dat een cliënt, wanneer hij na zes weken niet langer wil of kan wachten, altijd de mogelijkheid heeft om een aanvraag in te dienen. Deze toelichting verwerken wij in de toelichting op de verordening. De reden hiervoor is dat dit recht al rechtstreeks voortvloeit uit de Algemene wet bestuursrecht en daarom niet in de verordening zelf hoeft te worden opgenomen. In de toelichting kunnen wij dit wel op een heldere en toegankelijke manier uitleggen. Vraag: Artikel 9: Lid 12 ontbreekt in de verordening. Reactie: Bedankt voor uw oplettendheid. Artikel 9 lid 12 is als volgt weer aan de verordening toegevoegd: Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren: a. een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting; b. een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Artikel 31. Hoogte pgb (is nu artikel 15) 2. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: a.

Het pgb voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in artikel 30 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. b. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 30 lid 3, wordt vastgesteld op het hoogste uurtarief voor vergelijkbare hulp volgens de van toepassing zijnde cao. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren.

2

Vraag: Bij artikelsgewijze toelichting artikel 30 en 31 (blz. 10 en 11) staan diverse wijzigingen o.a. dat de regeling dienstverlening aan huis per 1-1-2026 wordt afgeschaft en andere berekeningen voor uurloon formele en informele hulp. Is het mogelijk aan de hand van een voorbeeld aan te geven wat er verandert? Reactie: Bij formele hulp (via een professionele aanbieder) wordt het PGB-tarief afgeleid van wat de gemeente inkoopt via Zorg in Natura (ZIN). Daarbij geldt dat het PGB wordt vastgesteld op 90% van het ZIN-tarief. Bij informele hulp (bijvoorbeeld iemand uit het eigen netwerk) wordt het PGB niet gebaseerd op een zorgtarief, maar op loon. Het tarief wordt daarom vastgesteld op het wettelijk minimumuurloon (21 jaar en ouder). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiegeld en verlofuren en – als er sprake is van een arbeidsovereenkomst – ook met de werkgeverslasten. Per 1 januari 2026 een wijziging optreedt voor PGB-houders die met een hulp een arbeidsovereenkomst hebben. Tot en met 2025 konden zij bij werk van maximaal drie dagen per week vaak gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan huis, waardoor de werkgeverslasten beperkt bleven. Vanaf 1 januari 2026 vervalt die uitzondering voor PGB-arbeidsovereenkomsten. Daardoor gelden de normale regels voor werkgevers, met hogere werkgeverslasten en werkgeversverplichtingen. De werkgeverslasten worden vergoed vanuit het Pgb.

Vraag: Onderscheid formele en informele hulp (nu artikel 14): het is ons duidelijk dat er verschil kan zijn tussen hulp verleend door een professionele instantie en hulp van een familielid. Bij ons kwam de vraag op of een familielid dat adequaat geschoold is in de hulpverlening en als zodanig als zzp-er opgenomen is in het Handelsregister eerder formele dan informele hulp biedt. Na discussie meenden wij dat dit als formele hulp gewaardeerd dient te worden. Reactie: De gemeente hanteert bij de toekenning van het Pgb een onderscheid tussen formele en informele hulp. Daarbij geldt dat hulp die wordt geleverd door een familielid in de eerste of tweede graad altijd wordt gewaardeerd als informele hulp, ook wanneer deze persoon aantoonbaar geschoold is en als zzp’er staat ingeschreven in het Handelsregister. Redenen voor dit beleid zijn: a. Familierelatie beïnvloedt de zorgrelatie. De afhankelijkheid en emotionele nabijheid tussen naasten maakt dat de zorg niet als volledig onafhankelijk en professioneel kan worden beschouwd; b. Aansluiting bij landelijke lijn. Landelijke richtlijnen en jurisprudentie beschouwen zorg door naasten in principe als informele hulp. Artikel 31 lid 8. Hoogte Pgb (is nu artikel 15 lid 6) Het toegekende pgb tarief blijft gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb hetzelfde.

Vraag: Wat is de looptijd van een toekenning? Moet het niet automatisch jaarlijks geïndexeerd worden net zoals bijv. bijstand, AOW enz.? Artikel 31 lid 8: Wij hebben ondanks de toelichting die gegeven wordt nog altijd moeite met de looptijd. Deze zou niet langer moeten zijn dan tot wanneer er een nieuwe indexatie komt. Na onderzoek op internet lijkt het ook gebruikelijk dat dit ieder jaar gebeurt i.v.m. loonontwikkelingen. In 2026 zullen o.a. werkgeverslasten moeten worden afgedragen, +/- 20% van het tarief. Wij zijn het er niet mee eens dat dit altijd een beperkt bedrag is vergeleken met de administratieve last die dit zou geven. Zie ook artikel 30 in “artikelsgewijze toelichting...”. Reactie: Wij zijn het met u eens dat het pgb‑tarief jaarlijks moet worden geïndexeerd. Dit geldt zowel voor het informele als het formele pgb‑tarief. Daarom passen wij deze tarieven jaarlijks aan, zodat ze actueel blijven en beter aansluiten bij de werkelijke kosten, zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten voor cliënten. Het formele pgb‑tarief wordt één keer per jaar geïndexeerd.

Voor pgb’s voor informele hulp geldt daarnaast dat deze automatisch twee keer per jaar worden aangepast. Dit komt doordat het tarief is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, dat eveneens halfjaarlijks wordt gewijzigd. Hierdoor beweegt het pgb‑tarief automatisch mee met de landelijke loonontwikkelingen. Vraag: Op 5 januari 2026 hebben de raadsleden een brief van Per Saldo ontvangen over wijziging PGB 2026. Verwerkt de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis 2026 als voorgesteld in de brief van Per Saldo in de indexering van het budget 2026 voor pgb houders. Reactie: Bij het vaststellen van de pgb‑tarieven maken wij gebruik van de Schulinck‑tool. Deze rekenmethodiek verwerkt de volledige werkgeverslasten die sinds de afschaffing van de Rdah gelden voor zorgverleners in loondienst. Hierdoor zijn deze werkgeverslasten al opgenomen in het pgb‑tarief dat de gemeente hanteert. Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie (is artikel 27) Over dit artikel willen we voordat we advies geven een breder overleg, omdat ons inziens je bij burger en cliëntenparticipatie niet alleen over de MAA kan spreken. Advies 18 december 2025: “Artikel 43: Wij vinden dat als er gesproken wordt over burger- en cliëntenparticipatie het beter verwoord is in de oude verordening en daar de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard aan toegevoegd wordt.” Reactie: Uw aanname is correct.

De adviesraad kan ook bestaan uit andere vormen van participatie, De MAA is echter de enige formele adviesraad voor het sociale domein (o.a. de Wmo). Wij hebben daarom uw advies van 18 december 2025 overgenomen en de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard toegevoegd aan de tekst van de (oude) verordening 2022. Mondeling overleg 15 december 2025: U gaf tijdens het overleg van 15 december aan dat onder andere een gehandicaptenraad ontbreekt. Als u dat wenst gaan wij gaan wij graag met u in gesprek om te verkennen of – en op welke wijze – een afvaardiging hiervan structureel onderdeel kan worden van De MAA. Dit geldt eventueel ook voor andere belangengroepen die mogelijk ontbreken. Vraag: Artikel 27: de tekst en de inhoud van dit artikel komen niet overeen in de verordening en in de toelichting. Reactie: Dank voor uw opmerking over de toelichting bij artikel 27. U geeft aan dat de huidige tekst niet volledig aansluit op artikel 2.1.3 van de Wmo. Wij herkennen dit signaal. De toelichting is inmiddels aangepast zodat deze beter recht doet aan de wettelijke verplichting om inwoners, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, vroegtijdig en op een passende manier te betrekken bij de voorbereiding van het Wmo-beleid. Ook is verduidelijkt hoe de Maatschappelijke Adviesraad hierin een rol vervult en hoe dit lokaal is geregeld via nadere regels en het huishoudelijk reglement.

4

BIJLAGE: MEMO aan MAA d.d. 30 januari 2026 Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026 Artikel 2. Melding (is ook artikel 2) 2. Het college stuurt een schriftelijke bevestiging van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. Advies: en maakt zo spoedig mogelijk, “doch uiterlijk binnen 10 werkdagen” toevoegen. Reactie: Wij begrijpen goed waarom u graag een duidelijke termijn in de verordening zou zien. Het is belangrijk dat inwoners weten waar zij aan toe zijn, en wij waarderen uw aandacht hiervoor. Tegelijkertijd merken wij in de praktijk dat het niet altijd haalbaar is om binnen tien werkdagen een gesprek te plannen. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat iemand tijdelijk is opgenomen in het ziekenhuis, er medisch advies moet worden afgewacht, of omdat een inwoner zelf niet eerder beschikbaar is. Om die reden nemen wij deze vaste termijn niet op in de verordening. Wat wél altijd geldt, is dat de schriftelijke bevestiging van de melding binnen tien dagen wordt verstuurd. Daarnaast wordt het gesprek binnen zes weken na de melding gevoerd, zoals de wet voorschrijft. In de artikelsgewijze toelichting hebben wij extra uitgelegd wat wij bedoelen met “zo spoedig mogelijk”, zodat hierover minder onduidelijkheid kan ontstaan. Wij willen benadrukken dat wij er alles aan doen om inwoners zo snel mogelijk te helpen.

In de meeste gevallen lukt het om binnen 2 à 3 weken een gesprek te voeren. Alleen in uitzonderlijke situaties loopt dit anders, zoals hierboven beschreven. Artikel 3. Cliëntondersteuning (is ook artikel 3) Advies: “en zijn mantelzorger” vervangen door “en/of zijn belangenbehartiger” (of “vertegenwoordiger” wat meer in overeenstemming is met artikel 6, lid 2). Reactie: Wij nemen het advies over. De tekst wordt dan als volgt: Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger en/of vertegenwoordiger voorafgaand aan het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Nummeringen artikelen De nummering in de verordening waarover u advies heeft uitgebracht, komt niet overeen met de nummering in de conceptverordening die nu voorligt. Om verwarring te voorkomen, is per artikel aangegeven op welk onderdeel u advies heeft gegeven en waar dit artikel terug te vinden is in de huidige conceptverordening. Artikel 7. Onderzoeksrapport (is nu artikel 6 lid 7) Lid 1: Advies: toevoegen “in begrijpelijke taal” (zie LIA 2024) Reactie: Het is voor inwoners essentieel dat zij kunnen begrijpen wat hun rechten en plichten zijn. De Wmo‑verordening Sociaal Domein is echter niet volledig in begrijpelijke (bv B1)‑taal opgesteld.

De wettelijke bepalingen hebben wij bewust één op één overgenomen, omdat het herschrijven van deze juridische teksten het risico met zich meebrengt dat er onduidelijkheid of verschillende interpretaties ontstaan. Ook sluiten wij hiermee aan bij de manier waarop andere gemeentelijke verordeningen zijn opgesteld, zodat onze juridische documenten consistent blijven.

Wat wij wél hebben gedaan, is de toelichting op de verordening zo veel mogelijk in begrijpelijke taal te schrijven. Op die manier blijft de inhoud toegankelijk voor een brede groep inwoners, terwijl de juridische juistheid van de verordening zelf behouden blijft. 2. De cliënt tekent het onderzoeksrapport voor gezien of akkoord De cliënt zorgt ervoor dat een getekend exemplaar, zo snel als mogelijk wordt teruggestuurd aan de contactpersoon met wie het gesprek is gevoerd. Advies: zo snel mogelijk,” doch uiterlijk binnen 10 werkdagen” toevoegen. Reactie: Wij begrijpen goed waarom u graag een duidelijke termijn in de verordening zou zien. Het is belangrijk dat cliënten weten waar zij aan toe zijn en dat het proces voor iedereen helder en voorspelbaar is. Toch nemen wij het advies om een verplichting van tien werkdagen op te nemen niet over. In de praktijk merken wij dat zo’n vaste termijn weinig toevoegt. Het terugsturen van het onderzoeksrapport is namelijk vooral in het belang van de cliënt zelf, zeker wanneer iemand gebruik wil maken van het recht op correctie of aanvulling. Een formele verplichting in de verordening helpt daar niet altijd bij en kan in sommige situaties zelfs onnodige druk opleggen.

Wij blijven cliënten uiteraard stimuleren om het rapport zo snel mogelijk te retourneren, zodat het proces vlot kan verlopen en eventuele aanpassingen tijdig kunnen worden verwerkt. Artikel 8 Advisering (is nu artikel 7) Lid 2a: “iemand die niet _ nog geen voorziening heeft” waarschijnlijk ontbreekt hier het woordje “of? Reactie: Bedankt voor uw opmerkzaamheid. Er staat nu: “a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.” Artikel 9. Aanvraag (is nu artikel 8) 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de ontvangst van de melding is uitgevoerd. Vraag: Wat gebeurt er als advies niet binnen 6 weken wordt uitgevoerd? Wat is dan het recht van de cliënt? Reactie: Het is voor cliënten belangrijk om te weten wat hun rechten zijn wanneer het onderzoek langer duurt dan de gebruikelijke termijn van zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond wordt de cliënt hierover geïnformeerd. Soms komt dit door omstandigheden buiten iemands invloed, zoals het moeten afwachten van medisch advies of het ontbreken van benodigde informatie.

Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd. 3. Een aanvraag wordt ingediend met een ondertekend onderzoeksrapport of een ingevuld aanvraagformulier. Vraag: Het onderzoeksrapport of vragenformulier moeten deze op papier en/of digitaal aangeleverd worden?

6

Reactie: De aanvraag kan zowel op papier als digitaal worden ingediend. Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening (is nu artikel 9 lid 5) 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening. Vraag: Als de cliënt een duurdere voorziening wil, kan deze persoon dan gebruik maken van een PGB zoals toegelicht bij artikelsgewijze toelichting artikel 11 lid 2? Reactie: Ja, dit is mogelijk. Wij begrijpen dat sommige cliënten voorkeur kunnen hebben voor een andere of duurdere voorziening dan de goedkoopst adequate variant die de gemeente aanbiedt. In dat geval kan een persoonsgebonden budget (PGB) uitkomst bieden. Belangrijk is dat de voorziening die met het PGB wordt ingekocht passend en adequaat is en aansluit bij het Plan van Aanpak. Het PGB wordt vastgesteld op basis van de kosten die de gemeente zou maken wanneer zij zelf een passende voorziening in natura zou inkopen. Wanneer een cliënt kiest voor een duurdere voorziening, is dat toegestaan, maar dan betaalt de cliënt zelf het verschil bij. Op deze manier blijft er ruimte voor persoonlijke voorkeuren, terwijl de wettelijke kaders en zorgvuldigheid behouden blijven. Artikelen over maatwerkvoorzieningen. De door u gegeven adviezen over de artikelen 12 tot en met 26 zijn niet in deze beantwoording meegenomen.

Deze artikelen zijn namelijk samengevoegd met de bepalingen in de beleidsregels. We hebben hiervoor gekozen omdat de artikelen al grotendeels in de beleidsregels waren opgenomen. Hierdoor ontstaat geen overlap meer tussen beide documenten en wordt verwarring voorkomen. Bovendien is het logisch om deze artikelen in de beleidsregels onder te brengen, omdat de artikelen 12 tot en met 26 een nadere uitwerking vormen van artikel 9 tot en met 11 van de verordening. Bij het opnieuw vormgeven van de beleidsregels zullen wij uw adviezen opnieuw overwegen. Op een later moment informeren wij u of, en zo ja hoe, uw advies daarin is verwerkt. Artikel 27. Weigeringsgronden (is nu artikel 11 lid g) 1.f.als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; Vraag: Kan dit artikel toegelicht worden? Reactie: Omdat dit artikel tot vragen kan leiden, hebben wij in de toelichting een uitgebreidere uitleg opgenomen.

In de artikelsgewijze toelichting staat nu beschreven dat de gemeente een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo kan weigeren wanneer een cliënt al een Wlz‑indicatie heeft, of wanneer er sterke aanwijzingen zijn dat iemand eigenlijk zwaardere, langdurige zorg nodig heeft die onder de Wlz valt.De cliënt kan vervolgens worden gevraagd om binnen een bepaalde termijn een Wlz‑aanvraag te doen. Wanneer uit die aanvraag blijkt dat de zorg inderdaad onder de Wlz hoort, dan mag de gemeente de Wmo‑ondersteuning beëindigen of weigeren.

Artikel 29 Regels voor Pgb (is nu artikel 13) Artikel 29 lid 1: de eerste zin klopt niet. Wat wordt bedoeld? Geen idee wat hiermee bedoelt wordt? Artikel 29 lid 7: “ïs” moet “zijn” zijn. Reactie: wij kunnen beiden punten niet meer terug herleiden in de Verordening, waarschijnlijk omdat de nummeringen zijn aangepast. Volgens ons is de “taalfout” niet meer aanwezig. Artikel 31. Hoogte pgb (is nu artikel 15) 2. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: c. Het pgb voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in artikel 30 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. d. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 30 lid 3, wordt vastgesteld op het hoogste uurtarief voor vergelijkbare hulp volgens de van toepassing zijnde cao. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren. Vraag: Bij artikelsgewijze toelichting artikel 30 en 31 (blz. 10 en 11) staan diverse wijzigingen o.a. dat de regeling dienstverlening aan huis per 1-1-2026 wordt afgeschaft en andere berekeningen voor uurloon formele en informele hulp.

Is het mogelijk aan de hand van een voorbeeld aan te geven wat er verandert? Reactie: Bij formele hulp (via een professionele aanbieder) wordt het PGB-tarief afgeleid van wat de gemeente inkoopt via Zorg in Natura (ZIN). Daarbij geldt dat het PGB wordt vastgesteld op 90% van het ZIN-tarief. Bij informele hulp (bijvoorbeeld iemand uit het eigen netwerk) wordt het PGB niet gebaseerd op een zorgtarief, maar op loon. Het tarief wordt daarom vastgesteld op het wettelijk minimumuurloon (21 jaar en ouder). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiegeld en verlofuren en – als er sprake is van een arbeidsovereenkomst – ook met de werkgeverslasten. Per 1 januari 2026 een wijziging optreedt voor PGB-houders die met een hulp een arbeidsovereenkomst hebben. Tot en met 2025 konden zij bij werk van maximaal drie dagen per week vaak gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan huis, waardoor de werkgeverslasten beperkt bleven. Vanaf 1 januari 2026 vervalt die uitzondering voor PGB-arbeidsovereenkomsten. Daardoor gelden de normale regels voor werkgevers, met hogere werkgeverslasten en werkgeversverplichtingen. De werkgeverslasten worden vergoed vanuit het Pgb. Artikel 31 lid 5 Vraag: eenmaal “regulier” weglaten Reactie: Deze aanpassing is doorgevoerd bij artikel 15 lid 5. Artikel 31 lid 8.

Hoogte Pgb (is nu artikel 15 lid 6) Het toegekende pgb tarief blijft gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb hetzelfde. Vraag: Wat is de looptijd van een toekenning? Moet het niet automatisch jaarlijks geïndexeerd worden net zoals bijv. bijstand, AOW enz.? Artikel 31 lid 8: Wij hebben ondanks de toelichting die gegeven wordt nog altijd moeite met de looptijd. Deze zou niet langer moeten zijn dan tot wanneer er een nieuwe indexatie komt. Na onderzoek op internet lijkt het ook gebruikelijk dat dit ieder jaar gebeurt i.v.m. loonontwikkelingen. In 2026 zullen o.a. werkgeverslasten moeten worden afgedragen, +/- 20% van het tarief. Wij zijn het er niet mee eens dat dit altijd een beperkt bedrag is vergeleken met de administratieve last die dit zou geven. Zie ook artikel 30 in “artikelsgewijze toelichting...”.

8

Reactie: Wij zijn het met u eens dat het pgb‑tarief jaarlijks moet worden geïndexeerd. Dit geldt zowel voor het informele als het formele pgb‑tarief. Daarom passen wij deze tarieven jaarlijks aan, zodat ze actueel blijven en beter aansluiten bij de werkelijke kosten, zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten voor cliënten. Het formele pgb‑tarief wordt één keer per jaar geïndexeerd. Voor pgb’s voor informele hulp geldt daarnaast dat deze automatisch twee keer per jaar worden aangepast. Dit komt doordat het tarief is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, dat eveneens halfjaarlijks wordt gewijzigd. Hierdoor beweegt het pgb‑tarief automatisch mee met de landelijke loonontwikkelingen. Artikel 33. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget en sommige algemene voorzieningen (is nu artikel 17 lid 3) v 5. De kostprijs van een voorziening wordt als volgt bepaald: a. voor maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt de kostprijs bepaald door een aanbesteding. Of na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. voor een pgb is dit gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb.

Vraag: Wat is de eigen bijdrage bij punt 5? Hoe wordt deze berekend? Reactie: De hoogte van de eigen bijdrage wordt landelijk vastgesteld. Het CAK beoordeelt per inwoner of de eigen bijdrage verschuldigd is, berekent deze en int de bijdrage. De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening of het pgb. In 2026 bedraagt het abonnementstarief € 21,80 per maand. Dit bedrag geldt ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen en ongeacht de omvang van de ondersteuning die iemand ontvangt. Artikel 35. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden lid 1 e: (is artikel 20) Advies: om onduidelijkheid te vermijden over wat “kwetsbare cliënten” zijn: het woord “kwetsbare” verwijderen. Reactie: In de versie die nu voorligt is de term “kwetsbare cliënten” niet opgenomen. Daarmee is aan uw advies tegemoetgekomen. Artikel 37 Meldingsregeling calamiteiten en geweld (is artikel 21) Vraag: heeft onze gemeente een “toezichthoudend ambtenaar”? Reactie: Wmo Toezicht is binnen de gemeen te Albrandswaard belegd bij GGD regio Rotterdam. Zij zijn de facto onze toezichthouders. Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie (is artikel 27) Over dit artikel willen we voordat we advies geven een breder overleg, omdat ons inziens je bij burger en cliëntenparticipatie niet alleen over de MAA kan spreken.

Advies 18 december 2025: “Artikel 43: Wij vinden dat als er gesproken wordt over burger- en cliëntenparticipatie het beter verwoord is in de oude verordening en daar de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard aan toegevoegd wordt.”

Reactie: Uw aanname is correct. De adviesraad kan ook bestaan uit andere vormen van participatie, De MAA is echter de enige formele adviesraad voor het sociale domein (o.a. de Wmo). Wij hebben daarom uw advies van 18 december 2025 overgenomen en de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard toegevoegd aan de tekst van de (oude) verordening 2022. Mondeling overleg 15 december 2025: U gaf tijdens het overleg van 15 december aan dat onder andere een gehandicaptenraad ontbreekt. Als u dat wenst gaan wij gaan wij graag met u in gesprek om te verkennen of – en op welke wijze – een afvaardiging hiervan structureel onderdeel kan worden van De MAA. Dit geldt eventueel ook voor andere belangengroepen die mogelijk ontbreken. Artikel 48. Overgangsrecht (is artikel 30) Opmerking: “en werkt terug tot en met 1 januari 2026” dient aangepast te worden als de inwerkingtreding voor 1 januari 2026 gerealiseerd wordt. Reactie: De tekst is aangepast om aan te sluiten bij de daadwerkelijke inwerkingtredingsdatum.

Reactie op artikelwijze toelichting Verordening Wmo 2026 Artikel 26 Weigeringsgronden (is artikel 11) Artikel 26, lid 3 ad h bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag toch altijd bij beide (natuurlijke) ouders. Alleen als één van de ouders, om wat voor reden dan ook, onttrokken is aan het ouderlijk gezag dan is er geen co-ouderschap (meer). Reactie: Uw uitleg klopt. Bij co‑ouderschap ligt het ouderlijk gezag in principe bij beide ouders. Alleen wanneer één van de ouders – om welke reden dan ook – niet (meer) het ouderlijk gezag heeft, is er geen sprake van co‑ouderschap. Artikel 28 Regels voor pgb (is artikel 13) Artikel 28 lid 2: waarom kan een bewindvoerder geen budgetbeheerder zijn? Wij hebben de indruk dat het vaak de al dan niet formele bewindvoerders zijn die een PGB aanvragen namens iemand, die daar zelf vaak niet toe in staat is, en vervolgens het budget beheert. Reactie: Dat is correct. We hebben daarom de volgende zin geschrapt: Dit betekent dat bijvoorbeeld een bewindvoerder geen budgetbeheerder kan zijn. Ter informatie: budget-beheer is meer dan bewindvoering: het gaat niet alleen om financiën, maar ook om zorg inkopen, afspraken vastleggen, administratie voeren, sturen op kwaliteit, periodiek evalueren en waar nodig bijstellen. We beoordelen per situatie of de beheerder de benodigde PGBvaardigheden en een voldoende onafhankelijke rol kan waarmaken.

Artikel 30 Hoogte pgb (is artikel 15) Artikel 30 lid 3:, 10de regel: hier lijkt na “het sociale netwerk” het woord “behoort” te ontbreken. Reactie: de tekst is inmiddels aangepast. Artikel 45 hardheidsclausule: (is artikel 29)

10

Wij hechten wel aan het behouden van deze opmerkingen over de hardheidsclausule. Het is voor de burger een duidelijk en positief ervaren signaal dat bij uitzondering in gevallen waarbij de wet of de regels niet voorzien, toch een hulpvrager geholpen kan worden. Reactie: De hardheidsclausule blijft, conform uw verzoek, in de nieuwe verordening gehandhaafd.

“Nieuwe bepalingen´ Vanaf dit punt worden artikelen en bepalingen beschreven die nieuw zijn. Deze onderdelen zijn niet eerder aan de adviesraad voorgelegd en konden daarom ook nog niet van commentaar worden voorzien. Artikel 1 begripsbepalingen - Toegevoegd: beleidsregels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard. -

Toegevoegd: nadere beleidsregels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde nadere beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard.

Door beide begrippen toe te voegen aan de begrippenlijst is het duidelijk dat we naast de verordening ook nadere regels en beleidsregels hebben. Artikel 8 Aanvraag. Aan artikel 8 is lid 6 toegevoegd. Lid 6 maakt duidelijk dat dezelfde aanvraagprocedure geldt voor financiële tegemoetkomingen als voor maatwerkvoorzieningen. Dit zorgt voor één uniforme werkwijze en voorkomt dat er verschillende procedures naast elkaar ontstaan. Artikel 9A Financiële tegemoetkoming verhuizing en (woning)inrichting Dit artikel is toegevoegd zodat het college de mogelijkheid heeft een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting. Artikel 9B Tegemoetkoming meerkosten. Dit artikel is toegevoegd zodat het college de mogelijkheid heeft een tegemoetkoming te verstrekken aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die als gevolg daarvan aannemelijke meerkosten hebben. De tegemoetkoming is bedoeld ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Artikel 10 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Artikelen over beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn bij elkaar gevoegd. Alle verwijzingen naar wetgeving zijn eruit gehaald. Dat is wettelijk niet verplicht om zo op te nemen. Het juridisch advies is vervolgens om indien nodig per artikel een bepaling over beschermd wonen en maatschappelijke opvang op te nemen.

Dit is wettelijk verplicht. Alleen een verwijzing naar de verordening van de gemeente Rotterdam volstaat niet. Dit betekend dat toegevoegd zijn de volgende artikelen: - 10A: juridisch gezien moet deze gelijk na artikel 10;

- 11 A en B: deze moeten nog voor artikel 11. Want in artikel 11 gelden algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen. Door artikel 11A en B ervoor te plaatsen wordt de inhoud benoemd en daarna (huidige artikel 11) waarom het geweigerd wordt. - 13A: juridisch gezien moet deze gelijk na artikel 13. - 17A: juridisch gezien moet deze gelijk na artikel 17. A artikelen worden toegevoegd om nieuwe bepalingen in te voegen zonder bestaande nummering te wijzigen. Artikel 17 Eigen bijdrage (lid 2) Het volgende moet geregeld worden in de verordening wanneer een algemene voorziening wordt ingevoerd: 1. dat een bijdrage voor algemene voorzieningen mogelijk is; 2. voor welke algemene voorzieningen dat geldt; 3. dat het college de hoogte vaststelt; 4. dat de bijdrage geen drempel mag vormen; 5. dat de gemeente zelf int (niet het CAK). Alle 5 de punten staan nu benoemd in de verordening. Punt 4 is specifiek toegevoerd aan artikel 17 lid 2, namelijk: De bijdrage voor een algemene voorziening is zodanig vastgesteld dat deze geen belemmering vormt voor het gebruik van de voorziening en in een redelijke verhouding staat tot de kosten van de voorziening Artikel 17 Eigen bijdrage (lid 4) Aan artikel 17 is lid 4 toegevoegd omdat voor een financiële tegemoetkomingen die door het college worden verstrek geen eigen bijdrage verschuldigd is.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3843/documents/35544